Let op. Tel. en fax nr. gewijzigd.
P. Huigen en D. Strijker van de Rijksuniversiteit Groningen benadrukten in hun verhaal dat het relatieve belang van de landbouw op het platteland al in de zestiger en zeventiger jaren sterk is teruggelopen. Inmiddels wordt de plattelandseconomie nog maar voor 15 à 30 procent door de landbouw gedragen en zijn nieuwe machtige spelers op het platteland opgedoken.
Sinds de tweede wereldoorlog is de landbouw losser komen te staan
van zijn fysieke en sociale omgeving door rationalisatie en productie
voor de wereldmarkt. Maar het laatste decennium wordt de burger
weer dichterbij gehaald en is er sprake van een overgang van landbouwbedrijf
naar plattelandsonderneming. Huigen en Strijker vragen zich af
of de extra activiteiten die daarmee gepaard gaan (zoals recreatie
en natuurbeheer) niet op lange termijn de traditioneel sterke
punten van de Nederlandse landbouw - zoals een lage kostprijs
- ernstig onder druk gaan zetten. Een ander punt dat zij signaleren
is dat zich op het platteland tegelijkertijd tendensen van 'ont-streking'
en 'ver-streking' voordoen. Enerzijds wordt het platteland eenvormiger:
een ligboxenstal is overal hetzelfde. Aan de andere kant is er
een groeiende belangstelling voor het streekeigene: het zoeken
naar identiteit in de lokale historie, landschapskarakteristieken,
dialecten, lokale cultuur en streekeigen producten.
Coreferent A. van den Brink van de Dienst Landelijk Gebied stelde
dat de landbouw alleen al door haar omvangrijk ruimtegebruik
- nog altijd sterk bepalend is voor het platteland. Het lijkt
hem interessant de 'trends' van (de-)ruralisatie en ver- en ontstreking
matrixgewijs verder uit te werken. Een belangrijke vraag is ook
welke partijen invloed krijgen op de invulling van het platteland
en hoe zij hun invloed uitoefenen.
Landschapsarchitect D. Sijmons van Bureau H+N+S stelt vast dat de landbouw vrijwel geheel afwezig is in de discussie over de ruimtelijke ordening. Vandaar ook de titel van zijn essay: 'Uitgewerkt en afgedaan?'
Waar differentiatie in bedrijfsstijlen nodig is zal men volgens
Sijmons via inrichtingsmaatregelen de 'korrelgrootte van gedwongen
gemeenschappelijkheden' willen verkleinen. Hij benadrukte daarbij
wel dat de tijd voorbij is dat aanpassingen in inrichting uitsluitend
vanuit een agrarische optiek geschieden. In die zin zal de landbouw
alert moeten zijn op het benutten van kansen zoals die geboden
worden bij de uitvoering van bijvoorbeeld verstedelijking, water-,
milieu-, en natuurbeleid. In de transformatie die op het platteland
afkomt zal de landbouw de ruimtelijke ordening dan ook ontzettend
hard nodig hebben. De overheid heeft in dit geheel de onvervreemdbare
verantwoordelijkheid om te zorgen dat aantrekkelijke nieuwe cultuurlandschappen
ontstaan. Daartoe moeten simpele regels geformuleerd worden en
wel zodanig dat ze de motivatie prikkelen om tot nieuwe oplossingen
te komen. In zijn essay geeft Sijmons een indruk van een aantal
mogelijke ruimtelijke expressies.
Coreferent M. van den Berg stelde enthousiast vast dat Sijmons
'van waarneming komt tot impliciete analyse, en dat met zeer treffend
taal- en beeldgebruik'. Zelf vroeg hij bezorgd aandacht voor het
nieuwe soort beslag dat recreanten op het platteland gaan leggen.
Een tijdelijk, vluchtig beslag zonder betrokkenheid: 'Het zijn
verzamelaars en jagers; het zijn scharrelburgers.' Daarnaast beklemtoonde
hij dat regionale sturing telkens verschillende meervoudige coalities
zal vergen.
J.D. van der Ploeg was op zoek gegaan naar de tijdloze essentialia die het eigene van landbouw, van het rurale, weergeven. Zo is landbouw steeds een co-productie met de natuur; ze is ambachtelijk c.q. niet (volledig) industrialiseerbaar; ze is georganiseerd in gezinsbedrijven; en ze kent veelal een beperkte relatie met 'de markt'.
Het zoeken naar essentialia van 'het rurale' is van belang omdat de landbouw alom in Europa erkend wordt als een cruciaal onderdeel van onze civilisatie en daarmee een algemeen maatschappelijk belang. En naarmate een samenleving sterker urbaniseert zal het rurale als waarde en als belang alleen maar groter worden.
Met name het landbouwkennissysteem valt te verwijten dat ze hier
te weinig oog voor heeft. Van der Ploeg bepleit een kritische
reflectie op de landbouwwetenschap en tegelijkertijd een uitbreiding
van het 'constructivistische' element daarin en versterking van
het interactieve element.
Als coreferent vroeg P. Vermeij van de directie Landbouw van LNV
zich af of de landbouw wel echt zo uniek is. Bovendien vroeg hij
zich af of betrokkenheid en verantwoordelijkheid in een zekere
autonomie inderdaad typerend zijn voor het gezinsbedrijf.
W. van Dinten, directeur Strategische planning van de Rabobank, nam wat meer afstand. Hij stelde vast dat er weinig over de toekomst valt te zeggen, en dat er zoveel invalshoeken op ons afkomen - die ieder op zich allemaal waar zijn - dat het niet meer te hanteren valt. Als we om ons heen kijken moeten we ondermeer vaststellen dat het in het leven meestal niet 'of-of' is maar 'en-en'. Dat materies derhalve zo ingewikkeld zijn dat we eigenlijk maar weinig kunnen weten. De kunst is om waar te nemen wat er gebeurt, en daar een betekenis aan te geven. 'Om te begrijpen wat je doet als je doet wat je doet.' Er zijn heel verschillende percepties van landbouw en verschillende criteria om die percepties te beoordelen en allemaal hebben ze hun betekenis. In zijn essay gaat Van Dinten ondermeer in op de manier waarop het bedrijfseconomische paradigma in onze cultuur (te) dominant is geworden.
Als er een crisis is, zo concludeert hij, dan is dat een crisis
in organiseren. Hoe kunnen we organiseren dat datgene dat van
waarde is ook de plaats krijgt die we het zouden willen geven?
Daarvoor moeten percepties veranderen. Dat is de kern van het
probleem.
G. Meester, hoofd Strategische Beleidsvorming van LNV, vond Van Dinten's verhaal van belang in de zin dat we vaak met landbouw bezig zijn zonder ons te realiseren vanuit welke normen, waarden en percepties we dat toch alweer doen. Als ministerie ontkom je daar ook nauwelijks aan: je wordt geconfronteerd met een aantal doelstellingen en vervolgens moet je op zoek naar instrumenten om in die richting te sturen.
In de discussie werd een beeld geschetst van een landbouw die zeer pluriform is in zowel haar omgevingscondities, haar ontwikkelingsstrategieën, als in de normen waarop ze wordt afgerekend. Om deze landbouw adequaat te begeleiden moet ook de kennisinfrastructuur ruimte creëren voor verschillende wetenschappelijke benaderingen, opvattingen en percepties. Met name werd gepleit voor meer creativiteit en sensibiliteit, ook in de wetenschap. Met name die sensibiliteit riep bij anderen weer huiver op.
De besproken essays zijn bij de NRLO te verkrijgen. Een verslag
van de workshop komt binnenkort beschikbaar.
Projectleider: N.A. Dijkveld Stol, 070 - 378 5652
Eén van de verkenningen van de NRLO is gericht op het signaleren
van potentieel interessante ontwikkelingen in wetenschap en technologie,
zowel in de 'klassieke' landbouw-gerelateerde wetenschappen als
in wetenschapsterreinen daaromheen. Maar steeds met de vraag wat
deze ontwikkelingen zouden kunnen betekenen voor de agribusiness.
De verkenning is onderverdeeld naar plantaardige productie en
afzet, dierlijke productie en afzet, verwerking, humane voeding,
gezondheid, ketenkwaliteit, en landelijk gebied. Op enkele onderdelen
zijn al studies en essays verschenen.
Op de workshop 'Dynamiek in Wetenschap en Technologie', die op
2 december in Wageningen werd gehouden, kwamen een tweetal studies
aan de orde:
- Een analyse door ATO-DLO over de eigen dynamiek van Wetenschap
en Technologie. Daarin is vooral gekeken naar ontwikkelingen in
andere sectoren. Vervolgens is terugvertaald naar de agrosector
in termen van impact, scope en mogelijke rol als trekker, participant
of volger. Een belangrijke conclusie luidt dat interessante ontwikkelingen
die grote impact hebben op de agrosector (zoals bijvoorbeeld de
sensortechnologie) voortkomen uit een integratie van kennis uit
verschillende vakgebieden, zoals bijvoorbeeld materiaal-, bio-
en proces- en productietechnologie, waarbij informatie- en communicatietechnologie
een belangrijke aanjaagfunctie vervullen. Uitgebracht als NRLO-rapport
97/26.
- Een essay van W. Jongen en anderen (LUW) over consumentgestuurde
technologie. Zijn de vele uiteenlopende marktwensen wel technologisch
haalbaar met behoud van efficiency? Uitgaande van verschillende
mogelijke beelden van de toekomstige consument en de daarbij gewenste
productassortimenten vindt terugvertaling plaats naar prioriteiten
in technologische ontwikkelingen. Ook in deze studie blijkt integratie
van kennis uit verschillende onderzoeksgebieden van belang. Verder
wordt gepleit voor een meer gestructureerde aanpak van productontwikkeling
en voor 'dedicated' productiesystemen, die beter aansluiten bij
de dynamiek van de markt. Uitgebracht als NRLO-rapport 97/22.
Op de studiedag van 2 december werd de discussie ingeleid door
drie personen die vanuit verschillende optiek een co-referaat
hielden: S. Bruin van Unilever Research sprak vanuit exploratief
onderzoek van voedingsmiddelen; H. Leeuwis van 3T BV vanuit sensor-
en microsysteem-technologie, en W. Janssen van de Stichting Academisch
Rekencentrum Amsterdam vanuit virtual reality. De resultaten van
deze dag verschijnen als NRLO-rapport 98/6.
In de deelverkennig plantaardige productie zijn inmiddels twee
essays gepubliceerd:
De auteurs bepleiten met klem een geïntegreerde benadering
bij het ontwerpen, plannen en besturen van systemen: het conceptueel
ontwerpen. Een ander terrein met toekomst is de modellering van
complexe, weinig begrepen processen. Daarbij gaat het erom om
uit de enorme veelheid aan data de relevante informatie te destilleren
en vooral ook om vanuit data te leren. Dat kan leiden tot concepten
als 'the speaking plant', waarbij de plant zelf het sturende instrument
is voor bijvoorbeeld klimaatregelingen. Daarnaast wordt ingegaan
op begrippen als kunstmatige intelligentie, neurale systemen en
fuzzy logic. Uitgebracht als NRLO-rapport 97/24.
In deze serie essays verschijnen deze maand essays van A. van
Kammen over moleculaire plantenbiologie, uitgebracht als NRLO-rapport
97/36, en R. Rabbinge over plantaardige productiesystemen en productie-ecologie.
Uitgebracht als NRLO-rapport 97/37.
Projectleiders: H.J. van Oosten, 070 - 378 5727; en J.M.P. Papenhuijzen, 070 - 378 4751
Onder deze titel deed LEI-DLO een studie naar het beschikbaar stellen, toegankelijk maken en verder ontwikkelen van kennis met betrekking tot opkomende (onder andere verre) markten in de wereld. Het gaat daarbij met name om basale kennis over marktstructuur, consumentengedrag, cultuurpatronen en instituties. De publieke kennis over deze markten blijkt nog onvoldoende (systematisch) beschikbaar. Voorgesteld wordt een prototype 'Data Warehouse' voor de agribusiness te ontwikkelen: een specifieke search engine. Vertegenwoordigers van overheid en bedrijfsleven zijn betrokken bij de ontwikkeling van een gericht plan van aanpak hiervoor. Uitgebracht als NRLO-rapport 97/38.
Projectleider: J.M.P. Papenhuijzen, 070 - 378 4651
Op 25 november werd een NRLO-workshop gewijd aan de toekomst van
innovatieprocessen in de (primaire) land- en tuinbouw.
Niet alleen in de landbouw zelf, maar ook in het landbouwkennissysteem is onzekerheid momenteel troef, zo stelde dagvoorzitter Zachariasse. De toekomst van het praktijkonderzoek is ongewis; niemand weet wat het Kennis Centrum Wageningen gaat worden; en men vreest de risico's van de verzakelijking. De vraag ligt voor hoe we organiseren dat de primaire landbouw ook op termijn voldoende innoveert.
Innoveren doe je niet alleen. Alleen al omdat het gaat om nieuwe combinaties van ideeën. Het is dan ook de vraag of je je louter moet richten op de klassieke 'groene' kennisgebieden. Men moet ook gaan kijken naar nieuwe partners zoals industrieën en particuliere adviesdiensten. De overheid moet helpen om systeeminnovaties gestalte te geven.
Ter oriëntatie hebben praktijkmensen vanuit vier sectoren
samen met onderzoekers een essay gewijd aan het onderwerp.
Enkele steekwoorden uit de vier essays:
1. "Naar een nieuwe maatschappelijke functie voor de varkenshouderij"
(H. de Lange, G. Backus). Hierin wordt gepleit voor
verbreding van de scope van de sector en een bredere maatschappelijke
oriëntatie in onderwijs en onderzoek. 'Laat leerlingen eens
stage lopen in een verpleeghuis in plaats van op het zoveelste
varkensbedrijf.'
2. "Melken voor morgen" (B. Ettema, B. Prins). Het wordt
eerst denken en dan pas doen. Er moet meer accent op strategieontwikkeling:
welke kant wil je op met je bedrijf. En oriënteer je daarbij
ook op het niet-agrarische bedrijfsleven.
3. "Akkerbouw of afbouw" (H. van Drumpt, N. Röling).
Versterk het ecologisch perspectief van de akkerbouw binnen een
vernieuwd sociaal en economisch verband. Bijvoorbeeld een gebiedsgericht
'beheersschap'.
4. "Werken aan tuinbouwclusters" (T. Ammerlaan, J. van
den Brand, N. Somers en W. van Rijn). Het gaat steeds meer om
ondernemerschap waarbij kennis een strategische factor wordt.
Om versnippering in de kennisvraag te voorkomen is ketenregie
nodig. Mogelijk geeft dat een revival van de coöperatie.
Door clustervorming kunnen tuinders hun invloed blijven uitoefenen.
Maarten Souwer (organisatiedeskundige) miste in de essays drie
elementen. Op de eerste plaats het centrale thema in de gesignaleerde
veranderingen. Mogelijk is dat samen te vatten als individualisering.
Verder mist hij een scherpe formulering van het centrale probleem:
men fixeert zich op concrete oplossingen terwijl het steeds meer
draait om processen. En op de derde plaats mist hij een visie
op de karakterverandering van innovatie in de komende twintig
jaar: het institutionele karakter zal plaatsmaken voor een dynamisch
proces waarbinnen individuele zienswijzen en belangen niet worden
ontkend maar juist gekend.
Frank Biesboer (wetenschapsjournalist) destilleerde uit de essays
enkele centrale vragen. Welke organisatievormen zijn geschikt
om de specifieke kennisvraag van de agrarische ondernemingen te
managen? Welke rol krijgen bestaande kennisinstellingen in het
kennisaanbod? Verschijnen andere kennisproducenten op het toneel?
En verschuift de rol van het publiek gefinancierde onderzoek van
kennisproductie naar kennismakelarij?
In de discussie kwamen een aantal punten aan de orde.
In zijn slotwoord ging Jan Willem Arnold (Innovatiecentrum Den
Haag) ondermeer in op de rol van de overheid. Die moet zich niet
bemoeien met wat er geïnnoveerd wordt maar wel met de vraag
hoe dat moet. Geen strak regulerend stoplicht om het verkeer precies
te regelen, maar een rotonde waar de gebruikers zelf de spelregels
kunnen interpreteren.
Medio december zullen de essays, inclusief de reacties van Souwer
& Biesboer, gepubliceerd worden. Uitgebracht als NRLO-rapport
97/44.
Projectleider: Hans Rutten, 070 - 378 5777
Productveiligheid, dierlijk welzijn (inclusief gezondheid) en milieu staan bij consumenten en burgers hoog op de agenda en bepalen daarmee sterk het publieke imago van de veehouderij. Momenteel bestaan echter grote tegenstellingen tussen wat veterinair wenselijk is en maatschappelijk acceptabel.
Voorbeelden zijn preventieve medicatie en het preventief ruimen
van gezonde dieren bij ziekte-uitbraken. Om tot gewenste aanpassingen
te komen is ondermeer inzicht nodig in de ethische en sociaal-economische
aspecten van veehouderij en diergezondheidszorg.
Bij de Europese harmonisatie van de diergezondheidsstatus is gekozen
voor een vrijwaringsstrategie, waarbij vaccinatie niet is toegestaan.
Bijgevolg worden bij uitbraken rigoureus besmette en gezonde dieren
geruimd. De maatschappelijke weerstand hiertegen is aanzienlijk.
Daarbij komt dat de effectiviteit van deze strategie matig is
in een situatie als de Nederlandse, met grote concentraties dieren
per bedrijf en per regio en een omvangrijk transport van mensen,
dieren en goederen. En de risico's van het non-vaccinatiebeleid
zullen in de toekomst alleen maar toenemen gezien de groeiende
mobiliteit, de steeds intensievere contacten met potentiële
besmettingshaarden in bijvoorbeeld Oost-Europa en de toename van
veehouderij in natuurgebieden en onder hobbyboeren. Dit alles
maakt het dringend noodzakelijk om te komen tot meer adequate
strategieën voor de dierziektenbestrijding.
Ook op bedrijfsniveau zullen belangrijke innovaties moeten plaatsvinden.
Waar de preventieve diergezondheidszorg nu nog vaak een sluitpost
is in de bedrijfsvoering zal het in de toekomst een majeure overweging
moeten zijn bij de inrichting van bedrijven, ketens en regio's.
Waar nu veelal sprake is van een uitsluitend regionale aanpak
van dierziekten zullen in de toekomst ook in de keten voor bepaalde
ziekten specifieke eisen worden geformuleerd en bewaakt. Vanzelfsprekend
dienen bij het ontwikkelen van nieuwe houderijsystemen de ontwerp-eisen
uit hoofde van diergezondheid, welzijn en milieu zoveel mogelijk
geïntegreerd te worden.
Bij de bestuurlijke instrumentatie van de diergezondheidszorg
is sprake van een verschuivende balans tussen publieke en private
verantwoordelijkheden. Deze balans ligt per categorie dierziekten
verschillend en wordt mede bepaald door de EU- kaders. Het maatwerk
in de verdeling van verantwoordelijkheden moet ook tot uitdrukking
komen in de privaat- en publiekrechtelijke instrumenten, zoals
premie-, verzekerings-, controle- en certificeringssystemen.
Vernieuwing in de kennisinfrastructuur zijn nodig bij:
Projectleider: J.G. de Wilt, 070 - 378 4774
| Nummer: | Titel: |
| 97/1 | Vitaliteit van agrosector en landbouwkennissysteem |
| 97/2 | Toekomstonderzoek en strategische beleidsvorming Eindrapport |
| 97/3 | Toekomstonderzoek en strategische beleidsvorming Achtergronddocument |
| 97/4 | Feiten en cijfers over de ontwikkeling van de milieubelasting Achtergrondstudie voor de verkenning hulpstoffen en energie in landbouwsystemen in 2015 |
| 97/5 | Voorstellen ter vermindering van het gebruik van hulpstoffen en energie Achtergrondstudie voor de verkenning hulpstoffen en energie in landbouwsystemen in 2015 |
| 97/6 | Het instrumenteren van leerprocessen Achtergrondstudie voor de verkenning hulpstoffen en energie in landbouwsystemen in 2015 |
| 97/7 | Een verkenning van institutionele arrangementen Achtergrondstudie voor de verkenning hulpstoffen en energie in landbouwsystemen in 2015 |
| 97/8 | Naar eigen gerechtig(d)heid Achtergrondstudie voor de verkenning hulpstoffen en energie in landbouwsystemen in 2015 |
| 97/9 | Contouren en silhouetten van landbouw en milieu in 2015 Achtergrondstudie voor de verkenning hulpstoffen en energie in landbouwsystemen in 2015 |
| 97/10 | Bestuurlijke haalbaarheid van oplossingsrichtingen Achtergrondstudie voor de verkenning hulpstoffen en energie in landbouwsystemen in 2015 |
| 97/11 | Denkbeelden over agribusiness en internationalisatie Toekomstbeelden, strategieën en kennismanagement bij ondernemers: interviews met key-actoren |
| 97/12 | Agribusiness, R&D en internationalisatie Betekenis voor het eigen kennismanagement |
| 97/13 | Overheid, R&D en internationalisatie Nationale beleidsruimte voor wetenschaps-, technologie- en innovatiebeleid in de agrofoodsector |
| 97/14 | Landbouwbeleid en internationalisatie Ontwikkelingen en dilemma's in het landbouwbeleid tot 2015 |
| 97/15 | Kennisinstellingen en internationalisatie Positie van kennisinstellingen in de agrofoodsector op de internationale kennismarkt |
| 97/16 | Bio-actieve componenten in voeding Verslag van een workshop |
| 97/17 | Uitdagingen en concepten voor een toekomstig landbouwkennisbeleid |
| 97/18 | Milieudoelstellingen en landbouwmilieubeleid in Europa Achtergrondstudie voor de verkenning hulpstoffen en energie in landbouwsystemen in 2015 |
| 97/19 | Leven in verscheidenheid Advies van de RMNO en de NRLO voor het stimuleringsprogramma biodiversiteit |
| 97/20 | Integrale benadering biodiversiteit Verslag workshop "Biodiversiteit in onderzoek Onderzoekspotentieel stimuleringsprogramma biodiversiteit |
| 97/21 | Input-output relaties en de besluitvorming van boeren |
| 97/22 | Consumentgestuurde technologieontwikkeling Van wenselijkheid naar technologische haalbaarheid en doeltreffendheid |
| 97/23 | Methode voor kwaliteitsbeoordeling van de agro- kennisinfrastructuur Een haalbaarheidsanalyse op basis van 3 case studies |
| 97/24 | Ontwikkelingen in wetenschap en technologie Agrofysica, informatie- en communicatietechnologie in de plantaardige productie - |
| 97/25 | Ontwikkelingen in wetenschap en technologie Bodembiologie en plantaardige productie |
| 97/26 | Ontwikkelingen in wetenschap en technologie Kansen voor verwerking en distributie |
| 97/27 | Coping with turbulence Strategies for agricultural research institutes |
| 97/28 | Organisatie van innovatie Uitdagingen en concepten toekomstig landbouwkennisbeleid Verslag van de workshop van 12 juni 1997 |
| 97/29 | Visserijbeleid in 2010 Scenario's en kennisbehoeften |
| 97/30 | Naar een gezonde veehouderij in 2015 5 essays |
| 97/31 | Agro-ecosystem health |
| 97/32 | Ontwikkelingen in wetenschap en technologie Kansen voor de dierlijke sector |
| 97/33 | Kennis in plattelandsvernieuwing Achtergrondstudie voor de verkenning plattelandsontwikkeling |
| 97/34 | Ketens en plattelandsontwikkeling Markt-, keten- en netwerkkennis toegepast op het landelijk gebied een programmeringsstudie |
| 97/35 | Onderzoek boven water Een scenariostudie over visserij en ecosysteem |
| 97/36 | Ontwikkelingen in wetenschap en technologie Moleculaire plantenbiologie |
| 97/37 | Ontwikkelingen in wetenschap en technologie Plantaardige productiesystemen en productie-ecologie |
| 97/38 | Kennissysteem nieuwe markten |
| 97/39 | Landbouw en samenleving Een proces van afstoten en aantrekken Essay voor de verkenning "veranderende relaties tussen landbouw en maatschappij op weg naar 2015 |
| 97/40 | Uitgewerkt en afgedaan? De relatie tussen landbouw, ruimtelijke planning en ontwerp Essay voor de verkenning "veranderende relaties tussen landbouw en maatschappij op weg naar 2015" |
| 97/41 | Landbouw en samenleving Etalage van maatschappelijke vraagstukken Essay voor de verkenning "veranderende relaties tussen landbouw en maatschappij op weg naar 2015" |
| 97/42 | Over continuïteit en verandering De constantes van agrarische ontwikkeling Essay voor de verkenning "veranderende relaties tussen landbouw en maatschappij op weg naar 2015" |
| 97/43 | Veranderende relaties tussen landbouw en maatschappij op weg naar 2015 Verslag van het rondetafelgesprek van 12 september 1997 |
| 97/44 | Innovatie in land- en tuinbouw op weg naar 2015 Vier essays |
| 97/45 | Een kwantitatieve analyse van de bodembiologie in Nederland Indicatoren voor de benodigde kennisinfrastructuur |
Tel. NRLO 070 - 3785653
Fax 070 - 3786149
| Prof.dr.ir. A. Rörsch, voorzitter | 070 - 3785650 |
| Dr.ir. A.P. Verkaik, directeur Bureau | 070 - 3785692 |
| Medewerkers | |
| Ir. N.A. Dijkveld Stol | 070 - 3785652 |
| Dr. H. Hetsen | 070 - 3784106 |
| Dr.ir. H.J. van Oosten | 070 - 3785727 |
| Dr.ir. J.M.P. Papenhuijzen | 070 - 3784751 |
| Ir. Hans Rutten | 070 - 3785777 |
| Dr.ir. J.G. de Wilt | 070 - 3784774 |
| Secretariaat | |
| Mw. D.P. Pieters-van Wageningen | 070 - 3785653 |
| Mw. M.J.V. Schouten-Hattink | 070 - 3785694 |
| Mw. Y. van Zelst-van Wetten | 070 - 3785537 |
| Wat (onder andere) niet verandert: | |
| Bezoekadres: | Bezuidenhoutseweg 73 |
| Postadres: | Postbus 20401 2500 EK Den Haag |