Onder redactie van:
Ir. H. Rutten en Dr. ir H.J. van Oosten (NRLO)
NRLO-rapport 99/17, Den Haag, juli 1999
Ten Geleide Om te komen tot een duurzamer ontwikkeling, staan agrosector, vissector en groene ruimte voor de opgave een aantal majeure veranderingen te realiseren. Veranderingen, die moeten leiden tot een hernieuwd maatschappelijk vertrouwen, tot drastische verbetering van de milieu-efficiëntie, tot flexibele netwerken van behoeftenvoorziening, en tot nieuwe combinaties van rurale en stedelijke dynamiek. In de omgevingsverkenningen die de NRLO in mei 1998 heeft gepresenteerd worden deze uitdagingen, evenals daarbij passende acties, meer in detail besproken (rapporten 98/18 t/m 98/21). Voorts tekenen zich wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen af die in de komende decennia van grote invloed kunnen zijn op agrosector, vissector en groene ruimte. De kansen die daaruit voortvloeien, en de wijze waarop die benut kunnen worden, vormen het onderwerp van de Wetenschaps- en Technologieverkenning die in juli 1999 is verschenen (rapport 99/1).
Wat moet er gedaan worden om de opgaven te realiseren en kansen te benutten? Een rode draad door al deze verkenningen is de verwachting dat de wijze waarop we gewend zijn om vernieuwingsprocessen te realiseren, niet volstaat. Er is meer nodig. Niet alleen het vervolmaken en optimaliseren van bedrijfsprocessen, niet alleen betere producten en diensten maken; ook het ingrijpend vernieuwen van samenhangen tussen bedrijven, bedrijfstakken en regio's; ook het ingrijpend vernieuwen van het totale palet aan maatschappelijke waarden dat gevraagd wordt en van de wijze waarop daarin wordt voorzien. De 'organisatie van innovatie', en vooral het komen tot nieuwe invullingen daarvan, is integraal onderdeel van strategieën om te komen tot een vitale en duurzame ontwikkeling van agrosector, vissector en groene ruimte. Dit vraagt om nieuw innovatiebeleid. Om beleid dat ingrijpende vernieuwingsprocessen ('systeeminnovaties') stimuleert en ondersteunt, en dat alleen door gezamenlijke ambitie en inspanning van bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, overheden en kennisinstellingen van de grond kan komen.
In het werkprogramma van de NRLO is middels een aantal
discussiebijeenkomsten en achtergrondstudies aandacht besteed
aan nieuw innovatiebeleid. Dit rapport zet een accolade achter
de waardevolle inzichten en voorstellen die deze (en verwante)
bronnen hebben opgeleverd voor nieuw innovatiebeleid. Het doet
me deugd dat tijdens de strategische conferentie over een concept-versie
van dit rapport (mei 1999) werd geconcludeerd dat het nu tijd
is voor daden (rapport 99/20). Ik verwacht niettemin dat deze
rapportage, ook in een tijd van 'doen', een bron van inspiratie
zal blijven.
Prof. Dr.Ir. A. Rörsch,
Voorzitter NRLO.
Beleidssamenvatting
1. De ambitie te komen tot een
duurzame ontwikkeling vereist innovatiebeleid dat de voorwaarden
schept om systeeminnovaties te stimuleren en te doen slagen.
Beleid is hier breed opgevat: het gaat niet alleen om beleid
van overheden (nationaal, provinciaal, lokaal), ook om dat
van andere spelers: bedrijfsleven, kennisinstellingen, maatschappelijke
organisaties. En om gezamenlijk beleid: om gerichte en samenhangende
inspanningen door meerdere spelers. Toekomstig innovatiebeleid
richt zich niet meer voornamelijk op vernieuwingen die overwegend
op bedrijfs- en organisatieniveau gerealiseerd kunnen worden (zoals
product- en procesinnovaties), maar ook en vooral op bedrijfs-
en organisatieoverstijgende vernieuwingen (zoals markt- en omgevingsinnovaties).
2. Systeeminnovaties zijn bedrijfs- en organisatieoverstijgende vernieuwingen die door uiteenlopende
belanghebbenden gezamenlijk gerealiseerd worden, die de inbreng
van uiteenlopende soorten van kennis en vaardigheden vergen, en
die de verhoudingen tussen belanghebbende partijen ingrijpend
veranderen.
De vernieuwingen kunnen gericht zijn op een regio, een cluster van activiteiten of specifieke maatschappelijke
thema's, en zijn in veel gevallen een combinatie van die drie.
Systeeminnovaties dienen in beginsel breed opgevat te worden,
zoals de volgende kenmerken (en voorbeelden) laten zien:
3. Er bestaat brede consensus
over de noodzaak van vernieuwingen op systeemniveau. De tijd is
derhalve rijp voor nieuw innovatiebeleid - nieuw voor wat de betreft
oriëntatie (verkennend en verbredend) en bestuur (procesmatig,
faciliterend en gericht op netwerkvorming).
Uit de diverse bijeenkomsten die onder meer
in NRLO-verband zijn georganiseerd, spreekt een breed gedragen
besef dat voor een duurzame ontwikkeling nieuwe wegen ingeslagen
moeten worden en dat innovaties op systeemniveau nodig zijn. Beleid
dat zich richt op dergelijke ingrijpende vernieuwingen kan een
krachtig vehikel zijn om via gezamenlijk besef te komen
tot gezamenlijke actie.
Bij de vormgeving van nieuw innovatiebeleid zal vooral energie
gestoken moeten worden in:
a. Ontwerpende toekomstverkenningen.
b. Procesarchitectuur en -management.
c. Publiek-private samenwerking.
d. Het faciliteren en stimuleren van functionele clusters in agrosector en groene ruimte.
e. Versterking van de positie van kennisinstellingen in innovatiecreërende netwerken.
Deze aandachtspunten plaatsen alle betrokkenen voor bestuurlijke
uitdagingen (a t/m d), en dagen kennisinstellingen
uit tot het aangaan van nieuwe samenwerkingsverbanden (c en e).
4. Systeeminnovaties zijn in
bestuurlijk opzicht lastig, omdat er van begin af aan uiteenlopende
partijen bij betrokken moeten worden en de te verwachten resultaten
zich pas gaandeweg aftekenen.
Innovatiebeleid gericht op het realiseren
van product- en procesinnovaties is relatief eenvoudig. Het zijn
in beginsel ondernemers en ondernemende instellingen die deze
innovaties dragen en volbrengen - het is in essentie hun verantwoordelijkheid
en competentie. Dat maakt innovatiebeleid goed hanteerbaar en
overzichtelijk, reden waarom er inmiddels een goed inzicht bestaat
in wat 'goed' en wat 'slecht' beleid is voor dit type van innovaties
- ongeacht of het gaat om overheidsbeleid of ondernemingsbeleid.
Voor systeeminnovaties ligt dat anders. Zodra omgevingen
vernieuwd worden kan geen van de afzonderlijke bedrijven en organisaties
verantwoordelijk worden gesteld, en rest niets anders dan een
gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het bijeenbrengen van
belanghebbenden en het creatief houden van complexe samenwerkingsverbanden
(innovatienetwerken) is iets dat in het meer reguliere innovatiebeleid
niet of nauwelijks aan de orde is. Daar komt bij dat de resultaten
van systeeminnovaties volgen op zoek- en leerprocessen
die het innovatienetwerk moet doorlopen en daarom op voorhand
slechts in algemene termen te geven zijn. In vergelijking met
product- en procesinnovaties zijn systeeminnovaties dan ook een
relatief ongewis avontuur. Maar voor ondernemers en ondernemende
bestuurders mag dat toch geen bezwaar zijn, integendeel.
5. Willen kennisinstellingen
een rol van betekenis spelen in systeeminnovaties, dan zullen
zij zich een positie moeten zien te verwerven in innovatiecreërende
netwerken.
Wetenschap en technologie vormen niet dè
bron van innovaties, evenals innovaties niet dè sturende
factor zijn in het wetenschaps- en technologiebedrijf. De verhouding
tussen wetenschap, technologie en innovatie kan gekenschetst worden
als een LAT-relatie: Living Apart Together. De drie domeinen hebben tot
op zekere hoogte hun eigen kerncompetenties, hun eigen drijfveren
en - niet onbelangrijk - hun eigen taal en communicatiekanalen.
Ze hebben elkaar niettemin nodig, want in de overlappende delen
wordt vernieuwende kennis gecreëerd. Omdat (systeem-)innovaties
nieuwe verbanden en nieuwe processen doen ontstaan, zal een buitengewoon
zwaar beroep gedaan worden op het vermogen om interacties tussen
de drie domeinen te bewerkstelligen. Innovatiecreërende netwerken
- eerder dan vaste structuren en organisaties - zijn een geschikt
forum voor dergelijke interacties . Die netwerken kennen een discipline-
en vak-overstijgende aanpak, gedeeld probleemeigenaarschap, een
streven naar overbruggen van belangentegenstellingen, en een open
benadering van denkbare oplossingsrichtingen.
Hoe verder?
Ofschoon nieuw innovatiebeleid niet eenzijdig vanuit de overheid vorm en inhoud
gegeven kan worden, is de overheid de aangewezen partij om op
te treden als verbindende en stimulerende schakel.
Gezien haar positie ligt het voor de hand dat de
overheid in dezen een initiërende en faciliterende rol speelt.
Niet vanuit de optiek dat de overheid daarin vervolgens sturend
zou gaan optreden, maar om partijen bijeen te brengen (en houden!)
en momentum te creëren om de omslagen in het denken om te
zetten in concrete en kansrijke initiatieven.
Op die manier wordt de innovatieagenda voor agrosector,
vissector en groene ruimte niet langer een opgave, maar
een verrijkende onderneming.
Inleiding
- achtergrond en leeswijzer
In het verkenningenprogramma van de NRLO zijn drie
hoofdlijnen te onderscheiden:
1. verkenning van de maatschappelijke dynamiek;
2. verkenning van de dynamiek in wetenschap en technologie;en
3. verkenning van de organisatie van innovatieprocessen.
In de derde hoofdlijn wordt een dwarsdoorsnede gemaakt van de twee andere verkenningen, met als leidende vraag: wat betekenen maatschappelijke veranderingen en veranderingen in wetenschap en technologie voor de manier waarop innovatieprocessen tot stand komen?
Figuur 1. Hoofdlijnen NRLO-werkprogramma
Deze rapportage geeft in kort bestek de belangrijkste
resultaten van de innovatieverkenning. De verkenning naar organisatie van innovatie is gebaseerd
op een groot aantal achterliggende rapporten en bijeenkomsten.
Het merendeel daarvan stond in het teken van een van de twee andere
verkenningen. In veel van het materiaal dat hieruit naar voren
is gekomen, worden - op uiteenlopende manieren - uitspraken gedaan
over de organisatorische kanten van vernieuwings- en veranderingsprocessen.
Maar ook ten behoeve van de innovatieverkenning zèlf
zijn specifieke activiteiten ondernomen (zie 'Referenties' voor
een overzicht van achtergrondstudies bij deze verkenning).
De diverse bevindingen, inzichten en aanbevelingen
uit al deze verkenningen en achtergrondstudies, zijn in het voor
u liggende rapport op een zo toegankelijk mogelijke wijze verwerkt.
De invalshoek is uiteraard die van de organisatorische kanten
van innovatieprocessen.
De gekozen opzet beoogt twee doelen te bereiken.
Het eerste doel is inhoudelijk van aard: het beiden van een overzicht
van de belangrijkste noties over de organisatie van innovatieprocessen
die boven zijn komen drijven uit de diverse verkenningen. Dit
is het onderwerp van hoofdstukken 2 ('Het wezen van innovatie')
en 4 ('Organiseren van innovaties'). Het tweede doel is een doorvertaling
te geven van die noties voor innovatiebeleid dat past bij de strategische
opgaven waar agrosector, vissector en groene ruimte in de komende
decennia voor staan. Hierover gaat hoofdstuk 5 ('Organisatie-agenda
voor nieuw innovatiebeleid'). Omdat die strategische opgaven leidend
zijn - en innovatieprocessen het middel - worden deze kort besproken
in hoofdstuk 3 ('Omslagen in denken en doen').
2. Het wezen van 'Innovaties'
2.1. Wat is nieuw?Enige reflectie op het begrip 'innovatie' is op zijn plaats, en meer in het bijzonder op twee vragen: wat zijn innovaties en wat is de bron van innovaties? Bij de vraag naar het wezen van innovatie is de verleiding groot een sluitende definitie te geven. Het woord is afgeleid van het Latijnse innovare - een samenstelling van in en novare - wat vernieuwen of nieuw maken betekent. Innovatie is met andere woorden niets anders dan een deftig synoniem voor vernieuwing. Tot zover is er niets aan de hand. De problemen beginnen wanneer we ons af gaan vragen wanneer iets 'nieuw' is. Nagenoeg alle (tientallen) definities van innovatie die in omloop zijn proberen hier min of meer universeel hanteerbare criteria voor aan te reiken. Maar elk van die pogingen creëert een hinderlijke versmalling of levert slechts schijnzekerheid op. Bijvoorbeeld, volgens een veel gebruikte definitie van innovatie zou het gaan om de 'eerste commerciële toepassing van een nieuw product'. Maar wat is 'eerste' en wat is 'nieuw'? Als we dat letterlijk nemen was de eerste melktank die in Nederland (in 1959) toegepast werd, geen innovatie omdat de tank in andere landen al veel langer in gebruik was. En waarom zouden innovaties beperkt moeten worden tot commerciële activiteiten en tot producten? Het zou betekenen dat bijvoorbeeld het instituut landbouwcoöperatie destijds geen innovatie was. Uitbreidingen of preciseringen ('producten en diensten') van deze definitie kunnen helpen, maar lossen het probleem van de schijnzekerheid uiteindelijk niet op. Voor wie analytische en empirische studies naar innovaties wil doen is het uiteraard noodzakelijk om een zo hanteerbaar mogelijke definitie te formuleren en daarbij keuzen te maken, net zoals het voor bijvoorbeeld een patentenbureau onontkoombaar is om harde criteria aan te leggen voor wat 'nieuw' is.
Maar de meer alledaagse gebruiker van de term innovatie
kan zich tevreden stellen met meer lossere omschrijvingen. Drie
noties uit de innovatieliteratuur zijn daarbij nuttig: perceptie,
context en waarde. Of iets nieuw is doet volgens die
noties minder ter zake dan of iets als nieuw gezien, gepercipieerd
wordt. Of iets als nieuw wordt gepercipieerd, hangt vervolgens
sterk af van de context, de omgeving van degene die zich die vraag
stelt. En tenslotte zijn we geneigd om bij de beoordeling van
het nieuwe scherp te letten op wat we ermee (zouden) kunnen doen,
hoe waardevol het kan zijn. Daarom was die eerste melktank in
Nederland, zeker voor de bewuste melkveehouder, een innovatie.
Niet alleen omdat er in zijn (tamelijk wijde!) omgeving nog geen
tweede was te vinden, ook omdat de tank door de veehouder als
waardevol werd beschouwd en een deel van zijn bedrijfsprocessen
vernieuwde. Het grote voordeel van deze lossere omschrijving
is dat het op voorbaat geen beperking oplegt omtrent wat
er vernieuwd wordt - het maakt derhalve niet uit of het om een
nieuw verbruiksgoed gaat, een nieuw productiemiddel, een nieuwe
dienst, een nieuwe organisatie, een nieuwe institutie, etc.
Waar komen innovaties vandaan? Wat is de bron? Twee
'scholen' hebben lange tijd gestreden over deze vraag. Volgens
sommigen zijn behoeften, en dan vooral marktbehoeften (de vraag)
de werkelijke bron van innovatie. Immers, zonder behoeften geen
toepassing. Anderen wijzen liever op het ontstaan van nieuwe mogelijkheden
als de bron, en dan vooral van mogelijkheden die voortvloeien
uit wetenschappelijke en technologische inzichten en vindingen
(het aanbod). Ofschoon tal van studies hebben laten zien dat geen
van beide scholen het bij het rechte eind kan hebben, schuilt
in beider gedachtengang een belangrijke kern van waarheid, en
dat is dat innovaties voortkomen uit verwondering: door maatschappelijke
innovatoren (ondernemende individuen en organisaties) over hoe
actuele of latente behoeften (beter) vervuld kunnen worden, over
hinderlijke kanten van hoe we gewend zijn dingen te doen ('kan
het niet anders?'). En verwondering door wetenschappers over lacunes
in het denken ('waarom snappen we het niet?') en door technologische
experts over onvolkomenheden in de prestaties van hulpmiddelen
('kan het niet beter?'). Zonder dergelijke verwondering geen innovatie,
wat uiteraard niet onverlet laat dat er, zoals de volgende hoofdstukken
ook zullen laten zien, méér nodig is om innovatieprocessen
te realiseren.
2.2. Innovaties
in soorten en matenIn de innovatiewereld kunnen zeer veel vormen van innovatie worden onderscheiden. Een voor ons doel handzame indeling beslaat vijf innovatievormen. Dat zijn innovaties van producten of diensten, processen, transacties, markten en omgeving. Het indelingscriterium dat hier is gebruikt, is de mate van complexiteit van het innovatieproces. Daarbij is vooral aan twee aspecten gedacht: 1) het aantal betrokken partijen - hoe meer in aantal (en hoe meer uiteenlopend van aard), des te lastiger is het om het proces tot een goed einde te brengen; en 2) de mate waarin bestaande gewoontes, regels en structuren aangepast of aangetast moeten worden om succes te kunnen boeken: hoe meer zaken op z'n kop moeten, des te groter de weerstand tegen pogingen tot vernieuwing.
De classificatie die hieruit volgt wordt in het onderstaande
besproken. Zoals zal blijken is het een goede opstap om beter
zicht te krijgen op een bijzondere groep van innovaties die later
besproken wordt: systeeminnovaties.
Om te beginnen de bekende product-, dienst- en procesinnovaties. Deze behoren typisch tot het domein van individuele personen, bedrijven en organisaties. Het aantal betrokken partijen is hier klein, soms zelfs slechts één. En wanneer er meerdere partijen in het spel zijn, gaat het doorgaans om verwante partijen die elkaar snel weten te vinden.
Verreweg de meerderheid van de innovaties die plaatsvinden
betreft product-, dienst- en procesinnovaties. Dat komt niet alleen
doordat deze innovaties noodzakelijk zijn voor de continuïteit
en groei van bedrijven en organisaties, ook omdat ze relatief
eenvoudig te realiseren zijn. Ook innovatieprocessen volgen de
weg van de minste weerstand. De andere drie typen zijn aanzienlijk
lastiger te realiseren.
Figuur 2. De vijf innovatievormen
Transactie-innovaties zijn innovaties die een verandering teweeg brengen in de manier waarop producten of diensten geleverd worden. Nieuwe merknamen en labels, Integrale KetenBewaking zijn er voorbeelden van, evenals de mogelijkheid om via het Internet goederen te selecteren en te bestellen. Om dergelijke innovaties voor elkaar te krijgen moeten veel afzonderlijke partijen op één lijn komen (en blijven!) en moeten op meerdere niveaus al dan niet ingrijpende technologische en organisatorische aanpassingen worden aangebracht.
Een marktinnovatie, het proces dat leidt tot het ontstaan van een nieuwe markt vergt vaak een nieuwe of aangepaste infrastructuur en kan daarom alleen slagen als meerdere partijen zich hiervoor medeverantwoordelijk voelen. Een aansprekend voorbeeld is het Internet, dat zelf letterlijk heeft geleid tot de vorming van een volledig nieuwe, want virtuele marktplaats. Een ander voorbeeld is de ontwikkeling van Fast Food of gemaksvoedsel, die gepaard is gegaan met tal van nieuwe voedingsproducten, productieprocessen (bewaren en verpakken) en transactievormen (zoals drive-in restaurants). Bij marktinnovaties zijn veel en uiteenlopende partijen medeverantwoordelijk en het aantal variabelen dat mee verandert is hier in de regel erg groot.
Bij omgevingsinnovatie is de complexiteit
maximaal. Bij dit type van innovaties is het oogmerk de relevante
leef- en werkomgeving van een zeer groot aantal betrokkenen te
veranderen. De vorming van de Europese Gemeenschap is hiervan
een voorbeeld, evenals - op nationaal niveau - de naoorlogse wederopbouw.
Ook de grootscheepse modernisering van de Nederlandse land- en
tuinbouw in de jaren '50-'70 is een voorbeeld van een omgevingsinnovatie.
Met het huidige algemene streven naar een meer duurzame ontwikkeling
zitten we opnieuw middenin zo'n proces van omgevingsinnovatie.
2.3. Systeeminnovaties
Systeeminnovaties zijn relatief complexe vormen van
innovatie - complex in de zin dat tijdens het innovatieproces
veel variabelen veranderen, en een groot aantal verschillende
partijen verantwoordelijkheid draagt tijdens bij het proces. Om
misverstanden te voorkomen: ook bij systeeminnovaties zijn niet
alleen de zogenaamde 'harde' innovaties, zoals technieken, apparaten
of fysieke hulpmiddelen, maar vooral ook de meer 'zachte' innovaties:
principes, regels en organisatievormen. De rijk gedocumenteerde
innovatiegeschiedenis laat zelfs zien dat hoe complexer een innovatie
is, des te zwaarder het vergezeld gaat van zachte innovatievormen.
Wat zijn dan systeeminnovaties?
'Systeem' komt van het Grieks en is een samenstelling
van sun en histèmi, wat zoveel betekent als
'samen doen staan'. Een systeem is een als één geheel
ervaren stelsel waarvan de elementen samenhangen en toewerken
naar een gemeenschappelijk doel (Senge et al, 1995). En met de
nadruk op samenhang en doel. Systeeminnovaties richten zich op
(vernieuwing van) de samenhang der dingen, niet (alleen) op verbetering
of vernieuwing van een element binnen een systeem.
Figuur 3. De plaats van systeeminnovaties
Wat een systeem is en bijgevolg ook wat een systeeminnovatie is, hangt helemaal af van de samenhang waar we naar willen kijken, oftewel van de als relevant ervaren samenhang: kijken we naar de ontwikkelingsgeschiedenis van een groep, een bedrijf, een bedrijfstak, een sector, een keten, een regio, een samenleving? Op voorhand valt hier slechts dit over te zeggen: gezien de opgaven voor de toekomst (zie hoofdstuk 3) moeten we in eerste instantie kijken naar hoe de dingen 'samen staan' op niveaus die uitstijgen van die van het individu, het individuele bedrijf, de individuele belangengroep. Het type innovaties dat een middel is om de opgaven voor agrosector en groene ruimte op te pakken, heeft dan ook vooral betrekking op innovatie van transacties, markten en omgevingen. Deze drie typen van innovaties tezamen noemen we systeeminnovaties, omdat zij, meer dan de andere twee innovatietypes, gemeenschappelijk hebben dat zij het verband tussen individuen, bedrijven en organisaties meer of minder ingrijpend veranderen - hen op een andere manier 'samen doen staan'.
Dergelijke systeeminnovaties hebben voorts de volgende algemene kenmerken:
Product-, dienst- en procesinnovaties zijn welhaast aan de orde van de dag en krijgen daardoor veel aandacht in de
innovatieliteratuur. Over het realiseren van meer complexe en omvattende vernieuwingsprocessen is aanzienlijk minder gesystematiseerde kennis voorhanden. Tamelijk nieuwe onderwerpen binnen de innovatieliteratuur die verwantschap vertonen met systeeminnovaties, zijn nationale innovatiesystemen (waar de aandacht voornamelijk uitgaat naar de samenhang tussen wetenschap, technologie en innovatie op macroniveau), complexe productsystemen (bijvoorbeeld telecommunicatiesystemen) en grootschalige organisatie-interventies (gericht op bijvoorbeeld een 'kanteling' van organisatieprocessen). Welke voorbeelden van systeeminnovaties zijn er te geven uit de agrosector en groene ruimte? Teruggrijpend op de eerdergenoemde drie aggregatieniveaus kunnen de volgende voorbeelden gegeven worden uit het verleden, heden èn toekomst:
Ingrijpende vernieuwingen in regio's:
Ingrijpende vernieuwingen van clusters:
Ingrijpende vernieuwing op basis van thema's:
2.4. Versterkende
en ontwrichtende innovatie: verschuivende prestatiecriteriaUit het bovenstaande blijkt overigens tegelijk de betrekkelijke waarde van dergelijke classificaties. Relatief eenvoudige innovaties zoals nieuwe producten kunnen - al dan niet bedoeld - de motor vormen voor het ontstaan van nieuwe markten. En omgekeerd: voor het ontstaan van nieuwe markten zijn veelal - ook - nieuwe producten, processen en transacties noodzakelijk. Vanwege de onderlinge verbondenheid van al die verschillende innovatievormen wordt daarom in innovatiestudies regelmatig de metafoor van de innovatieboom of het innovatietraject gehanteerd: de ene innovatie borduurt voort op de andere (al gerealiseerde) innovatie. Uit innovatiestudies van met name Christensen (1999) blijkt echter dat het van groot belang is om vast te kunnen stellen wat 'voortborduren' in dezen betekent. Een nieuwe oogstmachine borduurt doorgaans vooral in technologische en functionele zin voort op oudere machines. Dit type van innovaties noemt Christensen 'versterkende' innovaties omdat niet de prestatiecriteria vernieuwen, maar de verlangde prestatie zèlf verbeterd wordt. Zo is een dominant prestatiecriterium van oogstmachines de snelheid waarmee een bepaalde oppervlakte kan worden geoogst. Nieuwe oogstmachines zullen op dat criterium beter moeten scoren dan bestaande machines, wat doorgaans resulteert in groter, krachtiger en duurdere machines. Dit impliceert dat niet-dominante prestatiecriteria alleen worden versterkt als dit niet ten koste gaat van de gewenste versterking van dominante criteria. Zolang de meeste gebruikers geen andere gaan eisen stellen, is er voor de producent van oogstmachine geen reden om zijn innovatiestrategie te wijzigen. Een dilemma ontstaat wanneer er wel een verschuiving optreedt of lijkt op te treden in de verlangde prestaties. Als veel gebruikers bijvoorbeeld de wendbaarheid, het energieverbruik en de prijs van de machines belangrijker gaan vinden dan oogstsnelheid, dan zullen de nieuwe grote, krachtige en dure machines op den duur minder aftrek vinden. De producent die deze marktvraag wil bedienen komt dan voor de vraag te staan of het loont om deze nieuwe (ontluikende) marktvraag te bedienen, en of hij hiertoe in technologisch en organisatorisch opzicht toe in staat is. In plaats van te werken aan versterkende vernieuwingen, moet hij nu oogstmachines gaan maken met een wezenlijk andere functionaliteit, voor een groep van gebruikers die in eerste instantie onbeduidend klein is. Hij moet bijvoorbeeld kleine en goedkope machines gaan maken, wat hem op een volledig ander 'traject' zou zetten dan waar hij zich tot dan toe in bekwaamd heeft. Christensen noemt dit daarom 'ontwrichtende' innovaties. Voor de producent van oogstmachines is het om twee redenen hoogst tegennatuurlijk om energie te steken in ontwrichtende innovaties: ze worden immers (nog) niet gevraagd door de meerderheid van de gebruikers, en ze vergen al snel een forse aanpassing in de wijze waarop de ontwikkeling, productie en vermarkting van oogstmachines georganiseerd worden. Christensen beveelt bedrijven daarom ook aan om óf te wachten tot anderen de nieuwe markt ontwikkeld hebben (of daarin blijken te falen), óf een deel van de beschikbare middelen te steken in een nieuwe, kleine organisatie die geheel eigenstandig de opdracht krijgt de ontwrichtende innovatie te (proberen te) ontwikkelen.
Het onderscheid tussen versterkende en ontwrichtende innovaties - en het daarbij behorende strategische dilemma - kan voor de agrosector, vissector en groene ruimte van grote betekenis zijn. Ontwrichtende innovaties zijn hier overigens niet vreemd; zo is biologische plaagbestrijding een perfect voorbeeld van een innovatie die ontwrichtend werkt voor het chemische traject. Het hierboven geschetste innovatiedilemma zal ongetwijfeld op gaan treden bij het uitwerken van de strategieën en opgaven die uit de toekomstverkenningen naar voren komen. Die strategieën en opgaven kunnen immers worden opgevat als een pleidooi voor nieuwe prestatiecriteria voor (publieke en private) 'markten' die goeddeels nog ontwikkeld moeten worden - kortom als een pleidooi om de risico's en onzekerheden die gepaard gaan met ontwrichtende innovaties op een of andere manier het hoofd te bieden.
3. Omslagen
in denken en doenDoor de NRLO-verkenningen die in mei 1998 zijn gepresenteerd voor de agrosector, vissector en de groene ruimte lopen drie rode draden. Eén is de noodzaak van perspectiefwijziging, het anders aankijken tegen de problemen van nu en de mogelijkheden van morgen. Een tweede rode draad is de noodzaak te komen tot strategieën en acties om aan de nieuwe perspectieven inhoud te kunnen geven. De verkenningen kregen daarom de ondertitel 'kennis- en innovatieagenda voor de 21ste eeuw' mee. Een derde rode draad is dat de vernieuwingen die nodig zijn om de genoemde opgaven te realiseren, een schaal en karakter hebben die fors afwijkt van waar het innovatiebeleid van overheid en bedrijfsleven zich op richt. Dit type van vernieuwingen heeft in het verkenningenprogramma van lieverlede het label 'systeeminnovaties' meegekregen. In dit hoofdstuk vatten we kort de eerste twee rode draden samen. Hoofdstuk 4 is geheel gewijd aan omslagen in het innovatiebeleid - de derde rode draad.
Figuur 4. Drie rode draden in de NRLO-verkenningen
3.1. Perspectiefwijzingen
Zoals gezegd ligt aan innovatieprocessen doorgaans
een nieuwsgierige ontevredenheid ten grondslag: de vraag "kan
het niet anders?" is in veel gevallen de cruciale vonk voor
een zoeken naar uitwegen en nieuwe wegen. Een ander perspectief
kan verrassende nieuwe mogelijkheden opleveren. In de NRLO-verkenningen
staan perspectiefwijzigingen daarom centraal. We geven daarvan
een aantal voorbeelden.
1. Een perspectief dat lang opgeld heeft gedaan was
dat van het optimaliseren van economische waarden binnen
maatschappelijke, ruimtelijke en ecologische randvoorwaarden.
De opgave voor de agrosector is afstand te doen van dat perspectief
en in plaats daarvan te werken aan creatie en behoud van maatschappelijke,
ruimtelijke en ecologische waarden, binnen economische randvoorwaarden.
In het NRLO-rapport over de agrosector (98/20) wordt dit een pro-actief
waardenbeleid genoemd.
2. Thans voltrekt zich het proces van vraaggestuurde ketenvorming. In dit nog betrekkelijk jonge proces overheerst de behoefte aan verticale coördinatie en afstemming in agroketens. Maar gezien de ontwikkelingen op de consumentenmarkt (denk met name aan massa-individualisering) is dit onvoldoende, en zal de aandacht zich meer moeten richten op horizontale en diagonale netwerken. In plaats van strakke ketens, wordt het perspectief dat van de responsieve flexibele netwerken.
3. Een derde perspectiefwijziging is het doelgericht
toewerken naar een hoge, sprongsgewijze verbetering van de milieu-efficiëntie
door nieuwe systemen van productie, bewerking, transport en verbruik,
in plaats van het waar mogelijk, ad hoc en incrementeel verbeteren
van de milieu-efficiëntie van afzonderlijke onderdelen van
bestaande systemen.
4. Een vierde perspectiefwijziging is het afstand doen van het idee dat stad en land gescheiden werelden zijn en moeten blijven. Dit perspectief wordt ingeruild voor een sterke nadruk op samenhang in de ontwikkeling van stad en platteland.
| Van optimaliseren economische waarden naar optimaliseren maatschappelijke waarden |
| Van verticale ketens naar flexibele netwerken |
| Van kleine naar drastische verbetering van milieu-efficiëntie |
| Van stad-land naar stad&land |
3.2. Innovatieagenda
voor agrosector, vissector en groene ruimte
In de verkenningen die zijn verricht onder de noemer
'maatschappelijke dynamiek' en 'dynamiek van wetenschap en technologie'
(zie figuur hoofdstuk 1) zijn de hierboven beschreven perspectiefwijzigingen
vertaald in opgaven en strategieën die elk toegesneden innovatie-inspanningen
vereisen. Alvorens in te gaan op het hoe en wat van die innovatie-inspanningen
is het daarom nuttig om in kort bestek de opgaven en strategieën
de revue te laten passeren.
In de Agrosector-verkenning (rapport 98/20) worden als opgaven geformuleerd:
In de verkenning Groene Ruimte (rapport 98/19) zijn de opgaven geformuleerd als vraagstukken:
De Vissector staat volgens de verkenning (rapport 98/18) voor twee hoofdopgaven:
Een hoofdconclusie uit de verkenning naar de dynamiek van wetenschap en technologie (rapport 99/1) is dat de kansen van strategische W&T-gebieden voor de agrosector, groene ruimte en vissector het best gegrepen kunnen worden door een effectievere organisatie van de beschikbare middelen W&T in Nederland. Dit kan als volgt gestalte gegeven worden:
Een saillante implicatie van het bovenstaande is
dat niet zozeer de totale omvang van bepaalde W&T-gebieden
(in geld en mensen) als kritisch wordt beschouwd voor de toekomst,
als meer de kwaliteit van de W&T-infrastructuur.
4. Organiseren
van innovatie 'toen' en 'straks'
4.1. OVO-drieluik:
het eens zo succesvolle organisatiemodel
De Nederlandse land- en tuinbouw als geheel heeft
laten zien dat het vermogen om slim te organiseren niet alleen
voor individuele bedrijven en organisaties is weggelegd, maar
ook voor een bedrijfstak of een sector. Een treffende illustratie
van het (sectorale) organisatievermogen zijn enkele passages uit
een verhandeling over het wetenschaps- en technologiebeleid in
Nederland:
"In Nederland heeft lange tijd het landbouwsysteem
model gestaan voor een succesvol innovatieproces. In het landbouw-jargon
wordt het landbouwinnovatiesysteem veelal aangeduid als het OVO-drieluik,
waarbij OVO staat voor Onderzoek, Voorlichting en Onderwijs. In
feite onderscheidt landbouw dezelfde fasen in de innovatieketen
als dat in het technologiebeleid het geval is:
Het succes van het landbouwinnovatiesysteem is voor
een belangrijk deel toe te schrijven aan het feit dat elk van
de onderscheiden activiteiten wordt verricht door daarvoor speciaal
opgerichte organisaties, die door de keten heen uitstekend met
elkaar (kunnen) communiceren. (..) De landbouw kenmerkt zich als
een afgebakende sector waarin overheid en private sector nauw
samenwerken." (Van Dijk et al., 1993)
Op het moment dat deze mooie woorden geschreven werden,
had het landbouwinnovatiesysteem evenwel al veel van zijn glans
verloren. De auteurs drukten zich eufemistisch uit toen zij aan
de bovenstaande beschrijving toevoegden dat het systeem "thans
aan verandering onderhevig is". Feitelijk was het succesmodel
al ten grave gedragen. Twee vragen doemen nu op: waarom was het
model succesvol, en waarom is het dat thans niet meer?
Innovatieprocessen in de land- en tuinbouw in de
jaren '50 tot ver in de jaren '80, werden gekenmerkt door eenduidigheid
en vanzelfsprekendheid. Voor nagenoeg alle deelnemers aan het
landbouwcomplex was duidelijk wat hen te doen stond, namelijk
het productievolume vergroten, de kostprijs verlagen en de productkwaliteit
verhogen. Deze eenduidigheid heeft gezorgd voor een onverwacht
sterke dynamiek in de sector doordat voor alle belanghebbenden
vanzelfsprekend was wat hun taak, hun functie binnen dit geheel
was. Ongeacht of die belanghebbende nu een agrarisch ondernemer,
een toeleverancier, een bedrijfsvoorlichter, een docent, een onderzoeker
of een beleidsmaker was. Kortom, het doel van de 'innovatiemachine'
zoals die in die tijd volop draaide was zo helder als kristal.
Voor innovatiebeleid - van overheid en georganiseerd bedrijfsleven
- is dit om twee redenen een paradijselijke toestand. Ten eerste
omdat de beleidsvorming betrekkelijk conflictloos kan verlopen
- zelfs nauwelijks expliciet gemaakt hoeft te worden. Ten tweede
omdat investeringen in zo'n innovatiemachine vrij risicoloos zijn
en al snel een hoog rendement opleveren.
| '1950'-Jaren tachtig | Jaren negentig |
| Eenduidigheid in doelen | Uiteenlopende doelen |
| Vanzelfsprekendheid in beleid | Zoekend beleid |
Dit innovatieparadijs is nu passé. Er is geen sprake meer van eenduidigheid en vanzelfsprekendheid, maar van een brede waaier van uiteenlopende en deels conflicterende doelen èn van een omvangrijk zoekproces naar nieuwe doelen en naar nieuwe manieren om doelen te realiseren. En voorzover er nog gesproken kan worden van een innovatiemachine, gaat het om een zeer heterogeen machinepark waarvan veel onderdelen letterlijk ten einde raad zijn. Landbouwsocioloog Frouws (1994) zegt het aldus: "De neuzen staan niet meer allemaal dezelfde kant op. Er is meer oog voor differentiële ontwikkelingsmogelijkheden. Er zijn meerdere antwoorden denkbaar op de vele uitdagingen en problemen."
Typerend is dat NRLO-rapport 97/44, met essays over de toekomstige innovatieomgeving van boeren en tuinders, een grote ongerustheid uitademt over de effectiviteit van het kennissysteem. Hoe is dit zo gekomen? In datzelfde NRLO-rapport wordt gewezen op vijf ontwikkelingen die ervoor hebben gezorgd dat de klassieke succesformule zijn kracht verloor:
Daar komt bij dat de kennisinfrastructuur zich meer en meer is gaan richten op economische en maatschappelijke belangen die niet direct gerelateerd zijn aan de agrosector. Dit geldt met name voor de kennisontwikkeling ten behoeve van de groene ruimte.
Een en ander impliceert dat de innovatie-arena ook
zonder een terugtredende overheid en zonder bezuinigingen op overheidsfinanciering
van het OVO-drieluik, fors zou zijn veranderd en het OVO-drieluik
obsoleet zou zijn geworden.
Gevat in de termen uit de figuur aan het begin van
deze paragraaf: het roemruchte landbouwinnovatiesysteem is sterk
gebleken in het optimaliseren van een specifiek innovatietraject
('modernisering') dat betrekkelijk eenduidige prestatiecriteria
kende. Maar in een tijdperk waarin de prestatiecriteria veranderen
en 'meer van hetzelfde' allengs minder winst oplevert voor alle
betrokkenen, wordt de overstap naar een nieuw innovatietraject
noodzakelijk. Zo'n overstap wordt evenwel omgeven door fundamentele
onzekerheden: Wat zijn de (nieuwe) relevante prestatiecriteria?
Welke innovatievormen passen daarbij? Hoe snel kan prestatiewinst
geboekt worden? Hoeveel van de 'oude' kennis en vaardigheden moet
overboord gezet worden? Wie durven het voortouw te nemen? In het
omgaan met dergelijke onzekerheden is het landbouwinnovatiesysteem
allesbehalve succesvol gebleken, gericht als het was op de bekende,
vertrouwde prestatiecriteria en de beproefde innovatievormen.
4.2. Relaties tussen
'wetenschap', 'technologie' en 'innovatie'
Aan innovatiebeleid en innovatiemanagement ligt doorgaans
een beeld ten grondslag van hoe nieuwe ideeën tot stand komen
en uiteindelijk tot praktische vernieuwing leiden. Eerder hebben
we al het bestaan van de twee 'scholen' beschreven, waarbij de
een het aanbod (uit wetenschap en technologie) centraal stelt
en de ander de vraag (uit markt en maatschappij). Het ligt voor
de hand dat er ook een school is die juist de interactie tussen
aanbod en vraag benadrukt. Kenmerkend aan al deze beelden is evenwel
de lineariteit ervan: alsof wetenschap, technologie, vernieuwers
en vragers aan elkaar geschakeld zijn als in een innovatieketen.
Het OVO-drieluik is sterk geënt geweest op dit model. Dergelijke
denkbeelden zijn nuttig wanneer het voor alle betrokkenen duidelijk
is voor welke problemen oplossingen gevonden moeten worden en
wanneer het duidelijk is bij welke behoeften nieuwe technologische
mogelijkheden aan zouden kunnen sluiten. Maar wanneer het erom
gaat een nieuwe kijk te ontwikkelen op de kernopgaven voor betrokkenen
en tot pluriforme oplossingen te komen, dan zijn wezenlijk nieuwe
combinaties van inzichten en praktijken nodig. Lineaire verbanden
kunnen dan niet of averechts werken.
Bij diverse gelegenheden heeft de NRLO een model naar voren gebracht waarin geprobeerd wordt te breken met het beeld van de lineaire innovatieketen (o.a. Verkaik, 1997). Ook dit model onderscheidt drie soorten of domeinen van 'kenniscreatie', maar legt andere onderlinge verbanden. Allereerst de drie hoofdbestanddelen ervan.
Figuur 7. De drie scheppingsdomeinen
Het eerste domein is dat van de wetenschappelijke kennisvorming oftewel het fundamentele, ongerichte of ongebonden onderzoek dat in de meer academische sferen plaatsvindt. Dit is het domein 'kennisgeneratie'. Het vorsen naar het wezen der dingen en verschijnselen staat hier centraal, met als doel vragen te stellen bij heersende inzichten en theorieën en nieuwe inzichten en theorieën te ontwikkelen. Kennisgeneratie vindt overigens niet alleen plaats bij universiteiten, maar ook bij instellingen die te boek staan als instellingen voor toegepast onderzoek, evenzo in bedrijfslaboratoria van grote bedrijven. Voor het gemak duiden we de personen die in dit domein actief zijn aan met de term 'vorsers'.
Het tweede domein is de ontwikkeling van technologieën en kundes; het is datgene waar ingenieurs en vakmensen goed in geacht worden te zijn. Dit scheppingsdomein levert ontwerpen, vaardigheden en technieken op - nieuwe of in elk geval passende instrumenten, methoden en organisatievormen - al dan niet als prototype. De instellingen voor toegepast onderzoek zijn binnen dit domein een belangrijke, maar allerminst exclusieve speler. Ook universiteiten, ingenieursbureaus, onderzoekslaboratoria en dergelijke zijn scheppers van technologieën en kundes. Deze spelers noemen we voor het gemak 'experts'.
Het derde domein is dat van de praktische innovatie: het creëren van nieuwe producten, diensten, processen en transactievormen. Dit vergt kennis van hoe veranderingsprocessen ingericht kunnen worden, handigheid in het vinden van passende financiële en institutionele instrumenten, handigheid in de timing en de marketing ervan, enzovoorts. De spelers in dit domein zijn overwegend ondernemingen (ondernemers) en maatschappelijke organisaties (beleidsmakers) - het zijn 'de vernieuwers'. Maar ook hier geldt: niet exclusief.
'Living Apart Together'
Een essentieel kenmerk van het geschetste model
is dat in elk van deze domeinen kennis wordt gecreëerd.
Het zijn scheppingsdomeinen die als in een LAT-relatie tot elkaar
staan: ze hebben elkaar nodig, maar hebben ook voldoende ruimte
nodig voor eigenstandige ontwikkeling; Living Apart Together
(Verkaik, 1997). In de meer lineaire beelden van hoe innovatieprocessen
verlopen, ligt doorgaans de nadruk op de onderlinge afhankelijkheid
van de domeinen: wetenschap is er voor de technologie, en technologie
is er voor innovaties - of omgekeerd. Daarentegen wordt in het
'LAT-model' verondersteld dat elk domein lang kan gedijen en zich
lang kan blijven verbeteren zonder enige verbinding met de
andere domeinen. Dat komt doordat de domeinen onderling fors
verschillen - en moeten verschillen. Niet alleen in de kennisproducten
die geschapen worden, en in de actoren die het domein leiden,
maar ook in het culturele klimaat dat in elk domein overheerst.
Zo is voor de vorser het willen verwerven van inzicht de belangrijkste
drijfveer, terwijl het de expert er vooral om te doen is technieken
en vaardigheden te ontwikkelen en te beheersen. De vernieuwer
op zijn beurt wordt vooral gedreven door hoe klanten zijn producten
en diensten waarderen. Hij heeft succes als zijn klantenkring
zijn vernieuwing waardeert. Voor de vorser telt niet een succes
op de markt, maar de waardering door collega's. En de expert is
geslaagd als de technologie of vaardigheid die hij heeft ontwikkeld
blijkt te werken.
In het NRLO-rapport 'Innoveren en leren' (Dammers et al., 1999), dat gaat over innovatieprocessen in de groene ruimte, is een vergelijkbare driedeling van actoren gemaakt. De auteurs onderscheiden innovatoren, onderzoekers (~vorsers) en adviseurs (~experts) en geven de volgende kenmerken van hun rol:
| Innovatoren | Onderzoekers | Adviseurs | |
| Leidende actoren | ondernemers, overheidsorganisaties, maatschappelijke organisaties; de streek | universiteiten; onderzoeksinstellingen | adviesbureaus, ingenieursbureaus; technologische instituten |
| Producten | nieuwe fysieke kwaliteiten van het gebied; nieuwe sturingsstrategie | nieuwe gegevens, inzichten en theorieën | nieuwe technieken, methoden en vaardigheden |
| Vereiste competentie | praktische vernieuwingszin; vermogen tot samenwerken | theoretisch-analytisch vermogen, kritische twijfel | diagnostisch en ontwerpend vermogen |
| Drijfveren | behoud en identiteit van gebied, creativiteit, consensus | nieuwsgierigheid, (inter-) nationale wetenschappelijke erkenning | werkzaamheid van technische of kundige oplossing, profilering |
| Toegankelijkheid kennis | toe-eigenbaar | openbaar | deels openbaar, deels toe-eigenbaar |
Het belang van verrassende ontmoetingen
Dergelijke verschillen tussen de drie scheppingsdomeinen
hebben alles te maken met de aard van het beestje. Ruimte voor
eigen dynamiek is voor elk domein een levensvoorwaarde. Het paradoxale
is evenwel dat beschrijvingen van voorbeelden van 'baanbrekende
innovaties', van 'revolutionaire technologieën', en van 'wetenschappelijke
doorbraken' welhaast zonder uitzondering laten zien dat ontmoetingen
tussen de domeinen hier een belangrijke, zo niet beslissende rol
in hebben gespeeld. Soms gaat het om letterlijke ontmoetingen:
tussen personen uit verschillende domeinen, maar vaker verloopt
de ontmoeting meer indirect, doordat vernieuwers 'bij toeval'
kennis nemen van een inzicht dat hen op een nieuw spoor zet. Een
beroemd voorbeeld van 'ontmoetingen' binnen het domein van de
kennisgeneratie levert de bioloog Darwin, die in de werken van
de politieke economen Smith en Malthus een denkwijze aantrof die
hem in staat stelde veel van zijn empirische bevindingen te verklaren
(met name de principes van natuurlijke selectie en survival
of the fittest).
Figuur 9. Nieuwe combinaties uit ontmoetingen
Een fraai voorbeeld van 'ontmoetingen' tussen vorsers en experts vinden we in de innovatiegeschiedenis van de stoommachine. De Franse medicus en wiskundige Papin figureert in deze geschiedenis als de vorser die experimenteerde met stoom en atmosferische druk, en de Engelse ijzerwarenhandelaar Newcomen als de expert die experimenteerde met nieuwe machines voor de mijnbouw. Ofschoon de twee elkaar toentertijd, in de 17de eeuw, hoogstwaarschijnlijk nooit ontmoet hebben, is het aannemelijk dat zij via-via van elkaars werk op de hoogte zijn gekomen en daaruit de vruchten hebben geplukt. De innovatiehistoricus Basalla (1993), zegt hierover: "Het was door synthese, dat mechanische technologie samenging met de wetenschap van de pneumatica. De machine die uit dit nieuwe huwelijk werd geboren vormde de aanzet tot een uiterst belangrijke reeks warmtewerktuigen, een reeks die na bijna drie eeuwen nog steeds nieuwe artefacten voortbrengt."
Het voordeel van dergelijke oude voorbeelden is dat
ze doorgaans goed gedocumenteerd zijn. Toch hoeven we niet zo
ver terug te gaan in de tijd om voorbeelden - dicht bij huis -
te vinden van ontmoetingen-met-gevolgen tussen de kenniscreërende
domeinen. Een heel interessant voorbeeld is de reeks van initiatieven
die zijn ontsproten aan de ontmoetingen tussen ketendeskundigen
uit AKK-kringen en innovatoren uit de recreatiehoek (Efteling!),
die in het voor hen tamelijk onbekende ketendenken inspiratie
vonden voor hun eigen branche.
Uit innovatie-oogpunt zijn dergelijke ontmoetingen
om twee redenen essentieel. De eerste is eenvoudigweg dat waar
twee of meer leefwerelden met elkaar in contact komen al snel
een ander perspectief op de werkelijkheid gevormd wordt. Een nieuw
perspectief, zo leert de ervaring, is een broeinest voor vernieuwing.
Het leidt tot nieuwe vragen, tot twijfel aan oude zekerheden,
en tot een andere kijk op wat wel en niet mogelijk is.
Figuur 10. Kennisgebruik in het LAT-model
De tweede reden is dat het bij dergelijke ontmoetingen niet alleen expliciete, gedocumenteerde kennis wordt uitgewisseld, maar ook impliciete, onuitgesproken kennis. Volgens de eerder genoemde bedrijfskundigen Nonaka en Takeuchi wordt het succes van innovaties zelfs grotendeels bepaald door het vermogen om deze twee soorten kennis op een slimme manier met elkaar in verband te brengen. Hoe verhoudt dit zich tot het LAT-model? Voor vorsers is expliciete kennis het cruciale vehikel voor vooruitgang; hun bestaan hangt immers grotendeels af van hun vermogen om inzichten op te schrijven of anderszins verbaal uit te dragen. Voor innovatoren is impliciete kennis een veel belangrijker vehikel. Zij moeten in hoge mate leunen op gevoel ('gut feeling', 'Fingerspitzengefühl') en intuïtie ('zien'), omdat ze achter het net dreigen te vissen wanneer ze zouden wachten totdat alles bekend is over de levensvatbaarheid en aantrekkelijkheid van een innovatie.
In de alledaagse praktijk van experts strijden impliciete en expliciete kennis voortdurend om de eer. Om die reden wordt vaak gedacht dat experts zich bij uitstek zouden lenen als intermediair tussen vorsers en innovatoren. Maar zoals de figuur weergeeft is dat te zwart-wit geredeneerd.
Systeeminnovaties en het 'LAT-model'
Hoe kunnen we systeeminnovaties in het LAT-model van de drie scheppingsdomeinen plaatsen? Eerder is aangegeven dat systeeminnovaties per definitie tot doel hebben de samenhang binnen, en de functies van een cluster van activiteiten ingrijpend te veranderen. Het zou onverstandig zijn om zo'n opgave over te laten aan het scheppingsdomein van de praktische vernieuwers, omdat het aantal onzekerheden en belangen voor dit domein te groot is. Het domein van de kennisgeneratie zou daar beter mee om kunnen gaan. Wroeten in onzekerheid en een zekere afstand tot onmiddellijke belangen zijn hier immers essentieel. Soms levert dit wroeten in onzekerheid aanwijzingen op voor handelen waar de 'vernieuwers', de praktische innovatoren voldoende mee uit de voeten kunnen.
Figuur 11. Combinaties combineren
Maar vaker is de inbreng van experts nodig om tot een integratie te komen van nieuwe wetenschappelijke inzichten en nieuwe oplossingsrichtingen. Het is met andere woorden in het hart van deze drie domeinen waar we systeeminnovaties moeten zoeken. En om systeeminnovaties van de grond te krijgen en te doen slagen is het noodzakelijk om te komen tot gezamenlijke inspanning van de drie scheppingsdomeinen. Tot een innovatiecreërend kennisnetwerk bestaande uit spelers van zeer uiteenlopende pluimage. Zo'n gezamenlijke inspanning vergt een manier van samenwerken die de huidige kennisinfrastructuur echter nog niet aankan (NRLO, 1996 en Nieuwenhuis et al., 1998).
5. Contouren
en bouwstenen van nieuw innovatiebeleid
5.1. InleidingHoe ziet beleid voor ingrijpende vernieuwingen eruit? Wie zouden wat moeten doen, en hoe? Dit hoofdstuk geeft geen stappenplan of blauwdruk, maar bespreekt een aantal inzichten die nuttig kunnen zijn op de weg naar een nieuw innovatiebeleid. Het gaat dan ook uitdrukkelijk om contouren en bouwstenen: niet om een gedetailleerde architectuur. Paragraaf 5.3 is een verzameling van thema's en aspecten die naar verwachting cruciaal zullen zijn voor nieuw innovatiebeleid. Die paragraaf start met een aantal organisatorische eisen die kritisch zullen zijn bij het realiseren van systeeminnovaties. Het is evenwel goed om eerst terug te kijken naar een eerdere discussie in NRLO-verband over ambitieus innovatiebeleid.
5.2. Opmaat:
conclusies uit een debatIn mei 1999 heeft de NRLO een debat georganiseerd over toekomstig innovatiebeleid. De deelnemers waren overwegend 'beslissers' dan wel opinieleiders uit agrosector en groene ruimte. Wat waren de belangrijkste conclusies van dit debat? (zie ook Van Oosten (red.), 1999.)
Men onderschreef de stelling dat een aantal vraagstukken in agrosector en groene ruimte vragen om ingrijpende vernieuwingsprocessen. Tegelijk kwam uit de discussie scherp naar voren dat we daarmee pas helemaal aan het begin staan van een noodzakelijk, maar niettemin ingewikkeld, langdurig en risicovol vernieuwingsproces. Men onderschreef ook de noodzaak om die ingrijpende vernieuwingen vorm en inhoud te geven door gezamenlijke inspanning van minstens vier geledingen: bedrijfsleven (meerdere ketenschakels), overheid (rijks- en lager niveau), kennisinstellingen (onderzoek en onderwijs - publiek en semi-publiek) en maatschappelijke organisaties. Geen van die partijen kan het op eigen houtje.
Er wordt primair behoefte gevoeld aan concrete en opportune toepassingsgebieden voor systeeminnovaties, aan het benoemen van thema's en (geografische) gebieden die bij uitstek in aanmerking zouden kunnen komen voor ingrijpende vernieuwingen. Aan vraagstukken en problemen is geen gebrek, maar het blijkt toch uitermate lastig gevonden te worden om te bepalen of het opportuun is om voor thema X of gebied Y te starten met de benadering van systeeminnovaties. Bijvoorbeeld: na jaren van ellende in de varkenshouderij lijkt pas nu het moment aangebroken om aan ingrijpende vernieuwingen te gaan werken.
Voorts kan geconcludeerd worden dat het onderscheid tussen optimaliserende en verbeterende vernieuwingen enerzijds, en ingrijpende vernieuwingen anderzijds niet te ver doorgevoerd mag worden. De relatie ligt genuanceerder dan men op zou kunnen maken uit de NRLO-verhalen. Zo is het bij systeeminnovaties noodzakelijk (en zeer vruchtbaar) om voort te borduren op inspanningen die gericht zijn op aanpassingen van het bestaande. Wie met systeeminnovaties aan de slag gaat, zal het hele spectrum van innovatietypes moeten benutten.
De bestuurlijke, organisatorische en institutionele kanten van ingrijpende vernieuwingen stellen ons voor de grootste uitdagingen. Verschillende belangen(-groepen) laten zich niet zonder slag of stoot onder een nieuwe noemer brengen. Risico's moeten zoveel mogelijk afgedekt worden, en verliezen gecompenseerd. De partijen moeten betrouwbaar zijn, en in elkaar kunnen (blijven) vertrouwen. In de praktijk zullen systeeminnovaties neerkomen op de combinatie van een beperkt aantal leidmotieven (praktisch herkenbare en door belanghebbenden gedeelde streefbeelden) en een groot aantal innovatieprogramma's en -projecten (die elk een verdere concretisering zijn van die meer algemene streefbeelden). Daar valt bij voorbaat geen grand design voor te maken; het is een portefeuille van activiteiten die zich gaandeweg vormt. Maar het is wel zaak om snel werk te maken van zo'n portefeuille.
Tenslotte, het is bij systeeminnovaties essentieel
om aan 'de toekomst' een bindend leidmotief te ontlenen - het
is ook essentieel om in de weg daar naartoe pluriformiteit in
te bouwen en te koesteren, en zoekend en lerend gedrag te ondersteunen.
5.3. Organisatie-agenda voor nieuw innovatiebeleid
5.3.1. Inleiding
De organisatorische kanten kunnen worden benoemd aan de hand van vijf functies die altijd vervuld moeten worden. De gewijzigde omstandigheden van, en verhoudingen binnen agrosector, vissector en groene ruimte maken dat elk van die functies op een meer of minder nieuwe - andere - manier worden ingevuld.
| Innovatiegericht organiseren vergt: |
| Ambities vormen en koesteren |
| Losmaken van mensen en middelen |
| Toewijzen van middelen |
| Opstellen van gedragsregels |
| Communiceren over voortgang |
5.3.2. Bouwsteen:
verkennend innoveren
Figuur 13. De cyclus van verkennend innoveren
Hoe kan verkennend innoveren vorm gegeven worden? Een hulpmiddel kan zijn de cyclus van het verkennend innoveren (zie figuur) waarin continu en systematisch energie wordt gestoken in:
De combinatie van toekomstverkennen en ontwerpen
is essentieel om èn voldoende opties te kunnen genereren
èn om in gezamenlijkheid goede keuzen te kunnen maken over
welke opties wel, en welke niet (eerst) aangepakt worden.
In retrospect kan vastgesteld worden dat in het NRLO-programma
van 1995-1998 deze cyclus éénmaal is doorlopen voor
een aantal thema's en onderdelen van het werkveld. Gaandeweg en
lerenderwijze is, net als bijvoorbeeld bij het programma Duurzame
Technologische Ontwikkeling (DTO) een systematiek ontstaan die
gestyleerd door middel van de cyclus kan worden weergegeven, of
door middel van varianten daarop. Belangrijke leerervaringen zijn
onder andere het belang van een 'vrijhaven' voor kennisvergaring
en meningsvorming, van commitment aan het proces en de resultaten
door beslissers en opinion-leaders, en van de combinatie van ruimte
voor intellectuele vrijheid met een zekere dwang te komen tot
praktische uitwerkingen.
5.3.3. Bouwsteen:
bestuur en beleidsvormingVooral wanneer de voorstellen voor actie het karakter hebben van systeeminnovaties, en derhalve - per definitie - ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de bestaande posities van betrokkenen, zal de bestuurlijke weerstand groot zijn, evenals de verleiding om toe te geven aan de weg van de minste weerstand. De bestuurlijke uitdagingen zijn dan omvangrijk:
Deze uitdagingen doen een groot beroep op de inventiviteit,
flexibiliteit en vasthoudendheid van alle betrokken bestuurlijke
lagen. Ze vergen ook de ontwikkeling van nieuwe of althans passende
institutionele voorzieningen, zoals netwerkondersteuning, financieringswijzen
en regels en procedures. Zo laten de ICES-programma's zien hoe
belangrijk het is om voor elk geval van innovatie eigen, tijdelijke
institutionele voorzieningen te treffen.
Zowel voor de beleidsvorming als het bestuur past in het geval van systeeminnovaties een ontwerpende procesbenadering beter dan een oplossingsgerichte planbenadering. Een planbenadering is te verkiezen wanneer er overeenstemming is over zowel de aard van een probleem als de best passende oplossing. Maar bij systeeminnovaties is doorgaans pas in een laat stadium aan deze stringente voorwaarde voldaan, en zal eerst veel energie gestoken moeten worden in het verkennen van het vermeende knelpunt of de vermeende kans, in het verkennen van het krachtenveld (gerelateerde knelpunten en kansen en mogelijke belanghebbenden), in het ontwerpen van oplossingsrichtingen, in het selecteren van opportune, kansrijke strategieën en acties, etc. Oftewel, gedurende een groot deel van het innovatieproces kan niet voldaan worden aan de eisen die de meer vertrouwde route van de planbenadering stelt.
Wat moeten we ons voorstellen bij een ontwerpende procesbenadering? Mede op basis van NRLO-rapport 97/6 (Van Eeten en Koppenjan, 1997) kunnen we een indruk geven van een aantal bestanddelen van deze benadering:
Een planbenadering voor systeeminnovaties zou onherroepelijk leiden tot een onvruchtbare fixatie op het vermeende probleem en op de 'ideale' oplossing, en tot een te kleine kring van betrokkenen. Een procesbenadering dient deze valkuilen te vermijden, hoe moeilijk dat in de praktijk ook zal blijken te zijn (De Bruijn, Ten Heuvelhof en In 't Veld, 1998).
5.3.4. Bouwsteen:
samengaan van publiek en privaatIn de praktijk zien we minstens drie vormen van innovatiegerichte PPS (Enzing, Holland en Schaffers, 1998):
De belangrijkste motieven voor actieve deelname aan publiek-private samenwerking - afgezien van het simpelweg 'erbij willen zijn' - liggen in het gebruik maken van elkaars kennis en vaardigheden, in het vergroten van actieradius en financiële armslag, in het delen van risico's, en in het exploreren van mogelijkheden door nieuwe combinaties (synergie).
Met al deze vormen van PPS is al veel ervaring opgedaan, niet in de laatste plaats doordat er - internationaal - een toenemende noodzaak wordt gevoeld tot het opheffen van schotten tussen publieke en private belangen en competenties. Dit wordt onder andere ingegeven door twee elkaar completerende trends: een vermaatschappelijking bij ondernemers, en een verzakelijking bij publieke instellingen.
De ervaringen laten evenwel ook zien waarom publiek-private samenwerking vooralsnog zelden van een leien dakje gaat. Zo zijn de afrekenmechanismen bij ondernemingen (bijdragen aan rentabiliteit) van een geheel andere orde dan die bij publieke instellingen (bijdragen aan maatschappelijk nut), waardoor er altijd onderhandeling en creativiteit nodig is om een zakelijkheid te introduceren in de samenwerking die voor beide partijen werkbaar is. Een andere factor is dat er goede economisch-juridische argumenten zijn om een al te innige verstrengeling van private en publieke middelen te argwanen. Concurrentievervalsing en oneigenlijk gebruik van publieke middelen liggen bij PPS op de loer. Het zou echter te ver gaan om op basis van deze twee aspecten van PPS te concluderen dat ieder zich bij zijn leest moet houden. Voor ingrijpende vernieuwingen zijn dergelijke samenwerkingsverbanden immers cruciaal. Een belangrijke beleidsopgave is derhalve om wegen te vinden waarmee tegemoet gekomen kan worden aan de genoemde bezwaren en barrières bij PPS. De vele samenwerkingsverbanden die inmiddels in het kader van ICES-projecten zijn gesmeed kunnen daarbij een nuttige bron van leren en (verder) innoveren zijn.
5.3.5. Bouwsteen:
clusterbenadering
De volgende dimensies zijn nuttige aanknopingspunten
voor gericht beleid door betrokkenen, waarbij 'beleid' is opgevat
als 'gericht benutten, onderhouden, ontwikkelen of faciliteren'
(naar Jacobs en de Man, 1995, en Jacobs, 1999):
| Dimensie | Aanknopingspunten beleid |
| Geografie |
|
| Horizontale interacties |
|
| Verticale interacties |
|
| Diagonale interacties |
|
| Relatie met kennisinfrastructuur |
|
| Technologische verwantschap |
|
| Kwaliteit van het netwerk |
|
Door rechtstreeks aan te sluiten bij ontwikkelingen en kansen
van clusters kan de effectiviteit van innovatiebeleid sterk worden
vergroot. Innovatiebeleid van de overheid vergt daarmee
overigens veel meer dan thans een bewust interdepartementale invulling.
5.3.6. Bouwsteen: innovatiecreërende netwerkenDe veronderstelling is dat de inbreng van wetenschappers en technologen (algemener: van kennisinstellingen) het best vorm gegeven kan worden door participatie in innovatiecreërende netwerken. Kenmerken van zo'n netwerk en van de rol van kennisinstellingen daarin zijn:
Een voorziening die het ontstaan en verduurzamen
van innovatiecreërende netwerken kan bevorderen is de implementatie
van een innovatieprogramma - analoog aan en opererend naast reguliere
onderzoeksprogramma's. Deelnemers aan een innovatieprogramma zijn
evenwel niet alleen onderzoeksinstellingen - ook ingenieursbureaus,
productiebedrijven, consultancybureaus, architectenbureaus, maatschappelijke
organisaties etc. kunnen aan een innovatieprogramma deelnemen.
In vergelijking met onderzoeksprogramma's is een innovatieprogramma
in bestuurlijk en beheersmatig opzicht lastig te realiseren.
6. Hoe
verder?Een van de belangrijkste conclusies van het NRLO-Innovatiedebat (zie par. 5.1.) was dat de vernieuwingen die nodig zijn voor duurzamer ontwikkeling vragen om gezamenlijke inzet van de vierhoek bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en overheden. De vraag is hoe partijen tot gezamenlijke actie komen. Wie neemt of nemen het initiatief van waaruit programma's voor systeeminnovaties worden uitgezet? Vertegenwoordigers van de vierhoek hebben zich tijdens het debat bereid verklaard verdere stappen te zetten.
Gezien haar positie ligt het voor de hand dat de overheid in dezen een initiërende en faciliterende rol speelt. Niet vanuit de optiek dat de overheid daarin sturend zou gaan optreden, maar om partijen bijeen te brengen en momentum te creëren om de omslagen in het denken om te zetten in omslagen in het doen. Op die manier wordt de innovatieagenda voor agrosector, vissector en groene ruimte niet langer een opgave, maar een verrijkende onderneming.
ReferentiesNRLO-rapporten in het kader van de verkenning 'Organisatie van innovatie' (op datum):
Overige rapporten: