Globalisering en Agribusiness

Kennis- en innovatieopgaven voor de toekomst

Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek
Postbus 20401
2500 EK Den Haag
tel.: 070 378 56 53
internet: http://www.agro.nl/nrlo/

ISBN: 90 - 5059 - 057 - 8
Overname van tekstdelen is toegestaan, mits met bronvermelding.
NRLO-rapport nr. 98/2, Den Haag, januari 1998

Ten Geleide

De toekomst van de agrosector is één van de centrale thema's bij de verkenningen van de NRLO. De agrosector heeft te maken met grote veranderingen. In de eerste plaats betreft dat de maatschappelijke rol en positie van de landbouw. Niet alleen wordt erkend dat de agribusiness een belangrijke sector is in Nederland, maar ook dat de keerzijde van het economische succes bestaat uit grote problemen op terreinen zoals landschap, milieu en diergezondheid. De agribusiness lijkt zich te lang te hebben afgeschermd van maatschappelijke ontwikkelingen. In de markt wordt de agrosector geconfronteerd met problemen en kansen, voortvloeiend uit omkering van ketens: afnemers, consumenten die gaan bepalen welke producten gewenst zijn. Tenslotte het vraagstuk hoe de toch zeer internationaal georiënteerde agribusiness zich zou kunnen ontwikkelen bij verdergaande vrijhandel en afbraak van protectionistisch beleid.

Voor de NRLO was de belangrijkste vraag, wat deze turbulentie buiten en binnen de agribusiness zou kunnen betekenen voor de positie en de inhoud van het landbouwkundig onderzoek. In de verkenningen van de NRLO staat deze vraag centraal. In dat kader is een groot aantal achtergrondstudies verricht. De belangrijkste resultaten van deze studies zijn thans geïntegreerd in vijf rapporten op de diverse hoofdthema's: "een maatschappelijk perspectief voor de landbouw", "globalisering en agribusiness", "markt en consument", "landbouw en milieu" en "naar een gezonde veehouderij".

Dit rapport vat de hoofdconclusies samen van de achtergrondstudies op het thema "Globalisering en Agribusiness". Internationalisering en globalisering hebben grote gevolgen voor het landbouwkennissysteem.

De agribusiness beschouwt kennis steeds nadrukkelijker als concurrentiefactor. Dat betekent enerzijds belangstelling voor samenwerking bij fundamenteel onderzoek in de pré-concurrentiële sfeer, maar anderzijds meer contractonderzoek en geheimhouding in de toegepaste sfeer.

In het zich ontwikkelende internationale krachtenveld zal de nationale overheid nieuwe posities moeten kiezen, waarbij de versterking van nationale kwaliteiten als een kansrijke strategie wordt gezien. Daartoe behoort het ondersteunen van een hoogwaardige kennisinfrastructuur, het aanbieden van wereldklasse op het gebied van onderzoek en opleiding.

De kennisinstellingen zullen marktgerichter, en dus internationaler gaan werken. Dat vraagt belangrijke veranderingen in de attitude van onderzoekers én instellingen.

De NRLO formuleert in dit rapport 3 voorstellen die kunnen bijdragen aan een versterking van de kennis over internationale ontwikkelingen en het versterken van de internationale positie van de Nederlandse kennisinfrastructuur.

Bij de totstandkoming van dit rapport hebben Prof.Dr.Ir. L.C. Zachariasse (verantwoordelijk lid DB-NRLO) en Dr.Ir. H.J. van Oosten (projectleider) een belangrijke rol vervuld. Hen, en de vele anderen die aan het rapport hebben bijgedragen, dank ik zeer.

Prof.Dr.Ir. A. Rörsch,

Voorzitter NRLO.

Beleidssamenvatting

1. De noodzaak van een internationaal perspectief

De NRLO heeft in vijf studies verkend hoe de ruimte en het speelveld van ondernemingen in de agribusiness, de overheid en kennisinstellingen onder invloed van internationalisering veranderen.

Trendbreuken op technologisch gebied (vooral in de informatie- en communicatie technologie, ICT) én die in economische, politieke en maatschappelijke verhoudingen geven processen als internationalisering en globalisering nieuwe dimensies. Verlaging van traditionele handelsbarrières, deregulering, verlaging van transportkosten, vergrote bereikbaarheid en razendsnelle communicatie betekenen, dat internationaal opereren niet alleen grote ondernemingen, maar juist ook kleinere ondernemingen kansen biedt. Termen als massa-individualisering en ketenomkering illustreren de grote omslag van het denken in produceren naar het denken vanuit de behoeften van individuele consumenten. Kennis (in de ruimste zin, dus niet alleen technologisch) wordt steeds meer behandeld als cruciale concurrentiefactor. Mondiale netwerken zullen zich, met behulp van ICT, razendsnel ontwikkelen. Tegelijkertijd zal de internationale concurrentie, ook op de nationale markt, verscherpen. Er zal sprake zijn van schaalvergroting en internationale consolidatie van marktposities, en investeringen en activiteiten zullen in lokale markten waar ook ter wereld toenemen. Waarbij het in de toekomst niet meer gaat om het simpelweg naar die lokale markten toegaan en produkten verkopen, maar om het daadwerkelijk nestelen in die lokale markten; niet om het afzetten van gestandaardiseerde produkten over de wereld, maar om het benutten van de verschillen tussen al die lokale markten.

De verkenning van de NRLO maakt duidelijk dat er sprake is van een sterk toenemende Europese en mondiale verwevenheid, vergrote afhankelijkheden, vaker wisselende samenwerkingsverbanden en een versterkte concurrentie. Deze veranderingen plaatsen individuele ondernemingen voor vragen en dilemma's. Bijvoorbeeld: moet ik mij concentreren op de thuismarkt of op de internationale markt om de internationale concurrentie voor te blijven? Wat zijn van die keuzen de consequenties voor de structuur en de schaal van het bedrijf, voor de kennis en vaardigheden om (internationaal) te concurreren?

De dynamiek van internationalisering leidt tot voortdurend veranderende posities en machtsverhoudingen, op Europese en wereldschaal. Een nationaal perspectief daarop is ontoereikend. Er is een mentale omslag nodig: het Europese en mondiale speelveld vraagt om een internationaal perspectief van ondernemers, overheid én kennisinstellingen.

2. Uitdagingen voor de agribusiness, overheid en kennisinstellingen

Het internationale perspectief leidt tot een aantal uitdagingen voor ondernemers uit de agribusiness:

Uitdagingen voor de agribusiness

De nationale overheid kan, binnen nieuwe internationale verhoudingen, zijn beleidsruimte zo veel mogelijk vergroten én nieuwe uitdagingen aangaan.

Uitdagingen voor de overheid

De uitdagingen voor de agribusiness hebben tevens grote invloed op de strategische positionering van de nationale kennisinstellingen:

Uitdagingen voor kennisinstellingen

3. Nieuwe accenten voor kennisbeleid en kennismanagement

Kennis, kennisbeleid én kennismanagement vormen belangrijke ingrediënten van strategieën, waarmee ondernemingen, overheid en kennisinstellingen kunnen inspelen op genoemde omgevingsveranderingen.

Vanuit deze verkenning over globalisering en internationalisering worden 3 punten genoemd, waarop versterking nodig is. In de eerste plaats dient de kennis over de veranderingen op de agro-food wereldmarkt goed in kaart te worden gebracht. In de tweede plaats dient de internationale herkenning en erkenning van de kwaliteit van het agrocluster te worden versterkt. Kortom, de aantrekkingskracht van ondernemingen én kennisinstellingen in het agrocluster moet worden vergroot. In de derde plaats dienen kennisinstellingen in te spelen op de trend, dat ondernemingen wereldwijd zoeken naar interessante kennisbronnen en co-innovatoren. Voor kennisinstellingen ligt hier een geweldige uitdaging om internationaal posities op te bouwen en kennis tot waarde te brengen.

In het onderstaande worden deze thema's voor kennisontwikkeling en nieuwe condities voor de kennisinfrastructuur nader toegelicht.

3.1. Thema's voor kennisontwikkeling

De centrale vraag bij dit thema is hoe, gezien vanuit een mondiaal perspectief, de wereldmarkt in de komende decennia kan veranderen onder invloed van technologische revoluties (o.a. ICT), en de economisch-politieke besluitvorming. Wat betekenen de denkbare veranderingen voor de verschillende sectoren en functies (zoals productie, handel en distributie) in de Nederlandse agribusiness? Wat zijn de consequenties en potenties van de zich vormende flexibele mondiale netwerken voor positie, rol, werkwijze en organisatie van ondernemingen in de agribusiness?

De analyse en verkenning van nieuwe internationale configuraties wordt uitgevoerd vanuit meerdere invalshoeken, zoals de neo-liberale en een meer sociaal democratische visie, en 3 schaalniveaus, te weten de mondiale markt, de EU en de nationale (thuis)markt .

3.2. Nieuwe condities voor de kennisinfrastructuur

Vanuit het perspectief om het agri-cluster van Nederland internationaal sterker te positioneren, is het noodzakelijk op een aantal geselecteerde en goed gedefinieerde terreinen topposities in te nemen. Naast (bestaande) sterke technologische posities is versterking gewenst op het gebied van het internationaal ondernemen, toegespitst op landbouw en voeding in de wereld. Er wordt een programma voor onderwijs en opleiding ontworpen met als zwaartepunten internationaal ondernemen, kennismanagement, strategievorming en het leren werken in een multinationale én multiculturele omgeving. De programma's worden specifiek uitgewerkt op het terrein van internationale marktontwikkeling, agroketens, handel en landbouwpolitiek. Dat betekent een versterking van de tweede fase van de universitaire opleiding en de invulling van een programma voor education permanente. Het centrum richt zich op het top- en middenkader van zowel grote als kleinere (MKB-type) ondernemingen, die internationaal opereren of die ambitie koesteren, uit alle delen van de wereld. Het centrum staat tevens open voor beleidsmedewerkers van kennisinstellingen, overheden en supranationale organen.

Een dergelijk centrum vereist een internationale opzet. Het centrum werft medewerkers internationaal en biedt een combinatie van internationaal verspreide kundigheden. In de vorm van een strategische alliantie kan de in Nederland bestaande expertise (KCW, Nijenrode, Erasmus) worden gebundeld met die van buitenlandse partners. Daardoor kan een krachtig mondiaal netwerk ontstaan.

Het is noodzakelijk vanuit het Nederlandse agri-cluster een trekker aan te wijzen met voldoende mandaat en budget om dit centrum te ontwikkelen.

Vanuit een sterke positie op de thuismarkt dienen kennisinstellingen hun kennis én expertise op de internationale markt tot waarde te brengen. De instellingen dienen zich als ondernemingen te gedragen. Dat kan in sterk verschillende rollen: vanuit de rol van kennisbron, van co-innovator en van kennismakelaar.

Eén van de mogelijke vormen is dat de kennisinstelling zich positioneert als een wetenschappelijke topinstituut met een grote reputatie en vanuit die scherp gedefinieerde positie zakelijke contacten legt met geïnteresseerde ondernemingen en andere partijen op de kennismarkt.

Andere mogelijkheden zijn denkbaar door kennisinstellingen of delen ervan als onderneming te verzelfstandigen. Dat kan in de vorm van ondernemingen op terreinen die in de markt kansrijk zijn. Dat kan uiteenlopen van dienstverlening (ingenieurs- of consultancy bureau) tot het op de markt brengen van specifieke producten en processen. Daarbij kan de mate waarin deze ondernemingen verbonden zijn aan de instelling variëren. De exploitatie kan volledig vallen onder de verantwoordelijkheid van de kennisinstelling, maar andere vormen zijn denkbaar. Dat is bijvoorbeeld het geval als samen met één of meerdere private bedrijven een nieuwe onderneming wordt opgezet, of dat venture capital is vereist.

Bij deze vormen ontstaat een nieuwe en stimulerende relatie van wetenschappelijke centra met marktgerichte bedrijvigheid.

TNO biedt een interessant voorbeeld hoe internationalisering centraal te stimuleren en hoe individuele instituten te bewegen in dit proces mee te gaan. Verschillende individuele DLO-instituten zijn in vergelijkbare processen verwikkeld. Vrijwel alle LUW-vakgroepen kennen van oudsher een sterke internationale wetenschappelijke oriëntatie. Er ligt voor alle betrokkenen bij het KCW een geweldige uitdaging om het KCW in de komende jaren te ontwikkelen tot een internationale agro-kennisonderneming.

Begrippen

In dit rapport worden een aantal termen frequent gebruikt. Voor een goed begrip volgt hier de gehanteerde definitie:

agrosector (synoniem: agrofoodsector en agribusiness): Hieronder wordt verstaan de ondernemingen, die betrokken zijn bij de productie, verwerking en verhandeling van land- en tuinbouwproducten en voedingsmiddelen, incl. de toelevering van uitgangsmateriaal.

agro-cluster: het conglomeraat van bedrijven, kennisinstellingen, overheden en andere instituties in de agribusiness

globalisering (synoniem: mondialisering): het wereldwijd verspreiden van activa en het wereldwijd bedienen van markten.

internationalisering: het transport van goederen en kapitaal over nationale grenzen naar andere landen, zowel regionaal als mondiaal

lokaal: kleine gebieden binnen nationale grenzen

nationaal: een gebied begrensd door nationale grenzen

regio: (een deel van) een werelddeel, bijvoorbeeld EU, Noordwest Europa, de USA; Latijns Amerika; Zuid- en Oost Azië.

streek: een groter samenhangend gebied binnen nationale grenzen

1. Internationalisering en globalisering: een nieuwe uitdaging?

Een ogenschijnlijk normaal verschijnsel als internationalisering is het laatste decennium uitgegroeid tot een onderwerp van intensief publiek debat. Dat is vooral veroorzaakt door verbijzonderingen van het begrip internationalisering, tot uiting komend in termen als mondialisering en globalisering.

In economische termen wordt onder internationalisering verstaan het over de grenzen gaan van mensen, kapitaal en producten, terwijl onder globalisering meer wordt verstaan het zich metterdaad vestigen op uiteenlopende plaatsen, het ontplooien van activiteiten in diverse landen, waar dan ook ter wereld, met coördinatie vanuit het hoofdkantoor in het moederland. Bedrijven met activiteiten vanuit sterk gespreide vestigingen overstijgen feitelijk het land van oorsprong, worden min of meer foot loose en ontwikkelen zich als het ware tot ondernemingen met meerdere moederlanden. Kort gezegd was er aanvankelijk vooral sprake van het werken vanuit één locatie, terwijl globalisering de ontwikkeling duidt met werken van één onderneming vanuit meerdere over de wereld verspreide vestigingen. De onderneming vormt daarmee feitelijk een eigen netwerk over de wereld. Dit type bedrijfsactiviteiten was er altijd al wel, maar beperkte zich tot een kleine groep zeer grote multinationale ondernemingen.

Het debat over de betekenis en de gevolgen van globalisering wordt tegenwoordig in vele gremia gevoerd. In Nederland werd het debat aangezet door minister Andriessen van Economische Zaken in 1993. Er werd in 1995 een hoogleraar globalisering aangesteld (Prof.Drs. R.F.M. Lubbers). Het doel van het debat was met name om het thema globalisering bij ondernemend Nederland op de agenda te krijgen en een bewustwording te creëren van de kansen en risico's van een wereldwijde open markt. Het debat bracht ogenblikkelijk ook economen in het geweer, die globalisering als een hype kenschetsten en er op wezen dat de internationale handel aan het begin van deze eeuw al veel mondialer verliep dan de laatste 50 jaar. Zij wezen op een opmerkelijke paradox, namelijk het feit dat een groot deel van de reële economie regionaal is ingebed en dat regionalisering en het ontwikkelen van regionale kracht aandacht behoeft.

Voor de NRLO was dit aanleiding om bij de verkenning "De toekomst van de agrosector" aandacht te besteden aan internationalisering en globalisering. De deelverkenning werd uitgevoerd onder de naam "Agribusiness in 2015 onder invloed van internationalisering". Daarbij is het onderwerp benaderd vanuit de optiek van de agribusiness, de kennisinstellingen en de overheid. Dit heeft geleid tot 5 achtergrondstudies, uitgegeven als NRLO-rapporten nr. 97/11 t/m 15.

Dit rapport vat de hoofdconclusies uit de 5 achtergrondstudies samen en selecteert de belangrijkste uitdagingen. In een afsluitend hoofdstuk worden enkele prioritaire onderwerpen genoemd, die het anticiperen op globalisering door de agribusiness, overheid en kennisinstellingen kunnen ondersteunen.

2. Aanpak

In het krachtenveld dat in deze verkenning wordt beschouwd, is de agribusiness de prime actor. Daarnaast zijn twee andere actoren van belang: overheid en publieke kennisinstellingen. Door internationalisering en globalisering verandert de omgeving van elk van deze actoren. Bovendien is er sprake van interactie en een verschil in actie als gevolg van verschillende posities van de actoren. Dit wordt schematisch weergegeven in onderstaande figuur:

Figuur : De drie hoofdrolspelers van het agrokenniscluster in een internationale omgeving

In deze verkenning worden de omgevingsveranderingen geanalyseerd, die door internationalisering worden veroorzaakt. Vervolgens zijn de toekomstige uitdagingen voor elk van de actoren benoemd en worden voorstellen gedaan voor acties waarin elk van de actoren een andere rol speelt.

3. Drijvende krachten

3.1 Revolutie in de informatie- en communicatietechnologie (ICT)

Barrières die vroeger grenzen stelden aan het reizen en communiceren over de wereld, spelen nu nauwelijks meer een rol. Meer recent is daaraan een extra dimensie toegevoegd door de revolutie in de informatie- en communicatietechnologie. Daardoor is het mogelijk geworden om wereldwijd te communiceren, data en informatie uit te wisselen en te bewerken, zonder dat een fysieke verplaatsing nodig is. Er is een wereld ontstaan, waarin processen on line in real time (on the spot and at the same moment) met nog steeds toenemende snelheid verlopen. In deze door een enorme tijd-ruimte compressie gekenmerkte wereld is het voor ieder individu én onderneming mogelijk om waar ook ter wereld contacten te leggen zonder fysiek afstanden te hoeven overbruggen. Zo ontstaan mondiale netwerken van grote en kleine (MKB) ondernemingen, instituties en individuen binnen bepaalde clusters op vakgebieden, maar ook tussen verschillende gebieden. Netwerken met steeds wisselende contacten, afhankelijk van de interesse van de deelnemers. Resulterend in virtuele, flexibele mondiale netwerken.

3.2 Economisch liberalisme: wereldwijde concurrentie en schaalvergroting

Politieke veranderingen hebben sterk bijgedragen aan de krachtige verspreiding van de neo-liberale visie op de economie en omgekeerd. De rol van overheden verandert in tal van maatschappelijke processen. Dat uit zich in termen als deregulering , terugtreden, meer concentreren op randvoorwaarden. Tegelijkertijd wordt de eigen verantwoordelijkheid van individu en onderneming krachtiger benadrukt. Deze prikkeling en het bieden van een grotere speelruimte aan individu en onderneming heeft in sterk uiteenlopende samenlevingen geleid tot een ongekende dynamiek. Processen die samengevat kunnen worden in termen als massa-individualisering, het inspelen op wensen van individuen, klantgerichtheid, vraagsturing en dergelijke, illustreren en versterken dat.

De economische openheid en liberalisatie leidt tot het wegvallen van beschermingsconstructies, met als direct gevolg een veel hardere, door het rendementsdenken gedreven, concurrentie van marktpartijen op wereldmarkten, én nadrukkelijk ook op de thuismarkt. In die scherpe concurrentie speelt naast het kostenaspect zeer nadrukkelijk de vraag om een onderscheid: waarin verschilt men van de concurrent, welke extra waarde wordt toegevoegd? Daarnaast brengt liberalisatie een enorme schaalvergroting en consolidatie van internationale posities teweeg, zowel in de afzet als in de productie. Met als direct gevolg dat een relatief klein aantal zeer grote spelers het mondiale speelveld zullen gaan beheersen. Er ontstaan veel intensievere mondiale contacten tussen grote spelers, en tussen deze spelers en lokale partijen, waar ook ter wereld. Grote gediversificeerde conglomeraten vernieuwen zich in ondernemingen met een scherpe focus op één of een beperkt aantal kerncompetenties. Daar waarin men wereldwijd tot de top behoort. Alle andere activiteiten, en activiteiten die geen of onvoldoende rendement opleveren worden afgestoten.

-De paradox van schaalvergroting versus schaalverkleining

Schaalvergroting en een scherp kostenbewustzijn door meedogenloze internationale concurrentie heeft verrassend genoeg ook weer geleid tot een tegengestelde beweging: schaalverkleining. Dat is vooral ingeleid door het outsourcen van activiteiten die ondernemingen niet tot hun kerncompetentie rekenen. Dat proces gaat inmiddels heel ver. Voorbeelden zijn bedrijven die het uitsluitend als kerncompetentie zien om producten met de klant(en) samen te ontwerpen. Marketing en ontwerpen vormen dan de werkelijke kern. Alle productieprocessen worden uitbesteed aan kleine bedrijven die dat buitengewoon goed en goedkoop kunnen. Daarnaast is de aandacht voor kleinschalige vernieuwers opmerkelijk, zoals thans bijvoorbeeld zichtbaar in de bedrijvenparken bij sommige universiteiten en rond grote multinationals.

Een trend als massa-individualisering draagt bij tot ombuigen van de ambachtelijke, op maatwerk gestoelde activiteiten naar productontwerp en -productie voor individuen, maar dan op industriële wijze. Daarin worden de industriële schaalvergroting en de schaalverkleining van op individuen gerichte maatwerk verenigd.

Individualisering en schaalverkleining kan worden geïnterpreteerd als een fragmentatie van de maatschappij met tal van nadelen, maar ook gezien worden als een ontwikkeling naar een pluriformere maatschappij met meer kansen voor individuen dan voorheen.

-De paradox van de globalisering versus profileren van lokale identiteit

Min of meer tegelijk met de aandacht voor globalisering is er sprake van een opvallende profilering van lokale en streekgebonden eigenheden. Een zoekproces naar eigen identiteit en verschil met de omgeving. Naast de overvloed van overal verkrijgbare wereldproducten is er interesse voor lokale differentiatie met eigen gebiedsgebonden producten en processen. Waardoor een interessant dilemma ontstaat tussen plaatsgebonden en foot loose activiteiten en diensten.

Uit de ontwikkeling van mondiaal opererende ondernemingen, met vestigingen verspreid over de wereld, blijkt het belang van kennis van regionale en lokale factoren. Om lokale markten te kennen moet je er midden in zitten. Het benutten van verschillen tussen markten wordt een belangrijke competentie van ondernemingen.

-De paradox van de vrije wereldmarkt versus protectionisme en regionale blokvorming

Terwijl in WTO-verband de discussies over een vrijere wereldmarkt worden gevoerd en over hoe deze in de komende jaren vorm en inhoud te geven, ontstaan op tal van plaatsen in de wereld grotere en kleinere economische blokken met als doel de vrijhandel binnen het blok te bevorderen en om als eenheid in de wereld te kunnen opereren. Mondiaal gezien wordt de wereldmarkt wel verdeeld in 3 grote economische zones: Europa, de VS en Oost- Azië. Bij grote multinationals is al langer een beweging gaande om in elk van deze regio's posities in te nemen en vandaar uit activiteiten in de regio uit te breiden. De vorming van de EU is in feite een groot regionaal blok. Meer recent zijn blokken zoals in Azië ASEAN, in Latijns Amerika MERCOSUR en in Noord Amerika NAFTA gevormd. Feitelijk is ook hier sprake van een enorme vergroting van nationale markten in grotere, samenhangende regio's. Op termijn kan dat, net als in Europa, leiden tot een sterk vergrote regionale vervlechting van activiteiten.

De vorming van het regionale blok Europa zal van grote invloed zijn op de verdere ontwikkeling van een vrijere wereldmarkt. Het meest markant wordt de samenbinding in Europa gekenmerkt door de invoering van één gemeenschappelijke munt, de Euro. Als Europa er in slaagt de interne stabiliteit te waarborgen, dan kan de regionale vervlechting binnen Europa verder versterken. Maar het leidt direct tot de vraag wat dit kan betekenen voor de verhoudingen met de rest van de wereld en wat de effecten kunnen zijn op komende onderhandelingen in WTO-verband.

De vorming van deze regionale handelsverbanden en politieke unies duidt enerzijds op een sterke regionale schaalvergroting, maar vanuit een mondiale optiek op een schaalverkleining. Regionale blokvorming kan duiden op het terugkeren van vormen van protectionisme, minder op nationale, dan wel op regionale schaal. Meer recent wordt er gewezen op toenemend belang van andere vormen van blokvorming, gebaseerd op geloof of cultuur.

-De spanning tussen het neo-liberalisme en maatschappelijke kwaliteit in brede zin

In het nu dominante neo-liberale denken overheerst de economische dimensie en is er veel minder aandacht voor de sociaal maatschappelijke gevolgen. Vanuit de logica van het neo-liberalisme overheersen processen als deregulering, messcherpe concurrentie en benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van ondernemingen en individuen voor de eigen ontwikkeling en het welbevinden. Er ontstaan in toenemende mate vragen met betrekking tot de aanwezige en potentiële consequenties van globalisering en vrije concurrentie voor de positie van sociaal zwakkeren, het ontstaan van grotere sociale ongelijkheid, de afbrokkeling van de sociale cohesie en traditionele verbanden, en de gevolgen voor een gezond milieu en een duurzame ontwikkeling. De werkelijkheid van open markten vraagt om een heroriëntatie van het sociaal-economische en het milieubeleid. De kwaliteit van het bestaan, is daarbij een belangrijke invalshoek voor een nieuwe dialoog. In het bedrijfsleven wordt dat geleidelijk opgepakt in gedragscodes, erkenning van maatschappelijke verantwoordelijkheid, tot uiting komend in begrippen als "corporate governance", of "license to produce".

3.3 Verschuivende politieke en economische machtsverhoudingen

Drie ontwikkelingen verdienen in het bijzonder aandacht.

Als eerste valt te wijzen op het ineenstorten van de voormalige USSR en de daaropvolgende fragmentatie van een enorm politiek en economisch blok. De herkenbaarheid van een machtig politiek systeem is daarmede vervangen door de onzekerheid, die samengaat met de omvorming van de diverse delen naar een nieuw evenwicht. Een direct gevolg van het imploderen van de USSR is, dat veel Oost- en Midden-Europese landen aansluiting zoeken bij de EU. Deze uitbreiding van de EU zal op politieke gronden zeker doorgang vinden maar stuit in de komende 10-15 jaar op moeilijke keuzen, die te maken hebben met grote verschillen in rechtsorde, marktoriëntatie en welvaart. Het EU-beleid zal daardoor grote veranderingen ondergaan.

Een tweede ingrijpende verandering, die vrijwel gelijktijdig plaatsvond, was het zich naar buiten richten van het gesloten, immense grote en volkrijke China. Onder handhaving van de centrale leiding is een geleidelijke openheid bewerkstelligd van de Chinese economie. De machtsovername van China in Hong Kong (1997) en Macao (1999) en de toenadering tot Taiwan (zeker in economische zin) illustreren de veranderende politieke machtsverhoudingen in dit deel van de wereld. De zekerheid en herkenbaarheid van een in zichzelf gekeerd China is radicaal gewijzigd in de onzekerheid, die gepaard gaat met de ambities van een naar buiten tredend China, dat ten minste zijn leidende rol in Oost Azië wil gaan innemen, zo nodig ten koste van andere mogendheden zoals Japan en de Verenigde Staten. Opkomende markten, met hun groeiende, steeds welvarender jonge bevolking staan in schril contrast met westerse industriestaten met hun stabiele, soms dalende, en sterk vergrijzende bevolking. De toenemende welvaart in een aantal van deze landen betekent niet dat er direct sprake is van een rechtvaardige welvaartsverdeling. Het kan zijn dat de grotere ongelijkheid in lokale maatschappijen en tussen werelddelen leiden tot grote interne sociale spanningen met alle gevolgen voor de verdere ontwikkeling van dien.

Als derde punt is de vorming van supranationale organen een voortgaand proces. Met in het economische domein de opzet van de World Trade Organization (WTO) en het International Monetary Fund (IMF) als markante voorbeelden. Deze internationale arbitrage- en besturingsorganen illustreren de behoefte aan nieuwe vormen van bestuur in een wereld, waar door toenemende vervlechtingen van economische activiteiten ook steeds meer afhankelijkheden ontstaan. De vorming van deze organen is niet geheel zonder kritiek, omdat democratische controle van deze instituties moeilijk en slechts indirect mogelijk is.

3.4 Globalisering vraagt geen nationaal, maar een internationaal perspectief

Als factoren zoals tijd en afstand in de wereld geen rol van betekenis meer spelen, er wereldwijde (ICT gestuurde en ondersteunde) netwerken ontstaan, andere wereldspelers, economische centra en machtsverhoudingen zich ontwikkelen, wat is dan nog de waarde van een nationaal perspectief? Het nationale perspectief gaat uit van een eigen domein, van waaruit men de wijde wereld intrekt en waarop men weer veilig kan terugvallen. Het laat zich vergelijken met het eiland-denken: het eiland of nationale domein met een stevige barrière of grens eromheen. Deze vorm van denken is in een globaliserende wereld te beperkt. Globalisering vraagt om te denken vanuit de veel grotere internationale ruimte met nieuwe samenhangen en internationale afhankelijkheden, met nieuwe kansen en risico's op een geheel andere schaal: een wereldschaal. Globalisering vraagt om een andere conceptuele invalshoek: een internationaal perspectief.

Vanuit die nieuwe optiek krijgen bekende vragen ineens andere dimensies.

Een beeldende illustratie van zo'n omslag in denken (van een nationaal naar een internationaal perspectief) biedt de Fokker-case: door Fokker centraal als nationaal belang te stellen, was iedereen, ook de kennisinstellingen, gefocused op Fokker. Na het faillissement bleek dat er een enorme internationale ruimte ontstond voor de bestaande kennis en expertise op het gebied van vliegtuigbouw in Nederland.

4. Uitdagingen voor de agrosector

4.1 Kennis als dé cruciale concurrentiefactor

Een geliberaliseerde wereldmarkt kenmerkt zich vooral door uiterst scherpe concurrentieverhoudingen. Met als bepalende dimensies kostprijs, toegevoegde waarde, kwaliteitsdifferentiatie en individuele klantenservice. Voor veel massaproducten zal prijsconcurrentie blijven domineren. Dat zal betekenen, dat steeds nadrukkelijker zal worden gezocht naar de laagste kostenstructuur voor produktie en distributie ten opzichte van markten, die men wil bedienen. Kosten zijn weliswaar in economische zin één van de belangrijkste factoren, maar andere vestigingsplaatsfactoren, zoals productie-omstandigheden, infrastructuur, transportbehoefte, beschikbaarheid van goede medewerkers bepalen uiteraard mede of een feitelijke verplaatsing al dan niet doorgang zal vinden.

Bij het ontbreken van relevante kostprijsverschillen wordt steeds meer van belang waarin producten én leveranciers zich onderscheiden. Het gaat in de internationale concurrentie om de vraag welke waarde wordt toegevoegd: de grote uitdaging is om, naast overwegingen en beslissingen op basis van kostprijs er ook een waardediscussie van te maken. Waarde toevoegen wordt voor ondernemingen een constant proces van vernieuwen om zich van concurrenten te onderscheiden. Elke schakel in productieketens of netwerken zal het proces van marktgestuurde waardecreatie maximaal moeten benutten om te overleven. Bij waardetoevoeging gaat het zowel om het fysieke product, als over diensten en informatie als over de betrouwbaarheid daarvan. Kennis over nieuwe wetenschappelijke en technologische mogelijkheden, productieprocessen, producten, productiegebieden en productstromen, distributie en logistiek, markten en consumenten op elk denkbaar niveau (land, regio, wereld) zullen een steeds meer doorslaggevende rol spelen in de internationale concurrentie. En dat tegen de achtergrond van maatschappelijke veranderingen, zowel nationaal, regionaal als mondiaal. Kennis wordt in die optiek een strategisch wapen in de concurrentiestrijd, één van de belangrijkste key performance drivers voor de onderneming. Als de kennispositie van ondernemingen cruciaal is voor de continuïteit, wordt de eigen verantwoordelijkheid van de onderneming voor de eigen kennisontwikkeling vanzelfsprekend. Dat betekent dat de kennis die behoort tot de core competence, binnen het bedrijf wordt ontwikkeld of, indien buiten het bedrijf, onder regie van de onderneming en het opleggen van strikte geheimhouding. Kennisposities van de onderneming zullen tot het uiterste worden beschermd én benut.

Relatieve omvang van directe buitenlandse investeringen in de voedingsmiddelenindustrie, van en naar Nederland

NRLO-rapport nr. 97/12, pag. 19.

De relatie van de internationaal georiënteerde agribusiness met externe kennisbronnen, waaronder publieke kennisinstellingen, verandert. Ondernemingen zoeken wereldwijd naar specifieke kennisbronnen én naar instituties met expertise in de rol van creatieve co-innovator. De onderneming ontwikkelt kennis in eigen huis en zoekt partners voor het ontwerpen van nieuwe producten, processen of systemen. Die partners worden geselecteerd op expertise én op innovatief vermogen. Deze co-innovators worden overal ter wereld gezocht en gevonden. Het kennismanagement oriënteert zich internationaal.

4.2 Investeren en produceren in Europese en mondiaal verspreide markten

De internationale positie van de Nederlandse agribusiness is opgebouwd door middel van handel en export. Een belangrijk nieuw fenomeen is de sterke toename van de buitenlandse investeringen (FDI: foreign direct investment). Deze FDI gaan in hoofdzaak naar de directe buurlanden binnen de EU en, vanouds naar de VS. Omgekeerd investeren buitenlandse agro-ondernemingen op flinke schaal in Nederland met nieuwe vestigingen en overnames. Er is dus minder sprake van een mondiale vervlechting danwel van een dubbele vervlechting van de agribusiness met Europese buurlanden en de VS. Een derde investeringsstroom vanuit de Nederlandse agribusiness is gericht op Latijns Amerika. Daarnaast investeren grote spelers en kleine innovatieve voorlopers in nieuwe markten, in Oost Europa en Zuid- en Oost Azië. Zo ontstaat in snel tempo een sterke regionale, vooral Europese vervlechting van de agribusiness en daarnaast een groeiende verweving met lokale markten verspreid over de wereld. Met zowel in Europa als elders in de wereld als internationaliseringsstrategie "local to local", het produceren, verwerken, distribueren en verkopen in de betreffende lokale of regionale markt. Zo ontstaat een nieuw type bedrijf: een netwerk van over de wereld verspreide vestigingen met een veel steviger verankering in lokale en regionale markten dan voorheen. Dit is niet alleen weggelegd voor grote multinationals, maar dankzij de revolutie in ICT en afnemende handelsbarrières juist ook voor de kleinere (MKB-)bedrijven. Deze verankering in lokale structuren over de hele wereld heeft een belangrijke sociaal-maatschappelijke en culturele dimensie. Het vraagt om een goed inzicht in lokale waarden en normen en het vermogen daar goed mee om te gaan. Ook binnen ondernemingen is het opzetten en het functioneren van internationale, multiculturele teams in bijvoorbeeld management en R&D een uitdaging. Daarnaast vraagt het uiteraard een gedegen inzicht in de financiële en juridische aspecten van investeringen in mondiaal verspreide markten.

Het lokaal produceren, verwerken van lokale grondstoffen en distribueren in de markten waarin men actief wil zijn kan het internationale transport van goederen verminderen. De gevoeligheid voor verhoging van transportkosten neemt daarmee af. Daartegenover staan de schaalvoordelen van specialisatie in productieprocessen per regio (bijvoorbeeld Europa, VS, Latijns Amerika of Oost-Azië) met gevolgen voor regionaal transport.

Het investeren van ondernemingen in vele lokale markten doet zich ook voor bij R&D. Grote ondernemingen spreiden R&D-labs over de grote regio's, en creëren labs voor toegepast onderzoek in vele lokale markten. Ondernemingen creëren zo overal verbindingen met lokale R&D-netwerken. Een zoektocht naar aan mensen en instituties gebonden kennis ("tacit knowledge") in die gebieden. Het beperkt de afhankelijkheid van ondernemingen van R&D in de thuismarkt en vergroot de inzet van specifieke expertise uit vele landen. Ook op R&D-gebied is dus sprake van een sterke mondiale vervlechting van ondernemingen met lokale netwerken, zoals de kennisinfrastructuren.

4.3 Inspelen op nieuwe actoren en mondiale marktverhoudingen

Politieke verschuivingen en economische liberalisatie gaan de markt, waarop de agribusiness opereert in de komende jaren sterk veranderen. De veranderingen zullen op verschillende schaalniveaus ingrijpen:

In de komende decennia zal de expansie van zelfbewuste regio's met grote bevolkingsdichtheden zoals die in Azië (India, China en de kleinere "tijgers" uit Oost-Azië) grote invloed uitoefenen op de wereldhandel als geheel. Niet alleen is de bevolkingsomvang en

-groei enorm, maar ook de groei van de economie en de welvaart. De plotselinge "melt-down" op de financiële markten in dat gebied in de herfst van 1997 zal de economische groei waarschijnlijk wereldwijd meerdere jaren temperen. Een negatief gevolg van de groeiende samenhang in de wereldmarkt.

De bevolkingsgroei én de welvaartsgroei zullen een sterke zuigkracht veroorzaken op voedselproducten, grondstoffen en kennis van productieprocessen. Reeds nu zijn er duidelijke aanwijzingen, dat door het verhogen van het welvaartsniveau de voedselpatronen zich wijzigen en dat met name de vleesconsumptie aanzienlijk stijgt. Zelfs als de welvaartsgroei vooralsnog een beperkt deel van de bevolking betreft kunnen de gevolgen al geweldig zijn.

Door deze aanzuigende werking op grondstoffen zullen vanuit de grote productiegebieden op de wereld, zoals de VS, Latijns Amerika en in de nabije toekomst een aantal landen uit de GOS, zich meer dan voorheen richten op deze nieuwe economische centra. Met effecten op de grondstofstromen van en naar Europa, en dus Nederland. Deze wereldwijde ontwikkelingen hebben grote invloed op de positie en de rol van de Nederlandse agribusiness in de wereldwijde grondstoffen stromen.

De Chinese overheid is er in het recente verleden in geslaagd te voorzien in de voedselbehoefte van de eigen, reusachtige bevolking. Die strategie zal men trachten voort te zetten. Maar gelet op de groei van de bevolking én de welvaart, zal dat een moeilijke opgave zijn. Naast bovengeschetste ontwikkelingen is het in potentie zeer wel mogelijk om op het beperkte areaal voor voedselproductie, een aanzienlijke efficiency verbetering van de productie te realiseren. Voor de verbetering van deze lokale productie zal een aanzuigende werking uitgaan op kennis, technologie en hoogwaardige producten en productieprocessen.

Op Europese schaal zijn dominant sturende variabelen de processen die leiden tot een vrijere wereldhandel binnen de WTO én de voorgenomen uitbreiding van de EU.

Het op deze ontwikkelingen anticiperende Europese landbouwbeleid beïnvloedt in hoge mate de "speelruimte" voor ondernemingen, en producenten in de primaire sector in heel Europa. Vermindering van de beschermingsconstructies in vooral de primaire landbouw kunnen leiden tot grote verschuivingen tussen productiecentra en de wijze waarop allerlei functies worden uitgevoerd.

De hele agribusiness in Nederland kan onder invloed van deze bovennationale ontwikkelingen sterk veranderen. Dat kan de Nederlandse primaire sector, zeker voor producten met marktordening, negatief beïnvloeden, maar wellicht kansen bieden aan bijvoorbeeld de tuinbouw. Verschuivingen tussen sectoren zijn denkbaar, alsmede effecten op de schaal van bedrijfsvoering. Ook andere schakels in de ketens (toelevering, verwerking en handel) zullen diepgaande veranderingen ondergaan bij een landbouwbeleid dat is gericht op minder bescherming. Bij een vrijhandelsbeleid wordt export gestimuleerd en hebben handelsondernemingen voordeel. Bij een interventionistisch beleid is er meer voordeel voor productiebedrijven en buitenlandse investeringen. Door de grote diversiteit van producties (kolommen) en functies (schakels) is het moeilijk een eenduidig beeld te schetsen van de gevolgen van verschillende beleidsontwikkelingen.

Twee processen doen zich op alle niveaus voor: sturing vanuit de vraag van afnemers (massa-individualisering) en schaalvergroting, gevolgd door consolidatie van posities. Het proces van ketenomkering maakt helder dat vraagsturing domineert boven aanbodssturing: de markt bepaalt. Sterke schaalvergroting bij marktpartijen, zoals de retail, onderstrepen de gewijzigde machtsverhoudingen. In die marktgestuurde ketens bestaan vooral kansen als men kan aantonen welke waarde men toevoegt, waarin men zich onderscheidt van andere aanbieders. Het komt aan op het inspelen op afnemers gestuurde waardecreatie. Waarbij het niet alleen gaat om de fysieke productie maar ook om allerlei vormen van dienstverlening, of het wereldwijd, en dus niet alleen uit Nederland, alloceren van product ten behoeve van grote marktpartijen waar ook ter wereld. De internationale oriëntatie van grote afnemers en grote ondernemingen leiden vervolgens ook tot flexibele internationale ketens ("cross border chains"), netwerken of strategische allianties. Naast wisselende relaties is er ook een beweging zichtbaar naar vaste relaties waar men vertrouwen in heeft, over de hele wereld (preferred suppliers)

De differentiatie in de landbouw en ketens wordt sterk vergroot door paradoxale ontwikkelingen als schaalverkleining en identificatie met de streek. Dat leidt tot een veel pluriformer beeld van agrarische activiteiten, met tevens een opvallende verbreding van het aantal functies (natuurbeheer, recreatie e.d.) bij een deel van de agrarische bedrijven. Een andere vorm van schaalverkleining wordt veroorzaakt doordat grote ondernemingen steeds meer overgaan tot "outsourcing" van activiteiten die niet tot de kern competentie behoren.

De uitdaging is om in te spelen op het Europese en mondiale krachtenveld van nieuwe markten en nieuwe actoren. Dat vraagt om een gedegen kennis en inzicht in mondiale ontwikkelingen en de ontwikkelingen in regio's zoals de EU.

5. Uitdagingen voor de overheid

Het gemak waarmee goederen, mensen, informatie en kapitaal grenzen overschrijden en mondiale markten ontstaan doet nationale grenzen hun betekenis verliezen. Dit lijkt dramatisch, maar het proces van ontstatelijking is al van oude datum. Jacobs haalt in zijn essay (NRLO-rapport nr. 97/13) daarover de politicoloog Koch aan die stelt dat Nederland sedert zijn bestaan als nationale staat voor zijn voortbestaan geheel afhankelijk is geweest van het gedrag en de beslissingen van grotere mogendheden. Een grens als een soort ondoordringbare ring heeft in de Nederlandse situatie nooit echt bestaan. Het proces van staatsvorming is gelijk op gegaan met de ontwikkeling van transnationale betrekkingen: het ontstaan, de groei en bloei van de Nederlandse economische en politieke systeem is gelijk opgegaan met de internationalisering van de economie en de afhankelijkheid van andere, meest grotere mogendheden. Jacobs haalt ook een studie van Voorhoeve aan waaruit blijkt dat kleine landen juist aan beleidsruimte winnen door deel te nemen aan grotere machtsblokken en internationale fora. Daarin moet dan ook fors worden geinvesteerd.

De uitspraak op één van de workshops "een klein land heeft veel buitenland" geeft aan dat er voor een klein land juist veel te winnen is bij internationalisering en globalisering. Zelfs als beleidsvorming verschuift van de nationale overheid naar supranationale gremia als de EU en de WTO ontstaat andere, nieuwe ruimte en mogelijkheden voor eigen beleid.

De nationale overheid heeft te maken met een uiterst geschakeerde agribusiness, met aan de ene zijde van het palet de grondgebonden boer en aan de andere zijde de foot loose, internationaal opererende agribusiness.

De meer aan grond of regio gebonden primaire sector ziet zich geplaatst voor een afbraak van de beschermde marktposities en blootstelling aan de normale concurrentieverhoudingen van de markt. De primaire sectoren zullen zich pluriformer ontwikkelingen dan tot dusver. Primaire sectoren zullen als deel van de zich vormende internationale agro-industriële ketens ook in Nederland sterke posities blijven innemen. De agrosector, en dus ook de primaire sectoren, zal omgevormd worden tot een normale economische sector, en zal onder die veranderde omstandigheden opnieuw uitgedaagd worden zijn excellentie te bewijzen.

Het internationale agro-bedrijfsleven versterkt zijn posities in al lang bestaande (export) markten via directe investeringen en krijgt daardoor steeds meer een Europees en mondiaal karakter, met meerdere moederlanden en een vervaging van de nationale identiteit. De thuismarkt wordt nadrukkelijk Europa met erkenning van regionale en culturele verschillen. Wat maakt dan in wezen een bedrijf Nederlands? Anders dan zijn historie en financiële en juridische basis?

De nationale overheid ziet zich geplaatst voor de uitdaging optimale condities te scheppen voor de ontwikkeling van een duurzame en vitale zeer pluriforme agribusiness in een globaliserende wereld.

5.1 Profileren van de agro-cluster als een nationale sterkte

Conform de eerder aangehaalde ideeën van Voorhoeve, kan de overheid inspiratie ontlenen aan de enorme internationale ruimte, in plaats van zich beperkt te voelen door de kleinheid van het eigen grondgebied. Een inspiratie in de zin van hoe een klein land zich zinvol en kansrijk kan positioneren in een internationale omgeving.

De mondiale mobiliteit, het foot loose opereren van grote ondernemingen zal bij de overheid leiden tot de vraag waarop zij haar beleid en instrumentarium zinvol kan richten. De overheid kan kiezen voor het ontwikkelen van territoir-gebonden kwaliteiten, die niet of moeilijk verplaatsbaar zijn, of voor kwaliteiten, die tenminste ten goede komen aan de nationale economie. Waardoor de kwaliteiten of sterktes van het eigen gebied worden versterkt. Door deze profilering van eigen kwaliteiten kan er onderscheid ontstaan met andere landen en regio's. En dat is van belang bij de discussie over vestigingsplaatsen van ondernemingen.

De agribusiness in Nederland is een voorbeeld van een regionale, plaats- of grondgebonden sterkte. Dankzij de agribusiness zelf, de kennisinstellingen én de overheid. De vroegere samenwerkingsvorm van de overheid met marktpartijen is structureel veranderd. Het accent ligt veel meer dan voorheen op de eigen verantwoordelijkheid van de diverse partners voor hun eigen ontwikkeling. Maar er blijft een gezamenlijk belang. Met het clusterbeleid ontvouwt de overheid een nieuw initiatief, om sterke kernen van economische activiteit selectief te versterken. De agrosector is zo'n sterk cluster van bedrijven. De overheid hoeft zich niet te beperken tot randvoorwaarden, maar kan het cluster tot nieuwe activiteiten en samenwerkingsvormen stimuleren en initiatieven ondernemen om de relatieve geslotenheid van de sector te doorbreken door enerzijds samenwerking te bevorderen tussen de agrosector en andere sectoren, en anderzijds tussen kennisinstellingen en het bedrijfsleven.

Naast een algemeen beleid gericht op de kwaliteit van het bestaan op haar grondgebied, de algemene zorg voor werk en inkomen kan zij zich meer specifiek (binnen het bestek van deze studie) richten op het creëren van een innovatief klimaat met een grote aantrekkingskracht.

Voor de toekomst van de agrosector, en meer algemeen voor de welvaartsontwikkeling van ons land, is het van belang dat het agrocluster internationaal herkend en erkend wordt en aantrekkingskracht bezit voor de internationale agribusiness op verschillende niveaus, zowel voor het top- en middenkader van grote en kleine agro-ondernemingen (zoals MKB) als het kennismanagement.

Overheden onderkennen in toenemende mate de strategische betekenis van de kennisportefeuille van een land voor de concurrentiepositie. Vanuit het besef van de strategische waarde van kennis wordt ingespeeld op het creëren van gunstige voorwaarden voor R&D.

Weliswaar is een deel van de kennis (o.a. dankzij ICT) zeer mobiel en snel wereldwijd beschikbaar. Maar een flink deel van de kennis (in het bijzonder "tacit knowledge") is direct verbonden aan mensen en instituties. Een goede kennisbasis trekt ondernemingen aan. De ambitie om een innovatief klimaat te creëren en een kennisbasis op topniveau te realiseren vraagt om een actieve, stimulerende overheid.

6. Uitdagingen voor de kennisinstellingen

De (thuis-)markt voor kennisinstellingen verandert in een hoog tempo. De financiering door overheden en collectieve organisaties neemt af; er is nationaal gezien sprake van een krimpende markt. Tegelijkertijd krijgen kennisinstellingen een zelfstandiger positie en worden zij uitgedaagd om zelf meer financiering van publieke en private partijen te verwerven. In deze veranderende markt wordt de internationale dimensie steeds belangrijker. Dat uit zich enerzijds in de betekenis van de EU als opdrachtgever en financier van onderzoekprojecten en anderzijds door de internationale, mondiale oriëntatie van delen van de agribusiness.

Belangrijke (potentiële) klanten van kennisinstellingen verplaatsen activiteiten en delen van de R&D naar allerlei regio's ter wereld. Buitenlandse ondernemingen investeren in Nederland. De omschakeling van een door overheden gedomineerde kennismarkt naar een markt waarin mondiaal opererende ondernemingen sterke partijen zijn, vraagt een ingrijpende verandering van kennisstellingen en attitude van onderzoekers. Dat vraagt om het in kaart brengen van de dynamiek in het potentiële nationale en internationale klantenbestand. Marktgerichter opereren van kennisinstellingen is internationaliseren.

Niet alleen de thuismarkt en daarmede de financiering van kennisinstellingen verandert, ook de inhoud van het onderzoek verschuift. Door bewegingen als ketenomkering en sturing vanuit de markt komt er een accent op het onderzoek naar voeding en verwerking, ten koste van onderzoek dat direct op de primaire sector is gericht. Daarnaast verschuift bij de overheid het accent van toegepast naar meer fundamenteel onderzoek.

De veranderingen in de markt bieden ook kansen. Bedrijven zijn enerzijds geïnteresseerd om deel te nemen in onderzoek met een pre-competitief karakter, maar zijn onder voorwaarden ook bereid onderzoek uit te besteden; als aan voorwaarden van creatief co-innovatorschap en geheimhouding kan worden voldaan. Het uitbesteden of "outsourcen" van onderzoek biedt kennisinstellingen nieuwe kansen.

Het is duidelijk, dat kennisinstellingen steeds meer in een competitieve omgeving zullen moeten werken. Dat is al geruime tijd zichtbaar bij de wijze waarop onderzoekgroepen opereren in het concurrentieproces om EU-projecten. Dat zal toenemen bij het internationaal verwerven van onderzoekopdrachten bij internationale organisaties en ondernemingen. Kennis, kennismanagement en het vermogen om snel bedrijfs- en lokatiespecifieke kennis te genereren worden cruciale factoren in de concurrentie tussen kennisinstellingen.

6.1 Kennis tot waarde brengen in een concurrerende omgeving

-eigen kennisbezit tot waarde brengen

De omslag van vrij beschikbare kennis naar kennis als strategisch bezit heeft ook voor kennisinstellingen grote betekenis. Voor kennisinstellingen is kennis feitelijk het enige bezit. Voor kennisinstellingen wordt het tot waarde brengen van de eigen kennis essentieel. Daarbij gaat het om contractonderzoek, geheimhouding van onderzoekresultaten, het beschermen van de unieke kennispositie én om het maximaal benutten (uitbaten) van de (beschermde) posities.

Kennis veroudert steeds sneller en wordt ook steeds makkelijker over de gehele wereld verspreid dankzij uiterst efficiënte netwerken. Het vermogen om een zich van andere instellingen onderscheidende kennisportfolio te ontwikkelen (profilering en transparantie) en deze regelmatig te vernieuwen is voor kennisinstellingen van strategisch belang.

Kennisinstellingen, en vooral universitaire groepen, staan voor de vraag, hoe een goede balans te vinden tussen fundamenteel en toegepast onderzoek als de afhankelijkheid van externe financiering toeneemt.

Deze omstandigheden dwingen kennisinstellingen naar een duidelijk, herkenbaar profiel. Het moet duidelijk zijn waarin of op welk terrein of specialisme zij excelleren. Daarmee wordt hun zichtbaarheid in de markt vergroot, zowel voor bedrijven als voor andere kennisinstellingen.

Bij het tot waarde brengen van de eigen kennis en kundes liggen er kansen bij het versterken van de internationalisering van opleidingen. De in een internationaal centrum opgeleide mensen blijven ook later onderdeel van het netwerk. Dat vraagt om een goed systeem van nazorg om de contacten te behouden.

-kennismanagement

De internationale netwerken van wetenschappers functioneren van oudsher intensief. Die ontwikkeling wordt nog versterkt door de mogelijkheden van ICT. Als kennis een strategisch product is, dan wordt het opereren in deze netwerken delicater en zal dit remmend werken op de vrije kennisuitwisseling. Het wordt een proces van samenwerken en concurreren. Daardoor wordt de kennisuitwisseling zowel geïntensiveerd als geremd. Het biedt kansen op het telkens ontstaan van nieuwe combinaties van personen en groepen, afhankelijk van een opdracht.

In de competitieve kennismarkt van de toekomst gaat het niet alleen om het etaleren en uitbaten van de eigen kennis, maar ook om snel en effectief voor opdrachtgevers de juiste kennisvelden te vinden en bij elkaar te brengen. Kennis wordt steeds mobieler, kan steeds sneller worden vergaard, maar ook geldt dat kennis sneller veroudert en minder lang verkoopbaar is. Daarom wordt het vermogen om snel kennis en kennisbronnen te mobiliseren en te combineren, consortia van onderzoeksgroepen te vormen, een nieuwe core competence van kennisinstellingen. Dat betekent niet alleen een adequaat kennismanagement binnen de eigen instelling of organisatie maar ook een gedegen inzicht in de kennis en kwaliteiten van mondiaal verspreide onderzoekgroepen.

6.2 De rol als co-innovator voor (inter-)nationale opdrachtgevers sterk ontwikkelen

Kennisinstellingen fungeren niet meer alleen als kennisbron, maar ook in een nieuwe rol als creatieve co-innovator. Dat betekent dat men bereid en in staat is om onder verantwoordelijkheid en regie van ondernemingen deel te nemen in het proces van ontwerpen van nieuwe producten, processen of systemen. Het komt daarbij vooral aan op vermogen om creatief en effectief op problemen en vragen van opdrachtgevers in te spelen. Het vermogen om onder telkens wisselende opdrachten en omstandigheden nieuwe kennis te genereren. Als deelnemer in het innovatieproces van opdrachtgevers.

Ook kan men grote internationale ondernemingen buiten de traditionele landsgrenzen bewerken en interesseren voor specifieke kennis en kundes van de instelling. Deze vorm van internationaliseren betekent automatisch dat men in de traditionele werkgebieden van buitenlandse collega-instellingen terecht komt. Daarbij kan men zowel een strategie van concurrentie als van samenwerking en strategische allianties volgen. De ontwikkelingen impliceren ook dat de grens met consultancy- en ingenieursbureaus vervaagt. Ook daarbij geldt dat zich een proces van een combinatie van concurreren en samenwerken aftekent.

7. Nieuwe accenten voor kennisbeleid en kennismanagement

Tegen de achtergrond van het voorgaande is de vraag welke kennisthema's in de komende jaren in het bijzonder tot ontwikkeling moeten worden gebracht en welke aanpassingen in de kennisinfrastructuur wenselijk zijn. Daarop wordt in dit hoofdstuk ingegaan.

7.1 Thema's voor kennisontwikkeling

Een thema dat in de komende jaren hoge prioriteit verdient is:

De centrale vraag bij dit thema is hoe, gezien vanuit een mondiaal perspectief, de wereldmarkt in de komende decennia kan veranderen onder invloed van technologische revoluties (o.a. ICT), en de economisch-politieke besluitvorming. Wat betekenen de denkbare veranderingen voor de verschillende sectoren en functies (zoals productie, handel en distributie) in de Nederlandse agribusiness? Wat zijn de consequenties en potenties van de zich vormende flexibele mondiale netwerken voor positie, rol, werkwijze en organisatie van ondernemingen in de agribusiness? En daarmee samenhangend:

De analyse en verkenning van nieuwe internationale configuraties dient plaats te vinden op 3 schaalniveaus, te weten de mondiale markt, de EU en de nationale (thuis)markt.

Op mondiaal niveau speelt de vraag hoe de wereldmarkt er uit kan gaan zien onder invloed van de opkomst van nieuwe economisch krachtige centra en productiegebieden, hoe grondstofstromen over de wereld daardoor worden beïnvloed, hoe machtsverhoudingen veranderen door de enorme schaalvergroting van actoren en consolidatie van posities, en hoe mondiale ondernemingen interfereren met lokale markten en marktpartijen.

Op Europees niveau speelt vooral de vraag hoe de agribusiness kan inspelen op een meer marktgericht Europees beleid (o.a. tengevolge van de WTO en de uitbreiding van de EU).

Op nationaal niveau is tenslotte de vraag hoe de agribusiness in Nederland zich onder druk van internationalisering zal kunnen ontwikkelen en hoe de uitwerking zal zijn naar verschillende sectoren en functies.

In de analyse dient aandacht te worden gegeven aan niet alleen de economische dimensie, maar wordt ook de sociaal maatschappelijke dimensie opgenomen. Dat betekent dat de analyse en verkenning verschillende visies tot uitgangspunt neemt. Dus bijv. naast de neo-liberale visie uitwerken van een visie, die meer uitgaat van de kwaliteit van het bestaan.

7.2 Nieuwe condities voor de kennisinfrastructuur

Vanuit het perspectief om de agribusiness van Nederland internationaal sterker te positioneren, is het noodzakelijk op een aantal geselecteerde en goed gedefinieerde terreinen topposities in te nemen. Met als doel om de aantrekkingskracht van het agrocluster (met als hoofdspelers de agribusiness en de agro-kennisinstellingen) internationaal te vergroten. Maar ook om het vermogen van ondernemingen te versterken om zich internationaal te positioneren en samenwerkingsverbanden aan te gaan in steeds flexibelere Europese en mondiale netwerken.

Vanuit deze optiek is voor het agrocluster nodig om, naast het profileren van een sterke technologische positie, ook onderwijs, opleiding, vorming en onderzoek te versterken op het terrein van het internationaal ondernemen, toegespitst op agribusiness, landbouw en voeding in de wereld.

Voor dit doel dienen programma's ontworpen te worden op een aantal specifieke deelterreinen, zoals internationaal management, kennismanagement, strategievorming en het leren werken in een multinationale en multiculturele omgeving. Met uitwerkingen op gebieden als internationale marktontwikkelingen, agroketenvorming, handel, wereldvoedselproblematiek en landbouwpolitiek.

Het programma betekent vooral een versterking van de tweede fase opleiding en vorming, alsmede een sterk accent op education permanente.

Het centrum richt zich met name op het top- en middenkader van zowel grote als kleinere (MKB-type) ondernemingen in de agri-cluster, die internationaal opereren of met internationale ambities. Ondernemingen zowel uit Nederland als uit andere delen van de wereld. Daarnaast staat het centrum open voor beleidsmedewerkers van overheden, kennisinstellingen, overheden en supranationale organen om een goede wisselwerking van ideeën te creëren.

Het centrum biedt opleidingen, seminars, workshops, conferenties en studiedagen. Deelnemers worden mogelijkheden geboden om in internationale teams cases te bestuderen op verschillende over de wereld verspreide locaties.

Een dergelijk centrum vereist een internationale opzet. Het centrum werft medewerkers internationaal en biedt een combinatie van internationaal verspreide kundigheden. In de vorm van een strategische alliantie kan de in Nederland bestaande expertise (KCW, Nijenrode, Erasmus) worden gebundeld met die van buitenlandse partners. Daardoor kan een krachtig mondiaal netwerk ontstaan.

Het is noodzakelijk vanuit het Nederlandse agro-cluster een trekker aan te wijzen met voldoende mandaat en budget om dit centrum te ontwikkelen

Kennismarkten ontwikkelen zich internationaal. Kennisinstellingen, die meer marktgericht gaan opereren, zullen daar op inspelen: men zal de sterke positie op de thuismarkt minstens consolideren en vervolgens vaardigheden ontwikkelen om op de internationale markt te kunnen opereren. Vanuit een sterke positie op de thuismarkt zullen kennisinstellingen hun kennis én expertise vanuit verschillende rollen op de internationale markt tot waarde brengen.

Als kennisbron gaat het om het verwerven van een internationaal herkende en erkende positie als wetenschappelijke of technologische topinstelling op een scherp gedefinieerd vakgebied en een creatieve wetenschappelijke uitstraling.

Als co-innovator gaat het er om open te staan voor internationale opdrachtgevers en in te kunnen spelen op hun vragen en problemen. Daarbij is het nodig om in samenspel met anderen, in multidisciplinaire teams onder regie van ondernemingen bij te dragen aan de ontwikkeling van nieuwe produkten, produktieprocessen en systemen.

Als kennismakelaar gaat het erom ten behoeve van specifieke vragen van internationale klanten niet alleen uit te gaan van de eigen kennis en expertise, maar om het vermogen om in kennisnetwerken te opereren en snel en effectief kennis en expertise wereldwijd te kunnen mobiliseren en combineren.

De kennisinstellingen dienen zich als kennisondernemingen te gaan gedragen. De kennisondernemingen kunnen zich verschillend positioneren.

In de eerste plaats blijft het denkbaar dat positie wordt gekozen als een wetenschappelijk en technologisch topinstituut met een grote reputatie. Vanuit die scherp gedefinieerde positie worden zakelijke contacten gelegd met geïnteresseerde ondernemingen en andere partijen op de kennismarkt. De keuze van de partners kan van project tot project variëren.

Daarnaast is het ook denkbaar te komen tot veel verdergaande vormen van zelfstandig ondernemen. In die gevallen gaat het dan om gebieden of specifieke onderwerpen, die in de markt zeer kansrijk zijn. Het doel is dan om in een zelfstandig bedrijf eigen kennis en expertise op te bouwen en in een competitieve markt tot waarde te brengen. Dat kan uiteenlopen van commerciële dienstverlening (in de vorm van ingenieurs- of consultancy- bureaus) tot het op de markt brengen van specifieke producten en processen of het commercialiseren van vindingen. Te denken valt aan een opzet waarbij de nieuwe onderneming wordt ondergebracht in een BV, waarvan de aandelen berusten bij de kennisinstelling. De commerciële exploitatie berust dan geheel bij de kennisonderneming zelf. Maar ook dat kan variëren. Dat is bijvoorbeeld het geval als één of meerdere private ondernemingen deelnemen in de nieuw te starten onderneming en daarin rechtstreeks participeren met onderzoekscapaciteit of direct kapitaal. Participatie van derden kan ook optreden als een beroep wordt gedaan op de inzet van risicodragend vermogen (venture capital). In beide gevallen kan het ondernemerschap in een universitaire omgeving sterk worden bevorderd. Dat is ook het geval met de doorstroming van wetenschappelijke vondsten naar commercialisatie. Bij deze vormen ontstaat een nieuwe en stimulerende relatie van wetenschappelijke centra met marktgerichte bedrijvigheid.

Voor de opzet van kennisondernemingen zijn er in Nederland verschillende aanzetten te vinden. Het verst is het internationaal marktgericht opereren tot nu toe uitgewerkt bij TNO. Het is een voorbeeld hoe dit proces vanuit de centrale organisatie is ingezet en hoe men individuele instituten beweegt in dit proces mee te gaan. Bij een aantal individuele DLO instituten doen zich vergelijkbare processen voor. De meeste LUW-vakgroepen kennen op wetenschappelijk terrein een sterke internationale oriëntatie. Voor de betrokkenen bij het KCW ligt er een grote uitdaging om het KCW te ontwikkelen tot een internationale kennisonderneming.

Bijlage 1: Achtergronddocumenten

  1. Denkbeelden over agribusiness en internationalisatie J.M.F. Verhagen en H.J.P.M. van Heezik (Nehem); NRLO-rapport nr. 97/11.
  2. Agribusiness, R&D en internationalisatie W.J.J. Bijman (LEI-DLO), R. van Tulder en M. van Vliet (Erasmus Universiteit); NRLO-rapport nr. 97/12.
  3. Overheid, R&D en internationalisatie D. Jacobs (STB-TNO); NRLO-rapport nr. 97/13.
  4. Landbouwbeleid en internationalisatie W.J.J. Bijman c.s. (LEI-DLO); NRLO-rapport nr. 97/14.
  5. Kennisinstellingen en internationalisatie Mw. C.M. Enzing (STB-TNO); NRLO-rapport nr. 97/15.

Deze achtergronddocumenten vormden de basis voor 3 workshops. De verslagen van deze workshops zijn bij de NRLO op te vragen met vermelding van de interne nummers:

  1. 97 nrlo m199: verslag van de workshop op 9 juni 1997 over "Agribusiness, R&D en internationalisatie" (NRLO rapporten nr.97/11 en 97/12).
  2. 97 nrlo m207: verslag van de workshop op 12 juni 1997 over "Overheid, R&D en internationalisatie" (NRLO-rapport 97/13).
  3. 97 nrlo e320: verslag van de workshop over "Kennisinstellingen en internationalisatie" (NRLO-rapport nr. 97/15).

[NRLO Home]