De NRLO heeft in vijf studies verkend hoe de ruimte en het speelveld van ondernemingen in de agribusiness, de overheid en kennisinstellingen onder invloed van internationalisering veranderen.
Trendbreuken op technologisch gebied (vooral in de informatie- en communicatie technologie, ICT) én die in economische, politieke en maatschappelijke verhoudingen geven processen als internationalisering en globalisering nieuwe dimensies. Verlaging van traditionele handelsbarrières, deregulering, verlaging van transportkosten, vergrote bereikbaarheid en razendsnelle communicatie betekenen, dat internationaal opereren niet alleen grote ondernemingen, maar juist ook kleinere ondernemingen kansen biedt. Termen als massa-individualisering en ketenomkering illustreren de grote omslag van het denken in produceren naar het denken vanuit de behoeften van individuele consumenten. Kennis (in de ruimste zin, dus niet alleen technologisch) wordt steeds meer behandeld als cruciale concurrentiefactor. Mondiale netwerken zullen zich, met behulp van ICT, razendsnel ontwikkelen. Tegelijkertijd zal de internationale concurrentie, ook op de nationale markt, verscherpen. Er zal sprake zijn van schaalvergroting en internationale consolidatie van marktposities, en investeringen en activiteiten zullen in lokale markten waar ook ter wereld toenemen. Waarbij het in de toekomst niet meer gaat om het simpelweg naar die lokale markten toegaan en produkten verkopen, maar om het daadwerkelijk nestelen in die lokale markten; niet om het afzetten van gestandaardiseerde produkten over de wereld, maar om het benutten van de verschillen tussen al die lokale markten.
De verkenning van de NRLO maakt duidelijk dat er sprake is van een sterk toenemende Europese en mondiale verwevenheid, vergrote afhankelijkheden, vaker wisselende samenwerkingsverbanden en een versterkte concurrentie. Deze veranderingen plaatsen individuele ondernemingen voor vragen en dilemma's. Bijvoorbeeld: moet ik mij concentreren op de thuismarkt of op de internationale markt om de internationale concurrentie voor te blijven? Wat zijn van die keuzen de consequenties voor de structuur en de schaal van het bedrijf, voor de kennis en vaardigheden om (internationaal) te concurreren?
De dynamiek van internationalisering leidt tot voortdurend veranderende posities en machtsverhoudingen, op Europese en wereldschaal. Een nationaal perspectief daarop is ontoereikend. Er is een mentale omslag nodig: het Europese en mondiale speelveld vraagt om een internationaal perspectief van ondernemers, overheid én kennisinstellingen.
Het internationale perspectief leidt tot een aantal
uitdagingen voor ondernemers uit de agribusiness:
Uitdagingen voor de agribusiness
De nationale overheid
kan, binnen nieuwe internationale verhoudingen, zijn beleidsruimte
zo veel mogelijk vergroten én nieuwe uitdagingen aangaan.
Uitdagingen voor de overheid
De uitdagingen voor de agribusiness hebben tevens
grote invloed op de strategische positionering van de nationale
kennisinstellingen:
Uitdagingen voor kennisinstellingen
Kennis, kennisbeleid én kennismanagement vormen belangrijke ingrediënten van strategieën, waarmee ondernemingen, overheid en kennisinstellingen kunnen inspelen op genoemde omgevingsveranderingen.
Vanuit deze verkenning over globalisering en internationalisering worden 3 punten genoemd, waarop versterking nodig is. In de eerste plaats dient de kennis over de veranderingen op de agro-food wereldmarkt goed in kaart te worden gebracht. In de tweede plaats dient de internationale herkenning en erkenning van de kwaliteit van het agrocluster te worden versterkt. Kortom, de aantrekkingskracht van ondernemingen én kennisinstellingen in het agrocluster moet worden vergroot. In de derde plaats dienen kennisinstellingen in te spelen op de trend, dat ondernemingen wereldwijd zoeken naar interessante kennisbronnen en co-innovatoren. Voor kennisinstellingen ligt hier een geweldige uitdaging om internationaal posities op te bouwen en kennis tot waarde te brengen.
In het onderstaande worden deze thema's voor kennisontwikkeling en nieuwe condities voor de kennisinfrastructuur nader toegelicht.
De centrale vraag bij dit thema is hoe, gezien vanuit een mondiaal perspectief, de wereldmarkt in de komende decennia kan veranderen onder invloed van technologische revoluties (o.a. ICT), en de economisch-politieke besluitvorming. Wat betekenen de denkbare veranderingen voor de verschillende sectoren en functies (zoals productie, handel en distributie) in de Nederlandse agribusiness? Wat zijn de consequenties en potenties van de zich vormende flexibele mondiale netwerken voor positie, rol, werkwijze en organisatie van ondernemingen in de agribusiness?
De analyse en verkenning van nieuwe internationale configuraties wordt uitgevoerd vanuit meerdere invalshoeken, zoals de neo-liberale en een meer sociaal democratische visie, en 3 schaalniveaus, te weten de mondiale markt, de EU en de nationale (thuis)markt .
Vanuit het perspectief om het agri-cluster van Nederland internationaal sterker te positioneren, is het noodzakelijk op een aantal geselecteerde en goed gedefinieerde terreinen topposities in te nemen. Naast (bestaande) sterke technologische posities is versterking gewenst op het gebied van het internationaal ondernemen, toegespitst op landbouw en voeding in de wereld. Er wordt een programma voor onderwijs en opleiding ontworpen met als zwaartepunten internationaal ondernemen, kennismanagement, strategievorming en het leren werken in een multinationale én multiculturele omgeving. De programma's worden specifiek uitgewerkt op het terrein van internationale marktontwikkeling, agroketens, handel en landbouwpolitiek. Dat betekent een versterking van de tweede fase van de universitaire opleiding en de invulling van een programma voor education permanente. Het centrum richt zich op het top- en middenkader van zowel grote als kleinere (MKB-type) ondernemingen, die internationaal opereren of die ambitie koesteren, uit alle delen van de wereld. Het centrum staat tevens open voor beleidsmedewerkers van kennisinstellingen, overheden en supranationale organen.
Een dergelijk centrum vereist een internationale opzet. Het centrum werft medewerkers internationaal en biedt een combinatie van internationaal verspreide kundigheden. In de vorm van een strategische alliantie kan de in Nederland bestaande expertise (KCW, Nijenrode, Erasmus) worden gebundeld met die van buitenlandse partners. Daardoor kan een krachtig mondiaal netwerk ontstaan.
Het is noodzakelijk vanuit het Nederlandse agri-cluster een trekker aan te wijzen met voldoende mandaat en budget om dit centrum te ontwikkelen.
Vanuit een sterke positie op de thuismarkt dienen kennisinstellingen hun kennis én expertise op de internationale markt tot waarde te brengen. De instellingen dienen zich als ondernemingen te gedragen. Dat kan in sterk verschillende rollen: vanuit de rol van kennisbron, van co-innovator en van kennismakelaar.
Eén van de mogelijke vormen is dat de kennisinstelling zich positioneert als een wetenschappelijke topinstituut met een grote reputatie en vanuit die scherp gedefinieerde positie zakelijke contacten legt met geïnteresseerde ondernemingen en andere partijen op de kennismarkt.
Andere mogelijkheden zijn denkbaar door kennisinstellingen of delen ervan als onderneming te verzelfstandigen. Dat kan in de vorm van ondernemingen op terreinen die in de markt kansrijk zijn. Dat kan uiteenlopen van dienstverlening (ingenieurs- of consultancy bureau) tot het op de markt brengen van specifieke producten en processen. Daarbij kan de mate waarin deze ondernemingen verbonden zijn aan de instelling variëren. De exploitatie kan volledig vallen onder de verantwoordelijkheid van de kennisinstelling, maar andere vormen zijn denkbaar. Dat is bijvoorbeeld het geval als samen met één of meerdere private bedrijven een nieuwe onderneming wordt opgezet, of dat venture capital is vereist.
Bij deze vormen ontstaat een nieuwe en stimulerende relatie van wetenschappelijke centra met marktgerichte bedrijvigheid.
TNO biedt een interessant voorbeeld hoe internationalisering centraal te stimuleren en hoe individuele instituten te bewegen in dit proces mee te gaan. Verschillende individuele DLO-instituten zijn in vergelijkbare processen verwikkeld. Vrijwel alle LUW-vakgroepen kennen van oudsher een sterke internationale wetenschappelijke oriëntatie. Er ligt voor alle betrokkenen bij het KCW een geweldige uitdaging om het KCW in de komende jaren te ontwikkelen tot een internationale agro-kennisonderneming.