Beleidssamenvatting NRLO-rapport 98/5
De jarenlange goede reputatie van Nederland op het gebied van diergezondheid wordt bedreigd door een samenspel van factoren, die gedeeltelijk buiten de directe invloedssfeer van de meest betrokken actoren liggen. De diergezondheidssituatie dreigt daarmee de achilleshiel van de Nederlandse veehouderij te worden. Het zoeken naar duurzame oplossingen vormt tot ver in het komende decennium een van de grote uitdagingen voor bedrijfsleven, overheden, maatschappelijke groeperingen en kennisinstellingen. Deze oplossingen moeten inpasbaar zijn in een breder maatschappelijk kader. Op verschillende terreinen zijn wezenlijke vernieuwingen binnen de kennisinfrastructuur nodig. Dit betreft:
Ontwerpen van strategieën voor vrijwaring en beheersing van dierziekten
Het aantal infectieuze dierziekten waarvoor op EU-niveau een vrijwaringsstrategie met non-vaccinatie geldt zal naar verwachting de komende jaren toenemen. Deze strategie is in de Nederlandse situatie met hoge dierdichtheden en omvangrijke transportstromen echter onvoldoende effectief. Uitbraken leiden tot hoge kosten en grote maatschappelijke weerstand tegen de noodzakelijke ingrijpende maatregelen om de vrij-status te herstellen. Dit plaatst de Nederlandse veehouderij en de Nederlandse overheid voor een groot dilemma.
Bovendien moet worden geconstateerd dat de huidige dominante organisatorische en financiële rol van de overheid bij de bestrijding van een aantal zeer infectieuze dierziekten weinig bevorderlijk is voor het nemen van eigen verantwoordelijkheid door het bedrijfsleven. Er is behoefte aan herbezinning op de uitgangspunten voor de rol van overheid en bedrijfsleven en aan scenario's voor de concrete invulling hiervan per ziekte.
Bij de ontwikkeling van diergezondheidsstrategieën gaat het zowel om veterinair-zoötechnische vraagstukken als om vraagstukken op het gebied van publiek-private samenwerking en vraagstukken die betrekking hebben op het bredere maatschappelijke kader (o.a. milieu, welzijn, ruimtelijke kwaliteit). Hiervoor is een synthese nodig van veterinaire en zoötechnische expertise op hogere aggregatieniveaus dan het dier-, orgaan- of celniveau (bedrijf, sector, regio, land), waarbij tevens verbindingen worden gelegd met andere disciplines, zoals rechten, organisatie- en bestuurskunde, economie, ecologie, ethiek en planologie. In dit verband zijn nieuwe combinaties van bèta- en gamma-wetenschappen, nieuwe samenwerkingsverbanden en nieuwe vormen van participatieve kennisontwikkeling met probleemeigenaren nodig.
Om dit doel te bereiken moet een innovatieprogramma worden opgesteld. Hierbij staat niet de kennisgeneratie of de technologie-ontwikkeling centraal, maar de synthese van kennis uit verschillende disciplines in een probleemgerichte aanpak in nauwe samenwerking met stakeholders. Resultaten van het programma zijn op de eerste plaats blijvende veranderingen in de werkwijze van de kennisinfrastructuur en op de tweede plaats nieuwe, bruikbare ontwerpen voor diergezondheidsstrategieën.
Voor het slagen van een dergelijk complex vernieuwingsprogramma is een ondersteunende faciliteit essentieel. Kernactiviteit van de unit is het bij elkaar brengen van nieuwe combinaties van kennisproducenten en probleemhebbers om zo kennis te mobiliseren gericht op de oplossing van het vraagstuk. Daarnaast beschikt de unit over een budget van enkele miljoenen guldens per jaar voor het verder (laten) uitwerken van ideeën en het (laten) uitvoeren van haalbaarheidsstudies door nieuwe consortia van bestaande instellingen. Voor de feitelijke uitvoering van innovatieprojecten kan in belangrijke mate gebruik worden gemaakt van bestaande innovatiestimulerings- en onderzoekfondsen. Tenslotte heeft de unit een rol bij het aftasten en bevorderen van draagvlak voor de implementatie van gegenereerde oplossingen.
De eerste stap is het benoemen van een ervaren en enthousiaste trekker, die moet peilen in hoeverre heldere probleemstellingen kunnen worden geformuleerd, of geschikte uitvoerders kunnen worden gevonden, of voldoende financiële middelen kunnen worden gegenereerd en of de belangrijkste stakeholders uit overheid, bedrijfsleven en ook maatschappelijke organisaties in principe bereid zijn om (nu of op termijn) financieel en bestuurlijk te participeren.
Opzetten van een expertisenetwerk voor epidemiologie van dierziekten
Een belangrijke bottleneck bij de ontwikkeling van diergezondheidsstrategieën is het gebrek aan kennis over de pathobiologie (incl. de diagnostiek) en de epidemiologie van dierziekten (mogelijke bronnen in het wild, mogelijke vectoren en buurtinfecties en besmettingsrisico's). Vooral de fragmentarische kennis van de verspreidingsrisico's van besmettelijke dierziekten binnen een populatie en tussen populaties (zoönosen), mede in relatie tot de structuur van sectoren en de inrichting van houderijsystemen, vormt een belangrijke belemmering om tot een effectieve aanpak van infectieuze dierziekten te komen.
Om in deze kennislacune te voorzien dient een structureel expertise-netwerk tot stand te worden gebracht, met als kerncompetentie het verzamelen en bewerken van ziektegegevens uit de praktijk over de verspreiding van dierziekten (incl. zoönosen), mede in relatie tot kenmerken van de ziekten, de houderijsystemen, de structuur van sectoren en relevante omgevingsfactoren. Het gaat hierbij zowel om op het bedrijf ontstane, in managementsystemen vastgelegde informatie, als om informatie uit klinische diagnoses, als om informatie verkregen aan het eind van het productieproces (slachthuis, eipakstations, melkcontrole). Dit expertisenetwerk is een samenwerkingsverband van bestaande instellingen, waaronder Gezondheidsdienst, RVV, FD, ID-DLO, LUW en proefstations.
Gelet op het grote aantal betrokken partijen, de onderlinge verschillen in cultuur en werkwijze en de ingrijpendheid en complexiteit van de noodzakelijke veranderingen wordt voorgesteld om in de aanvangsfase, gedurende de eerste 3 à 4 jaar, een klein centrum in te stellen. Kerntaak van dit centrum is de ontwikkeling van een organisatorische en fysieke (IT) infrastructuur voor dataverzameling, verwerking en -beheer. De kwaliteit van de medewerkers en de bestuurlijke inbedding moeten zodanig zijn, dat gezag en commitment gewaarborgd zijn, zowel bij de deelnemende kennisinstellingen als bij de financiers en gebruikers van het netwerk.
Een task force moet worden belast met de verdere uitwerking en concretisering van de doelstellingen, organisatie en financiering van het expertisenetwerk volgens bovengenoemde hoofdlijnen. LNV zou hierbij het voortouw kunnen nemen door een trekker te benoemen en een budget te reserveren, in nauw overleg met het landbouwbedrijfsleven.
Ontwerpen van geïntegreerde veehouderijsystemen
De zorg voor de kwaliteit van proces en product begint met een kwaliteitsbewuste houding van de ondernemer. Een van de belangrijkste uitdagingen ligt dan ook in het bevorderen van het kwaliteitsbesef bij de veehouders, zodat kwaliteitsgericht handelen als het ware een tweede natuur wordt. Uiteraard ligt hier een belangrijke taak voor onderwijs en voorlichting.
Bij het inpassen van diergezondheidseisen binnen de bedrijfsvoering treden spanningsvelden op met eisen op andere terreinen, zoals milieu, welzijn, economie en arbeid, waardoor op een of meer van deze gebieden suboptimale situaties ontstaan. Naast de "hardware" van bedrijfssystemen is hierbij de "software" in de vorm van afwegingen en beslissingen van de veehouder, zowel op operationeel als tactisch als strategisch niveau, van cruciale betekenis. Het integreren van verschillende ontwerpeisen op het niveau van bedrijfssystemen tot een voor de veehouder hanteerbaar geheel is dan ook een belangrijke uitdaging voor de (agro-)kennisinfrastructuur in de komende jaren.
In dit verband dient een innovatieprogramma te worden opgezet met als doel het realiseren van een trendbreuk in de ontwikkeling van bedrijfssystemen, die nodig is om een aantal dilemma's in de huidige systemen op te lossen. Bedrijfssystemen worden hierbij niet als gegeven gezien, maar als resultaat van een ontwerpproces dat uitgaat van toekomstige maatschappelijke en bedrijfseconomische eisen. In dit programma worden nieuwe, soms nog in ontwikkeling zijnde technologieën en managementconcepten toegepast. Modelstudies, die aangeven waar de inzet van nog te ontwikkelen technologieën en concepten uitkomst kan bieden, leveren bovendien impulsen voor het strategisch-fundamentele onderzoek. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van virtual reality technieken, voorbeeldontwerpen en kleinschalige experimenten in de praktijk.
Ter ondersteuning van het programma is gedurende tenminste 5 jaar een kleine, onafhankelijke unit nodig, die optreedt als trekker, makelaar en programma-coördinator. Deze unit bestaat uit enkele ervaren en hooggekwalificeerde medewerkers uit verschillende bèta- en gamma-disciplines. Kernactivteiten van de unit zijn het bij elkaar brengen van relevante partijen om gezamenlijk ideeën te ontwikkelen, het laten uitvoeren van haalbaarheidsstudies, modelsimulaties en voorbeeldontwerpen. De unit beschikt naast inhoudelijke expertise ook over kennis van en ervaring met de aanpak van complexe ontwerp-processen.
Zeker in de aanvangsfase is volledige financiering vanuit de overheid (LNV, EZ) noodzakelijk, gelet op het strategische karakter van het innovatieprogramma. Voor de financiering van de uitvoering van innovatieve projecten in de praktijk kan gebruik worden gemaakt van bestaande fondsen. In een later stadium kunnen ook bedrijven worden geïnteresseerd voor medefinanciering op projectbasis. LNV zou een trekker kunnen benoemen om de haalbaarheid van dit initiatief te toetsen in gesprekken met stakeholders en kennisinstellingen.
Opleiden van beleidsepidemiologen en veterinaire kwaliteitsmanagers
De verschuiving van de huidige, nog hoofdzakelijk op klinische diagnostiek en therapie gebaseerde aanpak naar een steeds meer door risico- en kosten-baten analyses gestuurde preventieve diergezondheidszorg zal leiden tot nieuwe niches in de arbeidsmarkt. Er zal behoefte ontstaan aan nieuwe typen professionals, die kunnen worden aangeduid met de termen beleidsepidemiologen en veterinaire kwaliteitsmanagers.
Beleidsepidemiologen spelen een centrale rol bij de ontwikkeling en het beheer van beheersings- en vrijwaringsprogramma's voor dierziekten. Zij opereren vooral in het circuit van beleidsmakers bij overheid en bedrijfsleven, hetgeen inzicht in en gevoel voor politieke en bestuurlijke processen vraagt.
Veterinaire kwaliteitsmanagers hebben als kerntaak het adviseren van sectoren, ketens en individuele veehouders bij de keuze voor bepaalde programma's en het begeleiden bij de implementatie ervan. Van veterinaire kwaliteitsmanagers, die vooral actief zijn in het bedrijfsleven, wordt affiniteit gevraagd met de vele aspecten van het productieproces. Voor beide typen professionals is het kunnen omgaan met kwantitatieve gegevens, statistische analyses en management-informatiesystemen essentieel.
Er dient een opleidingsprogramma te worden opgezet, met als doelstellingen:
Beide opleidingen zouden een gemeenschappelijke basis kunnen hebben.
Dit opleidingsprogramma is gericht op studenten en werkenden in de diergezondheidszorg. Ontwikkeling en uitvoering van dit programma vinden plaats in nauw overleg met (potentiële) werkgevers bij overheid en bedrijfsleven. Opname in een gezamenlijk curriculum binnen de onderwijscapaciteit van FD en LUW ligt voor de hand. Daarnaast behoort rechtstreekse financiering van bepaalde modules door de doelgroepen tot de mogelijkheden. De FD en de LUW zouden gezamenlijk het initiatief kunnen nemen voor het opzetten van dit opleidingsprogramma door hiervoor ideeën te ontwikkelen en deze voor te leggen aan de belangrijkste stakeholders.