NRLO Nieuwsbrief 9 - februari 1998

Vijf integratierapporten

Voor de NRLO is het dit jaar (1998) 'februari oogstmaand'. Vijf integratierapporten konden aangeboden worden aan belangrijke vertegenwoordigers van de beoogde doelgroepen. Deze Nieuwsbrief geeft beknopte samenvattingen van deze rapporten en een eerste globale reactie van de ontvangers. De rapporten kunnen besteld worden bij het secretariaat van de NRLO, en zijn ook integraal, in diverse formats, te raadplegen op de internet-site van de NRLO, in de rubriek 'Verkenningen'.

De NRLO heeft het vertrouwen dat deze rapporten een leidraad kunnen vormen voor discussie en besluitvorming over inhoud en vorm van het toekomstig kennis- en innovatiebeleid in de agrosector.

upEen maatschappelijk perspectief voor de landbouw

Deze verkenning (98/1) gaat in het bijzonder in op de sociaal-culturele en ruimtelijke vragen die samenhangen met de veranderende positie van de landbouw. Kernpunt is dat de landbouw zal moeten 'vermaatschappelijken'. Daarbij zijn vier dimensies te onderscheiden:

upStrategie

Als de landbouw deze uitdaging werkelijk wil aangaan, moet ze kiezen voor een strategie van transparantie, duidelijke interactie met de samenleving en pluriformiteit.

upKennisthema's

De verkenning noemt een drietal prioritaire kennisthema's:

upAanpassing kennissysteem

De geschetste ontwikkelingen stellen ook eisen aan de interactie tussen landbouw en (agro-)kennisinfrastructuur:

(foto)

Op 3 februari werd het rapport 'Een maatschappelijk perspectief voor de landbouw' door NRLO-voorzitter prof. dr. ir. A. Rörsch aangeboden aan G.J. Doornbos, voorzitter van LTO-Nederland.

In zijn eerste reactie refereerde Doornbos aan de huidige vernieuwing in de sector en daarmee gepaard gaande nieuwe wegen van ondernemen. Land- en tuinbouw leven niet op een eiland, maar gaan de uitdaging aan van integratie met de samenleving, aldus Doornbos. De LTO-organisatie is zich bewust van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van agrarisch ondernemen. Het ruimtebeslag, de wijze van produceren en een open houding naar de samenleving zijn daarbij de belangrijke aandachtspunten. Volgens Doornbos zullen de aanbevelingen in het rapport betrokken worden bij de ontwikkeling van een LTO-toekomstvisie op land- en tuinbouw.

upGlobalisering en agribusiness

In deze studie (rapport 98/2) is verkend hoe het speelveld van agribusiness, overheid en kennisinstellingen verandert onder invloed van internationalisering. De centrale conclusie luidt dat bij alle partijen een daadwerkelijke mentale omslag nodig is naar een internationaal perspectief. Dit geldt niet alleen voor de traditionele multinationals, maar met name ook voor de kleinere spelers.

De technologie bewerkstelligt razendsnelle communicatie (ICT) en lage transportkosten. Politiek en economisch is er een trend richting deregulering en afbraak van handelsbarrières. De individuele consument komt ook internationaal steeds centraler te staan (massa-individualisering, ketenomkering). En kennis als concurrentiefactor gaat internationaal een steeds belangrijkere rol spelen.

Zowel in bedrijfsleven als kennisnetwerken zal dit leiden tot schaalvergroting en internationale consolidatie van marktposities. Hierbij zal het niet de inzet zijn om een mondiaal standaardproduct te leveren. Gezien de locale verschillen zal het juist aankomen op daadwerkelijke nesteling in locale markten en het benutten van de verschillen tussen die markten en tussen consumenten.

De toekomst belooft een toenemende internationale verwevenheid en afhankelijkheid die gepaard gaan met versterkte concurrentie en vaak wisselende allianties en machtsverhoudingen. Dat geeft nieuwe dimensies aan de vragen waarvoor de individuele onderneming zich gesteld ziet. Zo moet ze bij haar keuze voor thuismarkt of internationale markt - met elk z'n consequenties voor structuur en schaal van het bedrijf en voor de benodigde kennis en vaardigheden - nadrukkelijk kijken naar die dynamische internationale concurrentie.

Een en ander leidt tot de volgende nieuwe uitdagingen:

Agribusiness:

Overheid:

Kennisinstellingen:

upKennisontwikkeling

In de geschetste toekomstige omgeving vormen kennis, kennisbeleid én kennismanagement cruciale strategische instrumenten. Versterking is nodig op de volgende punten:

1. Kennis van de agro-food wereldmarkt

Hoe kan of zal de wereldmarkt komende decennia veranderen, en wat zouden die veranderingen betekenen voor de productie, handel en distributie in de Nederlandse agrosectoren? Wat zijn de consequenties en potenties van nieuwe flexibele mondiale netwerken voor de positie, rol, werkwijze en organisatie van ondernemingen in de agribusiness?

Dergelijke vragen dienen geanalyseerd te worden vanuit meerdere invalshoeken (bijvoorbeeld de neo-liberale en de meer sociaal-democratische visie) en op verschillende schaalniveaus: mondiaal, Europees en nationaal.

2. Internationale positionering van Nederlandse agro-cluster

Hiertoe is het zaak om als Nederland een toppositie te bereiken op een aantal goed gedefinieerde terreinen.

Naast de bestaande sterke positie op technologisch terrein is vooral versterking nodig op het gebied van internationaal ondernemen in landbouw en voeding. Te denken valt aan een internationaal opleidingscentrum voor het hogere kader van zowel grote als kleinere ondernemingen. Het accent moet dan liggen op kennismanagement, strategievorming en leren werken in een multinationale en multiculturele omgeving. Dit met veel aandacht voor internationale markten, agroketens, handel en landbouwpolitiek.

Zo'n centrum kan zich manifesteren in een versterking van de tweede fase en een programma voor education permanente. Zowel medewerkers als cursisten worden internationaal geworven. In de vorm van een strategische alliantie kan de Nederlandse expertise (van bijvoorbeeld KCW, Nijenrode en Erasmus) worden gebundeld met die van buitenlandse partners. Zo kan een krachtig netwerk ontstaan met mondiale uitstraling. Het is noodzakelijk een trekker aan te wijzen met voldoende mandaat en budget om zo'n centrum te ontwikkelen.

3. Kennisinstellingen als internationale kennisonderneming

Om, vanuit een sterke positie op de thuismarkt, kennis en expertise internationaal tot waarde te kunnen brengen dienen kennisinstellingen zich te gedragen als ondernemingen. Dat kan in verschillende rollen:

Deze drie rollen zijn in verschillende zakelijke vormen onder te brengen, en kunnen elk leiden tot nieuwe en stimulerende relaties met marktgerichte bedrijvigheid.

(foto)

Op 5 februari bood prof. dr.ir. L.C. Zachariasse (lid van het Dagelijks Bestuur van de NRLO) het rapport 'Globalisering en agribusiness' aan aan prof. dr. C.P. Veerman, voorzitter van de Raad van Bestuur van Kennis Centrum Wageningen (KCW).

Volgens prof. Veerman sluiten de voorstellen uit het rapport goed aan bij de ideeën die op dit terrein bij KCW bestaan. ,,Dat de NRLO zo duidelijk de zin van een goede band met het bedrijfsleven benadrukt is een goede zaak. Ik onderschrijf ook de stelling dat Wageningen een sterke technologische positie heeft, maar veel minder sterk is op het gebied van internationaal ondernemerschap. En dat terwijl ondernemerschap zo'n wezenlijke functie is in het bedrijfsleven. Wageningen heeft nog een grote inhaalslag te maken om ook op dit terrein een belangrijke internationale positie te verwerven.''

,,Ondernemers zijn moeilijk op te leiden. Men zegt wel dat ondernemers worden geboren. Toch wordt het steeds duidelijker dat je ook als ondernemer steeds meer kwaliteiten nodig hebt, kwaliteiten die zeker ook te leren zijn. Het voorstel voor een opleidingscentrum voor topkader op het gebied van internationaal ondernemerschap spreekt mij derhalve zeer aan. Binnen KCW zijn er ook ideeën en initiatieven in die richting, maar het NRLO-voorstel en de onderbouwing daarvan in dit rapport, ondersteunen die ideeën en kunnen daarmee een belangrijke rol spelen in de discussie over de vormgeving van KCW, gericht op de toekomst.''

upMarkt en consument

Dit rapport (98/3) gaat in op belangrijke veranderingen in de markt en van de consument. Deze veranderingen vragen grote aanpassingen van de agribusiness.

upKennisthema's

1. Kansen in de markt

Met een strategie van low cost bulk heeft de Nederlandse agribusiness een sterke positie opgebouwd in met name de verzadigde en langzaam groeiende markten van de Europese Unie en Centraal Europa. Dat houdt een gevaar van stagnatie in.

De kansen liggen derhalve in Europese marktsegmenten met meer toegevoegde waarde, zoals gezondheidsproducten, milieu- en diervriendelijke producten en het toenemende buitenhuishoudelijk gebruik. En anderzijds in de opkomende markten, waar de Nederlandse positie momenteel nog beperkt is (zoals Latijns Amerika, Pacific Rim, China en India).

Momenteel ontbreekt nog de basiskennis over marktstructuur, consumentengedrag, cultuurpatronen en instituties in dergelijke landen. Met name voor het MKB zou dergelijke kennis publiek beschikbaar moeten komen.

2. Individueel maatwerk

Een belangrijke trend in de Westerse wereld is massa-individualisering. Op termijn zal deze tendens ook elders in de wereld aan belang winnen. Daarbij komt het steeds neer op het leveren van de juiste kwaliteit op het juiste moment op de juiste plaats. Het volgen van de consument als 'bewegend doel'.

De consument van de toekomst is grillig. Naargelang het moment gedraagt hij zich als rationeel op het eigenbelang gericht individu, sociaal of milieubewust. Wel is de verwachting dat naast veiligheid ook gezondheid, milieu en dierenwelzijn een belangrijk deel gaan uitmaken van de kwaliteitsbeleving.

Toenemend is ook het buitenhuishoudelijk gebruik. In de VS is dat al vijftig procent. Dit gaat gepaard met andere eisen aan houdbaarheid, gemak en presentatie.

3. Consumentgestuurde technologie-ontwikkeling

Genoemde ontwikkelingen genereren een vraag naar een meer gedifferentieerd en sneller veranderend productassortiment. Dit vereist andere, flexibele ('dedicated') voortbrengingssystemen. Nieuwe inzichten in genetische aspecten en bio-actieve componenten bieden uitzicht op mogelijkheden voor gezond en natuurlijk voedsel op maat. Nadrukkelijker zal rekening gehouden moeten worden met morele en ethische overwegingen van de consument (bijvoorbeeld ten aanzien van milieu en dierenwelzijn).

4. Van ketens naar flexibele netwerken

Het inspelen op een sterk wisselende marktvraag noopt tot flexibele voortbrengingsketens. Volledige verticale integratie lijkt daarvoor niet geschikt. Beter is een verdere ontwikkeling van het keten-concept tot responsieve netwerken die het voordeel van onderlinge afstemming combineren met de flexibiliteit van lossere organisaties. Hierbij dienen de voortbrengingsketens en de transport- en distributiesystemen vanuit een integraal concept te worden herontworpen. En dat niet alleen met oog voor efficiency, maar ook voor zaken als kwaliteit, milieu en ruimtebeslag. Aparte aandacht verdient daarbij het transport. Momenteel betreft 40 procent van het binnenlands wegtransport agrarische producten. Met geïntegreerde aanpak in ketenverband moet daar veel zijn te winnen.

upKennisinfrastructuur

Genoemde aspecten vormen dito uitdagingen voor het onderzoek. Een aantal is afgelopen jaren al door verschillende onderzoeksinstellingen opgepakt. Zaak is dat die instellingen ook gaan samenwerken in programma's die bijdragen aan het genereren van nieuwe kennis en technologieën. In het kader van innovatie in de markt is de publiek-private samenwerking van belang. Het streven moet zijn de internationale positie van het Nederlandse voedings- en agrotechnologisch onderzoek verder uit te bouwen.

Met betrekking tot ketens en netwerken is het nodig te komen tot een Centrum voor integrale keten- en netwerkkunde, met nadrukkelijke aandacht voor aspecten van transport, distributie en logistiek binnen randvoorwaarden van milieu, ruimte en leefbaarheid. Inmiddels worden al plannen uitgewerkt voor een Kenniscentrum 'Ketens en Logistiek'.

Ten aanzien van nieuwe markten en consumenten moet de Nederlandse kennis en kennisstructuur versterkt worden, met veel aandacht voor toegankelijke informatie voor het bedrijfsleven. Overheid (LNV), bedrijfsleven en onderzoeksinstellingen, met LEI-DLO als trekker, werken inmiddels aan een plan om te komen tot een prototype 'Data Warehouse' voor de agribusiness.

(foto)

Op 6 februari heeft dr.ir. B.G. Linsen (lid van het Dagelijks Bestuur van de NRLO) het rapport 'Markt en Consument' (NRLO 98/3) aangeboden aan drs. J.W. Broekhuis, voorzitter van de VAI.

In zijn dankwoord benadrukte Broekhuis een aantal punten:

Vooral de verre markten, en het inspelen op de locale behoeften aldaar, zijn van belang voor het bedrijfsleven.

upLandbouw en Milieu

Om de problemen tussen landbouw en milieu tot een werkelijke oplossing te brengen moeten - naast de bestaande - een drietal nieuwe wegen bewandeld worden. Deze worden in dit rapport (98/4) geschetst:

1. Systeem-innovaties

End-of-pipe en procesgeïntegreerde oplossingen op bedrijfsniveau zijn op termijn ontoereikend om de milieudoelstellingen te realiseren. Daarvoor zijn verdere systeeminnovaties nodig. Met name op hogere aggregatie-niveaus, bijvoorbeeld door sluiting van kringlopen met andere sectoren binnen en buiten de landbouw. Dit kan nopen tot ingrijpende herstructurering van productieprocessen en ruimtelijke herallocatie van sectoren.

Voor het verkennen en ontwerpen van dergelijke innovaties zijn in het onderzoek wezenlijk andere werkwijzen, structuren en kwaliteiten nodig: van optimalisatie van het bestaande naar ontwikkeling van nieuwe systemen; van analyse en verklaring naar synthetisering; van mono- naar multi-, inter-, en transdisciplinariteit; van specialisme naar 'T-shaped skills' ofwel de vaardigheid om disciplinaire diepgang te combineren met breedte; en van puur onderzoek naar co-innovatorschap in samenwerking met uiteenlopende groepen onderzoekers en niet-onderzoekers.

Uiteindelijk is behoefte aan een hecht netwerk (of virtueel centrum) van experts, onderzoekers en niet-onderzoekers; van bèta's en gamma's; van landbouwkundigen en niet-landbouwkundigen. Dit netwerk bestaat uit flexibele, resultaat gerichte samenwerkingsverbanden en is als geheel gericht op systeeminnovaties op pilot-schaal, inclusief kennistransfer.

Om zo'n netwerk te realiseren moeten probleemhebbers, financiers en kennisinstellingen (inclusief onderwijs) komen tot een innovatieprogramma met aandacht voor de keuze van thema's en doelstellingen; de concrete aanpak; de benodigde concepten, methoden en technieken; de continuering na de pilot-fase; de organisatie en de benodigde middelen. Een klein onafhankelijk centrum zou minimaal vijf jaar de rol van trekker, makelaar en coördinator moeten vervullen. De ervaringen van DTO en AKK kunnen hierbij benut worden.

Het centrum brengt zeer uiteenlopende deskundigen samen voor idee-ontwikkeling en geeft opdrachten tot haalbaarheidsstudies en voorbeeld-ontwerpen. LNV en VROM kunnen samen een trekker benoemen om de haalbaarheid van het ontwikkelen van systeeminnovaties te toetsen in gesprekken met stakeholders.

2. Meer inbedding van sociaal-wetenschappelijke expertise

Nu op het vlak van milieutechnologie het nodige is bereikt, gaan gedrags- en maatschappelijke processen steeds meer de bottleneck vormen. Door gebrek aan kennis hierover én door onvoldoende participatie van gebruikers bij het ontwikkelingsproces komt de toepassing van milieubesparende technologieën te langzaam van de grond. Dit vraagt om een meer participatieve benadering bij de technologie-ontwikkeling en meer inzicht in elementen van structuur en cultuur in relatie tot technologie. Ofwel: bundeling, uitbreiding en verbetering van de inbedding van sociaal-wetenschappelijke expertise binnen het sterk technologische landbouwkundig onderzoek. Het gaat hierbij om:

- grotere kritische massa van gammawetenschappen binnen KCW door uitbreiding en bundeling;

- een sterkere functie van gammagroepen als vertaler en integrator van relevante gamma-ontwikkelingen buiten KCW;

- meer samenwerking tussen sociale wetenschappers uit zeer uiteenlopende disciplines;

- een betere balans tussen Wageningse en niet-Wageningse sociale wetenschappers;

- betere interactie en samenwerking met bèta-wetenschappers.

Gedacht kan worden aan een sociaal-wetenschappelijk centrum voor landbouwvraagstukken met de landbouw-milieu problematiek als belangrijk aandachtsveld. De huidige, sterk versnipperde gammagroepen kunnen daarin organisatorisch, en op den duur wellicht fysiek, gebundeld worden. Ook de inbreng van instellingen buiten het landbouwcircuit is gewenst. Medewerkers kunnen op programmabasis worden gedetacheerd bij andere onderzoeksgroepen (en omgekeerd). Naast onderzoek verzorgt het centrum beleidsadvisering en onderwijs. Een basisfinanciering uit overheidsmiddelen is nodig om de opbouw en instandhouding van expertise mogelijk te maken.

3. Een netwerk voor monitoring en management-informatie

Duurzame ontwikkeling als gezamenlijk leerproces vraagt voortdurende adequate informatie over bijvoorbeeld gebruik, emissie, verspreiding en effecten van schadelijke stoffen. Dit mede in relatie tot technische en beleidsmaatregelen. De huidige informatiestromen schieten tekort. Vandaar het voorstel tot vorming van een netwerk met als doel:

- harmonisatie van het vergaren en berekenen van technische, sociaal-economische en milieukundige parameters;

- koppeling van typen parameters op nationaal, regionaal en bedrijfsniveau;

- het toegankelijk maken van de informatie voor uiteenlopende gebruikers (overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en burgers).

Te denken valt aan een klein landelijk coördinatiepunt met voldoende autoriteit en budget. Zo'n centrum moet beschikken over brede deskundigheid; goed en intensief contact (onder andere door detachering) met dataverzamelaars als RIVM, LEI-DLO, Riza, TNO, SCP enz.; en een nauwe koppeling aan de planbureaus voor milieu en natuur, waar RIVM de trekker is.

Bij de start is een additioneel budget nodig, maar daarna is financiering mogelijk uit reguliere budgetten en bijdragen van gebruikers. De trekkersrol ligt bij de overheid (VROM, V&W, LNV, IPO). LNV kan een plan laten maken, waarvoor één van de deelnemers in het Milieuplanbureau als penvoerder op kan treden.

(foto)

Op 17 februari ontving Minister A. de Boer van VROM het rapport 'Landbouw en milieu' (NRLO 98/4) uit handen van NRLO-voorzitter prof. dr.ir. A. Rörsch.

De minister is verheugd over het feit dat de relatie landbouw en milieu nu vanuit een lange termijn perspectief is bekeken. De ontwikkeling van een integrale visie op de ontwikkeling van de agrosector, waarvan milieu deel uitmaakt, is nodig om de stap van sanering naar preventie te maken. De voorstellen om het innovatief onderzoek te versterken en het onderzoek in deze richting te stroomlijnen worden door haar onderschreven. CLM, de NRLO en de RMNO, het RIVM en enkele stimuleringsregelingen op milieugebied kunnen daarbij een rol spelen. Integratie van verschillende soorten deskundigheden is zo'n kernopgave voor de toekomst. Het toevoegen van nieuwe instellingen is vaak niet effectief, aldus de minister. De discussie over de wijze waarop de voorstellen kunnen worden gerealiseerd zal op ambtelijk niveau worden voortgezet.

upNaar een gezonde veehouderij

Het vinden van een duurzame oplossing voor de Nederlandse diergezondheidssituatie zal tot ver in het komende decennium een grote uitdaging blijven voor bedrijfsleven, overheid, maatschappelijke groeperingen en kennisinstellingen. Qua kennisontwikkeling lijken volgens het rapport (98/5) vier vernieuwingen nodig:

1. Strategieën voor vrijwaring en beheersing van dierziekten

De kansen op besmettingen met dierziekten zullen in de toekomst eerder toenemen dan afnemen. Dit onder meer door de groeiende mobiliteit van mensen, dieren en goederen, toenemende contacten met besmettingshaarden als Oost-Europa en het groeiende aantal natuurgebieden en hobbyboeren.

Waarschijnlijk zal de EU komende jaren voor steeds meer infectieuze ziekten een vrijwaringsstrategie met non-vaccinatie voorschrijven. Voor Nederland, met haar hoge dierdichtheden en omvangrijke transportstromen, is dat weinig aantrekkelijk. Uitbraken leiden tot hoge kosten en grote maatschappelijke weerstand tegen de ingrijpende maatregelen die nodig zijn om de vrij-status te herstellen. Daar komt bij dat de dominante organisatorische en financiële rol van de overheid bij de bestrijding, de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven niet stimuleert. Er is dan ook behoefte aan alternatieve uitgangspunten en scenario's.

Hierbij spelen vraagstukken op veterinair-zoötechnisch terrein; op het gebied van publiek-private samenwerking; en op een breder maatschappelijk vlak (zoals milieu, welzijn en ruimtelijk beleid). Met name is een synthese nodig van veterinaire en zoötechnische expertise op aggregatieniveaus als bedrijf, sector, regio en land. Bovendien zijn verbindingen nodig met disciplines als rechten, organisatie- en bestuurskunde, economie, ecologie, ethiek en planologie. Er zijn dus nieuwe samenwerkingsverbanden en nieuwe vormen van participatieve kennisontwikkeling nodig.

Een innovatieprogramma, gericht op probleemgerichte kennissynthese in nauwe samenwerking met stakeholders, zou enerzijds moeten resulteren in blijvende veranderingen in de kennisinfrastructuur en anderzijds in bruikbare ontwerpen voor diergezondheidsstrategieën.

Een ondersteunende unit kan kennisprocenten en probleemhebbers in nieuwe combinaties bijeen brengen; als coördinator optreden voor de uitwerking van ideeën en haalbaarheidsstudies; en een draagvlak voor implementatie van oplossingen aftasten en bevorderen. LNV zou hiervoor een trekker kunnen benoemen.

2. Expertisenetwerk voor epidemiologie van dierziekten

Voor de aanpak van dierziekten zijn er nog enkele belangrijke kennishiaten op het gebied van pathobiologie (inclusief diagnostiek) en epidemiologie van dierziekten (mogelijke bronnen, vectoren, en besmettingsrisico's). Vooral over de verspreiding van een ziekte binnen een populatie en tussen populaties (zoönosen) is nog te weinig bekend.

In dit verband is behoefte aan een expertisenetwerk voor het verzamelen en bewerken van praktijkgegevens over de verspreiding van dierziekten (inclusief zoönosen) en hun relatie met mogelijk relevante factoren. Mogelijke participanten zijn de gezondheidsdienst, RVV, FD, ID-DLO, LUW en proefstations. Mede gezien de grote verschillen in cultuur en werkwijze lijkt het verstandig een klein centrum in te richten om het netwerk op de rails te zetten. LNV zou in deze het initiatief kunnen nemen tot een taskforce.

3. Geïntegreerde veehouderijsystemen

Eisen ten aanzien van diergezondheid staan binnen het bedrijf vaak op gespannen voet met eisen ten aanzien van bijvoorbeeld milieu, welzijn en economie. De afweging van de veehouder, op operationeel, tactisch én strategisch niveau, is hierbij cruciaal. De kennisinfrastructuur zou moeten zorgen voor een zodanige integratie van één en ander dat een voor de veehouder hanteerbaar geheel ontstaat.

In dit verband zou een innovatieprogramma gericht moeten worden op het ontwerpen van bedrijfssystemen die voldoen aan toekomstige maatschappelijke en bedrijfseconomische eisen. Hierbij kunnen ook technologieën en managementconcepten meegenomen worden die op zich nog in ontwikkeling zijn. Zo'n werkwijze biedt inzicht in hoeverre bepaalde concepten een oplossing kunnen vormen en kan een impuls geven aan strategisch-fundamenteel onderzoek. Ook hier lijkt in de aanloop een kleine, onafhankelijke unit nodig als trekker, makelaar en coördinator. LNV zou een trekker kunnen benoemen om de haalbaarheid van één en ander te toetsen in gesprekken met stakeholders.

4. Opleiding beleidsepidemiologen en veterinaire kwaliteitsmanagers

De verschuiving van een vooral op klinische diagnostiek en therapie gebaseerde aanpak naar een meer door risico's en kosten-baten analyses gestuurde preventie zal behoefte scheppen aan een nieuw soort professionals.

Beleidsepidemiologen gaan een rol spelen bij de ontwikkeling en het beheer van beheersings- en vrijwaringsprogramma's en opereren vooral in het circuit van beleidsmakers bij overheid en bedrijfsleven.

Veterinaire kwaliteitsmanagers adviseren sectoren, ketens en individuele veehouders bij de keuze van programma's en de implementatie daarvan.

Met het oog hierop is een verbreding van de veterinaire en zoötechnische opleiding nodig met disciplines als economie, kwaliteitskunde, bedrijfskunde en informatica. De NRLO stelt voor dat FD en LUW hiervoor gezamenlijk een curriculum ontwikkelen.

(foto)

Op 3 februari ontving ir. J.F. de Leeuw, Directeur-Generaal van LNV, het rapport 'Naar een gezonde veehouderij' uit handen van prof. dr.ir. E.W. Brascamp (lid van het Dagelijks Bestuur van de NRLO).

De Leeuw noemde het moment van aanbieden goed gekozen. LNV is immers bezig met het formuleren van antwoorden op vele veterinaire vragen en begint juist aan de herstructurering van de varkenshouderij. ,,Het is daarom van groot belang dat nu ook de kennisinfrastructuur op het aspect van diergezondheid is doordacht. Ik ben ervan overtuigd dat het rapport alleen al hierom veel aandacht zal krijgen''.

De Leeuw zei ook zich te kunnen vinden in de hoofdlijnen van het rapport. ,,Ik denk dat het de hoofdzaken te pakken heeft en ook voortbouwt op al in gang gezette ontwikkelingen. Ontwikkelingen overigens waarin de NRLO al eerder een belangrijke initiërende rol heeft gespeeld. Ik denk aan de epidemiologie in het bijzonder.''

De inbedding, vormgeving en inrichting van de kleine tijdelijke units moet volgens De Leeuw zorgvuldig worden bekeken. ,,Niet dat ik me zorgen maak over de haalbaarheid van het idee. Integendeel: we kunnen veel leren van vergelijkbare en succesvolle functionele eenheden.'' Hij wees op dergelijke 'vogelnestconstructies' bij universiteiten. KCW en FD zouden volgens hem de verantwoordelijkheid voor de institutionele vormgeving en inbedding moeten nemen.

upColofon

NRLO
Bezoekadres:Bezuidenhoutseweg 73
Postadres:Postbus 20401
2500 EK Den Haag
Tel. 070 - 3785653
Fax 070 - 3786149

Prof.dr.ir. A. Rörsch, voorzitter070 - 3785650
Dr.ir. A.P. Verkaik, directeur Bureau 070 - 3785692
Secretariaat
Mw. D.P. Pieters-van Wageningen070 - 3785653
Mw. M.J.V. Schouten-Hattink070 - 3785694
Mw. Y. van Zelst-van Wetten070 - 3785537
Medewerkers
Ir. N.A. Dijkveld Stol070 - 3785652
Dr. H. Hetsen070 - 3784106
Dr.ir. H.J. van Oosten070 - 3785727
Dr.ir. J.M.P. Papenhuijzen070 - 3784751
Ir. Hans Rutten070 - 3785777
Dr.ir. J.G. de Wilt070 - 3784774

Nieuwsbrief nummer 9 - Februari 1998

[NRLO Home]