NRLO Nieuwsbrief 7 - oktober 1997

De LAT-relatie van Verkaik

Volgens NRLO-directeur A.P. Verkaik dreigen zeer uiteenlopende vormen van kennisontwikkeling te gemakkelijk onder een enkele noemer gebracht te worden. Hij pleit ervoor onderscheid te maken tussen drie domeinen:

(fundamentele) kennisgeneratie; ontwikkeling van technologie en kundes; en innovatie. Niet dat deze drie 'scheppingsdomeinen' per se in verschillende instituten ondergebracht moeten worden, maar we moeten ons wel realiseren dat het verschillende bezigheden zijn. Bezigheden die ook niet - linksom of rechtsom - in een hierarchische verhouding tot elkaar horen te staan. Vandaar een 'LAT-relatie': wel veel bij elkaar over de vloer maar voldoende ruimte om je 'op jezelf' te kunnen ontwikkelen.

In het klassieke OVO-model werd het traject van kennisontwikkeling veelal aangegeven met de trits fundamenteel, strategisch en praktijkonderzoek.

Deze werden verondersteld in een soort lineair verband te staan en uiteindelijk te leiden tot kennisverspreiding en invoering van nieuwe werkwijzen. In de grond was er sprake van 'knowledge driven' denken:

al het goede komt van (wetenschappelijke) kennis. Er lijkt een groeiende roep te ontstaan om dit model min of meer om te draaien. De marktvraag verandert.

Dat noopt ondernemers tot innoveren. Ondernemers vragen daartoe nieuwe technologieën en kundes. En die vraag kan aanleiding geven tot c.q. vraag creëren naar disciplinaire kennisontwikkeling. Verkaik stelt dat deze omkering van de lineariteit evenmin recht doet aan de praktijk.

Met de Overlegcommissie Verkenningen (OCV), waar hij ook lid van is, is Verkaik van mening dat er in feite sprake is van twee cycli: een kennisgeneratie en een innovatiecyclus, waarbij de ene cyclus als het ware functioneert als vliegwiel voor de andere (figuur 1).

In dit vliegwielmodel acteren drie domeinen met elk een eigen interne dynamiek: kennisgeneratie; technologieën & kundes; en innovatie. Domeinen, die het ene moment zeer grote interactie aangaan en het andere moment los van elkaar staan. In wezen, zo stelt Verkaik, weten we nog bar slecht hoe dit raderwerk optimaal functioneert, c.q. hoe de relaties tussen genoemde drie domeinen in elkaar zitten. Vandaar wellicht zijn referentie aan een vrij ongestructureerde menselijke samenlevingsvorm: Living Apart Together (figuur 2).

Maar er is nog een reden om aan een LAT-relatie te denken: de wens om te ontkomen aan een formeel huwelijk. En die wens is niet (alleen) gebaseerd op het feit dat er sprake zou zijn van eigenwijze mensen, maar vooral op het feit dat het gaat om verschillende scheppingsdomeinen met uiteenlopende aanjagers, doelstellingen, tijdspanne, producten en referentiekaders (zie schema 3).
Onderscheidende kenmerken van K,T en I
  Kennisgeneratie Ontwikkeling Technologieën en Kundes Innovatie
Producten: nieuwe feiten, inzichten en theorieën nieuwe technieken, methoden en vaardigheden nieuwe producten, processen, diensten, concepten en systemen
Leidende actoren: universiteiten, onderzoekinstellingen wetenschappelijke en technologische instituten, consultancy- en ingenieursbureaus, bedrijfslaboratoria innovatieve ondernemers
Culturele omgeving
Drijfveren: nieuwsgierigheid/ willen verwerven van inzicht belangrijke drijfveren ontwikkelen en beheersen van technieken en vaardigheden belangrijke drijfveren rendement en over-leven in een concurrerende omgeving belangrijke drijfveren
Vereiste competentie theoretisch-analytisch vermogen, en een houding van kritische twijfel diagnostisch en ontwerpend vermogen praktische vernieuwingszin
Succesmeting internationale wetenschappelijke waardering werkzaamheid van de technische of "kundige" oplossing succes in de "markt"
Toegankelijkheid kennis-basis openbaar deels openbaar, deels toeëigenbaar toeëigenbaar

Juist vanwege die wezenlijke verschillen moeten we volgens Verkaik niet proberen om deze domeinen vanuit een dimensie aan te sturen. Dan raakt er altijd minimaal één in de knel. Een sprekend voorbeeld is de tijdshorizon:

innovatie gaat vrijwel altijd over vandaag en morgen terwijl de (universitaire) kennisgenerator met name verondersteld wordt bezig te zijn met overmorgen.

Overigens pleit Verkaik met zijn verhaal niet per se tegen de vorming van een kenniscentrum. Het leven onder één dak sluit een LAT-relatie immers niet uit: dat kan wel degelijk stimulerend werken. Wat we echter voor ogen moeten houden is dat het gaat om verschillende domeinen met verschillende denksystemen. Verkaik legde zijn gedachten neer in een essay in het kader van de verkenning 'Organisatie van innovatie'. Hierin gaat hij ook in op de consequenties voor de inrichting van het

innovatieproces, de rol van de onderzoekers daarin, en de vorming en opleiding van die onderzoekers. Op een workshop op 12 juni werd het essay besproken.

Enkele discussianten van toen geven hieronder hun reactie.

Van Haaften: leren uit verleden
Cultuurpsychologe E. van Haaften steunt de stelling dat het klassieke OVO-model verlaten moet worden. 'Ik zou alleen zo graag zien dat er preciezer geanalyseerd wordt op welke punten en waarom dat aanvankelijk toch zo succesvolle model gestrand is. Ik vind dat we moeten leren uit het verleden.' Over de door Verkaik gehanteerde indeling in domeinen aarzelde ze aanvankelijk. Vooral omdat ze vermoedt dat een van de manco's van het oude systeem de wat eenzijdige 'verwetenschappelijking' van de totale kennisgeneratie betrof. Maar bij nadere beschouwing gaat ze akkoord 'mits er geweldig veel aandacht besteed wordt aan de

interfaces tussen die domeinen. Dat vereist aparte vertaalslagen, en het is cruciaal dat die vertaalslagen ook werkelijk gemaakt worden.' En op zich is dat niet onhaalbaar: 'Een gewoon antropologisch probleem'. Vertaalslagen tussen domeinen. Daar draait het om. Volgens Van Haaften dient de noodzaak daartoe zich al aan binnen de door Verkaik geschetste domeinen, en wel tussen de disciplines, ja zelfs tussen deeldisciplines.

Globaal kunnen landbouwwetenschappers op drie manieren naar een probleem kijken: met 'productie-ogen'; uit een ecologische invalshoek; en vanuit een sociaal perspectief. In praktijk zitten daar letterlijk werelden van verschil tussen. Bijvoorbeeld in ruimte en tijd, in methodologie, of ook zeer belangrijk - in volstrekt uiteenlopende houdingen ten opzichte van de natuur. Waarlijk 'culturele' verschillen die de communicatie ernstig bemoeilijken.

Dus ook in interdisciplinariteit zal het kennissysteem nog veel moeten leren. Gewoon door het te doen, door te leren omgaan met de verschillen. 'Dus weer dat leren uit ervaringen. Als dat niet gebeurt leidt samenwerking, ook tussen domeinen, alleen maar tot frustratie. En dat is contraproductief.'

Huffnagel: weg met OVO
E. Huffnagel van TRIAS advies & interimmanagement onderschrijft de stelling dat het samenspel van kennisgeneratie, technologieontwikkeling en innovatie in de markt verre van vlekkeloos verloopt. Vanuit een oogpunt van innovatie wil hij twee punten speciaal onderstrepen. Een eerste punt sluit aan op wat tijdens de workshop van 12 juni al te berde werd gebracht door Dany Jacobs: de gebrekkige relatie tussen de onderzoeker en de praktijk. Kennis zit voor een groot deel in het hoofd van mensen, en wil je kennis omvormen tot innovatie dan zul je de onderzoeker mee moeten laten gaan. Investeren in mobiliteit, met name door de doorstroom van onderzoekers naar het bedrijfsleven, zou daarom wel eens een belangrijke impuls voor innovatie kunnen betekenen. Een tweede punt dat Huffnagel opviel was dat het OVO-model tijdens de workshop nog altijd impliciet als maatgevend beschouwd leek te worden. Hij hoorde met name te weinig kritiek op het feit dat in dat model risicoloze samenwerking en afhankelijkheid van de overheid de norm geworden zijn in plaats van concurrentie. En innovatie staat daar haaks op: 'Innovatie komt alleen van alerte, op concurrentie gerichte ondernemers. Zolang Nederlandse agrariërs vooral naar elkaar en naar de overheid kijken, zullen zij alleen innoveren als de hele sector dit doet, eventueel onder dwang van de overheid. De uit het OVO-model voortgevloeide eenheidsgedachte dient dus vooral afgebroken te worden. Ook hier is meer variatie in het landschap gewenst.'

Smeets: integratie
P.J.A.M. Smeets van DLO-Staringcentrum herkent sterk de door Verkaik genoemde 'trits' die duidelijk maakt dat innovatie en puur wetenschappelijk onderzoek elkaar slechts ten dele overlappen. Bij innovatie is onder meer kennis nodig, en die kennis wordt onder meer geleverd door kennisinstituten. En iets dergelijks geldt voor de

technologieën en kundes die bij innovatie worden ingezet. Het Staringcentrum beweegt zich al lang binnen alle drie de domeinen van wetenschap, technologie en innovatie. De klant, of dat nu beleidmakers betreft of bedrijfsleven, vraagt niet alleen om concepten en ideeën, maar wil ook de (beleidsmatige) technologie die daarbij hoort en praktische tips bij de uitvoering. Het gevolg is dat de medewerkers bij wijze van spreken ook in Den Haag gaan meeschrijven met het beleid en in het veld helpen bij de oplossing van praktische problemen. De output bestaat niet meer louter uit rapporten, maar ook uit 'processen', workshops en adviezen. De vraag wordt dan nogal eens gesteld of deze activiteiten nog wel geboekt mogen worden op de post 'kennisontwikkeling'. En dat terwijl de medewerkers zelf overtuigd zijn met wetenschappelijk werk bezig te zijn.

'In dat debat is het schema van Verkaik heel nuttig. Hij formuleert de positie van ons werk op positieve in plaats van defensieve wijze.' Zelf hanteert Smeets ook graag het begrip T-specialist:

de horizontale balk staat voor de integratie in missie en de verticale voor de stevige poot in de wetenschap. 'Wij vragen dan ook altijd gepromoveerde integralisten. Het is verbazend hoe moeilijk die te krijgen zijn.'

Het essay van Verkaik (NRLO-rapport nr. 97/17) en een verslag van de workshop zijn bij de NRLO op te vragen.

Projectleider: ir Hans Rutten
070 378 57 77
e-mail: j.g.de.wilt@innonet.agro.nl

De innovatie- en kennisagenda voor de groene ruimte in de 21e eeuw

Sturing; de interactie tussen stad en land; multifunctioneel ruimtegebruik; en de kwaliteit van de groene ruimte. Aan deze thema's werd op 24 juni, tijdens een workshop over bovengenoemd onderwerp, het meeste belang gehecht. De ruim 40 deelnemers afkomstig uit kringen van onderzoek, beleid en belangengroepen hechtten de hoogste prioriteit aan vragen rond de sturing van processen in de groene ruimte. Er is met name behoefte aan een herdefiniëring van de rollen en taken van overheden en andere partijen en aan de ontwikkeling van zodanige randvoorwaarden aan de ontwikkeling van de groene ruimte dat enerzijds de kwaliteit behouden blijft en anderzijds zoveel mogelijk ruimte wordt geboden aan nieuwe initiatieven. Op dit front zijn zowel innovatief handelen, experimenten als nieuwe kennis nodig. De interactie tussen stad en land wordt vooral van belang gevonden met het oog op behoud van ruimtelijke differentiatie en het vergroten van de leefbaarheid van zowel stad als land. In dat verband wordt wel gerept over een 'omgevingsschap': een organisatievorm waarin de gezamenlijke verantwoordelijkheid van stad- en landbewoners tot uiting komt en die bedoeld is om de relaties tussen stad en land te definiëren en te beheren. De wenselijkheid van een multifunctioneel ruimtegebruik ziet men vooral tegen de achtergrond van een toenemende schaarste aan ruimte en achteruitgang van kwaliteit. Er is hierbij behoefte aan nieuwe strategieën om multifunctioneel ruimtegebruik mogelijk te maken en te behouden en aan scenario's, ontwerpen en afweegmethoden om de potenties van nieuwe functies af te tasten.

Watersystemen zouden een aangrijpingspunt kunnen vormen om tot herordening en vernieuwing van functies in het landelijk gebied te komen. Een andere mogelijkheid vormt de zogenaamde drie-dimensionale planning. Overigens werd multifunctioneel ruimtegebruik niet tot het ultieme doel verheven; verschillende aanwezigen brachten naar voren dat monofunctioneel ruimtegebruik soms zeer gewenst kan zijn. Voorzover innovaties in de groene ruimte vragen om nieuwe kennis behoort er volgens de deelnemers een sterk accent te liggen op kennisgeneratie via multi- dan wel interdisciplinair onderzoek. De scheiding tussen de diverse disciplines blijkt echter sterk en hardnekkig. Een tweede conclusie op dit punt is dat interactieve vormen van sturing om een heel eigen manier van kennisontwikkeling vragen. Begin volgend jaar verschijnt het integratierapport 'Innovatie en kennis voor de groene ruimte in de 21e eeuw'. Daarin worden ook de resultaten van andere verkenningsactiviteiten van de NRLO betrokken.

Projectleider: dr. H. Hetsen
070 - 378 41 06
e-mail: h.hetsen@innonet.agro.nl

Kennisinstellingen en internationalisering

Aan het NRLO-rapport over kennisinstellingen en internationalisering werd op 10 september een workshop gewijd.

Centraal stonden de kansen en bedreigingen van internationalisatie van kennisinstellingen in de agrosector. Dagvoorzitter was Mw.Prof.Dr. L. van Vloten-Doting (Raad NRLO, LNV-DWK). Voorafgaand aan de discussie gaven drie co-referenten een eerste reactie: Van Prof.Dr. G.M.A. van Beynum (Pharma, NIABA),

Ir. H.E. Clevering (Cosun, NCR) en Ir. E.A.W. Crince le Roy (consultant, SHAO). Onderwerpen in de discussie waren onder meer: internationale fusies en overnames bij kennisinstellingen; de absolute noodzaak van kennisbescherming; de inzet van kennis als strategisch wapen; de onmogelijkheden van internationale taakverdeling (anders dan binnen fusies); het belang van een goede thuismarkt; de innovatieve kracht van de agrarische sector, waardoor behoud van deze sector op de thuismarkt noodzakelijk blijft; het zoeken van positieve in plaats van defensieve argumenten om te internationaliseren (dus niet louter omdat er minder overheidsfinanciering komt); het moeilijke leerproces van internationaliseren; en de veel grotere moeilijkheidsgraad van internationaliseren bij de ideeënindustrie in vergelijking met de maakindustrie. Internationaliseren moet een resultante zijn van een doordachte keuze, met verschillende strategische opties en een plan om die keuze waar te maken.

Dat vraagt om een heldere missie en een helder mandaat voor het betreffende instituut. Deze punten leidden tot een zeer levendige discussie. Het rapport (NRLO-rapport nr. 97/15) en een verslag van de workshop zijn bij de NRLO op te vragen.

Projectleider: dr ir H.J. van Oosten
070 378 57 27
e-mail: h.j.van.oosten@innonet.agro.nl

Biodiversiteit

Het RMNO/NRLO-advies over het biodiversiteitsonderzoek in Nederland is onder de titel 'Leven in verscheidenheid' op 3 september aangeboden aan de Minister van LNV. Dit advies (NRLO- rapport nr. 97/19) bouwt voort op het eerdere advies 'Omgevingskwaliteit voor Biodiversiteit' (NRLO-rapport nr. 95/9) en op de programmeringsactiviteiten die sindsdien hebben plaatsgevonden.
De rapportages van deze activiteiten zijn gebundeld in NRLO-rapport nr. 97/20.

In het recente advies worden vijf hoofdthema's onderscheiden:

  1. operationalisering van doelen;
  2. ontwikkeling van instrumenten en modellen;
  3. beheer en gebruik van biodiversiteit;
  4. sociaal-wetenschappelijk onderzoek ter verbetering van beleidsimplementatie; en
  5. de betekenis van biodiversiteit voor het functioneren van ecosystemen.

Met dit advies leveren beide Raden een bijdrage aan de invulling en uitwerking van het NWO-stimuleringsprogramma Biodiversiteit, dat begin 1998 van start zal gaan.

Methode voor kwaliteitsbeoordeling van de agro-kennisinfrastructuur

In opdracht van de NRLO heeft TNO-STB (Strategie, Technologie en Beleid) een haalbaarheidsstudie verricht om na te gaan hoe de kwaliteit van de Nederlandse agro-kennisinfrastructuur systematisch beoordeeld zou kunnen worden. Ter toetsing wordt de in deze verkenning ontwikkelde methode toegepast op een drietal wetenschaps- en technologiegebieden:

voedingsgedrag, bodembiologie en biosensoren. Het eindresultaat behelst zowel de ontwikkelde methodiek als een profiel van de kwaliteit van de drie gebieden volgens een multi-criteria benadering. In deze benadering worden drie beoordelingscriteria gehanteerd: middelenpositie (capaciteit en financiering); systeemkenmerken (aansturing, netwerken, mobiliteit); en performance (wetenschappelijke kwaliteit en maatschappelijke bruikbaarheid). Voor elk van deze criteria is nagegaan of een eenduidige beoordeling mogelijk is. Er is gebruik gemaakt van expert-oordelen, onderzoek-evaluaties en documentatie zoals jaarverslagen en gegevens uit onderzoekdatabanken. Voor het criterium performance bleken peer reviews, aangevuld met bibliometrisch onderzoek, de meest betrouwbare informatiebronnen. De profielschetsen (sterkte- zwakte analyse) voor drie wetenschaps- en technologiegebieden bleken duidelijk te verschillen, wat op zich een indicatie kan zijn voor de waarde van de gevolgde aanpak. Deze studie verschijnt binnenkort als NRLO-rapport nr. 97/23.

Projectleider: dr ir J.G. de Wilt
070 - 378 47 74
e-mail: j.g.de.wilt@innonet.agro.nl

W&T-ontwikkelingen

In de Wetenschap- & Technologieverkenning wordt in vier deelstudies gekeken naar de eigen dynamiek van W&T en het mogelijke belang daarvan voor de agrosector. ATO-DLO tekende voor de deelstudie 'Afzet, Verwerking, Voeding, Gezondheid en (Keten)Kwaliteit', waarbij met name ook inspiratie wordt gehaald uit hetgeen in andere sectoren gebeurt. In maart kwamen de eerste resultaten al aan de orde in een gezamenlijke workshop met Stichting AKK. Belangrijk aandachtspunt in deze studie is de verdere integratie van kennis uit verschillende onderzoeksgebieden, zoals bijvoorbeeld materiaal-, bio- en procestechnologie, en de toepassing daarvan in de agrosector. ICT had daarbij een belangrijke 'aanjaag'-functie. De resultaten komen dit najaar aan de orde op een workshop, en wel samen met een essay van Jongen (LUW) over 'Consumentgestuurde productontwikkeling' (zie ook 'Markt en Consument 2010'). Overigens bleek bij de behandeling van deze studie dat 'Humane Voeding' toch om een aparte aanpak vroeg. Herhaling van de programmeringsstudie van '90/'91 was niet nodig. Wel bleek het zeer zinvol een workshop te wijden aan 'Bio-actieve componenten in voeding' (NRLO-rapport nr. 97/16). Dit onderwerp is opgenomen in het NWO-stimuleringsprogramma Verantwoorde Voeding.

Projectleider: dr ir J.M.P. Papenhuijzen
070 - 378 47 51
e-mail: Hans Papenhuijzen

Markt en Consument

Aan het begin van de zomer werd een begin gemaakt met de eindrapportage

van de deelverkenning 'Markt en Consument 2010.' Daarin zijn de resultaten van de verschillende deelstudies gegroepeerd binnen een beperkt aantal kernthema's:

Binnen deze kernthema's nemen de bevindingen van de workshop 'Markt en Consument 2010' (NRLO-rapport nr. 96/4, Nieuwsbrief 4); het rapport FLAK 2010 (NRLO-rapport nr. 96/25, Nieuwsbrief 5); en de resultaten van de programmeringsstudie over de Milieubewuste Consument (NRLO-rapport nr. 96/6, Nieuwsbrief 4) een belangrijke plaats in. Daarnaast zijn de conclusies verwerkt van een essay van Prof. W. Jongen (LUW) over 'Consumentgestuurde productontwikkeling'.

Daarnaast zijn de eerste resultaten verwerkt van een NRLO-studie bij LEI-DLO over 'Kennis van nieuwe markten' en een studie van NRLO en ATO-DLO waarin gekeken is naar de eigen dynamiek van W&T en wat daarvan van belang kan zijn voor de agrosector. Ook is ruimschoots gebruik gemaakt van al elders beschikbare informatie. In het rapport wordt onder meer benadrukt dat op een tweetal aandachtsgebieden nog ingrijpende vernieuwing gewenst is. Op de eerste plaats geldt dat voor de kunde-ontwikkeling met betrekking tot integrale ketens en flexibele netwerken binnen de randvoorwaarden van milieu, ruimte en leefbaarheid.

En op de tweede plaats is nog een aanzienlijke verbetering nodig van het systeem voor kennisontwikkeling en informatieverzameling en - verwerking met betrekking tot nog onbekende (onder andere verre) markten en consumenten. Het eerste punt vraagt een doorstart van recente initiatieven als de Stichting AKK en dergelijke naar een centrum voor integrale keten- en netwerkkunde, inclusief aandacht voor transport, distributie en logistiek. Ten aanzien van het tweede punt is het vooral van belang om de Nederlandse kennisinfrastructuur te versterken en beter toegankelijk te maken voor het bedrijfsleven dat de mogelijkheden in onbekende markten wenst te verkennen. In de eindrapportage komen ook een aantal andere prioritaire onderwerpen aan bod, waarop in veel gevallen al ingrijpende vernieuwingen op gang zijn gekomen: Kennis van de functie van voedselcomponenten in relatie tot veranderende consumptiepatronen en aspecten van voeding zoals lekker, gemak, gezondheid, welbevinden. Op dit onderwerp richt zich onder meer het NWO Stimuleringsprogramma 'Verantwoorde Voeding'. Technologieontwikkeling met betrekking tot een bereiding van voedingsmiddelen die beter aansluit op de dynamiek van de markt. Net als het vorige aandachtsgebied speelt dit gebied een belangrijke rol bij de uitbouw en ontwikkeling van ATO-DLO, TNO-Voeding, de Onderzoekschool VLAG en het Wageningse Topinstituut Voedselwetenschappen.

De concepten van de eindrapportage zijn getoetst in een brede consultatieronde bij overheid, bedrijfsleven en onderzoek.

Bij deze consultatie is gebleken dat er in relatie tot duurzaamheid nog een element onvoldoende is belicht: de wisselwerking tussen agrarische ketens en verschillende vormen van transport bij de aanvoer van grondstoffen, tussen de ketenschakels en bij de distributie van eindproducten. Inmiddels is ATO-DLO en TNO-INRO gevraagd een verkennende studie over dit onderwerp uit te voeren.

Projectleider: dr ir J.M.P. Papenhuijzen
070 - 378 47 51
e-mail: Hans Papenhuijzen

[NRLO Home]