NRLO
Innoveren met ambitie - Kansen voor agrosector, groene ruimte en vissector

Den Haag, NRLO, 1999. NRLO-rapport 99/17

 

Beleidssamenvatting

1. De ambitie te komen tot een duurzame ontwikkeling vereist innovatiebeleid dat de voorwaarden schept om systeeminnovaties te stimuleren en te doen slagen.
Beleid is hier breed opgevat: het gaat niet alleen om beleid van overheden (nationaal, provinciaal, lokaal), ook om dat van andere spelers: bedrijfsleven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties. En om gezamenlijk beleid: om gerichte en samenhangende inspanningen door meerdere spelers. Toekomstig innovatiebeleid richt zich niet meer voornamelijk op vernieuwingen die overwegend op bedrijfs- en organisatieniveau gerealiseerd kunnen worden (zoals product- en procesinnovaties), maar ook en vooral op bedrijfs- en organisatieoverstijgende vernieuwingen (zoals markt- en omgevingsinnovaties).

2. Systeeminnovaties zijn bedrijfs- en organisatieoverstijgende vernieuwingen die door uiteenlopende belanghebbenden gezamenlijk gerealiseerd worden, die de inbreng van uiteenlopende soorten van kennis en vaardigheden vergen, en die de verhoudingen tussen belanghebbende partijen ingrijpend veranderen.
De vernieuwingen kunnen gericht zijn op een regio, een cluster van activiteiten of specifieke maatschappelijke thema's, en zijn in veel gevallen een combinatie van die drie. Systeeminnovaties dienen in beginsel breed opgevat te worden, zoals de volgende kenmerken (en voorbeelden) laten zien:

  • Doordat een meer of minder fundamentele perspectiefwijziging aan de basis ligt, vergt het in de regel een even zo ingrijpende cultuuromslag bij de diverse betrokken partijen. Zie bijvoorbeeld de cultuurverandering die projecten in het kader van de ketenomkering met zich brengen: voor de Stichting AgroKetenKennis is dit een van de belangrijkste activiteiten.
  • Het vergt een lange tijdshorizon - zowel in het formuleren van de concrete ambitie, als in de praktisch uitvoering ervan. Net zoals de naoorlogse modernisering van de land- en tuinbouw na 10-15 jaar zijn vruchten begon af te werpen, dienen bijvoorbeeld herstructureringsprojecten voor de varkens- en pluimveehouderij een horizon te hebben van minstens tien jaar.
  • Het vergt de doelbewuste inzet van - vaak - veel en zeer verschillende betrokkenen. Zie bijvoorbeeld de brede en diverse groep van bedrijven en individuen die betrokken waren bij de omslag naar een vraaggestuurde afzetstructuur in de voedingstuinbouw (de Greenery). Een ander voorbeeld vormen de diverse projecten rond plattelandsvernieuwing, die doorgaans gekenmerkt worden door brede samenwerkingsverbanden van diverse partijen: natuur- en milieuorganisaties, consumentenorganisaties, land- en tuinbouworganisaties, meerdere publieke instellingen (waaronder bv. waterschappen), etc.
  • Het gaat om integrale vernieuwing in plaats van partiële verbetering. Het energieverbruik in de glastuinbouw kan teruggedrongen worden wanneer glastuinders zuiniger productiemiddelen gebruiken, een energiezuiniger teeltplan opstellen, of restwarmte hergebruiken (de partiële benadering). Maar de te behalen besparing op energie èn tegelijk op andere hulpmiddelen kan bij reconstructie of nieuwe projectvestigingen van glastuinbouwgebieden aanzienlijk groter zijn (integrale benadering).

    3. Er bestaat brede consensus over de noodzaak van vernieuwingen op systeemniveau. De tijd is derhalve rijp voor nieuw innovatiebeleid - nieuw voor wat de betreft oriëntatie (verkennend en verbredend) en bestuur (procesmatig, faciliterend en gericht op netwerkvorming).
    Uit de diverse bijeenkomsten die onder meer in NRLO-verband zijn georganiseerd, spreekt een breed gedragen besef dat voor een duurzame ontwikkeling nieuwe wegen ingeslagen moeten worden en dat innovaties op systeemniveau nodig zijn. Beleid dat zich richt op dergelijke ingrijpende vernieuwingen kan een krachtig vehikel zijn om via gezamenlijk besef te komen tot gezamenlijke actie.
    Bij de vormgeving van nieuw innovatiebeleid zal vooral energie gestoken moeten worden in:
    a. Ontwerpende toekomstverkenningen.
    b. Procesarchitectuur en -management.
    c. Publiek-private samenwerking.
    d. Het faciliteren en stimuleren van functionele clusters in agrosector en groene ruimte.
    e. Versterking van de positie van kennisinstellingen in innovatiecreërende netwerken.
    Deze aandachtspunten plaatsen alle betrokkenen voor bestuurlijke uitdagingen (a t/m d), en dagen kennisinstellingen uit tot het aangaan van nieuwe samenwerkingsverbanden (c en e).

    4. Systeeminnovaties zijn in bestuurlijk opzicht lastig, omdat er van begin af aan uiteenlopende partijen bij betrokken moeten worden en de te verwachten resultaten zich pas gaandeweg aftekenen.
    Innovatiebeleid gericht op het realiseren van product- en procesinnovaties is relatief eenvoudig. Het zijn in beginsel ondernemers en ondernemende instellingen die deze innovaties dragen en volbrengen - het is in essentie hun verantwoordelijkheid en competentie. Dat maakt innovatiebeleid goed hanteerbaar en overzichtelijk, reden waarom er inmiddels een goed inzicht bestaat in wat 'goed' en wat 'slecht' beleid is voor dit type van innovaties - ongeacht of het gaat om overheidsbeleid of ondernemingsbeleid. Voor systeeminnovaties ligt dat anders. Zodra omgevingen vernieuwd worden kan geen van de afzonderlijke bedrijven en organisaties verantwoordelijk worden gesteld, en rest niets anders dan een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het bijeenbrengen van belanghebbenden en het creatief houden van complexe samenwerkingsverbanden (innovatienetwerken) is iets dat in het meer reguliere innovatiebeleid niet of nauwelijks aan de orde is. Daar komt bij dat de resultaten van systeeminnovaties volgen op zoek- en leerprocessen die het innovatienetwerk moet doorlopen en daarom op voorhand slechts in algemene termen te geven zijn. In vergelijking met product- en procesinnovaties zijn systeeminnovaties dan ook een relatief ongewis avontuur. Maar voor ondernemers en ondernemende bestuurders mag dat toch geen bezwaar zijn, integendeel.

    5. Willen kennisinstellingen een rol van betekenis spelen in systeeminnovaties, dan zullen zij zich een positie moeten zien te verwerven in innovatiecreërende netwerken.
    Wetenschap en technologie vormen niet dè bron van innovaties, evenals innovaties niet dè sturende factor zijn in het wetenschaps- en technologiebedrijf. De verhouding tussen wetenschap, technologie en innovatie kan gekenschetst worden als een LAT-relatie: Living Apart Together. De drie domeinen hebben tot op zekere hoogte hun eigen kerncompetenties, hun eigen drijfveren en - niet onbelangrijk - hun eigen taal en communicatiekanalen. Ze hebben elkaar niettemin nodig, want in de overlappende delen wordt vernieuwende kennis gecreëerd. Omdat (systeem-)innovaties nieuwe verbanden en nieuwe processen doen ontstaan, zal een buitengewoon zwaar beroep gedaan worden op het vermogen om interacties tussen de drie domeinen te bewerkstelligen. Innovatiecreërende netwerken - eerder dan vaste structuren en organisaties - zijn een geschikt forum voor dergelijke interacties . Die netwerken kennen een discipline- en vak-overstijgende aanpak, gedeeld probleemeigenaarschap, een streven naar overbruggen van belangentegenstellingen, en een open benadering van denkbare oplossingsrichtingen.

    Hoe verder?
    Ofschoon nieuw innovatiebeleid niet eenzijdig vanuit de overheid vorm en inhoud gegeven kan worden, is de overheid de aangewezen partij om op te treden als verbindende en stimulerende schakel.
    Gezien haar positie ligt het voor de hand dat de overheid in dezen een initiërende en faciliterende rol speelt. Niet vanuit de optiek dat de overheid daarin vervolgens sturend zou gaan optreden, maar om partijen bijeen te brengen (en houden!) en momentum te creëren om de omslagen in het denken om te zetten in concrete en kansrijke initiatieven.
    Op die manier wordt de innovatieagenda voor agrosector, vissector en groene ruimte niet langer een opgave, maar een verrijkende onderneming.

    [NRLO Home]