INHOUD:
Ten Geleide
Waar liggen de dilemma's en kansen als de agrosector
in de 21e eeuw een vitale sector wil zijn? En voor
welke kennis- en innovatieopgaven staat deze sector? Dat zijn
de vragen waar het in dit rapport om draait. Het rapport geeft
de visie van de NRLO op de kennis- en innovatieagenda voor de
agrosector in de komende jaren. Het geeft een beeld van ambities
van betrokkenen bij de agrosector. Onder agrosector verstaan wij
niet louter de primaire landbouw, maar ook alle daaraan gelieerde
industrieën en diensten in een steeds rijkere vertakking
naar andere sectoren en landen.
In 1996 en 1997 hebben over een groot aantal, voor
de toekomst van de agrosector essentiële, onderwerpen achtergrondstudies
en workshops plaatsgevonden.
De resultaten van die studies en bijeenkomsten zijn geïntegreerd in vijf rapporten met als hoofdthema's: "een maatschappelijk perspectief voor de landbouw", "globalisering en agribusiness", "markt en consument", "landbouw en milieu", en "naar een gezonde veehouderij". Deze rapporten zijn in februari 1998 gepubliceerd.
Vervolgens is aan circa 375 belanghebbenden ("stakeholders")
bij zowel bedrijfsleven als maatschappelijke organisaties, overheden
en kennisinstellingen commentaar gevraagd op de integratierapporten.
Het doel was na te gaan in hoeverre zij de NRLO-visie delen op
de kennis- en innovatieopgaven voor de agrosector. Op het verzoek
om commentaar hebben ruim 200 stakeholders gereageerd.
Dit rapport, "Agrosector: Kennis- en Innovatieagenda.
Ambities voor de 21e eeuw", schetst een aantal
belangrijke punten uit de vijf genoemde integratierapporten én
reacties van de stakeholders.
Het rapport is beknopt en selectief. Volstaan is met tien concrete voorstellen. Zij raken aan de meest essentiële zaken waarop een grote stap voorwaarts gedaan moet worden. Ook de schets van de dilemma's en kansen van de agrosector, en de overwegingen achter de voorstellen, is uiterst beknopt. De geïnteresseerde lezer kan in de bij het rapport gevoegde lijst van NRLO-documenten nadere informatie vinden.
Dit rapport markeert een cruciaal moment. Het beoogt
niet zozeer een afsluiting te zijn van verricht werk, als wel
een startpunt voor actie. Het beeld dat uit de reacties van de
stakeholders oprijst is een breed gedragen ambitie om gestalte
te geven aan een vitale agrosector in de 21e eeuw.
Ir.Ing. H. de Boon,
voorzitter NRLO-Verkenningscommissie Agrosector.
Boodschap
Indien de agrosector in de 21e eeuw een
vitale sector wil zijn, waar moet de sector dan op inzetten, en
hoe moet zij dat doen?
Het antwoord op die vraag bevat veel concrete punten
die in de navolgende hoofdstukken aan de orde komen. Als rode
draad komt daaruit naar voren dat de kernopgave voor de agrosector
in de komende jaren is:
tot stand brengen van en investeren in nieuwe kennis- en innovatiecreërende
netwerken.
1. Opgaven en strategieën voor de toekomst
1.1 Naar een waarden-beleid?
Lange tijd is landbouw gepercipieerd als een economische
activiteit. Met als belangrijkste opdracht zorg te dragen voor
een efficiënte voorziening in voedsel- en sierteeltproducten
van goede kwaliteit en lage prijs. Eén van de belangrijkste
aandachtspunten voor de betrokkenen bij die agrosector was de
voortdurende strijd om de internationale concurrentiekracht op
peil te houden, en zo mogelijk te verbeteren. Internationaal
concurrerend blijven,
is en blijft een belangrijke opgave voor de agrosector.
In de afgelopen decennia is steeds helderder geworden dat het bij de ontwikkeling van de agrosector niet alleen gaat om economische waarden. Het ecologisch waardengebied is daarbij het scherpst in de schijnwerpers gekomen. De spanning tussen milieu en economie is de afgelopen jaren een veelbesproken thema in bedrijfsleven, politiek en media.
Maar in essentie gaat het om een aanzienlijk breder
spectrum aan waardengebieden. Een veelheid
aan waardengebieden behoeft gelijktijdig aandacht:
economische waarden, ecologische waarden, sociale waarden, culturele
waarden en ethiek, en ruimtelijke waarden.
Een belangrijk punt voor de toekomst is de houding van de agrosector ten opzichte van deze waarden. De trendbreuk waarvoor de agrosector staat is een wijziging in haar perceptie van verantwoordelijkheid en verantwoordelijkheidsverdeling. Lang is het in de agrosector gewoonte geweest zich verantwoordelijk te voelen voor met name het economisch waardengebied. Andere waarden als ecologische, culturele, ethische en ruimtelijke waarden werden hoogstens beschouwd als randvoorwaarden bij de bedrijfsvoering. De verantwoordelijkheid voor die waarden werd geacht te liggen bij de overheid en maatschappelijke organisaties. De omslag waarvoor de agrosector staat is zich mede verantwoordelijk te voelen voor de ontwikkeling en het behoud van ecologische, culturele, ethische en ruimtelijke waarden. Het is een omslag van reactief naar actief beleid, denken en handelen met betrekking tot duurzaamheid.
Men kan het ook als volgt formuleren.
De toekomst is onzeker. Maar het is zeer wel denkbaar
dat "de bijdrage aan de kwaliteit van de samenleving"
het referentiekader is waartegen de agrosector in de 21e eeuw
zal worden afgerekend. Voor de agrosector is er, tegen die achtergrond,
de mogelijkheid over te stappen naar een derde fase van ontwikkeling.
De eerste fase was dat de sector dacht en handelde in termen van
productie, verwerking en afzet van voedingsmiddelen en sierteeltproducten.
De tweede fase is - en daar zit de sector thans midden in - dat
wordt gedacht en gehandeld in termen van toegevoegde waarde. Maar
die toegevoegde waarde wordt veelal nog beperkt tot de productie
en valorisatie van voedsel- en sierteeltproducten. De derde fase
in ontwikkeling zou kunnen zijn dat de agrosector overstapt op
"waardendenken". Dat vraagt analyse van aard, inhoud
en dynamiek van de verschillende waarden in de samenleving. En
analyse van wat de agrosector in de komende decennia kan bijdragen
aan realisatie van die vele waarden.
De ambitie van de agrosector in de 21e eeuw zou kunnen zijn: actief bijdragen aan een veelheid aan waardengebieden. Al deze dimensies behoeven hun zorg en aandacht, maar er is meer: bij uitstek vergt dit ook dat deze elementen in onderlinge samenhang worden bezien. Men hoeft geen praktiserend holist te zijn om in te zien dat de problemen van de agrosector nimmer vanuit één dimensie opgelost kunnen worden. Steeds is er een veelheid aan samenhangen tussen uiteenlopende dimensies aan de orde.
Uiteraard is de ambitie om een actief waardenbeleid
te ontwikkelen omkleed met vele onzekerheden, risico's en dilemma's.
Het zal een hele zoek- en leertocht zijn om als agrosector daarin
de goede wegen te vinden. Maar de kern is dat het de agrosector
niet onverschillig laat wat zij aan de kwaliteit van de samenleving
bijdraagt, en welke wereld zij aan volgende generaties overdraagt.
1.2 Agroketens worden netwerken
De agrosector heeft het afgelopen decennium grote
vorderingen gemaakt met de omslag van aanbodsturing naar vraagsturing.
Het denken en handelen in de sector staat in toenemende mate in
het teken van "ketenomkering", de afstemming van te
leveren producten en kwaliteiten op de wensen van markt en consument.
Voorts wordt er hard aan gewerkt de samenwerking in de keten op
velerlei wijze te versterken. "Agroketen" is een begrip
geworden.
Denken in termen van "agroketens" is evenwel ontoereikend voor de toekomst. De agrosector ziet zich voor een dubbele opgave geplaatst.
De eerste is dat de consumentenmarkt een hoge mate van differentiatie, onzekerheid en wispelturigheid is gaan vertonen. Massa-individualisering en momentconsumentisme zijn hier de trefwoorden. De consument is geïndividualiseerd, gedraagt zich grillig, onvoorspelbaar en momentgebonden. Hij stelt wisselende kwaliteitseisen, en vraagt om op zijn persoonlijke behoeften afgestemde levering van producten en diensten op het juiste moment en op de juiste plaats. De consequentie is dat de agrosector thans en in de 21e eeuw moet inspelen op een omgeving die gekenmerkt wordt door complexiteit, voortdurende veranderlijkheid en noodzaak van snelheid. Dat vraagt van de agrosector het ontwikkelen van nieuwe organisatievormen: responsieve, flexibele innovatieve netwerken in plaats van strak georganiseerde ketens.
De tweede opgave waarvoor de agrosector zich ziet geplaatst is het versterken van de interactie en samenwerking met andere sectoren. Naast het realiseren van de bovengenoemde "verticale" netwerken is het realiseren van nieuwe horizontale netwerken één van de kernopgaven voor de agrosector in de 21e eeuw.
Daarbij gaat het onder meer om nieuwe coalities tussen agrosector, industriële sectoren en dienstverlening. In de sterk dynamische markt zijn niet alleen de consumenten van belang, maar ook de afnemers van tussenproducten en halffabrikaten. Dit maakt dat uiteenlopende schakels van de agroketen zaken doen met schakels in heel andere ketens. Bijvoorbeeld in de non-food sector bij het gebruik van hernieuwbare grondstoffen, die gewonnen worden uit agrificatiegewassen.
Nieuwe en innovatieve netwerken zijn ook nodig tussen de agrosector en de transport- en distributiesector. Zij zijn niet alleen wenselijk om de belangrijke distributiefunctie van Nederland - onder meer op het gebied van agroproducten - te kunnen handhaven en uitbouwen. Maar ook om daarbij oplossingen te creëren voor problemen van dichtslibbing van transportwegen, ruimtegebruik en leefbaarheid.
De groene ruimte is een ander voorbeeld van een veld
waarin de samenwerking van de agrosector met andere sectoren van
steeds grotere betekenis wordt.
In die setting is de toekomst niet aan (verticale) ketens maar aan een conglomeraat van responsieve, flexibele organisaties die voortdurend nieuwe (verticale, horizontale èn diagonale) allianties kunnen aangaan.
1.3 Internationaal perspectief
De Nederlandse agrosector is reeds lang een belangrijke
exporteur van voedsel- en sierteeltproducten. Uit een portfolio-analyse
van de positie van de Nederlandse agribusiness in de verschillende
markten in de wereld blijkt evenwel iets verontrustends. De Nederlandse
agribusiness heeft een sterke positie in grotendeels verzadigde,
dan wel langzaam groeiende markten (in het bijzonder de EU). En
de Nederlandse positie is in het algemeen zwak in de markten die
sterk groeien, zoals die van Oost-Europa, Latijns Amerika, Pacific
Rim, China en India.
De uitdagingen voor de Nederlandse agribusiness in internationaal perspectief lijken - naast de in de vorige paragraaf reeds aangeduide versterking van de distributiefunctie - vooral in drie richtingen te liggen:
In de westerse thuismarkt vallen relatief de meeste elementen te ontwaren van een globalisering zoals die voor de 21e eeuw valt te verwachten. Bedoeld wordt hier de Europeanisering plus de duidelijke verweving van de Europese en Amerikaanse economie, die ook wel is aangeduid als "dubbele regionalisering".
Op dit moment is in dit westerse blok vooral sprake
van een verdringingsmarkt waar de concurrentie zich concentreert
op een mix van prijs en kwaliteit. Toegevoegde waarde is hier
vooral te verdienen door responsief te werken aan producteigenschappen
en diensten die voor de consument een toegevoegde waarde vertegenwoordigen.
Interessante mogelijkheden bieden gezondheidsproducten, milieu-
en diervriendelijke producten en het toenemend buitenhuishoudelijk
gebruik van voedsel.
Buiten dit blok is sprake van een aantal opkomende
groeimarkten. Ook daar gaat het om een breed
en gedifferentieerd palet aan consumentenbehoeften. Deze markten
liggen verder weg en zijn relatief nog onbekend. Er zal in hoog
tempo gewerkt moeten worden aan verkenning van deze markten en
hun culturen in alle dimensies.
Internationalisering zal naast import en export steeds
meer het karakter krijgen van investering
in lokale markten. In termen van de vorige
paragraaf betekent dat investeren in lokale netwerken om vanuit
die positie responsief en flexibel te kunnen opereren.
De ambitie om de in het voorgaande geschetste kansen te benutten is in brede kring in de Nederlandse agribusiness aanwezig. Er is sprake van een sterk toenemende Europese en mondiale verwevenheid, vergrote afhankelijkheden, vaker wisselende samenwerkingsverbanden en een versterkte internationale concurrentie. Deze veranderingen plaatsen individuele ondernemingen voor vele vragen en dilemma's. Aan het vermogen van mensen en bedrijven in de agrosector om internationaal te ondernemen worden steeds hogere eisen gesteld. Ook bij het midden- en kleinbedrijf.
1.4 Nieuwe allianties tussen burger en agrosector
"Boer moet burger met de burgers worden. Kloof
met stedeling in rap tempo dichten." Dat waren de kop en
ondertitel in één van de agrarische bladen waarin
onlangs het NRLO-rapport "Een maatschappelijk perspectief
voor de landbouw" werd besproken. Daarin werd gewezen op
de risico's van toenemende vervreemding tussen boer en stedeling.
Burgers zijn niet alleen consumenten van voedsel- en sierteeltproducten. Zij zijn ook gebruikers van de groene ruimte. De agrarische sector staat voor de opgave zijn ruimtelijke claims in overeenstemming te brengen met aanspraken van andere actoren ten behoeve van diverse functies. Vanuit verschillende invalshoeken worden de agrarische aanspraken op ruimte onder vuur genomen. Naast de ruimtelijke claims voor stedelijke functies (wonen en werken in gedifferentieerde woon- en werkmilieus) en de wens het areaal natuur te vergroten, is er behoefte aan ruimte ten behoeve van onder meer recreatie, infrastructuur en zakelijke dienstverlening. Het aandeel van boeren en tuinders als economische dragers van het landelijk gebied is inmiddels zo gering geworden dat ook zijzelf er belang bij hebben, terwille van de leefbaarheid van ditzelfde landelijk gebied, actief mee te werken aan de vestiging van andere bewoners en andere economische activiteiten. Een vruchtbare strategie voor de toekomst is allianties te ontwikkelen met andere gebruikers van de groene ruimte. Dat is vruchtbaarder dan die anderen te beschouwen als vijanden of tegenstanders. Indien de agrosector en andere gebruikers van de groene ruimte nieuwe samenwerkingsverbanden vormen, zijn er aanzienlijke kansen op innovatief en kwalitatief hoogwaardig gebruik van de ruimte in de toekomst.
In toenemende mate wordt het ook onvruchtbaar te denken in de tweedeling platteland enerzijds en stedelijk gebied anderzijds. De interactie tussen stad en land komt meer centraal te staan en er ontwikkelen zich vormen van ruimtegebruik die noch als stedelijk noch als ruraal gekenschetst kunnen worden. De interactie tussen stad en land is echter geenszins gediend met verwaarlozing van de eigen identiteit en kwaliteiten van het landelijk gebied (rust, ruimte, stilte, natuurlijke fenomenen en processen, authenticiteit, schoonheid). Juist in een verstedelijkende samenleving groeit de behoefte aan de instandhouding en ontwikkeling van een kwalitatief hoogwaardig landelijk gebied.
Het is de uitdaging om functieverbreding
van de agrosector te benutten voor de verbetering
van de kwaliteit van het landelijk gebied.
Burgers zijn ook consumenten. En in toenemende mate kritische consumenten. Niet alleen voor wat betreft de kwaliteit en de veiligheid van voedsel. Maar ook ten aanzien van de wijze waarop de voedselproductie plaats heeft. Zorgdragen voor - uit een oogpunt van landschap, milieu, natuur, welzijn dieren en ethiek - gewenste productiemethoden is een onontkooombare opgave voor de agrosector. De reactie van het publiek op de recente varkenspestbestrijding maakt duidelijk dat werkwijzen in de agrosector die vanuit diergezondheids- en handelspolitiek oogpunt logisch lijken, ook maatschappelijk beoordeeld worden.
De agrosector kan op de publiekswensen en -oordelen inspelen door haar producten en strategieën meer dan voorheen vanuit een breed en gedifferentieerd referentiekader te ontwikkelen. Consumentgestuurde technologie-ontwikkeling en ontwikkeling van nieuwe integrale diergezondheidsstrategieën zijn enkele van de vele potentiële acties op dit gebied.
1.5 Keuze voor pluriformiteitAls het gaat om de toekomst van de agrosector, dan is een geliefd onderwerp de vraag of we moeten mikken op schaalvergroting en intensivering, op biologische landbouw, op plattelandsvernieuwing, of op nog iets anders.
Uit de NRLO-verkenningen rijst als beeld op dat de
Nederlandse agrosector in de 21e eeuw waarschijnlijk
de beste toekomstkansen heeft als zij ervoor zorgt een pluriforme
sector te zijn. Het gaat daarbij om verschillende
dimensies van pluriformiteit. Pluriformiteit in relaties met de
samenleving, in ruimtelijke ontwikkelingen, en in ontwikkelingen
op bedrijfsniveau.
Open relaties met de samenleving
zullen vooral moeten worden benut om de oriëntatie op veranderingen
in de omgeving te versterken en om ervoor te zorgen dat signalen
uit de omgeving besproken en doordacht worden, en worden doorvertaald
in gewijzigd handelen. Het is daarbij voor de agrosector zaak
om een zeer brede scope te hanteren, dus om zich niet te beperken
tot signalen uit de bekende omgeving, maar ook te kijken naar
signalen uit andere bedrijfstakken, de algemene politiek, maatschappelijke
groeperingen, andere technologische domeinen en uit andere landen.
Dit vraagt van de agrosector de bereidheid tot een ander debat,
in een andere arena dan men tot in de tachtiger jaren voerde,
en ook thans nog vaak voert.
Op het platteland neemt de pluriformiteit in ruimtelijke ontwikkelingen toe. De veranderende situatie op het platteland, de plaats die andere functies hierin hebben gekregen, maakt het ondenkbaar dat de ruimtelijke aanpassing en inrichting van de groene ruimte in de toekomst nog alleen vanuit de landbouw zullen geschieden. Ruimtelijke visies worden voor de landbouw richtinggevend. Nieuwe kansen voor de landbouw ontstaan vooral als gevolg van ruimtelijke veranderingen die vanwege de uitvoering van waterbeleid, milieubeleid, natuurbeleid, verstedelijking, e.d. in de komende decennia in het landschap gaan optreden.
Voor de innoverende agrosector is er de uitdaging
om in te spelen op de hieruit voortvloeiende differentiatie en
creatief gebruik te maken van regionale verschillen.
In samenhang daarmede vormt het benutten van de grote
diversiteit
aan ontwikkelingsmogelijkheden op
bedrijfsniveau één van de grote
uitdagingen voor de sector. Naast de strategie van schaalvergroting
is er een strategische richting ontstaan van diversificatie, van
nevenactiviteiten naast de agrarische activiteiten. Juist in een
sterk geurbaniseerde samenleving als Nederland biedt de interactie
met andere functies in het landelijk gebied en met stedelijke
activiteiten hiertoe ruime mogelijkheden. Er bestaat een intensieve
discussie ook in Europees verband, over de multifunctionaliteit
van de land- en tuinbouw, althans voor een deel van de land- en
tuinbouw. Men is op zoek naar een bijdrage die boeren kunnen leveren
aan de "quality of life" o.a. in het kader van landschapsontwikkeling,
landschapsonderhoud, recreatie, gezondheidszorg, e.d. Diversificatie
is ook te bereiken door part-time farming in combinatie met non-farm
activiteiten.
In onderstaande tabel zijn enkele van de belangrijkste verschillen tussen verleden en toekomst samengevat.
| a. relaties met de samenleving | Stabiele, grotendeels naar binnen gerichte, coalities ("het groene front"). | Meervoudige open relaties met de samenleving; dynamisch en tijdelijk. |
| b. ruimtelijke condities | Eenvormigheid in ruimtelijke condities door op landbouw gerichte cultuurtechnische ingrepen. | Diversiteit in ruimtelijke condities. Waarin landbouw een plaats heeft in interactie met andere functies. En waarbij creatief gebruik wordt gemaakt van regionale verschillen. |
| c. bedrijfsvoering | Hoge mate van standaardisatie. | Grote diversiteit in de ontwikkeling van de sector. Én-én strategieën in plaats van óf-óf strategieën. |
2. Systeeminnovaties
2.1 Vernieuwing nodig op systeemniveauAls de agrosector de in het vorige hoofdstuk geschetste opgaven en strategieën wil realiseren, wat staat de sector dan te doen?
Die vraag kan in termen van concrete onderwerpen worden beantwoord. Dat wordt in het volgende hoofdstuk gedaan.
Maar het gaat niet alleen om de concrete onderwerpen. Het gaat er ook om helder op het netvlies te krijgen wat de aard is van de veranderingen waarvoor de sector staat. Daarover gaat dit hoofdstuk.
De hoofdlijn die uit het navolgende naar voren komt is dat de agrosector de moeilijkheidsgraad en het bijzondere karakter van het veranderingsproces niet moet onderschatten. En wel om drie samenhangende redenen:
De ingrijpendheid van de vernieuwing kan bij innovaties aanzienlijk uiteenlopen. Innovaties zijn er in soorten. Bij proces- en productinnovaties gaat het in vele gevallen om incrementele vernieuwingen. Bij systeeminnovaties gaat het om structurele vernieuwingen.
Meestal raken zij meerdere partijen in de sector
en spelen uiteenlopende partners in de samenleving er ook een
rol bij. Een voorbeeld is de vernieuwing van het veilingcomplex
in Nederland. Zo'n systeeminnovatie leidt tot veranderende interacties
met de omgeving, waaruit dan niet zelden blijkt dat verschillende
functies opnieuw moeten worden ingevuld: sociaal, economisch en
technisch. Systeeminnovaties zijn relatief radicale veranderingen
waarbij technische systemen op de helling komen te staan en culturele
paradigma's gaan schuiven: oude waarden worden vervangen door
nieuwe en dat levert veelal verzet op.
De Nederlandse agrosector bevindt zich thans in een
fase waarin een fundamentele omschakeling nodig is naar duurzaamheid,
maatschappelijke heroriëntatie en nieuwe netwerken en allianties.
Gelijktijdig is er een ingrijpende heroriëntatie aan de orde
ten aanzien van het gebruik van de groene ruimte. De bij het gebruik
van de groene ruimte betrokken actoren moeten tezamen op zoek
naar nieuwe kansen om de functionaliteit en kwaliteit van de groene
ruimte te vergroten.
De afgelopen decennia hebben vele incrementele verbeteringen
plaatsgevonden binnen de agrosector. Het is echter onwaarschijnlijk
dat alleen met verbetering van bestaande systemen een oplossing
kan worden gevonden voor de veelheid aan problemen op het gebied
van klantgerichtheid, milieu, diergezondheid, welzijn dieren,
achteruitgang van landschap en natuur, en afkalvende legitimatie
van de landbouw in de maatschappij. Om dat te bereiken zijn ingrijpende
herstructureringen nodig en innovaties die het individuele bedrijfsniveau
en het korte termijn belang van het bedrijfsleven te boven gaan.
In de voorstellen die in het volgende hoofdstuk van dit rapport worden gedaan, nemen systeeminnovaties dan ook een centrale plaats in.
In onderstaande tabel zijn enkele voorbeelden van
de systeeminnovaties waarom het gaat opgenomen.
Voorbeelden van systeeminnovaties
2.2 Systeeminnovaties: een selectie uit de kennis- en innovatieagenda
De belangrijkste en meest complexe uitdagingen voor
de agrosector liggen bij systeeminnovaties. Daarnaast is ook kennisontwikkeling
binnen vele wetenschappelijke disciplines nodig. Voor het realiseren
van de grote uitdagingen voor de agrosector zitten dáár
evenwel niet de bottle necks. Vandaar de focus in dit rapport
op systeeminnovaties.
De NRLO onderscheidt bij de vormgeving van de kennis-
en innovatieagenda voor de toekomst drie
scheppingsdomeinen. Namelijk: kennisgeneratie;
technologie- en kunde-ontwikkeling; en innovatie. Deze drie domeinen
hebben ieder voor zich een eigen waarde, en kennen een eigen dynamiek.
En tegelijk staan de drie domeinen met elkaar in interactie. De
drie scheppingsdomeinen verhouden zich tot elkaar als een "LAT-relatie":
Living Apart Together. In onderstaand schema is dit LAT-model van de drie domeinen weergegeven. Om innovatie te realiseren is
- naast andere activiteiten zoals productie, marketing, en financiering
- veelal ook technologie- en kunde-ontwikkeling, en soms ook (fundamentele)
kennisgeneratie nodig. In het schema vormt het omlijnde segment
het domein van de systeeminnovaties.
In het najaar van 1998 zal de NRLO een rapport uitbrengen
waarin andere delen van de kennis- en innovatieagenda aan de orde
komen, en specifiek wordt ingegaan op nieuwe fundamenteel wetenschappelijke
en technologische ontwikkelingen die van belang zijn voor de agrosector.
2.3 Systeeminnovatie: netwerk van actorenSysteeminnovaties zijn voor een vitale en duurzame agrosector in de 21e eeuw essentieel. Maar het realiseren van systeeminnovaties is organisatorisch, cultureel en financieel lastig. Systeeminnovaties vragen niet alleen het bijeenbrengen van zeer uiteenlopende deskundigheden, personen en organisaties in een gezamenlijke actie; zij vragen ook een aangepaste werkwijze van onderzoekers, en een specifiek financieringssysteem:
Een extra complicatie bij het totstandbrengen van systeeminnovaties is dat het vaak lastig blijkt voor actoren om vertrouwde concepten en vertrouwd gedrag te verlaten. Het gaat daarbij onder meer om het volgende:
3. VoorstellenInleiding
Welke onderwerpen zou de agrosector ter hand kunnen nemen om de in Hoofdstuk 1 geschetste opgaven en strategieën te realiseren? En zijn de stakeholders bereid daarin energie te stoppen? Dat zijn de vragen waarop in dit hoofdstuk antwoord wordt gegeven.
Kernpunt is het mobiliseren en bundelen van energie
(commitment, intellect, geld, etc.) voor de in het voorgaande
hoofdstuk geschetste systeeminnovaties. Voorts is een ten dele
nieuwe inhoud van opleiding en vorming van in de agrosector van
de 21e eeuw werkzame personen van veel belang. Op enkele
punten is een aanzienlijke verbetering van de informatievoorziening
van de bij de agrosector betrokkenen wenselijk.
In dit hoofdstuk worden tien voorstellen gedaan. Deze voorstellen beogen de agrosector een flinke stap vooruit te brengen bij de ingrijpende aanpassingen waarvoor zij staat. Zij steunen op een breed draagvlak bij de - in totaal 200, en per voorstel circa 50 - vooraanstaande stakeholders uit bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, overheden en kennisinstellingen die hun visie op de voorstellen hebben gegeven.
Van de tien voorstellen betreffen er zes kennis-,
technologie- en kunde-ontwikkeling
ten behoeve van systeeminnovaties. Twee betreffen
een nieuw opleidingsprogramma.
En bij twee gaat het vooral om nieuwe dan wel sterk verbeterde
informatievoorziening.
Onderstaande matrix geeft daarvan een overzicht. In de matrix
is alleen voor het hoofdaccent van het programma gescoord. Verschillende
programma's die zich richten op ondersteuning van systeeminnovaties
zijn tevens van betekenis voor opleiding en informatievoorziening.
In de beschrijvingen van de voorstellen in de volgende paragrafen
komt dat voldoende tot uiting.
Behalve hun belang voor de agrosector hebben de voorstellen
ook gemeen dat ze complex zijn. Ze kunnen alleen gerealiseerd
worden met inzet van veel energie, en in hecht samenspel van uiteenlopende
actoren. Ze vragen het tot stand brengen van nieuwe kennis- en
innovatiecreërende netwerken.
| Overzicht voorstellen | |||
| 1. Internationaal opleidingscentrum topkader agribusiness | |||
| 2. Innovatieprogramma ketens & logistiek | |||
| 3. Informatie- en kennisnetwerk nieuwe markten | |||
| 4. Innovatieprogramma milieugerichte systeeminnovaties | |||
| 5. Sociaal-wetenschappelijk netwerk voor landbouwmilieuvraagstukken | |||
| 6. Netwerk landbouwmilieu-informatie | |||
| 7. Innovatieprogramma verbetering landschappelijke kwaliteit door ruimtelijke integratie van landbouwkundige en externe ontwikkelingen | |||
| 8. Innovatieprogramma diergezondheidsstrategieën | |||
| 9. Opleidingsprogramma beleidsepidemiologen en veterinaire kwaliteitsmanagers | |||
| 10. Innovatieprogramma geïntegreerde veehouderijsystemen | |||
Overigens staat niet alleen de agrosector voor ingrijpende vernieuwingen. Ook binnen de, de sector ondersteunende, kennisinstellingen zijn in de komende jaren aanzienlijke vernieuwingen noodzakelijk. Het gaat daarbij om structurele vernieuwingen zoals die, naar aanleiding van onder meer het zogenaamde "rapport Peper", thans in het landbouwkennissysteem plaatsvinden. En het betreft een aantal vernieuwingen in de cultuur en het functioneren van de kennisinstellingen waarvoor voorstellen zijn gedaan in de NRLO-rapporten 96/9, 97/17, 98/1 en 98/2. Kernpunten daarbij zijn:
Op deze wijzigingen in structuur en functioneren
van het agrokennissysteem wordt in het navolgende niet ingegaan.
Verwezen wordt naar de voorstellen in de genoemde rapporten. En
naar de acties van onder meer DLO/LUW (KCW) en TNO, die er op
gericht zijn de kennisinfrastructuur geschikt te maken voor de
volgende eeuw (zie Concept Strategische Visie Kenniscentrum Wageningen
en Strategisch Plan TNO 1999 - 2002).
In de hierna komende paragrafen wordt per voorstel ingegaan op de volgende vragen:
3.1 Internationaal opleidingscentrum topkader agribusinessOverwegingen
Globalisering en liberalisering van wereldmarkten
beïnvloeden beide de Nederlandse agribusiness. Naast de traditionele
handel zal er een accentverschuiving plaatsvinden naar directe
investeringen in lokale markten (vanuit en naar Nederland). Daardoor
ontstaat een sterke Europese, maar ook mondiale verweving van
de agribusiness. Met investeringen kunnen ondernemingen zich makkelijker
nestelen in markten en lokale netwerken én verschillen
tussen lokale markten beter leren kennen én benutten. Er
ontstaan nieuwe Europese en mondiale netwerken van grote en kleine
spelers, die op maat reageren op marktontwikkelingen. Dit veranderende
speelveld voor de agribusiness leidt tot nieuwe vragen en strategische
keuzen voor ondernemingen. Het vraagt om een mentale omslag: van
een nationaal naar een internationaal perspectief.
Voorstel
De Nederlandse agribusiness dient niet alleen sterk te zijn op technologisch gebied, maar ook op het gebied van het internationaal ondernemen.
De Nederlandse kenniscluster kan daar op inspelen door internationaal naast een sterke technologische positie ook een sterke positie te ontwikkelen op het terrein van het internationaal ondernemen toegespitst op de agribusiness. Daartoe dient een initiatief te worden genomen om een internationaal opleidingscentrum voor topkader uit de agribusiness te vormen. Van belang is het opleidingscentrum zo op te zetten dat sterke buitenlandse en Nederlandse kennisinstellingen en de agribusiness participeren.
Er wordt een programma ontworpen met als zwaartepunten:
internationaal ondernemen, kennismanagement, internationale marktontwikkelingen,
strategievorming en het leren werken in een internationale en
multiculturele omgeving. Meer toegespitst op de agribusiness zijn
zwaartepunten in het programma: de ontwikkelingen in de wereldhandel
van landbouw-, sierteelt- en non-foodproducten, directe investeringen,
de vorming van "agro"netwerken, de ontwikkeling van
de regiefuncties betreffende informatie over en financiering van
agrarische goederenstromen en de internationale politiek op het
gebied van landbouw en voeding.
Visie stakeholders
Het voorstel om een internationaal opleidingscentrum te vormen wordt door het merendeel van de ondervraagde stakeholders ondersteund (ruim tweederde). Vooral vanuit het bedrijfsleven wordt het voorstel met kracht onderstreept. Men vindt het een absolute "must" om met het opleidingenprogramma aan een sterk Europees en mondiaal netwerk in de agribusiness bij te dragen. Tevens werd aandacht gevraagd voor "opleidingen-op-maat" en bijscholingsmogelijkheden voor individuele bedrijven. Het opleidingsprogramma moet ook aansluiten bij de ondernemersproblematiek ten aanzien van thema's van de 21e eeuw: voedsel, water en milieu. Stakeholders vanuit overheid en kennisinstellingen steunen het voorstel ook in overwegende mate. Er werd vooral aandacht gevraagd voor het goed scheiden van publieke en private functies.
Meer dan de helft van de stakeholders heeft aangegeven
wel op enigerlei wijze bij de opzet van het opleidingscentrum
betrokken te willen zijn.
Het vervolg
Het opzetten en realiseren van dit opleidingscentrum dient te geschieden vanuit drie invalshoeken.
In de eerste plaats dient de internationale component centraal te staan. Dat betekent, dat vanaf het begin buitenlandse partners moeten worden geselecteerd, die op delen van het betreffende terrein al een sterke positie innemen. Op deze wijze kan snel een mondiaal netwerk worden opgebouwd en kan vanuit een internationaal perspectief aangesloten worden op de mondiale ontwikkelingen in de agribusiness.
In de tweede plaats is het voor het welslagen een belangrijke voorwaarde dat de agribusiness zelf een belangrijke rol vervult bij de opzet van het internationale curriculum én in de opleiding zelf. De internationale agribusiness is voor dit opleidingscentrum niet alleen afnemer of klant, maar ook mede-vormgever en partner.
Vanuit de Nederlandse kennisinstellingen kan een dergelijk centrum alleen tot ontwikkeling komen als internationaal erkende topkwaliteit wordt geboden. Om dat te bereiken zal het nodig zijn de bestaande expertise van verschillende instellingen te bundelen. Een samenwerking bijvoorbeeld in de vorm van een strategische alliantie tussen het Kennis Centrum Wageningen, de Erasmus Universiteit, Nijenrode, de Universiteit van Maastricht (met ook het Merit) en TNO ligt voor de hand.
Het KCW zou, in samenspel met nationale en buitenlandse
partners, het initiatief voor verdere actie kunnen nemen.
3.2 Innovatieprogramma ketens & logistiekOverwegingen
Een belangrijke trend in de Westerse samenleving is massa-individualisering. De consument gedraagt zich grilliger en momentgebonden, en is minder voorspelbaar. De verwachting is dat op korte termijn ook in de opkomende markten, met name in de urbane gebieden, dergelijke individualiseringstendensen een belangrijker rol zullen gaan spelen. Naast kwaliteitseisen aan de producten, vraagt dit ook om levering op het juiste moment en op de juiste plaats.
Een belangrijke rol in deze ontwikkeling speelt het veranderende consumptiepatroon. Terwijl de detailhandel zich ontwikkelt van supermarkt naar huishoudelijke dienstverlener, als antwoord op massa-individualisering, betrekt de consument in toenemende mate ook zijn/haar voedingsmiddelen via andere kanalen: bedrijfskantine, afhaalmaaltijden, snackbars, bejaardentehuizen enz.
Naast eisen ten aanzien van technologie-ontwikkeling vragen de gesignaleerde trends om responsief inspelen op een sterk wisselende marktvraag. Dit stelt nieuwe eisen aan de organisatie van agrarische voortbrengingsketens. Daarbij gaat het om een door-ontwikkeling van het ketenconcept, resulterend in responsieve netwerken, die het voordeel van onderlinge afstemming combineren met de flexibiliteit van losser gekoppelde organisaties. Deze zelfstandige ondernemingen werken nauw samen in het netwerk, teneinde de gewenste "customer value" te realiseren met zo laag mogelijke kosten.
Verder ontstaat er toenemende zorg over het beslag dat transport van agrarische producten legt op milieu, ruimte en leefbaarheid. Verreweg het meeste transport gaat over de weg en de sector is verantwoordelijk voor 40% (!) van alle binnenlands goederenvervoer over de weg.
Dit vraagt om herontwerp van agrarische voortbrengingsketens
en de benodigde transport- en distributiesystemen vanuit een integraal
concept. Zowel ter verhoging van de economische efficiëntie
van de systemen van productie, transport en distributie als om
redenen van beperking van milieu- en ruimtebeslag en dichtslibbing
van transportwegen.
Voorstel
Voorgesteld wordt om voor de kunde-ontwikkeling rond ketens en netwerken een sprong te maken van de laatste jaren ontwikkelde organisaties als Stichting AKK, Centrum voor Transporttechnologie e.a., naar een Centrum voor integrale keten- en netwerkkunde. Daarbij dienen aspecten van transport, distributie, logistiek en gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT) nadrukkelijk te worden meegenomen. In intensieve samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen worden thans plannen voor een Kenniscentrum "Ketens, Logistiek en ICT" uitgewerkt, te financieren door overheid en bedrijfsleven (publiek/privaat). Dit gebeurt mede met het oog op de in het kader van ICES beoogde impulsen van de vitalisering van de ruimtelijke economische structuur van Nederland.
In de verdere uitwerking dienen internationaliserings-
en onderwijsaspecten nadrukkelijk te worden meegenomen.
Visie stakeholders
Van de stakeholders is 80% van mening dat een dergelijk centrum er dient te komen. Wel plaatst een deel van hen (een derde) kanttekeningen, zoals: niet een nieuw instituut oprichten; wel een virtueel netwerkknooppunt of coördinatiepunt; ketens en logistiek niet los zien van consumentenvraagstukken en technologie; het bedrijfsleven moet zich er goed in kunnen herkennen; en wat kan de rol van consultancybureaus hierin zijn? Verder wordt voldoende aandacht gevraagd voor de internationale component.
Bijna 70% van de stakeholders wil een actieve rol
vervullen bij de totstandbrenging en/of de uitvoering van het
programma.
Het vervolg
Geconcludeerd kan worden dat er brede steun is voor het voorstel en dat vele partijen actief willen participeren. Derhalve dient het innovatieprogramma ketens & logistiek verder te worden uitgewerkt. De bovengenoemde reeds tot stand gekomen samenwerking tussen bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen vormt daarvoor de geschikte setting.
3.3 Informatie- en kennisnetwerk nieuwe marktenOverwegingen
Een portfolio-analyse van de positie van de Nederlandse agribusiness in de verschillende markten in de wereld laat zien dat de Nederlandse agribusiness een sterke positie heeft in de verzadigde resp. langzaam groeiende markten van de EU en Centraal Europa. De Nederlandse positie in de markten die sterk groeien, zoals de opkomende markten van Latijns Amerika, Pacific Rim, China en India is beperkt. Dat betekent dat het aandeel van de Nederlandse agribusiness in de wereldhandel zal verminderen, tenzij de sector in staat is een groter marktaandeel te verwerven in de genoemde nieuwe markten.
Voor de opkomende markten biedt waarschijnlijk vooral de "focussed differentiation strategie" perspectief. Dit heeft te maken met onder andere de afstand, maar ook met het marktkarakter en de overige aanbieders in die markten.
Om een dergelijke strategie te realiseren ontbreekt
basiskennis over marktstructuur, consumentengedrag, cultuurpatronen
en instituties in de opkomende markten. Vooral die onderdelen
van het MKB, die overwegen dergelijke markten te betreden, zijn
grotendeels aangewezen op publieke kennis die voor deze markten
nog onvoldoende (systematisch) beschikbaar is. Wel is er enig
inzicht ten aanzien van kansen voor producten in relatie tot het
besteedbare inkomen. Dat inkomen stijgt in vele opkomende markten.
Daardoor komen producten binnen bereik die kansen bieden voor
de Nederlandse agribusiness. In welke richting zullen deze markten
zich ontwikkelen? Per markt kan dat aanzienlijk verschillen. Bovendien
worden producten soms heel verschillend beleefd. Verder is aan
de orde of gekozen moet worden voor export vanuit Nederland of
lokale productie. In beide situaties is samenwerking met lokale
partners gewenst.
Voorstel
Om succesvol te kunnen zijn dient het systeem van
informatieverzameling en kennisontwikkeling over onbekende (o.a.
verre) markten en consumenten aanzienlijk te worden verbeterd.
Hierbij gaat het erom de Nederlandse kennisinfrastructuur te versterken
en de informatie die over deze markten op verschillende plaatsen,
ook internationaal, aanwezig is beter toegankelijk te maken voor
het bedrijfsleven. Mede op initiatief van de NRLO wordt momenteel
in samenspel tussen een aantal sleutelactoren aan de wenselijke
versterking van de kennisinfrastructuur gewerkt. Naast de overheid
(LNV) participeren het bedrijfsleven en onderzoeksinstellingen,
met als trekker LEI-DLO, in de ontwikkeling van een gericht plan
van aanpak. Doelstelling is te komen tot een prototype "Data
Warehouse" voor de agribusiness. Eén van de aspecten
bij de uitwerking betreft de verantwoordelijkheidsverdeling voor
de financiering: globaal de overheid voor de basiskennis en de
ontwikkeling van het zoeksysteem, en het bedrijfsleven voor specifieke
zoekopdrachten.
Visie stakeholders
Van de stakeholders is ruim 80% het geheel of gedeeltelijk
eens met de visie dat een dergelijk informatie- en kennissysteem
voor nieuwe markten er dient te komen. Wel plaatst een deel van
hen (40%) kanttekeningen bij de invulling van het voorstel. Zoals:
zorg dat het bedrijfsleven er voldoende bij betrokken is; werk
samen met anderen; geen apart instituut; en bedenk dat problemen
in nieuwe markten veelal te maken hebben met bureaucratie, onduidelijke
regelgeving, logge administratie, wisselende voorschriften en
interpretatie van regels. Verder vraagt men aandacht voor de verantwoordelijkheidsverdeling
overheid/ bedrijfsleven en voor een goede vraag- en aanbodstructuur
met toegevoegde waarde ten opzichte van bestaande systemen. Ook
werden onderzoeks- en opleidingsaspecten genoemd, met name met
betrekking tot consumentengedrag en culturele verschillen. Gesteld
werd dat het succes afhankelijk zal zijn van wie beheert, van
de toegankelijkheid en van een lage drempel, in het bijzonder
voor het MKB.
Het vervolg
Geconcludeerd kan worden dat het voorstel om een informatie- en kennisnetwerk nieuwe markten tot stand te brengen kan rekenen op ruime steun, mits bij de verdere uitwerking rekening gehouden wordt met de verschillende suggesties die zijn gedaan. In samenspel tussen kennisinstellingen (trekker LEI-DLO), bedrijfsleven en overheid kan het voorstel verder worden uitgewerkt.
3.4. Innovatieprogramma milieugerichte systeeminnovatiesOverwegingen
End-of-pipe en procesgeïntegreerde oplossingen
op bedrijfsniveau zijn niet toereikend om lange termijn milieudoelstellingen
te realiseren. Om de noodzakelijke vermindering van de milieubelasting
met een factor 10-20 mogelijk te maken zijn daarnaast ingrijpende
veranderingen nodig op hogere systeemniveaus (sector, regio, land,
continent). Deze vormen van herstructurering zijn bijvoorbeeld
nodig om de uitwisseling van grond- en afvalstoffen tussen agrarische
en niet-agrarische sectoren te bevorderen. Hierbij moet worden
uitgegaan van toekomstige ontwerpeisen vanuit verschillende maatschappelijke
doelen (op sociaal, economisch, ecologisch gebied). Vooral op
de lange termijn liggen er interessante mogelijkheden op het gebied
van systeeminnovaties.
Veel onderzoek is analytisch, reductionistisch, disciplinair
en verklarend van karakter en niet gericht op synthese en het
maken van ontwerpen. Er is thans vrijwel geen sprake van een transdisciplinaire
integratieve aanpak met koppeling van alpha-, bèta- en
gamma-expertise. Voor zover wel aanwezig, is deze vooral gericht
op verbeteringen aan bestaande systemen.
Voorstel
Einddoel, te bereiken in een periode van 5-10 jaar, is een hecht netwerk van onderzoekers en niet-onderzoekers, alpha-, bèta- en gamma-wetenschappers, landbouwkundigen en niet-landbouwkundigen, gericht op het ontwerpen van en experimenteren met systeeminnovaties die de milieu-efficiëntie met een factor 10-20 kunnen verbeteren. Centrale thema's zijn onder andere duurzame energievoorziening, hergebruik van water en afvalstoffen, en alternatieve vormen van ruimtegebruik. Om dit doel te realiseren moet een innovatieprogramma worden opgesteld door een task force bestaande uit probleemeigenaren, financiers en kennisinstellingen.
Vanwege de complexiteit van systeeminnovaties en
de hiervoor noodzakelijke veranderingen in de (agro-)kennisinfrastructuur
dient bij de uitvoering van het programma een klein onafhankelijk
centrum als trekker, makelaar en programma-coördinator op
te treden. Bij de vormgeving van dit centrum kan gebruik worden
gemaakt van ervaringen van DTO en AKK. Belangrijkste taken van
deze unit zijn het bij elkaar brengen van uiteenlopende deskundigen
voor idee-ontwikkeling, het laten uitvoeren van haalbaarheidsstudies
en voorbeeldontwerpen. Hiertoe beschikt de unit over een budget
van enkele miljoenen op jaarbasis, afkomstig van overheid en bedrijfsleven.
Visie stakeholders
Ruim 90% van de stakeholders is van mening dat milieugerichte
systeeminnovaties prioriteit verdienen. Tweederde van de stakeholders
wil een actieve rol vervullen bij de totstandbrenging en/of de
uitvoering van het programma. Ruim 80 % van de stakeholders kan
zich geheel of gedeeltelijk vinden in de voorgestelde organisatie
en wijze van uitvoering van het programma. Wel werd over de opzet
een aantal signalen afgegeven. Om uiteenlopende redenen vroeg
een aantal respondenten zich af of voldoende voorwaarden aanwezig
waren om tot vernieuwing te komen. Zouden de (Wageningse) kennisinstellingen
het programma niet teveel gaan domineren? Zouden de subsidies
voor bestaande vernieuwende organisaties, bijvoorbeeld CLM, niet
beter verhoogd kunnen worden? Zou de voorgestelde opzet wel kunnen
slagen binnen de huidige kaders van onderzoekprogrammering? Zou
men wel tot voldoende ambitieuze doelen kunnen komen? Zou een
budget van een paar miljoen gulden per jaar wel voldoende zijn?
Zou interdisciplinaire samenwerking wel voldoende van de grond
komen? Zouden probleemeigenaren zich wel willen committeren? Zou
een competitieve aanpak met meerdere alternatieven niet méér
opleveren? Het centrum zou vooral een makelaarsrol moeten vervullen
om te zorgen dat nieuwe netwerken tot stand komen. Een enkeling
meent dat KCW de coördinerende rol zou kunnen vervullen.
Het vervolg
Geconcludeerd kan worden dat er brede steun is voor
het voorstel en dat een groot aantal partijen actief wil participeren.
LNV en VROM zouden het voortouw moeten nemen voor de verdere uitwerking
van de opzet, waarbij de hierboven genoemde punten expliciet aandacht
krijgen. Aansluiting bij het Nationaal initiatief Duurzame Ontwikkeling
(ICES-KIS) lijkt aantrekkelijk.
3.5 Sociaal-wetenschappelijk
netwerk voor landbouwmilieuvraagstukkenOverwegingen
Nu op het punt van de beschikbaarheid van milieusparende
technologie het nodige is bereikt, begint het gebrek aan kennis
over (de beïnvloeding van) gedrags- en maatschappelijke processen
zich steeds meer als een belangrijke bottleneck te manifesteren.
Maatschappelijke en gedragsveranderingen in de richting van een
duurzame landbouw komen daardoor onvoldoende of te langzaam van
de grond. Er is sprake van onvoldoende integratie van technologische
en sociaal-wetenschappelijke kennis bij het identificeren en oplossen
van milieuproblemen. Te denken valt o.a. aan expertise op bestuurskundig,
juridisch, sociologisch, sociaal-psychologisch en cultureel-antropologisch
terrein.
Voorstel
Uitbreiding en verbetering van de inbedding van de sociaal-wetenschappelijke expertise binnen het landbouwkundig onderzoek door:
Vorming van een sociaal-wetenschappelijk netwerk
voor landbouwvraagstukken met als een van de majeure aandachtsvelden
de landbouw-milieuproblematiek. Kerncompetentie van het netwerk
is het integreren van inzichten uit verschillende disciplines
binnen de sociale wetenschappen en het toepasbaar maken hiervan
door relaties te leggen met technologische benaderingen. Naast
een onderzoeksfunctie heeft het netwerk ook een beleidsadviserende
en een onderwijsfunctie. Bij de invulling van het KCW dient aan
deze hergroepering, bundeling en uitbreiding van sociaal-wetenschappelijk
onderzoek en onderwijs aandacht te worden gegeven met inschakeling
van deskundigen van buiten het landbouwcircuit. Afstemming met
andere initiatieven, zoals de vorming van het Mansholt-instituut
en de GAMIN-exercitie (versterking gamma milieu en natuuronderzoek,
actie NMP-3) is gewenst.
Visie stakeholders
95% van de stakeholders is het geheel of gedeeltelijk
eens met de visie dat uitbreiding en betere inbedding van sociaal-wetenschappelijke
expertise in het landbouwkundig onderzoek wenselijk is. De concretisering
in de drie hierboven genoemde aandachtspunten wordt door driekwart
van de stakeholders geheel of ten dele ondersteund. Wel wordt
een aantal kanttekeningen gemaakt. Enkele respondenten vragen
zich af hoe te komen tot een bundeling van gamma-wetenschappen
en tegelijkertijd de samenwerking met bèta wetenschappen
te bevorderen. Is concentratie van gamma-wetenschappen wel de
meest logische stap? Meerdere respondenten pleiten voor het versterken
van het gamma-onderzoek in de bestaande kaders (Mansholt Instituut,
KCW) en het stimuleren van samenwerking tussen gamma- en bèta-wetenschappen
op projectbasis, bijv. bij de ontwikkeling van systeeminnovaties.
Ook werd gewezen op de noodzaak voor het KCW om strategische allianties
met externe gamma-groepen aan te gaan en niet alle kennis in eigen
huis te halen. Ongeveer de helft van de stakeholders wil een actieve
rol spelen bij het realiseren van dit voorstel.
Het vervolg
De conclusie is dat er een groot draagvlak bestaat voor uitbreiding en verbetering van de benutting van de inzichten uit de mens- en maatschappijwetenschappen. Velen willen daarbij een actieve rol spelen. Wel worden kanttekeningen geplaatst bij de voorgestelde opzet.
KCW is momenteel bezig om de positie en organisatie van de mens- en maatschappij-wetenschappen opnieuw te bezien, mede in het licht van de in het voorstel genoemde aandachtspunten.
3.6 Netwerk landbouwmilieu-informatieOverwegingen
Duurzame ontwikkeling als maatschappelijk leerproces
stelt hoge eisen aan de feitelijke informatie over gebruik en
emissies van milieuschadelijke stoffen, hun verspreiding en hun
effecten op het milieu in relatie tot gedrag van actoren. Om te
komen tot aangrijpingspunten voor overheidsbeleid en bedrijfsmanagement
dienen milieukundige, technische en sociaal-economische aspecten
in samenhang te worden beschouwd. Verschillende integratieniveaus
dienen daarbij te worden onderscheiden (bedrijf, sector, regio,
land). De huidige monitoring- en management-informatiesystemen
schieten hierin tekort. Dit leidt ertoe dat slechts een fragmentarisch
beeld bestaat van de effecten van beleids- en bedrijfsmaatregelen
op de kwaliteit van het milieu enerzijds en de sociaal-economische
positie van een bedrijf of sector anderzijds.
Voorstel
Vorming van een netwerk voor monitoring- en management-informatie op landbouw-milieugebied, met als doel:
Om dit netwerk te realiseren dient een klein landelijk
coördinatiepunt te worden ingesteld, bestaande uit deskundigen
van verschillende signatuur met als hoofdtaak het stroomlijnen
van de dataverzameling, -bewerking en -ontsluiting van verschillende
instanties. Bij de vormgeving van de infrastructuur ligt een trekkersrol
bij de overheid (VROM, LNV, V&W, IPO). Aansluiting bij bestaande
infrastructurele voorzieningen, zoals het Milieuplanbureau, is
gewenst.
Visie stakeholders
Vrijwel alle respondenten achten de vorming van een
netwerk voor monitoring en management-informatie wenselijk. De
doelstellingen en mogelijke wijze van totstandbrenging van het
netwerk worden door driekwart van de respondenten ondersteund.
Aansluiting van dit initiatief bij bestaande landelijke activiteiten
is voor veel respondenten een must. Op het gebied van monitoring
en koppeling van gegevensbestanden is al veel gaande, maar de
acceptatie en benutting van dit materiaal door gebruikers laat
volgens de respondenten nog veel te wensen over. Het risico van
een kostbaar, log en gebruiksonvriendelijk instrument en een te
boekhoudkundige benadering wordt bij herhaling gesignaleerd. Voorgesteld
wordt om te komen tot een duale structuur, waarbij onderscheid
gemaakt wordt tussen doelgroepen uit de overheid en anderen. Tevens
wordt erop gewezen dat een inhoudelijke visie nodig is om aan
te kunnen geven welke gegevens moeten worden verzameld en gekoppeld.
De helft van de respondenten wil een actieve rol vervullen bij
het realiseren van dit netwerk.
Het vervolg
Deze activiteit, die kan rekenen op brede steun bij de stakeholders, is aangekaart in het kader van het Kennisnetwerk Milieugerichte Informatie, dat ten behoeve van ICES-KIS wordt ontwikkeld. Tevens wordt gestreefd naar een grotere betrokkenheid van de relevante landbouwinstituten bij de interbestuurlijke infrastructuur voor milieu-monitoring, die al enige jaren in ontwikkeling is (actie uit NMP-2).
3.7 Innovatieprogramma
verbetering landschappelijke kwaliteit door ruimtelijke integratie
van landbouwkundige en externe ontwikkelingenOverwegingen
In onze welvarende samenleving wordt de leefomgeving steeds belangrijker. De waardering daarvoor wordt mede bepaald door de landschappelijke kwaliteit.
De veranderende situatie op het platteland, de plaats die andere functies hierin hebben gekregen, maakt het ondenkbaar dat de ruimtelijke aanpassing en inrichting van de groene ruimte in de toekomst nog alleen vanuit de landbouw zullen geschieden. Ruimtelijke visies worden voor de landbouw richtinggevend. Nieuwe kansen voor de landbouw en het platteland ontstaan als gevolg van ruimtelijke veranderingen die vanwege de uitvoering van waterbeleid, milieubeleid, natuurbeleid, verstedelijking, e.d. in de komende decennia in het landschap gaan optreden.
Via planning en ontwerp moet ingezet worden op het
zodanig begeleiden van de veranderingsprocessen dat nieuw, maar
vitaal cultuurlandschap ontstaat, of dat de veranderingen zo plaatsvinden
dat gewaardeerde cultuurlandschappen haalbaar blijven. Tegelijkertijd
moeten de verschillende functies (landbouw, natuur, recreatie
en wonen) zich goed kunnen ontplooien.
Voorstel
De uitdaging is om een gevarieerd ruimtegebruik te realiseren afgestemd op specifieke mogelijkheden van plekken. Daarbij moet worden aangesloten op de maatschappelijke context (landbouw, natuur, recreatie, bewoning), de cultuurhistorie en de fysische en biotische kenmerken van een gebied.
Wil de landbouw hierbij een adequate inbreng hebben, dan zal ze haar ruimtelijke wensen moeten expliciteren. Een dergelijk plan zal geen sectoraal majorerend karakter moeten hebben, maar veeleer de stekkers en contrastekkers vanuit de landbouw naar andere functies moeten beschrijven en de landbouw goed moeten positioneren in relatie tot ruimtelijke ordening en planning.
Het is van belang actief aan te sluiten op ruimtelijke veranderingsprocessen die door andere vormen van grondgebruik worden veroorzaakt, en nieuwe coalities aan te gaan met bij de ruimtelijke ontwikkeling betrokken actoren. Een dergelijke aanpak biedt perspectief om nieuwe landbouwkundige mogelijkheden te creëren met ook voor het landschap interessante resultaten.
Voorgesteld wordt kerngebieden aan te wijzen waar overheid en andere actoren samen de voorwaarden scheppen voor het begeleiden van het transformatieproces en/of het maken van een kwaliteitssprong en waarbij alle instrumenten, waaronder de ruimtelijke, geïntegreerd worden ingezet.
Om de ontwikkeling adequaat te begeleiden worden
aan de wetenschap deels andere eisen gesteld. Er zal een sterker
beroep worden gedaan op sensibiliteit, creativiteit, ontwerpvermogen
en interactiviteit met maatschappelijke ontwikkelingen.
Visie stakeholders
Het overgrote deel van de stakeholders (75% volledig en 24% deels) is van mening dat een innovatieprogramma gericht op verbetering van de landschappelijke kwaliteit door nieuwe combinaties van landbouwkundige en ruimtelijke ontwikkelingen prioriteit verdient. Vragen en opmerkingen betreffen vooral: haalbaarheid en sturing; hoe een en ander te realiseren?; hoe krijgen we de zaak echt in beweging? De noodzaak wordt gesignaleerd om inzicht te mobiliseren omtrent vaardigheden en strategieën bij transformatieprocessen. Naast onderzoek wordt vooral ook onderwijs en voorlichting nodig geacht.
Voor wat betreft de aanpak zijn er suggesties voor
een gemeenschappelijk werken met urbane planners aan een plan
waarin de agenda niet alleen vanuit de urbane problematiek maar
ook vanuit de plattelandsoptiek wordt ingevuld. Gedacht wordt
bijvoorbeeld aan een 'case' in het Arnhem-Nijmegen complex, waar
een stedelijk gebied wordt omringd door een vitaal landbouwgebied
met de Veluwe en de zuidelijke stuwwallen op korte afstand.
Het vervolg
Een gebiedsgerichte aanpak lijkt de beste perspectieven te bieden. Nader overleg over de te kiezen gebieden is nodig. Daarbij is aansluiting op initiatieven van uiteenlopende actoren essentieel.
3.8 Innovatieprogramma diergezondheidsstrategieënOverwegingen
De huidige EU-vrijwaringstrategie met non-vaccinatie is in de Nederlandse situatie met hoge dierdichtheden en omvangrijke transportstromen onvoldoende effectief. Uitbraken leiden tot hoge kosten en grote maatschappelijke weerstand tegen de noodzakelijke ingrijpende maatregelen om de vrij-status te herstellen. De dominante rol van de overheid bij de dierziektebestrijding is weinig bevorderlijk voor het nemen van eigen verantwoordelijkheid door het bedrijfsleven. Er moeten nieuwe diergezondheidsstrategieën worden ontwikkeld. Hierbij gaat het zowel om veterinair-zoötechnische vraagstukken als om vraagstukken op het gebied van publiek-private samenwerking en vraagstukken die betrekking hebben op het bredere maatschappelijke kader (o.a. milieu, welzijn, ruimtelijke kwaliteit). Hiervoor zijn nieuwe combinaties van bèta en gamma-wetenschappen, nieuwe samenwerkingsverbanden en nieuwe vormen van participatieve kennisontwikkeling nodig.
Een belangrijke bottleneck bij de ontwikkeling van
diergezondheidsstrategieën is het gebrek aan kennis over
de pathobiologie (incl. diagnostiek) en de epidemiologie van dierziekten
(mogelijke bronnen in het wild, mogelijke vectoren en buurtinfecties
en besmettingsrisico's). Vooral de fragmentarische kennis van
verspreidingsrisico's van besmettelijke dierziekten binnen een
populatie en tussen populaties (zoönosen), mede in relatie
tot de structuur van sectoren en de inrichting van houderijsystemen,
vormt een belangrijke belemmering om tot een effectieve aanpak
van infectieuze dierziekten te komen.
Voorstel
Een innovatieprogramma diergezondheidsstrategieën
wordt uitgevoerd met als kenmerken:
a. het verzamelen en bewerken van dierziektegegevens
uit de praktijk;
b. het uitvoeren van cohort onderzoek aan de hand
van specifieke vraagstellingen;
c. het ontwerpen van nieuwe strategieën voor
de georganiseerde en politionele dierziektenbestrijding;
d. het ontwikkelen van modellen voor het simuleren
en visualiseren van strategie-ontwerpen;
e. het opzetten en uitvoeren van kleinschalige pilot-projecten
in de praktijk.
In het innovatieprogramma wordt veterinaire en zoötechnische
kennis gekoppeld aan kennis op het gebied van risico-analyse,
informatica, organisatiekunde, economie, sociologie, ethiek en
planologie. Het innovatieprogramma leidt tot de vorming van een
structureel expertisenetwerk diergezondheidsstrategieën.
Het netwerk heeft een duale structuur. Ze bestaat uit enerzijds
een data-verzamelings- en bewerkingsnetwerk (voor punten a en
b) en anderzijds een ontwerp- en experimenteer-netwerk (voor punten
c, d en e). Beide netwerkstructuren worden gevormd door nieuwe
combinaties van bestaande kennisinstellingen, tijdelijk aangedreven
door een kleine onafhankelijke unit, die de rol van makelaar en
trekker vervult.
Visie stakeholders
90% van de respondenten is het volledig eens en 10% is het deels eens met de vorming van een expertisenetwerk diergezondheidsstrategieën. Ruim 80% kan zich geheel of gedeeltelijk vinden in de voorgestelde organisatie van het netwerk. 80% van de respondenten wil actief meewerken aan het opzetten en laten functioneren van het ontwerp-deel van het netwerk; het dataverzamelings- en -bewerkingsdeel van het netwerk heeft een actieve aanhang van ruim de helft van de respondenten.
Een aantal respondenten vraagt zich af of er voldoende
randvoorwaarden voor vernieuwing worden voorgesteld. Bij bestaande
instellingen zouden veel weerstanden tegen vernieuwingen bestaan.
Samenwerking vanuit gezamenlijke verantwoordelijkheden wordt gezien
als een zwak punt in de huidige kennisinfrastructuur op het gebied
van diergezondheid. Dit vraagt meer dan alleen een faciliterende
unit; hiervoor is volgens enkele respondenten een sanering nodig
van bestaande onderwijs- en onderzoekprogramma's, terwijl ook
de instellingen zelf tegen het licht gehouden moeten worden. Een
enkeling ziet een bredere taakstelling voor het netwerk diergezondheidsstrategieën:
ook aansturing van dierziektenbestrijding en alle bijbehorende
informatiestromen, incl. ondersteuning bij beleidsvorming. Bij
de ontwikkeling van nieuwe diergezondheidsstrategieën zouden
voorlopers een actieve rol moeten krijgen en ook de keten zou
betrokken moeten worden.
In relatie tot het dataverzamelings- en bewerkingsnetwerk
wordt gewezen op het belang van experimenteel onderzoek onder
gecontroleerde omstandigheden, in combinatie met gerichte dataverzameling
in de praktijk. Aansluiting bij het zoönose-netwerk van VWS/RIVM
wordt door enkele respondenten als een must gezien. Verder wordt
opgemerkt dat het werken met grote observationele databestanden
scherpe vraagstellingen en een efficiënte data-handling vergt.
Dit netwerk zou alleen kans van slagen hebben indien bestaande
instellingen in het netwerk bereid zijn om een deel van hun huidige
belangen/verantwoordelijkheden in te leveren vanuit een focus
op gezamenlijke belangen. In de duale structuur (monitoring en
ontwerp) wordt een goede koppeling tussen beide netwerken als
essentieel gezien.
Het vervolg
Uit de reactie van de stakeholders blijkt een brede steun voor dit voorstel. Bij de discussie over de herstructurering van het veterinaire complex, die door LNV is geïnitieerd, zou dit voorstel een prominente plaats moeten krijgen.
3.9 Opleidingsprogramma
beleidsepidemiologen en veterinaire kwaliteitsmanagersOverwegingen
De verschuiving van de huidige, nog hoofdzakelijk op klinische diagnostiek en therapie gebaseerde, aanpak naar een steeds meer door risico- en kosten/baten-analyses gestuurde preventieve diergezondheidszorg zal leiden tot nieuwe niches in de arbeidsmarkt. Er zal behoefte ontstaan aan een nieuw type professionals, hier aangeduid met de termen beleidsepidemiologen en veterinaire kwaliteitsmanagers.
Beleidsepidemiologen spelen een centrale rol bij de ontwikkeling en het beheer van beheersings- en vrijwaringsprogramma's voor dierziekten. Zij opereren vooral in het circuit van beleidsmakers bij overheid en bedrijfsleven, hetgeen inzicht in en gevoel voor politieke en bestuurlijke processen vraagt.
Veterinaire kwaliteitsmanagers hebben als kerntaak het adviseren van sectoren, ketens en individuele veehouders bij de keuze voor bepaalde programma's en het begeleiden bij de implementatie ervan. Van veterinaire kwaliteitsmanagers, die vooral actief zijn in het bedrijfsleven, wordt affiniteit gevraagd met de vele aspecten van het productieproces.
Voor beide typen professionals is het kunnen omgaan
met kwantitatieve gegevens, statistische analyses en management-informatiesystemen
essentieel. De huidige opleidingen voorzien niet of slechts zeer
fragmentarisch in deze behoefte aan nieuwe professionals.
Voorstel
Het opzetten van een opleidingsprogramma met als
doelstellingen:
a. het opleiden van beleidsgerichte epidemiologen;
hierbij worden elementen samengevoegd uit verschillende vakgebieden,
zoals diergeneeskunde, zoötechniek, (bedrijfs) economie,
informatie-analyse, bestuurskunde en politicologie;
b. het opleiden op academisch niveau van veterinaire
kwaliteitsmanagers (diersoortgericht) met expertise op het gebied
van o.a. diergeneeskunde, zoötechniek, management, kwaliteitskunde,
bedrijfskunde, marktkunde, informatie-analyse en economie.
Beide opleidingen zouden een gemeenschappelijke basis
kunnen hebben.
Dit opleidingsprogramma is gericht op studenten en
werkenden in de diergezondheidszorg. Ontwikkeling en uitvoering
van dit programma vinden plaats in nauw overleg met (potentiële)
werkgevers bij overheid en bedrijfsleven. Opname in een gezamenlijk
curriculum binnen de onderwijscapaciteit van FD en LUW ligt voor
de hand. Daarnaast behoort rechtstreekse financiering van bepaalde
modules door de doelgroepen tot de mogelijkheden. De FD en de
LUW zouden gezamenlijk het initiatief kunnen nemen voor het opzetten
van dit opleidingsprogramma door hiervoor ideeën te ontwikkelen
en deze voor te leggen aan de belangrijkste stakeholders.
Visie stakeholders
70% van de respondenten onderschrijft volledig de
wenselijkheid om een opleidingsprogramma voor beleidsgerichte
epidemiologen en veterinaire kwaliteitsmanagers op te zetten;
20 % is het hiermee ten dele eens en de overigen hebben hierover
geen mening. Tweederde onderschrijft de voorgestelde opzet volledig,
20 % ten dele en 10 % heeft geen mening. Ruim de helft van de
respondenten wil op een of andere wijze actief bijdragen aan de
realisatie van het programma.
Een aantal stakeholders merkt op dat een gezamenlijk
opleidingsprogramma FD-LUW inderdaad zeer wenselijk is, maar dat
gebleken is dat de samenwerking tussen beide instellingen slechts
moeizaam van de grond komt. Teneinde toch een snelle start te
kunnen maken met het opleidingsprogramma wordt meermaals gesuggereerd
om de veterinaire epidemiologen vooral in Utrecht op te leiden
en de beleidsepidemiologen in Wageningen, waarbij over en weer
docenten worden ingeschakeld. Anderen zien in de dynamiek als
gevolg van de vorming van het KCW nieuwe mogelijkheden om tot
strategische allianties met de FD te komen (Werkgroep Strategische
Allianties LUW-UU). Men dringt aan op snelle verbreding van het
opleidingsprogramma naar de huidige werkers in de diergezondheidszorg,
zoals dierenartsen en medewerkers van de Gezondheidsdienst. Gewezen
wordt op het belang van disciplines zoals communicatie- en voorlichtingskunde
(voor veterinaire kwaliteitsmanagers) en internationaal recht
(voor beleidsepidemiologen). Voorts wordt opgemerkt dat zoönosen
andere experts vragen dan overige dierziekten. Bovendien zou onderscheid
moeten worden gemaakt tussen deskundigen in het voorkómen
van dierziekten en deskundigen in het bestrijden ervan.
Het vervolg
De FD en de LUW zouden gezamenlijk het initiatief kunnen nemen voor het opzetten van dit opleidingsprogramma door hiervoor ideeën te ontwikkelen en deze voor te leggen aan de belangrijkste stakeholders.
3.10 Innovatieprogramma geïntegreerde veehouderijsystemenOverwegingen
Bij het inpassen van diergezondheidseisen binnen het veehouderijbedrijf treden spanningsvelden op met eisen op andere terreinen, zoals milieu, welzijn, economie en arbeid, waardoor suboptimale situaties ontstaan. Dit geldt zowel voor de "hardware" in de vorm van bedrijfssystemen als voor de "software" in de vorm van afwegingen van de veehouder. Het integreren van toekomstige ontwerpeisen vanuit verschillende maatschappelijke invalshoeken is een grote uitdaging voor de kennisinfrastructuur in het komende decennium.
In het verleden zijn goede ideeën van individuele
instellingen om te komen tot ingrijpende vernieuwingen van bedrijfssystemen
niet of onvoldoende van de grond gekomen. Een meer structurele
aanpak voor het realiseren van trendbreuken in de ontwikkeling
van bedrijfssystemen is dringend noodzakelijk.
Voorstel
Vorming van een netwerk van tijdelijke, probleemgerichte
task forces, waarin uiteenlopende disciplines zijn samengebracht.
Een kleine onafhankelijke unit treedt op als trekker, makelaar
en programma-coördinator. Kernactiviteiten zijn het bij elkaar
brengen van relevante partijen om gezamenlijk ideeën te ontwikkelen,
het laten uitvoeren van haalbaarheidsstudies, modelsimulaties
en voorbeeldontwerpen. Hierbij wordt gestreefd naar nieuwe combinaties
van bèta- en gamma-disciplines en nieuwe functionele samenwerkingsverbanden
van bestaande instellingen. Het netwerk fungeert als een denktank
en virtueel ontwerpcentrum voor nieuwe bedrijfssystemen. De onderwijstaak
van het netwerk is vooral gericht op onderzoekers met enige jaren
werkervaring, omdat juist deze groep affiniteit heeft met systeemdenken.
Bij de invulling van het innovatieprogramma en de opzet van de
task forces kunnen de positieve ervaringen van het DTO-programma
als voorbeeld dienen. Gezamenlijke financiering door overheid
en bedrijfsleven is gewenst, waarbij overheidsfinanciering in
de aanvangsfase geleidelijk wordt vervangen door bedrijfslevenfinanciering,
voor een belangrijk deel op projectbasis.
Visie stakeholders
Meer dan 90% van de stakeholders is het volledig
eens met het voorstel een innovatieprogramma geïntegreerde
veehouderijsystemen op te zetten. De overige respondenten zijn
het hiermee ten dele eens. De voorgestelde organisatiewijze wordt
door bijna 50 % van de respondenten volledig ondersteund, door
40% van de respondenten gedeeltelijk, terwijl 10% het hiermee
oneens is. 80% van de respondenten zou op enigerlei wijze een
actieve rol willen spelen bij de totstandbrenging en/of de uitvoering
van het programma. Als belangrijkste aandachtspunten worden genoemd:
betrokkenheid van bedrijfsleven in de keten en consumenten is
essentieel; 50/50 financiering door bedrijfsleven en overheid;
eerst ontwerpeisen verkennen en daarbij uitgaan van uiteenlopende
scenario's; de manager centraal stellen en niet het bedrijfssysteem.
Het vervolg
Gelet op de brede steun voor dit voorstel ligt een
verdere concretisering voor de hand. LNV zou hierbij een initiërende
rol kunnen vervullen door een trekker te benoemen, die een technisch,
financieel en bestuurlijk haalbaar plan opstelt in overleg met
de belangrijkste stakeholders.
NRLO-DocumentenThema "Maatschappelijk perspectief voor de landbouw"
Thema "Globalisering en Agribusiness"
Thema "Markt en Consument"
Thema "Landbouw en Milieu"
Thema "Naar een gezonde veehouderij"
Algemene onderwerpen
Akortingenlijst
CLM Centrum voor Landbouw en Milieu
DLO Dienst Landbouwkundig Onderzoek
DTO Programma Duurzame Technologische Ontwikkeling
EU Europese Unie
FD Faculteit Diergeneeskunde
GAMIN gamma milieu-n natuuronderzoek
ICES Interdepartementale Commissie Economische Structuur
AKK Stichting Agro Keten Kennis
ICES-KIS ICES-Werkgroep Kennisinfrastructuur
ICT Informatie- Communicatietechnologie
IPO Interprovinciaal Overleg
KCW Kenniscentrum Wageningen
LAT Living Apart Together
LEI-DLO DLO-Landbouw-Economisch Instituut
LNV Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
LUW Landbouwuniversiteit Wageningen
MERIT Maastricht Economic Research Institute on Innovation
and Technology
MKB Midden- en Kleinbedrijf
NMP Nationaal Milieuplan
NRLO Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek
OCV Overlegcommissie Verkenningen
RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne
TNO Nederlandse Organisatie voor Toegepast-Natuurwetenschappelijk
Onderzoek
UU Universiteit Utrecht
V&W Ministerie van Verkeer en Waterstaat
VROM Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer
VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport