Beleidssamenvatting
1. Wereldwijd is sprake van een toenemende schaarste aan zoet water en een verzilting van gronden. Ook in gematigde klimaatzones zal de verzilting toenemen. Dit noopt tot een versterking van de aandacht voor bioproductie en ecosysteemontwikkeling in zoute condities.
Het gebruik van zoet water in
huishoudens, de industrie en de landbouw stijgt zo snel dat overal
ter wereld watertekorten zijn te verwachten.
Op veel plaatsen ter wereld neemt
de verzilting en verzouting van oppervlakte- en grondwater in
landbouwgebieden toe en ontstaan er zoutwoestijnen (door ontbrekende
aanvoer van zoet water) en verzoute "inland basins"
(stijging van zout grondwater door lekkage van drainagewater).
In Nederland zal de verzilting van grond- en oppervlaktewater
in het gehele kustgebied verder toenemen door bodemdaling en zeespiegelrijzing,
en wellicht een ander waterbeleid. Er is een nieuwe denkwijze
nodig, die uitgaat van de benutting van zoute milieus voor bioproductie
en ecosysteemontwikkeling.
2. De teelt van zouttolerante gewassen op zoute gronden (zoutwaterlandbouw) heeft een aantal maatschappelijk en economisch interessante potenties, die verder geëxploreerd en ontwikkeld moeten worden.
De perspectieven van halofyten
als commodities voor voedsel, veevoer en fijnchemie op de (wereld-)markt
van lijken vooralsnog beperkt. Bepaalde producten kunnen als groente
een verrassende verbreding zijn van het assortiment in "Westerse"
markten. Sommige toepassingen zijn geschikt voor regionale markten
waar ook ter wereld.
Voorts kunnen halofyten een wezenlijke
bijdrage leveren aan het realiseren diverse maatschappelijke doelen
zoals herbebossing of herbeplanting en ecologisch herstel van
in onbruik geraakte zoute gebieden, kustontwikkeling en -bescherming,
goedkope biomassaproductie voor duurzame energie, klimaatsverbetering
en CO2-opslag. Deze benadering vraagt een internationaal
perspectief.
3. De kennisontwikkeling op het gebied van zoutwaterlandbouw is zowel mondiaal als nationaal relatief beperkt, weinig gefocust en sterk gedreven vanuit de wetenschap. Dit opent perspectieven voor Nederland om mondiaal een rol van betekenis te spelen in de toegepaste, op innovatie gerichte kennisontwikkeling.
Er bestaat een rijke wetenschappelijke
literatuur over halofyten. De benutting van deze kennis is minimaal.
Kennisinstellingen in tal van landen houden zich bezig met de
nationale verzoutingsproblematiek, maar er zijn geen grote internationale
onderzoeksprogramma's of netwerken op het gebied van halofyten.
In agrarische ontwikkelingsprogramma's staan landgebruik, gewaskunde
en irrigatiemanagement centraal en ontbreekt het gebruik van halofyten
onder verzoute omstandigheden. In Europese programma's heeft dit
onderzoek geen prioriteit.
De Nederlandse kennisinstellingen
op het gebied van de landbouw en biologie zijn in het algemeen
van een goed niveau, sterk toepassingsgericht en hebben een wijd
vertakt internationaal netwerk. Zij zijn in staat snel op zoutwaterlandbouw
in te spelen. Bovendien is er een aantal Nederlandse ondernemingen
(MKB, consultants en multinationals), die op termijn de vruchten
van bepaalde innovaties kunnen plukken.
4. Om de kansen voor productie
van biomassa en ontwikkeling van ecosystemen onder zoute omstandigheden
te benutten is het gewenst het brede thema "Bioproductie
en ecosysteemontwikkeling in zoute condities" te ontwikkelen.
Binnen dit thema kunnen verschillende activiteiten worden uitgewerkt:
a. een innovatieprogramma betreffende:
"Bioproductie en ecosysteemontwikkeling
op zoute gronden"
b. een verkennende studie over:
"Bioproductie en ecosysteemontwikkeling
in mariene en estuariene systemen"
Het innovatieprogramma voorziet in het uitwerken van enkele uitdagende pilots. Op basis van de uitwerking van deze pilots kan worden besloten welke vervolgactiviteiten van LNV en andere actoren zoals het bedrijfsleven of onderzoeksinstellingen gewenst zijn. Voorbeelden van pilots zijn:
Bij het opzetten en uitvoeren van een innovatieprogramma is samenwerking tussen partijen vereist. De overheid kan een initiërende rol spelen, maar anderen (bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen) moeten de urgentie voelen en er in willen investeren. Het innovatieprogramma raakt aan de werkterreinen van meerdere departementen (V&W, VROM, EZ, BuZa-DGIS). Het uitwerken van een innovatieprogramma zal 6-9 maanden vragen.
Het is niet zinvol nu al te denken
aan een fysieke onderzoekslocatie in Nederland (proefstation of
proefboerderij) voor zoutwaterlandbouw. Allereerst dient zicht
te komen op de inhoud en de omvang van het innovatieprogramma.
Daarnaast zijn er voldoende mogelijkheden om aan te sluiten bij
de bestaande infrastructuur voor onderzoek en innovatie.
De kansen van bioproductie en
ecosysteemontwikkeling in zoutwatermilieus verdienen ook
verdere aandacht. Deze zijn nog onderbelicht in de huidige kennisinfrastructuur
en moeten verder worden verkend.