NIEUWSBRIEF "KENNIS VOOR INTEGRAAL WATERBEHEER"
Nr. 2 - november 1999

Voortgang Verkenning

In de eerste nieuwsbrief (juli 1999) kon u lezen over doelstellingen, organisatie en fasering van deze verkenning. Daarin werden ook de zes innovatiethema's beschreven, die uit interviews met leden van de klankbordgroep zijn gedestilleerd (zie figuur).


In juni en juli zijn de zes thema's getoetst in een interviewronde met organisaties van watergebruikers: ANWB, CDA, LTO Nederland, Shell, Unilever, Stichting Reinwater, Stichting Waterpakt, VEWIN, en WNF. In augustus en september is over elk thema een brainstorm met enkele deskundigen georganiseerd. In deze bijeenkomsten is de basis gelegd voor een nadere uitwerking van de verschillende thema's in essays over de belangrijkste kennisopgaven. In oktober is tevens gestart met een inventarisatie van het kennisaanbod: de belangrijkste kennisthema's en netwerken in de watergerelateerde kennisinfrastructuur. Het spanningsveld tussen kennisopgaven en kennisaanbod zal centraal staan op de conferentie "Kennisstromen in waterland" op 2 februari 2000. Deze conferentie moet aanzetten voor concrete akties opleveren. Het geheel wordt begeleid door een klankbordgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van kennisinstellingen, overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties, onder voorzitterschap van Ir. J. van der Vlist.

Paradigmaverandering

Uit de interviews en de brainstorms ontstaat het beeld dat het waterbeheer in Nederland in een overgangsfase verkeert. Er is sprake van een verschuiving van 'paradigma' van 'Nederland droog land' naar 'Nederland waterland'. Maatschappelijke ontwikkelingen (o.a. toenemende ruimtedruk, veranderend grondgebruik, groeiende welvaart) en ontwikkelingen in het fysieke systeem (o.a. klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling) nopen tot een meer flexibel, natuurlijk en 'klantgericht' beheer van land en water. Watersystemen kunnen niet langer van het land worden geïsoleerd, maar moeten worden geïntegreerd in de ruimtelijke inrichting van Nederland als waterland.

Water keren wordt water beheren, waarbij nieuwe potenties zich aandienen: o.a. woningbouw (wonen aan en op het water), waterrecreatie en -toerisme, natuurontwikkeling, waterberging, voorraadvorming (bijvoorbeeld ten behoeve van drinkwaterwinning, voedselvoorziening, energie-opwekking, warmteopslag, afvaltransport). Water is niet langer per definitie een last of vijand maar ook een lust en vriend. Angst maakt plaats voor affectie.

Deze omslag van 'droog naar nat' begint zich steeds meer af te tekenen in het waterbeleid. Deze verkenning richt zich op de vraag in hoeverre de watergerelateerde kennisinfrastructuur adequaat is ingericht om een verdere omslag van "droog" naar "nat" te ondersteunen en te stimuleren. Binnen elk thema liggen uitdagende dilemma's en kennisvragen. De rol van de markt (thema 6) komt aan de orde binnen thema 4 (beheer van waterkringlopen) en in het RMNO-project "Institutionele veranderingen in de nutssectoren".

Kennisthema's en innovatie-opgaven

(1) Beleving van water

  • Water als lust: het groeiende belang dat mensen hechten aan de identiteit van hun leefomgeving en de toenemende vrije tijd, financiële middelen en mogelijkheden tot vrijetijdsbesteding (waaronder watersport) nopen tot herkenning van de uiteenlopende belevingswerelden van verschillende groepen watergebruikers en tot erkenning van deze belevingen in integraal waterbeheer. Dit vergt een veelzijdig waterbeheer, dat diverse "lustfuncties" vervult en leeft voor de burgers.
  • Water als last: het is van belang dat de gemiddelde Nederlander gaat begrijpen wat het betekent om in een land te leven dat van nature water is, en welke consequenties dat kan hebben. Psychologische rampen in geval van calamiteiten moeten worden voorkomen.
  • Waterbeheer zou meer in de maatschappij moeten staan. Op dit moment is veel waterkennis nog eenzijdig technisch van aard en niet of nauwelijks gekoppeld aan kennis uit bijvoorbeeld de psychologie, sociologie en vrijetijdswetenschappen.

    (2) Sociaal-economische betekenis van water

  • Voldoende water van goede kwaliteit wordt wereldwijd schaarser. Daarmee stijgt de waarde van water. De waarde is bovendien meervoudig: naast de functionele gebruikswaarde is er een belevingswaarde (de waarde van wonen of recreëren aan of op het water) en een ecologische waarde (de waarde van een gezond functionerend watersysteem). De huidige prijs van water is geen weerspiegeling van deze drievoudige waarde. Het consumentensurplus is echter nog onbekend. Een belangrijke opgave is dit surplus, dat waarschijnlijk gigantisch is, aan het licht te brengen.
  • Ook in kosten-batenanalyses van waterstaatkundige investeringen wordt vaak slechts rekening gehouden met de gebruikswaarde van water, wat kan leiden tot vermogensverlies in termen van beleving en ecologie. Voor het maken van integrale afwegingen moeten we toe naar lange termijn kosten-baten analyses, naar het internaliseren van (toekomstige) externaliteiten.
  • Het produkt water is zeer gedifferentieerd en de methodiek van waardebepaling moet hierop zijn toegesneden. Een dilemma hierbij is hoe om te gaan met de variabele waarde van water naar tijd en plaats: perioden van wateroverlast versus perioden van waterschaarste, water bovenstrooms versus water benedenstrooms, water als voorraadgrootheid versus water als stroomgrootheid.
  • De genoemde innovatieopgaven vragen om een multidisciplinaire aanpak, in het bijzonder samenwerking tussen economen, hydrologen, ecologen en bestuurskundigen.

    (3) "Vernatting" van de ruimtelijke inrichting

  • Klimaatverandering, zeespiegelstijging en een versnelde en toenemende afvoer, gecombineerd met bodemdaling, vergroten de druk van het water op het land. Anderzijds groeit de ruimtedruk vanaf het land op het water. De sterk gereguleerde Nederlandse watersystemen zijn onvoldoende ingericht om deze druk te geleiden. Nieuwe strategieën voor inrichting en beheer zijn noodzakelijk.
  • Een belangrijke innovatie-opgave is ook om de voortgaande verstedelijking van Nederland beter te geleiden en water als nieuwe economische drager van de groene ruimte te laten fungeren. Daartoe is nauwere interactie tussen de kennisdomeinen rond water en die rond stedenbouw en ruimtelijke ordening vereist.
  • De relevante kennis is vaak situationeel bepaald. De benodigde kennis zal op regionaal niveau ontwikkeld moeten worden; kennisontwikkeling in context. Nu is de afstand tussen wetenschap en praktijk nog te groot.

    (4) Integraal beheer van waterkringlopen

  • Het beheer van de kleine, stedelijke waterkringloop en het beheer van de grote, natuurlijke waterkringloop staan bloot aan vrijwel tegengestelde maatschappelijke en politieke krachten. In het eerste geval is er internationale druk tot privatisering, meer marktwerking en internationalisering. Het beheer van de waterhuishouding daarentegen tendeert, mede onder invloed van EU-regelgeving (Kaderrichtlijn Water), naar regionalisering op de schaal van stroomgebieden en naar het publieke domein.
  • De opgave is het beheer van watersystemen en waterketens adequaat op elkaar af te stemmen, mede vanuit het perspectief van duurzame ontwikkeling.
  • Daarbij is ook de vraag aan de orde hoe het water(systeem)beheer zich institutioneel zou moeten verhouden tot de ruimtelijke ordening en omgevingsbeheer in brede zin.
  • Op dit moment is de kennisinfrastructuur verkokerd naar waterhuishouding, drinkwater, riolering en afvalwaterbehandeling, met overlap en onderbenutting van gezamenlijke capaciteit. Integraal beheer van waterkringlopen vraagt om meer structurele samenwerkingsverbanden c.q. kennisnetwerken "over de (water)grenzen" heen.

    (5) Betrokkenheid van burgers

  • Buitenstaanders, waaronder ook watergebruikers, ervaren de waterwereld als relatief gesloten. Waar openingen naar de "buitenwereld" wel worden gecreëerd, blijkt vaak een heel creatieve en effectieve omgang met water mogelijk, bijvoorbeeld bij de (her)inrichting van stadswijken (wadi's, fonteinen, zwemvijvers, infiltratie van regenwater e.d.).
  • Water roept bij burgers overwegend positieve associaties op, in tegenstelling tot bijvoorbeeld verkeer. De uitdaging is om de veelstemmigheid van de bij water betrokken belangen en belevingen te laten doorklinken in het uiteindelijke waterbeheer.
  • Betrokkenheid van burgers vraagt om sociale technologie: een "geïntegreerde methodologie", waarbij wetenschap en techniek vanuit een specifieke lokale of regionale context bijdragen aan oplossingen, dus in nauwe relatie met de praktijk. Op dit punt kan de watergerelateerde kennisinfrastructuur zich verrijken met technisch-bestuurskundige expertise en ervaringen rond grote infrastructurele projecten in de verkeer- en vervoersector en rond landinrichtingsprojecten.

    Vervolgtraject: essays, inventarisatie kennisinfrastructuur en conferentie

    Het gehele traject van deze verkenning wordt geschetst in onderstaande figuur.



    De thema's worden momenteel verder uitgewerkt in essays, die ingaan op:
    (1) de toekomstige trends, tegentrends en onzekerheden rondom het thema (tijdshorizon 10-15 jaar);
    (2) de belangrijkste opgaven in de toekomst en de daarvoor benodigde innovaties;
    (3) de rol van wetenschap en technologie bij het realiseren van deze innovaties;
    (4) de consequenties voor de kennisagenda en de organisatie van de kennisinfrastructuur.

    Daarnaast wordt het kennisaanbod voor integraal waterbeheer in Nederland in kaart gebracht in de "Inventarisatie Kennisinfrastructuur Integraal Waterbeheer", gericht op het vaststellen van het kennispotentieel voor de innovatiethema's.

    De essays en de inventarisatie van de watergerelateerde kennisinfrastructuur vormen input voor een conferentie "Kennisstromen in waterland" op 2-2-2000. Uitnodiging voor de conferentie geschiedt op persoonlijke titel. Indien u geen uitnodiging heeft ontvangen en graag een bijdrage wilt leveren aan een discussie op strategisch niveau over de gewenste kennisontwikkeling voor integraal waterbeheer, dan kunt u uw belangstelling kenbaar maken aan het projectteam.

    COLOFON

    Projectteam:
    Dr. H. Snijders (AWT)
    Mw. drs. M.A.H. Soeters (RMNO )
    Dr.ir. J.G. de Wilt (NRLO; projectleider)
    Dr.ir. J. Wisserhof (KUN; projectsecretaris)

    Contactpersoon namens het projectteam is:
    J.Wisserhof
    p/a NRLO
    Postbus 20401
    2500 EK Den Haag
    tel.: 070-3785459
    fax.: 070-3786149


    [NRLO Home]