B E L E I D S S A M E N V A T T I N G
De relatie tussen stad en (platte)land is grondig
aan het veranderen is. Naast het traditionele, dichotomische beeld
van stad en land komen in toenemende mate andere interpretaties,
opvattingen en beelden van (aspecten van) stad en land naar voren.
Het onderzoek naar de wetenschappelijke fundering en het strategisch
potentieel van deze nieuwe denkbeelden over stad en land is tot
nog toe echter beperkt gebleven en daarbij nog te weinig toegesneden
op de ontwikkeling van samenhangende denkbeelden over stad en
land. In diverse gremia ontstond dan ook behoefte aan een fundamenteel-strategische
bezinning op de relatie tussen stad en land, dat wil zeggen op
de interacties tussen en de (regionale) differentiatie van beide.
De voorliggende programmastructuur voor fundamenteel-strategisch
onderzoek beoogt in deze behoefte te voorzien. Zij is opgesteld
in opdracht van de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek
(NRLO) en het Netwerk voor Onderzoek en Ontwikkeling Ruimtelijk
Beleid (Netwerk RO) door onderzoekers van de Landbouwuniversiteit
Wageningen en de Katholieke Universiteit Nijmegen.
De programmastructuur bestaat uit twee onderdelen.
Het eerste is een conceptueel kader, waarmee de veranderende interpretaties
en opvattingen over stad en land bespreekbaar en onderzoekbaar
kunnen worden gemaakt. Het tweede omvat de prioritaire thema's
voor fundamenteel-strategisch onderzoek, die op basis van het
conceptuele kader en rekening houdend met belangrijke maatschappelijke
vraagstukken ten aanzien van stad en land kunnen worden aangewezen.
Conceptueel kader
Centraal in het conceptuele kader staat de notie van discoursen over stad en land. Het begrip discours verwijst in dit verband naar een min of meer samenhangend geheel van denkbeelden over (aspecten van) de ruimtelijke organisatie van stad en land, dat wordt geconstrueerd en gereconstrueerd in interactie tussen onderzoekers, planners, ontwerpers, beleidsmakers, politici en belangengroepen en dat institutioneel is ingebed in overheidsinstanties, maatschappelijke organisaties en hun organen.
Een discours is gelaagd: het kenmerkt zich door bepaalde
theoretische invalshoeken (de laag van de analyse), enkele verwante
planconcepten (de laag van ordeningsprincipes) en een besturingsfilosofie
(de laag van sturingsprincipes).
De volgende vijf discoursen zijn onderscheiden:
In het discours van stad en land als tegenpolen worden stad en land als duidelijk te onderscheiden entiteiten opgevat. Het onderscheid tussen stad en land is meerdimensionaal van karakter: functioneel, cultureel, morfologisch, ecologisch etc. Analytische bijdragen aan dit discours betreffen met name structurele aspecten van de maatschappelijke en ruimtelijke organisatie van stad en/of land. De binnen dit discours gehanteerde planconcepten hebben een patroonkarakter: compacte stad, restrictief gebied e.d. De interventiemogelijkheden in dit discours zijn vaak geïnspireerd op een hiërarchische besturingsfilosofie.
Wanneer stad en land worden opgevat als netwerk van activiteiten, staan ruimtelijk-economische relaties centraal. Interacties tussen organisaties, met name ondernemingen, vormen de kern van dit discours. De impliciete theoretische invalshoek is vooral actor-georiënteerd. De voorgestane planconcepten, zoals het corridorconcept en de 'meerkernige oriëntatie', zijn geënt op ruimtelijke processen. Een vaak voorkomende besturingsfilosofie is netwerksturing.
Het discours van stad en land als ecosysteem heeft primair betrekking op het natuurlijk substraat, op te vatten als de natuurlijke onderlegger van de ruimtelijke inrichting. Centraal staan de interacties tussen dit substraat en het maatschappelijk gebruik ervan. Deze interacties worden zowel vanuit een structuur- als een actor-georiënteerde theoretische invalshoek onderzocht. Enkele planconcepten in dit discours zijn de watersysteembenadering, de cascobenadering en de ecopolis. Als besturingsfilosofie geldt vooral zelfsturing in combinatie met meta-sturing.
In het discours van stad en land als stelsel van plekken staat de identiteit van openbare ruimten centraal. De nadruk ligt op de ruimtelijke kwaliteit en sfeer van de leefomgeving. In theoretische bijdragen aan dit discours ligt een sterk accent op structurele aspecten. Enkele tot dit discours te rekenen planconcepten zijn het stadslandschap en de groene metropool. De belangrijkste voorgestane besturingsfilosofie is netwerksturing.
Het discours van stad en land als vastgoed,
tenslotte, betreft het eigendom van rechten in onroerend goed.
Centraal staat de grondmarkt en de publiek-privaatrechtelijke
regeling dienaangaande. Theoretisch steekt dit discours in op
de wisselwerkingen tussen actoren (de eigenaars en gebruikers
van vastgoed) en structuren (markten). Enkele van de schaarse
planconcepten in dit discours zijn het prijslandschap en ontwikkelingspotenties
van gronden. Zelfsturing met een lichte correctie en coördinatie
is de dominante besturingsfilosofie.
Onderzoeksprioriteiten
Uitgaande van de onderscheiden discoursen zijn, met inachtneming van belangrijke maatschappelijke vraagstukken ten aanzien van stad en land (veranderend ruimtegebruik, leefbaarheid van stad en land, ecologisch verantwoord ruimtegebruik en stuurbaarheid van stad-landrelaties), vier prioritaire thema's voor fundamenteel-strategisch onderzoek aangewezen:
De thema's zijn gekozen op het snijvlak van twee
of meer discoursen. De reden hiervoor is, dat vernieuwende ideeën
vooral daar mogen worden verwacht waar verschillende discoursen
met elkaar corresponderen of juist conflicteren. Het ene discours
daagt het andere als het ware uit.
Het thema discoursen van stad en land maakt de discoursen als zodanig tot onderwerp van onderzoek. Onderzoeksvragen binnen dit thema hebben betrekking op de interne consistentie van de discoursen afzonderlijk, in inhoudelijk-analytisch, institutioneel-organisatorisch en politiek-bestuurlijk opzicht, en op de relaties tussen de verschillende discoursen.
Het thema stromen in de ruimte ligt op het snijvlak van het discours van stad en land als netwerk van activiteiten en dat van stad en land als ecosysteem. Op dit snijvlak ligt de belangrijke uitdaging om te zoeken naar strategieën die kunnen bijdragen tot een duurzame ontwikkeling van stad en land, waarin economie en ecologie harmonisch samengaan.
Het thema bundelingsbeleid in perspectief omvat een algehele sterkten-zwaktenanalyse van het beleid gericht op bundeling van de verstedelijking. Daarmee ligt dit thema op het snijvlak van het tegenpolendiscours en de overige, meer recente discoursen. Centraal staat de vraag naar de strategische kracht van het klassieke discours ten opzichte van de alternatieve discoursen.
In het thema identiteiten
van stad en land wordt, uitgaande van het
discours van stad en land als stelsel van plekken, het snijvlak
onderzocht van het tegenpolen- en ecosysteemdiscours enerzijds
en het netwerk- en vastgoeddiscours anderzijds. In deze beide
paren van discoursen vigeren min of meer tegengestelde identiteiten
van stad en land: 'traditioneel' versus 'modern'. Het onderzoeksthema
omvat vragen naar de wijze waarop plekken met een bepaalde identiteit
worden geproduceerd: door wie, waar en hoe.
De vier thema's zijn slechts globaal aangeduid. Van
een volledig uitgewerkt, operationeel programma is nog geen sprake.
Doelstelling van deze studie was dan ook slechts een programmastructuur
te bieden, die indieners van onderzoeksaanvragen nog de nodige
keuzevrijheid moet laten. Nadere uitwerking van de thema's kan
dan ook plaatsvinden in het kader van de voorbereiding van onderzoeksaanvragen.