1. De ambitie te komen tot een
duurzame ontwikkeling vereist innovatiebeleid dat de voorwaarden
schept om systeeminnovaties te stimuleren en te doen slagen.
Beleid is hier breed opgevat: het gaat niet alleen om beleid
van overheden (nationaal, provinciaal, lokaal), ook om dat
van andere spelers: bedrijfsleven, kennisinstellingen, maatschappelijke
organisaties. En om gezamenlijk beleid: om gerichte en samenhangende
inspanningen door meerdere spelers. Toekomstig innovatiebeleid
richt zich niet meer voornamelijk op vernieuwingen die overwegend
op bedrijfs- en organisatieniveau gerealiseerd kunnen worden (zoals
product- en procesinnovaties), maar ook en vooral op bedrijfs-
en organisatieoverstijgende vernieuwingen (zoals markt- en omgevingsinnovaties).
2. Systeeminnovaties zijn bedrijfs- en organisatieoverstijgende vernieuwingen die door uiteenlopende
belanghebbenden gezamenlijk gerealiseerd worden, die de inbreng
van uiteenlopende soorten van kennis en vaardigheden vergen, en
die de verhoudingen tussen belanghebbende partijen ingrijpend
veranderen.
De vernieuwingen kunnen gericht zijn op een regio, een cluster van activiteiten of specifieke maatschappelijke
thema's, en zijn in veel gevallen een combinatie van die drie.
Systeeminnovaties dienen in beginsel breed opgevat te worden,
zoals de volgende kenmerken (en voorbeelden) laten zien:
3. Er bestaat brede consensus
over de noodzaak van vernieuwingen op systeemniveau. De tijd is
derhalve rijp voor nieuw innovatiebeleid - nieuw voor wat de betreft
oriëntatie (verkennend en verbredend) en bestuur (procesmatig,
faciliterend en gericht op netwerkvorming).
Uit de diverse bijeenkomsten die onder meer
in NRLO-verband zijn georganiseerd, spreekt een breed gedragen
besef dat voor een duurzame ontwikkeling nieuwe wegen ingeslagen
moeten worden en dat innovaties op systeemniveau nodig zijn. Beleid
dat zich richt op dergelijke ingrijpende vernieuwingen kan een
krachtig vehikel zijn om via gezamenlijk besef te komen
tot gezamenlijke actie.
Bij de vormgeving van nieuw innovatiebeleid zal vooral energie
gestoken moeten worden in:
a. Ontwerpende toekomstverkenningen.
b. Procesarchitectuur en -management.
c. Publiek-private samenwerking.
d. Het faciliteren en stimuleren van functionele clusters in agrosector en groene ruimte.
e. Versterking van de positie van kennisinstellingen in innovatiecreërende netwerken.
Deze aandachtspunten plaatsen alle betrokkenen voor bestuurlijke
uitdagingen (a t/m d), en dagen kennisinstellingen
uit tot het aangaan van nieuwe samenwerkingsverbanden (c en e).
4. Systeeminnovaties zijn in
bestuurlijk opzicht lastig, omdat er van begin af aan uiteenlopende
partijen bij betrokken moeten worden en de te verwachten resultaten
zich pas gaandeweg aftekenen.
Innovatiebeleid gericht op het realiseren
van product- en procesinnovaties is relatief eenvoudig. Het zijn
in beginsel ondernemers en ondernemende instellingen die deze
innovaties dragen en volbrengen - het is in essentie hun verantwoordelijkheid
en competentie. Dat maakt innovatiebeleid goed hanteerbaar en
overzichtelijk, reden waarom er inmiddels een goed inzicht bestaat
in wat 'goed' en wat 'slecht' beleid is voor dit type van innovaties
- ongeacht of het gaat om overheidsbeleid of ondernemingsbeleid.
Voor systeeminnovaties ligt dat anders. Zodra omgevingen
vernieuwd worden kan geen van de afzonderlijke bedrijven en organisaties
verantwoordelijk worden gesteld, en rest niets anders dan een
gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het bijeenbrengen van
belanghebbenden en het creatief houden van complexe samenwerkingsverbanden
(innovatienetwerken) is iets dat in het meer reguliere innovatiebeleid
niet of nauwelijks aan de orde is. Daar komt bij dat de resultaten
van systeeminnovaties volgen op zoek- en leerprocessen
die het innovatienetwerk moet doorlopen en daarom op voorhand
slechts in algemene termen te geven zijn. In vergelijking met
product- en procesinnovaties zijn systeeminnovaties dan ook een
relatief ongewis avontuur. Maar voor ondernemers en ondernemende
bestuurders mag dat toch geen bezwaar zijn, integendeel.
5. Willen kennisinstellingen
een rol van betekenis spelen in systeeminnovaties, dan zullen
zij zich een positie moeten zien te verwerven in innovatiecreërende
netwerken.
Wetenschap en technologie vormen niet dè
bron van innovaties, evenals innovaties niet dè sturende
factor zijn in het wetenschaps- en technologiebedrijf. De verhouding
tussen wetenschap, technologie en innovatie kan gekenschetst worden
als een LAT-relatie: Living Apart Together. De drie domeinen hebben tot
op zekere hoogte hun eigen kerncompetenties, hun eigen drijfveren
en - niet onbelangrijk - hun eigen taal en communicatiekanalen.
Ze hebben elkaar niettemin nodig, want in de overlappende delen
wordt vernieuwende kennis gecreëerd. Omdat (systeem-)innovaties
nieuwe verbanden en nieuwe processen doen ontstaan, zal een buitengewoon
zwaar beroep gedaan worden op het vermogen om interacties tussen
de drie domeinen te bewerkstelligen. Innovatiecreërende netwerken
- eerder dan vaste structuren en organisaties - zijn een geschikt
forum voor dergelijke interacties . Die netwerken kennen een discipline-
en vak-overstijgende aanpak, gedeeld probleemeigenaarschap, een
streven naar overbruggen van belangentegenstellingen, en een open
benadering van denkbare oplossingsrichtingen.
Hoe verder?
Ofschoon nieuw innovatiebeleid niet eenzijdig vanuit de overheid vorm en inhoud
gegeven kan worden, is de overheid de aangewezen partij om op
te treden als verbindende en stimulerende schakel.
Gezien haar positie ligt het voor de hand dat de
overheid in dezen een initiërende en faciliterende rol speelt.
Niet vanuit de optiek dat de overheid daarin vervolgens sturend
zou gaan optreden, maar om partijen bijeen te brengen (en houden!)
en momentum te creëren om de omslagen in het denken om te
zetten in concrete en kansrijke initiatieven.
Op die manier wordt de innovatieagenda voor agrosector,
vissector en groene ruimte niet langer een opgave, maar
een verrijkende onderneming.