H.J. van Oosten en J.G. de Wilt
Bioproductie en ecosysteemontwikkeling in zoute condities. Kennis- en innovatieopgaven

Den Haag, NRLO, juni 2000. NRLO-rapport 2000/10

 

Beleidssamenvatting

1. Wereldwijd is sprake van een toenemende schaarste aan zoet water en een verzilting van gronden. Ook in gematigde klimaatzones zal de verzilting toenemen. Dit noopt tot een versterking van de aandacht voor bioproductie en ecosysteemontwikkeling in zoute condities.

Het gebruik van zoet water in huishoudens, de industrie en de landbouw stijgt zo snel dat overal ter wereld watertekorten zijn te verwachten. Op veel plaatsen ter wereld neemt de verzilting en verzouting van oppervlakte- en grondwater in landbouwgebieden toe en ontstaan er zoutwoestijnen (door ontbrekende aanvoer van zoet water) en verzoute "inland basins" (stijging van zout grondwater door lekkage van drainagewater). In Nederland zal de verzilting van grond- en oppervlaktewater in het gehele kustgebied verder toenemen door bodemdaling en zeespiegelrijzing, en wellicht een ander waterbeleid. Er is een nieuwe denkwijze nodig, die uitgaat van de benutting van zoute milieus voor bioproductie en ecosysteemontwikkeling.

2. De teelt van zouttolerante gewassen op zoute gronden (zoutwaterlandbouw) heeft een aantal maatschappelijk en economisch interessante potenties, die verder geëxploreerd en ontwikkeld moeten worden.

De perspectieven van halofyten als commodities voor voedsel, veevoer en fijnchemie op de (wereld-)markt van lijken vooralsnog beperkt. Bepaalde producten kunnen als groente een verrassende verbreding zijn van het assortiment in "Westerse" markten. Sommige toepassingen zijn geschikt voor regionale markten waar ook ter wereld. Voorts kunnen halofyten een wezenlijke bijdrage leveren aan het realiseren diverse maatschappelijke doelen zoals herbebossing of herbeplanting en ecologisch herstel van in onbruik geraakte zoute gebieden, kustontwikkeling en -bescherming, goedkope biomassaproductie voor duurzame energie, klimaatsverbetering en CO2-opslag. Deze benadering vraagt een internationaal perspectief.

3. De kennisontwikkeling op het gebied van zoutwaterlandbouw is zowel mondiaal als nationaal relatief beperkt, weinig gefocust en sterk gedreven vanuit de wetenschap. Dit opent perspectieven voor Nederland om mondiaal een rol van betekenis te spelen in de toegepaste, op innovatie gerichte kennisontwikkeling.

Er bestaat een rijke wetenschappelijke literatuur over halofyten. De benutting van deze kennis is minimaal. Kennisinstellingen in tal van landen houden zich bezig met de nationale verzoutingsproblematiek, maar er zijn geen grote internationale onderzoeksprogramma's of netwerken op het gebied van halofyten. In agrarische ontwikkelingsprogramma's staan landgebruik, gewaskunde en irrigatiemanagement centraal en ontbreekt het gebruik van halofyten onder verzoute omstandigheden. In Europese programma's heeft dit onderzoek geen prioriteit. De Nederlandse kennisinstellingen op het gebied van de landbouw en biologie zijn in het algemeen van een goed niveau, sterk toepassingsgericht en hebben een wijd vertakt internationaal netwerk. Zij zijn in staat snel op zoutwaterlandbouw in te spelen. Bovendien is er een aantal Nederlandse ondernemingen (MKB, consultants en multinationals), die op termijn de vruchten van bepaalde innovaties kunnen plukken.

4. Om de kansen voor productie van biomassa en ontwikkeling van ecosystemen onder zoute omstandigheden te benutten is het gewenst het brede thema "Bioproductie en ecosysteemontwikkeling in zoute condities" te ontwikkelen. Binnen dit thema kunnen verschillende activiteiten worden uitgewerkt:

a. een innovatieprogramma betreffende: "Bioproductie en ecosysteemontwikkeling op zoute gronden"

b. een verkennende studie over: "Bioproductie en ecosysteemontwikkeling in mariene en estuariene systemen"

Het innovatieprogramma voorziet in het uitwerken van enkele uitdagende pilots. Op basis van de uitwerking van deze pilots kan worden besloten welke vervolgactiviteiten van LNV en andere actoren zoals het bedrijfsleven of onderzoeksinstellingen gewenst zijn. Voorbeelden van pilots zijn:

  1. Een polder met zoute kwel
  2. Zee-Land als regioconcept
  3. Halofyten als biomassa voor energiedoeleinden
  4. Halofyten als grondstof voor de (fijn)chemie
  5. Benutting van halofyten in zoutgradiënten van irrigatiesystemen
  6. Benutting van halofyten in projecten voor integrale kustbescherming en -ontwikkeling

Bij het opzetten en uitvoeren van een innovatieprogramma is samenwerking tussen partijen vereist. De overheid kan een initiërende rol spelen, maar anderen (bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen) moeten de urgentie voelen en er in willen investeren. Het innovatieprogramma raakt aan de werkterreinen van meerdere departementen (V&W, VROM, EZ, BuZa-DGIS). Het uitwerken van een innovatieprogramma zal 6-9 maanden vragen.

Het is niet zinvol nu al te denken aan een fysieke onderzoekslocatie in Nederland (proefstation of proefboerderij) voor zoutwaterlandbouw. Allereerst dient zicht te komen op de inhoud en de omvang van het innovatieprogramma. Daarnaast zijn er voldoende mogelijkheden om aan te sluiten bij de bestaande infrastructuur voor onderzoek en innovatie.

De kansen van bioproductie en ecosysteemontwikkeling in zoutwatermilieus verdienen ook verdere aandacht. Deze zijn nog onderbelicht in de huidige kennisinfrastructuur en moeten verder worden verkend.