Een maatschappelijk perspectief voor de landbouw

Kennis- en innovatieopgaven voor de toekomst

Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek
Postbus 20401
2500 EK Den Haag
tel.: 070 378 56 53
internet: http://www.agro.nl/nrlo/

ISBN: 90 - 5059 - 058 - 6
Overname van tekstdelen is toegestaan, mits met bronvermelding.
NRLO-rapport nr. 98/1, Den Haag, januari 1998

Ten Geleide

De toekomst van de agrosector is één van de centrale thema's bij de verkenningen van de NRLO. De agrosector heeft te maken met grote veranderingen. In de eerste plaats betreft dat de maatschappelijke rol en positie van de landbouw. Niet alleen wordt erkend dat de agribusiness een belangrijke sector is in Nederland, maar ook dat de keerzijde van het economische succes bestaat uit grote problemen op terreinen zoals landschap, milieu en diergezondheid. De agribusiness lijkt zich te lang te hebben afgeschermd van maatschappelijke ontwikkelingen. In de markt wordt de agrosector geconfronteerd met problemen en kansen, voortvloeiend uit omkering van ketens: afnemers, consumenten die gaan bepalen welke producten gewenst zijn. Tenslotte het vraagstuk hoe de toch zeer internationaal georiënteerde agribusiness zich zou kunnen ontwikkelen bij verdergaande vrijhandel en afbraak van protectionistisch beleid.

Voor de NRLO was de belangrijkste vraag, wat deze turbulentie buiten en binnen de agribusiness zou kunnen betekenen voor de positie en de inhoud van het landbouwkundig onderzoek. In de verkenningen van de NRLO staat deze vraag centraal. In dat kader is een groot aantal achtergrondstudies verricht. De belangrijkste resultaten van deze studies zijn thans geïntegreerd in vijf rapporten op de diverse hoofdthema's: "een maatschappelijk perspectief voor de landbouw", "globalisering en agribusiness", "markt en consument", "landbouw en milieu" en "naar een gezonde veehouderij".

Dit rapport is ondermeer gebaseerd op vier essays die in het kader van het thema "Veranderende relaties tussen landbouw en samenleving" zijn opgesteld. In het rapport wordt een ontwikkelingsperspectief voor de landbouw geschetst. Vier dimensies van vermaatschappelijking van de sector worden onder de loupe genomen. Of de vermaatschappelijking van de landbouw in de komende jaren volgens het in deze verkenning geschetste perspectief verloopt is onzeker. De toekomst ligt niet vast. Veel zal afhangen van de visie en de ambities van de bij de ontwikkeling van de landbouw en het landelijk gebied betrokken actoren en hun vermogen nieuwe wegen in te slaan.

Het (agro)kennissysteem heeft de opdracht de ontwikkeling van de landbouw in de komende decennia op adequate wijze te ondersteunen. Dat vraagt van dat kennissysteem wijziging van zijn prioriteiten en functioneren. Het rapport geeft aan welke wijzigingen, naar het inzicht van de NRLO, vooral nodig zijn.

Bij de totstandkoming van dit rapport hebben Dr.Ir. A.P. Verkaik (verantwoordelijk lid DB-NRLO) en Ir. N.A. Dijkveld Stol (projectleider) een belangrijke rol vervuld. Hen, en de vele anderen die aan het rapport hebben bijgedragen, dank ik zeer.

Prof.Dr.Ir. A. Rörsch,

Voorzitter NRLO.

Beleidssamenvatting

Indien vermaatschappelijking van de landbouw wordt nagestreefd, dan vragen verschillende dimensies aandacht:

  1. Zorgdragen optimaal te voldoen aan de groeiende diversiteit aan behoeften van consumenten van voedsel en gebruikers van sierteeltproducten en agrogrondstoffen.
  2. Zorgdragen voor - uit een oogpunt van landschap, milieu, natuur, welzijn dieren en ethiek - gewenste productiemethoden.
  3. Opsporen van, voorzien in en waarborgen van oude en nieuwe waarden, zoals identiteit en cultuurhistorische waarden en de productie van energie, water en milieuvriendelijke stoffen.
  4. In samenspel met andere actoren en functies zorgdragen voor een optimaal gebruik van de schaarse (gezamenlijke) ruimte.

Op ieder van deze gebieden doet zich in de komende decennia, naar verwachting, een grote turbulentie voor. De bij de landbouw betrokkenen kunnen de daaruit voortvloeiende problemen percipiëren als bedreigingen, waartegen men zich te weer moet stellen. Maar ook een perceptie van kansen, en uitdagingen om nieuwe wegen te exploreren, is mogelijk. Het zal in belangrijke mate afhangen van de visie en ambities van de bij de landbouw betrokken actoren in welke mate en hoe een nieuw maatschappelijk perspectief voor de landbouw wordt gerealiseerd.

Naar het zich laat aanzien zal aan de verschillende dimensies van vermaatschappelijking van de landbouw het beste kunnen worden voldaan als de landbouw kiest voor transparantie, voor interactie met klanten en samenleving en voor pluriformiteit. Pluriformiteit in relaties met de samenleving, in ruimtelijke ontwikkelingen en in ontwikkelingen op bedrijfsniveau. Op elk van deze drie niveaus is sprake van een omslag.
VerledenToekomst
a. relaties met de samenlevingStabiele, grotendeels naar binnen gerichte, coalities ("het groene front"). Meervoudige open relaties met de samenleving; dynamisch en tijdelijk.
b. ruimtelijke conditiesEenvormigheid in ruimtelijke en omgevingscondities door op landbouw gerichte cultuurtechnische ingrepen. Diversiteit in ruimtelijke en omgevingscondities waarin landbouw een plaats heeft in interactie met andere functies en waarbij creatief gebruik wordt gemaakt van regionale verschillen.
c. bedrijfsvoeringHoge mate van standaardisatie door dominantie van het productietechnologisch perspctief. Grote diversiteit door het naast elkaar bestaan van verschillende strategische opties voor de ontwikkeling van de landbouw. En-én strategieën in plaats van óf-óf strategieën.

Prioritaire kennisthema's

De uitdagingen voor de sector plaatst het kennissysteem voor nieuwe vragen. Een groot aantal daarvan is in andere NRLO-verkenningen aangegeven ("Markt en Consument", "Globalisering en Agribusiness", "Landbouw en Milieu", "Naar een gezonde veehouderij" en "Groene Ruimte". Enkele van de in die verkenningen genoemde, voor de komende jaren prioritaire, kennis- en innovatiethema's zijn:

In de verkenning "Een maatschappelijk perspectief voor de landbouw" wordt in het bijzonder ingegaan op de sociaal-culturele en ruimtelijke vragen in relatie tot de zich wijzigende positie van de landbouw. Belangrijke thema's in dit verband zijn:

a.Vaststelling en realisatie van wat groeperingen in de samenleving van waarde vinden met betrekking tot landbouw en landelijk gebied

Belangrijke aspecten daarbij zijn:

b.Verbetering van de landschappelijke kwaliteit door nieuwe combinaties van landbouwkundige en ruimtelijke ontwikkelingen

Belangrijke aspecten daarbij zijn:

c.Faciliteren van differentiatieprocessen in de landbouw

Belangrijke aspecten daarbij zijn:

Aanpassing functioneren (agro)kennissysteem

De ontwikkeling van een pluriforme landbouw in een turbulente en heterogene samenleving stelt verschillende eisen aan de interactie tussen landbouw en (agro)-kennisinfrastructuur. Daarbij gaat het in het bijzonder om het volgende.

a.Pluriforme wetenschapsbeoefening

Om de toekomstige ontwikkelingen in landbouw en platteland adequaat te begeleiden, is het van belang dat er in het KennisCentrum Wageningen ruimte wordt gecreëerd voor verschillende wetenschappelijke benaderingen, opvattingen en percepties.

Belangrijke opgaven in dit verband zijn:

b.Externe expertise en countervailing power

Het is wenselijk dat het Ministerie van LNV zich niet alleen op Wageningse expertise verlaat. Dat is in het bijzonder van belang omdat uiteenlopende groepen kenniscentra (universitaire groepen, onderzoekinstellingen, consultancy bureaus, etc.) vaak verschillen in percepties en kennis van maatschappelijke ontwikkelingen, problemen en kansen, en perspectief biedende aanpakken en oplossingsrichtingen. Voor het vermaatschappelijkingsproces van de landbouw is kennisneming en benutting van buiten het landbouwcircuit bestaande inzichten en vaardigheden essentieel.

c.Wetenschapsbeoefening als maatwerk

De geschetste ontwikkelingen van toenemende pluriformiteit en diversiteit in ruimtelijke condities en bedrijfsvoering vragen steeds meer om maatwerk bij de oplossingen die worden aangereikt.

Belangrijke opgaven voor de toekomst zijn:

1. Inleiding

De landbouw is volop in beweging en staat volop in de belangstelling. Het grote aantal discussies o.a. in de media over de maatschappelijke positie van de landbouw illustreren dat.

Inmiddels wordt de plattelandseconomie in Nederland nog maar voor 15 à 20 procent door de landbouw gedragen en zijn er nieuwe machtige spelers op het platteland opgedoken. In het grondgebruik treden verschuivingen op ten gunste van de niet-agrarische functies. De extensieve landbouw (grasland en akkerbouw) leveren de meeste grond in. Het aandeel van de niet-grondgebonden landbouw is inmiddels toegenomen tot meer dan 2/3 van de totale agrarische productie.

Ontwikkelingen van liberalisering en globalisering, de ecologisering van de samenleving en de toenemende sociale diversiteit en de individualisering plaatsen de agrarische sector voor nieuwe uitdagingen.

De toenemende aandacht in onze welvarende samenleving voor de kwaliteit van het bestaan brengt met zich mee dat de samenleving helder wil hebben wat ze op dit punt van de landbouw kan verwachten. De sector staat voor de opgave dienstbaar te zijn aan zowel consument als samenleving. Met daaraan verbonden de mogelijikheid dat de samenleving die verantwoordelijkheid kan toetsen en bijsturen.

Niet alleen de landbouwsector maar alle sectoren van het bedrijfsleven zien zich voor die uitdaging geplaatst.

Van oudsher levert de Nederlandse landbouwsector door de productie van voedingsmiddelen en agrogrondstoffen een belangrijke dienst aan zijn klanten en de samenleving. Die bijdrage blijft naar de toekomst toe onverminderd van belang. En meer dan dat, zij krijgt op weg naar de 21e eeuw extra breedte en diepte. Daarnaast brengt de vermaatschappelijking een aantal nieuwe dimensies met zich (hoofdstuk 2).

De toekomst van de Nederlandse landbouw zal in sterke mate afhankelijk zijn van de mate waarin die sector er in slaagt de verschillende dimensies van vermaatschappelijking in de komende jaren vorm en inhoud te geven. In hoofdstuk 3 worden de in dit verband relevante strategieën geschetst.

Ook voor het kennissysteem houdt de vermaatschappelijking nieuwe uitdagingen in. Hierop wordt in de hoofdstukken 4 en 5 nader ingegaan.

2. Dimensies van vermaatschappelijking

In het vermaatschappelijkingsproces van de landbouw kunnen een aantal dimensies worden onderscheiden:

  1. Zorgdragen optimaal te voldoen aan de groeiende diversiteit aan behoeften van consumenten van voedsel en gebruikers van sierteeltproducten en agrogrondstoffen.
  2. Zorgdragen voor - uit een oogpunt van landschap, milieu, natuur, welzijn dieren en ethiek - gewenste productiemethoden.
  3. Opsporen van, voorzien in en waarborgen van oude en nieuwe waarden, zoals identiteit en cultuurhistorische waarden en de productie van energie, water en milieuvriendelijke stoffen.
  4. In samenspel met andere actoren en functies zorgdragen voor een optimaal gebruik van de schaarse (gezamenlijke) ruimte.

Het zal duidelijk zijn dat het voldoen aan alle vier dimensies van vermaatschappelijking conflicten met zich meebrengt. Concurreren op de wereldmarkt en tegelijkertijd alle rurale en cultuurhistorische waarden in stand houden is nauwelijks mogelijk. Het is ook niet nodig. Binnen de maatschappelijke randvoorwaarden zijn verschillende ontwikkelingen van de landbouw denkbaar, die naast elkaar bestaansrecht hebben.

Figuur 1: Dimensies van vermaatschappelijking van de landbouw

2.1 Voedsel, sierteeltproducten en agrogrondstoffen

De landbouw is in de periode na de Tweede Wereldoorlog primair afgerekend op zaken als omvang productie, kostprijsverlaging en exportpositie. De sector kreeg letterlijk en figuurlijk alle ruimte om de gevraagde bijdrage te leveren. Het streven naar een zo hoog mogelijke productie tegen de laagste mogelijke kosten heeft de Nederlandse landbouw gemaakt tot een van de meest productieve en succesvolle in de wereld.

De waarde van de Nederlandse landbouwproductie is gegroeid tot ruim veertig miljard gulden en Nederland is na de Verenigde Staten en Frankrijk de grootste exporteur van agrarische producten.

Uit de NRLO-verkenning "Markt en Consument" komt naar voren dat de uitdagingen voor de toekomst voor de agrosector in het bijzonder liggen op het gebied van:

In de NRLO-verkenning "Globalisering en Agribusiness" wordt er op gewezen dat het Europese en mondiale speelveld vraagt om een internationaal perspectief van ondernemers, overheid en kennisinstellingen. En als uitdagingen voor ondernemers uit de agribusiness worden geformuleerd:

Globalisering versterkt de concurrentie, maar zij impliceert ook nieuwe kansen voor de agribusiness om aan een breed scala van wensen van een zeer heterogene klantenkring te voldoen.

Min of meer tegelijk met de aandacht voor globalisering is regionalisering een issue in het debat. De Amerikaanse econoom Krugman stelde al jaren geleden dat de reële economie voor een groot deel lokaal gebonden is. Naast de overvloed van overal verkrijgbare

wereldproducten is interesse ontstaan voor regionale en lokale differentiatie met eigen gebiedsgebonden producten en processen. Belangrijk is ook dat de vraag naar "non-tradeables" steeds groter wordt: ruimte, groen, aan de plaats gebonden diensten, een beter huis met een ruime tuin. Het relatieve belang van non-tradeables in het consumptiepakket neemt toe. Daardoor is volgens Krugman voor het totaal van ons consumptiepakket niet sprake van internationalisering, wel voor het verhandelbare deel van ons pakket.

Een complex vraagstuk vormt de wereldvoedselsituatie. Om de wereldbevolking op termijn adequaat van voedsel te voorzien is een grote inspanning vereist. De hoeveelheid land per persoon in arme landen neemt twee keer zo snel af als in de geïndustrialiseerde landen. Watertekorten zullen in toenemende mate een beperkende factor vormen, en vele landen in de wereld treffen. In 2010 zullen er 1,2 tot 1,4 miljard mensen bij zijn gekomen. De uitputting, vervuiling en de verspilling van natuurlijke hulpbronnen zullen niet stoppen in de nabije toekomst. Mogelijke klimaatveranderingen vormen een extra onzekere factor.

De stijging van de koopkracht in vele landen (m.n. Zuidoost-Azië) heeft tot gevolg dat deze landen steeds luxer gaan consumeren. Dit kan leiden tot een toename van voedselschaarste in de armere landen.

De problematiek van het wereldvoedselvraagstuk betreft voorts niet alleen de technische aspecten van de voedselproductie, maar vooral ook de vraag hoe economisch en institutioneel vraag en aanbod goed kunnen worden georganiseerd en op elkaar afgestemd.

De verwachtingen en voorspellingen van gezaghebbende instituten ten aanzien van de toekomstige wereldvoedselsituatie verschillen aanzienlijk. Ten dele ligt dat in een verschil tussen korte en lange termijn verwachtingen. Ten deel ook aan verschil in uitgangspunten en verschil in inschatting van potentiële maatschappelijke en technische ontwikkelingen bij de verkenning van de toekomstige wereldvoedselsituatie. Verschillen van inzicht ten aanzien van het te voeren beleid, en ten aanzien van de door de verschillende landen(blokken) te leveren bijdragen zijn het gevolg. De specifieke bijdrage die Nederland aan de wereldvoedselproductie in de komende decennia kan leveren dient nader in kaart te worden gebracht.

2.2 Milieu, natuur, welzijn dieren en ethiek

De agrarische sector heeft zich de laatste jaren diverse inspanningen getroost om bij zijn productie te voldoen aan randvoorwaarden op het gebied van milieu, natuur en dierenwelzijn.

Het bedrijfsleven beziet momenteel of de integrale filosofie achter de milieu- en economie-aanpak in de glastuinbouw (integraal bedrijfsplan, verbreden/verbeteren certificering en agro-milieukeur) van toepassing kan zijn op andere sectoren. LTO-akkerbouw neemt het initiatief tot ontwikkeling van een milieu- en kwaliteitscertificaat voor akkerbouwbedrijven. Boomkwekers stellen een plan van aanpak op voor integrale verbinding van milieu- en kwaliteitscomponenten die via een te certificeren kwaliteitszorgsysteem inzichtelijk worden gemaakt.

Het transformatieproces naar een meer duurzame landbouw is in volle gang. Een tussenbalans leert evenwel dat de tot nu toe gevolgde wegen niet snel genoeg tot de gewenste vermindering van milieubelasting zullen leiden. In contrast met het technologisch optimisme van recente overheidsnota's, zoals Milieu en Economie (VROM, 1997) moet worden geconstateerd dat het spanningsveld tussen ecologie en economie in de landbouw niet volledig kan worden opgelost door technologische optimalisering van bedrijfsprocessen. Voor de ontwikkeling van een duurzame landbouw zullen ingrijpende herstructureringen van productieprocessen nodig zijn, evenals veranderingen in consumptiepatronen. Oplossingen voor de langere termijn moeten niet alleen worden gezocht binnen bedrijven, maar vooral in de uitwisseling van grondstoffen, afvalstoffen en productiemiddelen (bijv. grond, energie) binnen landbouwsectoren, tussen landbouwsectoren en tussen landbouw- en niet-landbouwsectoren. De NRLO-verkenning "Landbouw en Milieu" concludeert "De landbouwsector wordt reeds meer dan 25 jaar door de milieuproblematiek achtervolgd. Het is waarschijnlijk dat dit het komende decennium zo zal blijven, tenzij - in aanvulling op de huidige benaderingswijzen - adequaat vorm en inhoud wordt gegeven aan een aantal nieuwe wegen. Dit betreft:

Naast productveiligheid en milieu staat dierenwelzijn (incl. diergezondheid) bij consument en burger hoog op de agenda. Met name op de diergezondheidsproblematiek is in de NRLO-verkenning "Naar een gezonde veehouderij" ingegaan. Die verkenning signaleert: "De jarenlange goede reputatie van Nederland op het gebied van diergezondheid wordt bedreigd door een samenspel van factoren, die gedeeltelijk buiten de directe invloedssfeer van de meest betrokken actoren liggen. De diergezondheidssituatie dreigt daarmee de achilleshiel van de Nederlandse veehouderij te worden. Het zoeken naar duurzame oplossingen vormt tot ver in het komende decennium een van de grote uitdagingen voor bedrijfsleven, overheden, maatschappelijke groeperingen en kennisinstellingen. Deze oplossingen moeten inpasbaar zijn in een breder maatschappelijk kader. Op verschillende terreinen zijn wezenlijke vernieuwingen binnen de kennisinfrastructuur nodig."

En als wenselijke vernieuwingen worden aangegeven:

2.3 Voorzien in oude en nieuwe waarden

In een snel urbaniserende samenleving verwacht men van (een deel) van de landbouw dat ze als landbouw in de historische zin van het woord, dat is als deel van de civilisatie, opereert. Wat zich in een urbaniserende samenleving voordoet is dat het rurale steeds schaarser en daarom steeds waardevoller wordt.

Met de verregaande industrialisatie van de landbouwbeoefening wordt ook de roep naar een meer natuurlijke productiewijze sterker. Daarnaast is er sprake van een revival van de waardering van cultuurhistorische kenmerken in het Nederlandse landschap, die veelal identiteitsbepalend zijn en bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving voor economische activiteiten (vestigingsklimaat), wonen en recreatie. Een landelijk gebied met een eigen identiteit heeft ook een directe relatie met het imago van agrarische productie. Mogelijkheden moeten worden verkend om gebiedseigen karakteristieke identiteiten te versterken. Zowel historische als nieuw te ontwikkelen elementen spelen daarbij een rol.

Tegelijkertijd tekent zich in het buitengebied een breed palet aan nieuwe maatschappelijke activiteiten af van, of in combinatie met, de landbouw: agrarisch natuurbeheer, recreatievoorzieningen, volksgezondheidsvoorzieningen, etc. (zie "Atlas van het vernieuwend platteland").

In de nabije en verdere toekomst kan voorts worden gedacht aan landbouw als mogelijke energiebron, als verschaffer van grondstoffen voor producten die nu door import worden verkregen, als wingebied voor water door drinkwater op te vangen, en als producent van milieuvriendelijke verfstoffen, oliën, vezels en van medicijnen.

Hier liggen belangrijke uitdagingen voor de toekomst die ten dele andere werkwijzen en expertise vragen dan nu binnen het landbouwkundig onderzoek aanwezig.

2.4 Optimaal ruimtegebruik

De agrarische sector staat voor de opgave zijn ruimtelijke claims in overeenstemming te brengen met aanspraken van andere actoren ten behoeve van diverse functies.

Vanuit verschillende invalshoeken worden de agrarische aanspraken op ruimte onder vuur genomen. Naast de ruimtelijke claims voor stedelijke functies (wonen en werken in gedifferentieerde woon- en werkmilieus) en de wens het areaal natuur te vergroten, is er behoefte aan ruimte ten behoeve van onder meer recreatie, infrastructuur en zakelijke dienstverlening. Het aandeel van boeren en tuinders als economische dragers van het landelijk gebied is inmiddels zo gering geworden dat ook zijzelf er belang bij hebben, terwille van de leefbaarheid van ditzelfde landelijk gebied, actief mee te werken aan de vestiging van andere bewoners en andere economische activiteiten. Het is weinig vruchtbaar voor de toekomst om plattelandsbeleid te percipiëren als een accentverschuiving of versterking van het landbouwbeleid; de toekomst vraagt om de ontwikkeling van een beleid voor het landelijk gebied als geheel.

In toenemende mate wordt het ook onvruchtbaar te denken in de tweedeling platteland enerzijds en stedelijk gebied anderzijds. De interactie tussen stad en land komt meer centraal te staan en er ontwikkelen zich vormen van ruimtegebruik die als stedelijk noch als ruraal gekenschetst kunnen worden. De interactie tussen stad en land is echter geenszins gediend met verwaarlozing van de eigen identiteit en kwaliteiten van het landelijk gebied (rust, ruimte, stilte, natuurlijke fenomenen en processen, authenticiteit, schoonheid, een plek waar verschillende voor de samenleving essentiële productiefuncties tot hun recht komen). Juist in een verstedelijkende samenleving groeit de behoefte aan de instandhouding en ontwikkeling van een kwalitatief hoogwaardig landelijk gebied.

Het is de uitdaging om functieverbreding te benutten voor de verbetering van de kwaliteit van het landelijk gebied.

3. Transparantie, interactiviteit en pluriformiteit als strategie

Vermaatschappelijking van de landbouw, in de zin van dienstbaar willen zijn aan klanten en samenleving, kan het beste worden gerealiseerd als de landbouw kiest voor transparantie, voor interactie met klanten en samenleving, en voor pluriformiteit.

3.1 Meervoudige open relaties met de samenleving

Open en intensieve relaties met de samenleving zijn zowel van belang om te onderkennen wat de samenleving van waarde vindt, hoe consumenten en burgers tegen ontwikkelingen aankijken en hoe zij problemen percipiëren, als om gezamenlijk met verschillende partijen nieuwe ontwikkelingen tot stand te brengen. In een turbulente samenleving, waarin sociale structuren wegvallen en organisatiestructuren lichter worden, ontstaat er de noodzaak om doelgericht samen te werken in wisselende allianties. Hierbij gaat het niet om vrijblijvende netwerkvorming maar om doelgerichte samenwerking met bindende afspraken.

Terugkijkend kunnen we constateren dat de landbouw in de naoorlogse periode losser is komen te staan van zijn omgeving, van de samenleving. De burger had minder te maken met de boeren. Hij kwam minder op het erf en hij had ook minder te zoeken op het platteland dat geoptimaliseerd was voor agrarisch gebruik.

Het is juist deze grotere afstand tussen landbouwwereld en verstedelijkte samenleving waardoor de burger weinig notie heeft wat er gebeurt op het boerenbedrijf en de sector onvoldoende aansluiting vindt bij ontwikkelingen in de samenleving.

Voor een sector waarvoor geldt dat de gevolgen van haar handelen direct tot uitdrukking komen in aantasting van milieu en natuur of risico's voor de gezondheid van mensen en dieren, roept dit al snel problemen op. Te meer daar de sector relatief afhankelijk is van de overheid en daarmee van de politiek en de publieke opinie.

Binnen de agrarische sector is men zich dat in toenemende mate bewust.

Op initiatief van het landbouwbedrijfsleven bereidt men momenteel een communicatie-offensief voor om boer en stedeling dichter bij elkaar te brengen. Het doel van het initiatief is vooral het beschadigd imago van de landbouw door de varkenspestepidemie, de mestproblematiek, de BSE-affaire, bij te schaven en beter voor het voetlicht te brengen dat Nederland ook in de toekomst een belangrijke landbouwnatie blijft.

Het is zeker de moeite waard om het verstoorde boerenimago op te poetsen. Maar met een communicatie-offensief komt men er niet, als men niet inhoudelijk de zaak in orde maakt. Een open communicatie met de samenleving zal vooral moeten worden benut om de oriëntatie op veranderingen in de omgeving te versterken en om ervoor te zorgen dat sterke en zwakke signalen uit de omgeving besproken en doordacht worden, en worden doorvertaald in gewijzigd handelen. Het is daarbij voor de landbouw zaak om een zeer brede scope te hanteren, dus om zich niet te beperken tot signalen uit de bekende omgeving, maar ook te kijken naar signalen uit andere bedrijfstakken, de algemene politiek, maatschappelijke groeperingen, andere technologische domeinen en uit andere landen.

Dit vraagt van de landbouw de bereidheid tot een ander debat, in een andere arena dan men tot in de tachtiger jaren voerde, en ook thans nog vaak voert.

De samenleving kan haar vertrouwen in de landbouw alleen herwinnen als ze bij discussie over en ontwikkelingen in de sector wordt betrokken. Afhankelijk van de problematiek, het bestuurlijk niveau en verschillen in ruimtelijke condities (paragraaf 3.2.) en bedrijfsvoering (paragraaf 3.3.) gaat het daarbij om steeds wisselende actoren.

In de praktijk zijn er aanzetten voor gedifferentieerde, lokale of regionale netwerken. Het gaat daarbij onder meer om regionalisering van milieubeleid en netwerkvorming van landbouwbedrijfsleven, overheid en milieu- en natuurorganisaties. Essentieel is dat de netwerkvorming niet leidt tot vrijblijvendheid, maar tot het met elkaar maken van bindende zakelijke afspraken. De overheid kan daarbij als regisseur en kaderstellende instantie optreden.

Strategische allianties in het landelijk gebied manifesteren zich onder andere in de vorm van zgn. milieucoöperaties. In een voortgangsrapportage van het bestuurlijk experiment met milieucoöperaties wordt geconcludeerd dat een dergelijke aanpak perspectieven biedt mits overheden bestuurlijke ruimte geven en ook financieel faciliteren. Een deel van de extra impuls van ƒ 30 miljoen per jaar voor het Groene Hart (vanaf 1998 gedurende 13 jaar) zal ook voor dergelijke initiatieven worden aangewend. Maar het gaat niet alleen om een beetje geld en bestuurlijke ruimte van de overheid; het gaat evenzeer, en vooral, om de bereidheid vanuit de landbouw om harde commitments aan te gaan.

Het vormen van nieuwe strategische allianties is ook op diverse andere wijzen aan de orde. Bij het bedrijfsleven gaat het in de komende jaren niet alleen om samenwerking tussen land- en tuinbouwbedrijven, maar vooral om samenhangende inspanningen (partnerships) binnen een complex netwerk van toeleveranciers, landbouwbedrijven, verwerkende industrieën, dienstverlenende bedrijven, transportbedrijven en retailers.

Voor wat betreft de kennisinstellingen gaat het niet alleen om samenwerking tussen instellingen binnen het landbouwcircuit, zoals de LUW en DLO. Maar eveneens om de bijdragen aan innovatie en kennisgeneratie door andere universiteiten en onderzoeksinstellingen als TNO, RIVM en vele anderen, waaronder R&D-instellingen van het bedrijfsleven. En voor wat betreft de overheid gaat het niet alleen om LNV, maar ook om de inzet van OCenW, EZ, VROM, V&W en de EU.

Indien we in de komende jaren een duurzame en vitale ontwikkeling van het agrocomplex en het landelijk gebied willen bewerkstelligen, dan plaatst dat ons voor de opgave een samenhangende inspanning van actoren binnen en buiten de agro-sector te realiseren.

3.2 Pluriformiteit in ruimtelijke ontwikkelingen

Het landbouwbeleid van de overheid in een groot deel van de 20e eeuw kan worden getypeerd als in eerste instantie gericht op het scheppen van gelijke kansen voor alle boeren, ongeacht of het een boerenbedrijf op de arme zandgrond of een bedrijf op de vette zeeklei betrof. De overheid probeerde door algemene maatregelen de externe productie-omstandigheden van boerenbedrijven te verbeteren.

De veranderende situatie op het platteland, de plaats die andere functies hierin hebben gekregen, maakt het ondenkbaar dat de ruimtelijke aanpassing en inrichting van de groene ruime in de toekomst nog alleen vanuit de landbouw zullen geschieden. Ruimtelijke visies worden voor de landbouw richtinggevend. Nieuwe kansen voor de landbouw ontstaan vooral als gevolg van ruimtelijke veranderingen die vanwege de uitvoering van waterbeleid, milieubeleid, natuurbeleid, verstedelijking, e.d. in de komende decennia in het landschap gaan optreden.

Voor de innoverende landbouw is er de uitdaging om in te spelen op de hieruit voortvloeiende differentiatie en creatief gebruik te maken van regionale verschillen. Regionale verschillen doen zich zowel voor op het Europese als het Nederlandse niveau. Voor grootschalige grondgebonden landbouw worden de mogelijkheden voor Nederland binnen het zich uitbreidende Europa geringer. Landbouwbedrijven staan hierbij voor de opgave hetzij hoogwaardige gewassen te produceren hetzij als medebeheerder van groene ruimte meerdere functies te vervullen, dan wel het bedrijf te beëindigen.

Binnen Nederland is er een grote mate van differentiatie in de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw. In overdrukgebieden en in kwetsbare gebieden zal de landbouw worden beoordeeld op de mate waarin aan ruimtelijke kwaliteit kan worden bijgedragen. In onderdrukgebieden zijn de ruimtelijke voorwaarden ruimer, maar de landbouw zal hier samen met andere functies bij moeten dragen aan versterking van het economisch draagvlak.

Het is noodzakelijk om vanuit de landbouw een actieve bijdrage te leveren aan ruimtelijke ordening, inrichting en ontwerp die immers voor de toekomstkansen van de landbouw sterk bepalend zullen zijn. Ook voor de ruimtelijke kwaliteit staat veel op het spel. Via planning

en ontwerp moet ingezet worden op het zodanig begeleiden van de veranderingsprocessen dat nieuw, maar vitaal cultuurlandschap ontstaat, of dat de veranderingen zo plaatsvinden dat gewaardeerde cultuurlandschappen haalbaar blijven. In tegenstelling tot een wijdverbreid misverstand wordt het landschap namelijk niet door de individuele boer gemaakt.

De kwaliteit van toekomstig landschap is grotendeels afhankelijk van het succes waarmee een nieuwe symbiose tussen ruimtelijke ordening, inrichting en ontwerp en de landbouw tot stand wordt gebracht.

3.3 Pluriformiteit op bedrijfsniveau

Al meer dan 100 jaar wordt de ontwikkeling van de landbouw in Europa gekenmerkt door het opvoeren van de productie. Dit beleid leidt tot schaalvergroting en uitdunning van de groep mensen die in de landbouwsector werkzaam zijn. Standaardisatie van productiemethoden en produkten spelen daarbij een belangrijke rol. De verdergaande liberalisering van de handel en toenemende internationale concurrentie versterken voor een deel van de boeren strategische keuzen in deze richting. Een deel van de landbouw zal zich verder intensiveren en specialiseren, waarbij schaalvergroting doorzet. Daarbij zijn steeds meer varianten denkbaar, waarbij het accent ligt op hoge kwaliteit (wat dat ook mag zijn) tegen redelijke prijs of lage prijs bij een goede basiskwaliteit. Bij de consument van de toekomst zal de keuze voor verschillende produkten en produktkwaliteiten sterk worden geleid door het label dat verbonden kan worden aan zo'n prijs-kwaliteit verhouding. De emotionele betekenis van een label dat verbonden is aan een bepaald produkt of een bepaalde wijze van produceren is dan van doorslaggevende betekenis.

Sommige gebieden in Europa vinden hun kracht in bulkproducten, andere in speciaalproducten, dat wil zeggen producten met specifieke kwaliteiten. Nederland heeft het probleem dat we voor een aantal producten bulk produceren, terwijl het gebied daar in toenemende mate economisch ongeschikt voor is.

Naast de strategie van schaalvergroting is er een strategische richting ontstaan van diversificatie, van nevenactiviteiten naast de agrarische activiteiten. Juist in een sterk geurbaniseerde samenleving als Nederland biedt de interactie met andere functies in het landelijk gebied en met stedelijke activiteiten hiertoe ruime mogelijkheden. Er bestaat een intensieve discussie ook in Europees verband, over de multifunctionaliteit van de land- en tuinbouw, althans voor een deel van de land- en tuinbouw. Men is op zoek naar een bijdrage die boeren kunnen leveren aan de "quality of life" o.a. in het kader van landschapsontwikkeling, landschapsonderhoud, recreatie, gezondheidszorg, e.d. Realisatie van deze mogelijkheden zal er primair van afhangen of hiervoor beloningssystemen ontwikkeld kunnen worden. Een duurzame kwaliteit voor dergelijke functies kan slechts worden gerealiseerd als dat gepaard gaat met een duurzame economische basis.

Diversificatie is ook te bereiken door part-time farming in combinatie met non-farm activiteiten zoals consultant, taxichauffeur, broodjesverkoper en dergelijke. Opvallend is dat specifiek Nederland daarin geen traditie heeft, terwijl volgens OECD (Blendford) zelfs in Australië en de Verenigde Staten gemiddeld genomen het non-farm-inkomen van boeren hoger is dan het farm-inkomen.

Onze samenleving biedt in toenemende mate ruimte aan een grote diversiteit van landbouwmethoden. Zo kunnen ambachtelijke productiemethoden in een natuurlijke omgeving goed passen bij de hogere eisen die de burger stelt aan zijn woonomgeving. Industriële productiemethoden in artificiële omstandigheden kunnen goed passen bij verstedelijkte omgevingen in dichtbevolkte centra van dit land. De afzet van tuinbouwprodukten in dichtbevolkte verstedelijkte gebieden verdraagt zich zeer wel met het realiseren van industriële methoden van landbouwproductie in omgevingen van industriële centra en arealen van de stad.

Het benutten van de grote diversiteit aan ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw vormt dan ook één van de grote uitdagingen voor de sector.

3.4 Evolutie of revolutie?

In het voorgaande is een evolutionair ontwikkelingsperspectief geschetst, waarin breuken en resuren in een grote beweging naar de toekomst vervagen. De indruk zou kunnen ontstaan dat de vermaatschappelijking van de landbouw spanningsloos zou kunnen verlopen. Dat is, zoals de dagelijkse praktijk leert, geenszins het geval. Het is - in de woorden van de achtergrondstudie "Milieudoelstellingen en landbouwmilieubeleid in Europa" (NRLO-rapport nr. 97/18) - bij het ingrijpende aanpassingsproces de vraag "wat milieu, natuur en landschap kunnen verdragen", "wat boeren en tuinders kunnen verdragen" en "wat het beleid kan verdragen". Het gaat daarbij om tal van problemen en onzekerheden. Om er enkele uit de vermelde achtergrondstudie te noemen.

Over de relatie tussen de emissie van broeikasgassen wereldwijd en klimaatverandering in Nederland bestaat nog veel onduidelijkheid. Belangrijke vraagtekens bestaan op het gebied van de wisselwerking tussen de fysieke draagkracht van het milieu en de economische activiteit van boeren en tuinders. Er zijn niet alleen ecologische tolerantiegrenzen aan de zijde van natuur en milieu, er zijn ook economische en sociale tolerantiegrenzen aan de kant van agrarische producenten. Zal mijn bedrijf het aanpassingsproces overleven? Hoe handhaaf ik (wij) mijn (onze) concurrentiepositie bij het inspelen op maatschappelijke wensen en eisen?

De derde factor in het spel naast natuur en agrarische sector is de maatschappij als geheel, samengesteld uit mensen in hun rol van consument en van burger. Consumenten hebben belang bij smakelijk, veilig en goedkoop voedsel, burgers bij een gezond milieu en een vitale natuur. Het eerste is een (gedeeld) persoonlijk belang, het tweede een collectief belang. Het is maar zeer ten dele in kaart gebracht hoe een balans te vinden tussen persoonlijke en collectieve belangen. Daarbij komt als extra complicatie dat de huidige maatschappelijke ontwikkeling een steeds grotere fragmentatie van de samenleving te zien geeft. Binnen subgroepen komen afzonderlijke morele standaarden tot ontwikkeling die sterk van elkaar lijken te verschillen.

Tenslotte komen we uit bij het beleid van de overheden. Daar vindt de confrontatie plaats van de kleiner wordende tolerantie van het milieu, de overlevingsdrang van de boeren, en de zorgen en emoties van burgers en consumenten. Maar daarbij kent het beleid zijn eigen momentum. Ook het politieke bedrijf en de beleidsformulering kennen hun tolerantiegrenzen en hun traagheidsmoment.

Het is dan ook niet zeker dat de vermaatschappelijking van de landbouw in de komende jaren conform het in deze verkenning geschetste ontwikkelingsperspectief zal verlopen. De toekomst ligt niet op voorhand vast. Veel zal afhangen van de visie en de ambities van de bij de ontwikkeling van de landbouw en het landelijk gebied betrokken actoren, en hun vermogen met optredende spanningen om te gaan en hun vermogen nieuwe wegen in te slaan.

Voor de wetenschap is er de taak weggelegd om de processen, die nu aan de gang zijn, nauwkeurig te volgen en hun effecten in kaart te brengen. Dat is voor alle actoren van belang; in het bijzonder voor die actoren (overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven) die trachten beleid te voeren. Misschien kunnen die dan op cruciale momenten actie ondernemen en bewerkstelligen, dat de toekomst binnen het perspectief blijft, dat in deze verkenning is geschetst.

4.0 Prioritaire kennisthema's

Een landbouw in een turbulente samenleving die wordt afgerekend op pluriforme waarden en die wordt gekenmerkt door een grote differentiatie in ruimtelijke en omgevingscondities en ontwikkelingsstrategieën, plaatst het kennissysteem voor nieuwe vragen. Een aantal daarvan zijn in andere NRLO-verkenningen aangegeven (o.a. de verkenningen "Markt en Consument", "Globalisering en Agribusiness", "Landbouw en Milieu", "Naar een gezonde veehouderij" en "Groene Ruimte "). We beperken ons hier tot de sociaal-culturele problematiek. In het bijzonder voor het sociaal-wetenschappelijk en het ruimtelijk onderzoek zijn de volgende prioritaire thema's van belang.

a) Vaststelling en realisatie van wat groeperingen in de samenleving van waarde vinden met betrekking tot landbouw en landelijk gebied

Belangrijke aspecten daarbij zijn:

b) Verbetering van de landschappelijke kwaliteit door nieuwe combinaties van landbouwkundige en ruimtelijke ontwikkelingen

Belangrijke aspecten daarbij zijn:

c) Faciliteren van differentiatieprocessen in de landbouw

Belangrijke aspecten daarbij zijn:

5.0 Aanpassing functioneren (agro)kennissysteem

In het voorgaande zijn enkele inhoudelijke thema's voor vernieuwing van het onderzoek aangegeven. In deze paragraaf wordt ingegaan op enkele consequenties voor het functioneren van de kennisinfrastructuur.

a. Pluriforme wetenschapsbeoefening

In een wereld waarin zoveel verandert dat het onvoorspelbare werkelijk onvoorspelbaar is, is het vooral interessant de aandacht te richten op beschrijving en begrip van wat er gebeurt, dat door te geven en te communiceren.

In dit perspectief is het belangrijk om het vermogen te versterken, om receptief te zijn, te kunnen waarnemen, te kunnen beschrijven, te kunnen analysren en te kunnen communiceren. In feite impliceert het bovenstaande een pleidooi voor observatie en analyse van de empirie, uitzoeken wat dat betekent in de verschillende contexten, zoeken naar wat dat aan waarde vertegenwoordigt. Hiermee hangt samen de observatie dat het kennissysteem in de landbouw in belangrijke mate een bedrijf is geworden, met eigen - primair aan het wetenschapsbedrijf ontleende - specialisaties, percepties, werkwijzen en afrekeningscriteria. Een landbouwkennissysteem dat op een aantal punten niet goed inspeelt op datgene wat zich in de praktijk ontwikkelt. Er is onwetendheid ontstaan omtrent ontwikkelingen op het platteland en in de landbouw, omtrent de interface tussen landbouw en de rest van de maatschappij, en omtrent de relatie stad-land.

De wenselijke rol en werkwijzen van wetenschappers zoals die in de positivistische wetenschapsbeoefening worden gepercipieerd, worden daarmee gerelativeerd. Thans worden analytisch vermogen, wetenschappelijke kennis en objectieve distantie zeer hoog gewaardeerd. Sensibiliteit, creativiteit, ontwerp-vermogen en interactiviteit met maatschappelijke ontwikkelingen zouden veel hoger gewaardeerd kunnen worden dan thans het geval is.

Om de toekomstige ontwikkelingen in landbouw en platteland adequaat te begeleiden, is het daarom van belang dat er in het te ontwikkelen KennisCentrum Wageningen ruimte wordt gecreëerd voor verschillende wetenschappelijke benaderingen, opvattingen en percepties. En tijd wordt ingeruimd voor reflectie over concepten en paradigma's.

b. Externe expertise en countervailing power

In het bovenstaande is aangegeven dat het wenselijk is het agrokennissysteem - en in engere zin het KennisCentrum Wageningen - tot een veelzijdig en goed functionerend centrum te ontwikkelen. Dat laat onverlet dat binnen het KCW nimmer alle voor de ontwikkeling van landbouw en landelijk gebied relevante disciplines en expertise verenigd kunnen worden. Streven daarnaar zou contraproductief zijn. En - zoals in de NRLO/OCV-verkenning "Wageningen in Profiel" met nadruk naar voren gebracht - op gespannen voet staan met het willen leveren door het KCW van hoge kwaliteit op selectief gekozen kerncompetenties.

Het is dan ook wenselijk dat agribusiness en overheid zich niet alleen op de Wageningse expertise verlaten.

Dat is in het bijzonder van belang omdat uiteenlopende groepen kenniscentra (universitaire groepen, onderzoeksinstellingen, consultancy bureaus, etc.) vaak verschillen in percepties en kennis van maatschappelijke ontwikkelingen, problemen en kansen, en perspectiefbiedende aanpakken en oplossingsrichtingen. Voor het vermaatschappelijkingsproces van de landbouw is kennisneming en benutting van buiten het landbouwcircuit bestaande inzichten en vaardigheden essentieel.

Er is - zoals in het NRLO-rapport "Globalisering en Agribusiness" aangegeven - een ontwikkeling zichtbaar dat de internationaliserende Nederlandse agribusiness in toenemende mate gebruik maakt van een diversiteit aan externe expertisebronnen, waaronder buitenlandse onderzoeksinstellingen. Het is van belang dat ook het Ministerie van LNV een beleid voert waarbij nadrukkelijk gebruik wordt gemaakt van inzichten en expertise van buiten het KCW.

c. Wetenschapsbeoefening als maatwerk

De geschetste ontwikkelingen van toenemende pluriformiteit in ruimtelijke condities en bedrijfsvoering vragen steeds meer om maatwerk bij de oplossingen die worden aangereikt. Dit vraagt om vormen van wetenschapsbeoefening die daar het best bij passen.

Vragen die daarbij aan de orde komen zijn:

Hoe combineren we moeilijk overdraagbare kennis (tacit knowledge) met gemakkelijk overdraagbare kennis (explicit knowledge)? Ervaringskennis vormt een voorbeeld van moeilijk overdraagbare kennis terwijl kennis neergeslagen in boeken gemakkelijker overdraagbaar is. Kennis die we gebruiken vormt altijd een combinatie van beide. Vernieuwingen in de praktijk stagneren als beide vormen niet adequaat worden benut en gecombineerd.

Meer in algemene zin vormt de wijze van opleiding en vorming van jongeren een sleutelfactor voor de percepties die mensen met betrekking tot problemen en kansen ontwikkelen en voor de wijze waarop zij met toekomstige uitdagingen en andere actoren omgaan.

6. Achtergronddocumenten

Broekhuizen, R. van et al. (red.), Atlas van het vernieuwend platteland. Doetinchem, Misset, 1997.
Diederen, P.J.M. en Silvis, H.J., Milieudoelstellingen en landbouwmilieubeleid in Europa. Den Haag, NRLO, 1997. Rapport 97/18.
Dinten, W.L. van, Landbouw en samenleving: etalage van maatschappelijke vraagstukken. Den Haag, NRLO, 1997. Rapport 97/41.
Huigen, P.P.P. en Strijker D., Landbouw en samenleving: een proces van afstoten en aantrekken. Den Haag, NRLO, 1997. Rapport 97/39.
LNV, Beleidsverkenning Landelijk Gebied 21e eeuw - Werkdocument van het Ministerie van LNV. Den Haag, LNV, 1997.
NRLO, Globalisering en Agribusiness. Den Haag, NRLO, 1998. Rapport 98/2.
NRLO, Groene Ruimte. Den Haag, NRLO, 1998. Rapport 98/.. (nog niet gepubliceerd).
NRLO, Landbouw en Milieu. Den Haag, NRLO, 1998. Rapport 98/4.
NRLO, Markt en Consument. Den Haag, NRLO, 1998. Rapport 98/3.
NRLO, Naar een gezonde veehouderij. Den Haag, NRLO, 1998. Rapport 98/5.
OECD, The Agro-food sector on the threshold of the 21st century. Paris, OECD, 1997 (unpublished).
Ploeg, J.D. van der, Over continuïteit en verandering: de constanten van agrarische ontwikkeling. Den Haag, NRLO, 1997. Rapport 97/42.
Rutten, H., Coping with turbulence - Strategies for agricultural research institutes. Den Haag, NRLO, 1997. Rapport 97/27.
Somers, B.M., Maatschappelijk en culturele aspecten van landbouw en natuur in de 21e eeuw. Den Haag, 1996, LEI-DLO.
Symons, D., Uitgewerkt en afgedaan? De relatie tussen landbouw, ruimtelijke planning en ontwerp. Den Haag, NRLO, 1997. Rapport 97/40.
Verkaik, A.P.,Uitdagingen en concepten voor toekomstig landbouwkennisbeleid. Den Haag, NRLO, 1997. Rapport 97/17.
VROM/EZ/LNV/V&W. Milieu en Economie -op weg naar een duurzame economie. Den Haag, VROM etc., 1997.

[NRLO Home]