Groene Ruimte: Kennis- en innovatieopgaven - Ambities voor de 21e eeuw

Beleidssamenvatting NRLO-rapport 98/19

De groene ruimte in de 21e eeuw

Het landelijk gebied is in beweging. In de media, politiek en wetenschap wordt een levendig debat gevoerd over ruimtegebruik en de ruimtelijke kwaliteit in ons land, nu en in de toekomst. Het gebruik van de groene ruimte vervult bij die discussies vaak een sleutelrol. De volgende thema's komen daarbij telkens naar voren:

De beleidsagenda voor de groene ruimte wordt in toenemende mate vanuit een internationaal perspectief opgesteld. Mede vanuit dat perspectief worden als hoofdfuncties van de groene ruimte gezien:

De komende jaren zal er veel geld worden besteed aan investeringen die de infrastructuur moeten verbeteren en uitbreiden. Die staan in het teken van een impuls voor de ruimtelijk-economische structuur en een duurzame economische ontwikkeling. Een van de uitdagingen ligt in de aanwending van deze ruimtelijke investeringen voor kwaliteitsversterking van de groene ruimte.

Uitvoering van de beleidsagenda doet een groot beroep op het innoverend vermogen van allen die bij de groene ruimte zijn betrokken. De beleidsopgaven hebben een sterk integratief karakter. Er zal gezocht moeten worden naar wegen waarlangs combinaties van functies kunnen worden ontwikkeld en afgewogen, groene kwaliteit kan worden versterkt, stad en land en economie en ecologie worden verzoend en nieuwe coalities kunnen worden gevormd die private en publieke belangen kunnen verenigen.

Prioritaire kennis- en innovatiethema's

Overheden, organisaties en allen die nu en in de toekomst actief zijn in de groene ruimte staan voor uitdagende innovatieopgaven. Het gaat om de volgende vier onderwerpen:

1. Internationalisering en groene ruimte
Hoe kan de Nederlandse groene ruimte in de komende decennia zodanig worden ontwikkeld dat optimaal wordt ingespeeld op de problemen en kansen van toenemende internationalisering?

2. Kwaliteit en leefbaarheid van de multifunctionele groene ruimte
Hoe kan de kwaliteit en leefbaarheid van de multifunctionele groene ruimte worden versterkt, rekening houdend met de grote regionale verscheidenheid?

3. Interactie tussen stad en land
Het is in de komende decennia voor publieke en private actoren een belangrijke opgave om te werken aan nieuwe concepten van samenhang tussen stad en land tegen de achtergrond van het geleidelijk loslaten van concentratie van de verstedelijking en een minder krachtige positie van de landbouw.

4. Sturing van processen in de groene ruimte
Het komende decennium zal bij de ontwikkeling van de groene ruimte gezocht worden naar aansturings- en coördinatiemechanismen die passen bij nieuwe evenwichten tussen markt, staat en samenleving.

De kennisinfrastructuur voor de groene ruimte

Kennisontwikkeling voor de vier genoemde thema's stelt hoge eisen aan de kennisinfrastructuur. Deze kan aan die eisen op dit moment maar zeer ten dele voldoen. Dat heeft te maken met aan de ene kant de specifieke voorwaarden waaraan het onderzoek voor de vier thema's moet voldoen en aan de andere kant de kenmerken van de huidige kennisinfrastructuur voor de groene ruimte. In de tabel staan kort samengevat op welke punten de gewenste kennis en de kennisinfrastructuur afwijken van de bestaande.

Kenmerken Nu Gewenst
Kennis
oriëntatie
stad - land
kennis - innovatie
onderzoek - ontwerp
disciplinaire oriëntatie

sectoraal
gescheiden
gescheiden
gescheiden
monodisciplinair

integraal
stad en land
interactieve kennis
geïntegreerd
multi- en interdisciplinair
Kennisinfrastructuur
identiteit groene ruimte
capaciteit
onderdelen
aansturing
rol KCW
publieke - private kennis

onduidelijk
gering
gescheiden
verkokerd
beperkt
gescheiden

duidelijk
adequaat
verbonden
geïntegreerd
krachtige groene partner
wederzijdse doorstroming

De conclusie is dat er een forse spanning bestaat tussen:

Die spanning zou verminderd kunnen worden. Daartoe worden drie voorstellen gedaan.

1. Een impuls voor de groene ruimte: naar een kennis- en innovatienetwerk

Het onderzoek voor de groene ruimte zou aanzienlijk aan diepgang en relevantie winnen wanneer er een netwerk zou worden gecreëerd dat de verschillende onderdelen van de kennis- en innovatie-infrastructuur met elkaar in verbinding brengt. Het gaat er daarbij om bruggen te slaan tussen kennis- en technologieontwikkeling en innovatieprocessen, tussen stedelijke en rurale kennis, tussen onderzoeken en ontwerpen en tussen -, - en -kennis.
Die overbruggingsfunctie zou door een kennis- en innovatienetwerk Groene Ruimte goed kunnen worden vervuld. Daarbij zou gebruik kunnen worden gemaakt van de werkwijze in en de ervaringen met het netwerk LWI (Land, Water, Milieu, Informatietechnologie) dat in het kader van ICES 1 in het leven is geroepen.
Om werkelijk substantie te krijgen zou naar analogie met de financiering van het LWI-netwerk gedacht moeten worden aan een rijksaandeel in de orde van ƒ 30 mln.

Vier acties kunnen een GR-netwerk tot leven brengen.

Actie 1: Een onderzoekprogramma voor stad en land
Een eerste stap in de richting van een GR-netwerk zou kunnen worden gezet door een programma voor fundamenteel en strategisch onderzoek naar de interactie van stad en land in uitvoering te nemen. Een dergelijk programma is inmiddels in opdracht van de NRLO en het Netwerk RO opgesteld.

Actie 2: Een stimuleringsprogramma voor het beleidswetenschappelijk onderzoek groene ruimte
Een stimuleringsprogramma kan bijdragen aan een versterking van de beleidswetenschappelijke inbreng bij de ontwikkeling van de groene ruimte en tegelijk aan strategische samenwerkingsverbanden tussen het KCW en beleidswetenschappen elders.

Actie 3: Een innovatieprogramma reconstructie varkenshouderijgebieden: een kennis- en innovatienetwerk
De uitdaging die hier ligt is om ten behoeve van de sterk integrale aanpak die voor de reconstructie nodig is, een kennis- en innovatienetwerk op te bouwen. Bij dit programma wordt vanuit de innovatieopgave op kennis- en kundeontwikkeling gestuurd. De breedte van de innovatieopgave vindt zijn pendant in de benodigde kennisontwikkeling waarbij een groot aantal disciplines nodig zijn.

Actie 4: Een innovatieprogramma valorisatie van recreatie en toerisme via een ketenbenadering
In een verrichte NRLO-studie is gebleken dat een markt-, keten- en netwerkbenadering voor plattelandsontwikkeling in potentie veelbelovend is. Een innovatieprogramma zou de mogelijkheid bieden om voort te bouwen op de eerste aanzetten van toepassing van een ketenbenadering op recreatieve en toeristische potenties.

2. Versterking van het KCW als partner in een GR-netwerk

Het KCW dient als partner in een GR-netwerk voldoende kwaliteit en kwantiteit te hebben. Deze zijn nu onvoldoende om de thema's die hiervoor werden beschreven voldoende af te dekken. De capaciteit die wordt ingezet is met name ontoereikend op de volgende drie gebieden:

Naast de uitvoering van stimuleringsprogramma's als hiervoor aangegeven zal door het KCW zelf de capaciteit op de drie aangegeven terreinen moeten worden versterkt. Daartoe is een substantiële investering in capaciteits- en kwaliteitsvergroting op de drie aangegeven gebieden nodig.
De eerste verantwoordelijkheid om tot versterking te komen ligt bij de Raad van Bestuur van het KCW. In samenspraak met LNV zou zij verdere voorstellen in deze richting kunnen ontwikkelen.

3. Regionale kennis- en innovatiecentra voor plattelandsontwikkeling

Dit derde voorstel om de spanning tussen eisen aan en kenmerken van de kennisinfrastructuur voor de groene ruimte te verminderen bedoelt een brug te slaan tussen kennisgeneratie en innovatie. Voorgesteld wordt om een drietal regionale centra in te stellen die de vernieuwing van het platteland kunnen ondersteunen en waar interactieve kennisvorming wordt beproefd. Deze centra participeren in vernieuwingsprojecten en zij vormen een schakel tussen de meer op generieke kennis georiënteerde instituten en universiteiten en de actoren met hun ervarings- en gebiedskennis die betrokken zijn bij concrete innovatieprojecten op het platteland.
Het gaat om verschillende typen van informatie en kennis waarover de centra dienen te beschikken dan wel via andere kennisinstellingen ter beschikking kunnen stellen. Het gaat om integrale (multisectoraal), multidisciplinair, ontwerp gerichte, snel inzetbare en gemakkelijk toegankelijke kennis.
Voorts dienen de expertisecentra te participeren in projecten waarin met nieuwe bestuursvormen wordt geëxperimenteerd. Joint fact finding is het trefwoord waarmee dergelijke experimenten en de daarmee verbonden kennisvorming en -uitwisseling wordt aangeduid. In die zin stimuleren zij tevens een meer interactieve wijze van kennisontwikkeling bij de kenniscentra.
De financiering van de expertisecentra zou voor 50% het karakter van een basisfinanciering kunnen hebben terwijl de overige 50% gefinancierd kan worden vanuit de plattelandsvernieuwingsprojecten waarin de centra participeren.

[NRLO Home]