Heli 2015 - Duurzame land- en tuinbouw
TechnologieExtra mogelijkheden worden verwacht van een derde fase in het milieu-onderzoek: een benadering op (inter)nationaal systeemniveau, die ondermeer kan leiden tot herschikking van sectoren ('de juiste landbouw op de juiste gronden') en het sluiten van stof-, nutriënten- en energiekringlopen tussen sectoren onderling (ook buiten de landbouw).
Uiteraard hebben dergelijke veranderingen op systeemniveau ingrijpende consequenties voor de vraagstellingen op gewas-, dier- en perceelsniveau. Hier liggen belangrijke uitdagingen voor het onderzoek die tot nu toe onvoldoende zijn opgepakt.
In het verlengde van deze discussie werd gepleit voor meer vernieuwend en ontwerpend onderzoek rond bijvoorbeeld duurzame energie, hergebruik van water en afvalstoffen, en alternatieve vormen van ruimtegebruik. En dit dan voorlopig zonder de druk van korte-termijn rendement. De werkwijze moet uitdagen tot creativiteit en tot nadenken over onconventionele oplossingen. Daarbij hoort participatief onderzoek en intensieve samenwerking tussen zeer verschillende disciplines en uiteenlopende maatschappelijke actoren. Veel deelnemers zagen hierin een belangrijk en tot op heden onderbenut potentieel voor het realiseren van een duurzame landbouw.
Daarnaast werd een aantal thema's genoemd die extra onderzoeksaandacht behoeven. Zo werd gewezen op het belang van waterhuishouding en -voorziening voor de landbouw. Mondiaal zou zoet water in de toekomst wel eens schaarser kunnen worden dan energie of energiedragers.
Een ander punt is dat de grootste emissie van broeikasgassen niet afkomstig is uit de glastuinbouw (CO2), maar uit de melkveehouderij, en wel in de vorm van methaan (CH4) en lachgas (N2O). De broeikaswerking van laatstgenoemde gassen is volgens recent onderzoek vele malen groter dan die van CO2. Wanneer de normen daarop worden aangepast, zoals onder andere wordt bepleit door Nobelprijswinaar Crutzen, kan dat grote gevolgen hebben voor de melkveehouderij. Het onderzoek moet daarop anticiperen.
Opmerkelijk was tenslotte dat tijdens de technologisch bedoelde discussie herhaalde malen werd gehamerd op het belang van (onderzoek naar) 'zachte factoren': bijvoorbeeld het belang van een nieuw soort ondernemerschap; en nieuwe vormen van beleid, normstelling en beleidsimplementatie.
BestuurlijkTijdens de bijeenkomst over bestuurlijke oplossingsrichtingen werd aangevoerd dat de ontwikkeling van (duurzame) landbouw bij uitstek een leerproces is dat zich slecht laat afdwingen door ge- en verboden. Daarom zou gemikt moeten worden op het stimuleren van leerprocessen als innovatieve strategie. Maar een aantal deelnemers plaatste daar vraagtekens bij. Leerprocessen zijn traag en vrijblijvend en bestaande belangentegenstellingen zijn moeilijk middels leerprocessen te overbruggen. Bovendien is het de vraag of de overheid zich in zo'n heel andere rol zal weten te plooien. Het primaat van de politiek en internationale kaders vormen daar belangrijke hinderpalen.
Niettemin werd intensivering van het onderzoek naar leerprocessen en interactieve beleidsvorming zeer wenselijk geacht. Dit zou vooral gericht moeten zijn op ondervanging van genoemde bezwaren.
Over de gewenste bemoeienis van de overheid met het terugdringen van milieubelastende activiteiten werd verschillend gedacht. Volgens sommigen geeft een dominante rol van de overheid in het milieubeleid de meeste kans op succes. Maar een meerderheid prefereert private afspraken tussen betrokken partijen, zònder of met slechts beperkte overheidsbemoeienis. Het onderzoek zou zich daartoe moeten richten op het ontwerpen van nieuwe, milieu-effectieve institutionele arrangementen in het privaat-publiekrechtelijk domein. Daarbij is ondermeer aandacht nodig voor de toedeling van eigendomsrechten en aansprakelijkheden, gekoppeld aan tuchtrecht en verzekeringssystemen.
Beide workshops vielen in het kader van de NRLO-verkenning 'Hulpstoffen en Energie in landbouwsystemen' (HELI 2015). De daar besproken achtergrondstudies worden in juni gepubliceerd (NRLO-rapporten 97/4 t/m 97/10 en 97/18). Verslagen van de workshops zelf zijn beschikbaar als werkdocument.
In het uiteindelijke verkenningsrapport, dat dit najaar uitkomt, worden vanuit milieuoptiek ontwerpeisen voor landbouwsystemen geformuleerd en worden zin en onzin van lopende initiatieven (bijvoorbeeld in DTO-kader) beoordeeld. Per deelsector worden vervolgens perspectiefvolle ontwikkelingsrichtingen aangegeven op met name nationaal systeemniveau. Ook bestuurlijke opties komen aan de orde. Het geheel mondt uit in prioritaire strategische onderzoekthema's voor de komende jaren.
Projectleider is dr.ir. J.G. de Wilt,
070 378 47 74, e-mail: j.g.de.wilt@innonet.agro.nl.
Bio-actieve componenten in VoedingOm zicht te krijgen op veelbelovende ontwikkelingen op dit terrein belegden de NRLO en de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) op 1 april een workshop met als centraal thema de vraag welke aspecten de komende jaren een bijzondere plaats verdienen op de onderzoeksagenda. Vooraf had overleg plaats met NWO. Dit in verband met het al in voorbereiding zijnde stimuleringsprogramma 'Verantwoorde Voeding'.
Prof.dr.ir. D. Kromhout (RIVM) sprak over aspecten van volksgezondheid en gezondheidsbeleid; prof.dr.ir. P.A. van den Brandt (Rijksuniversiteit Limburg) over bio-actieve voeding in relatie tot kanker; prof.dr. M.B. Katan (LUW) over de relatie tot hart- en vaatziekten; ir. P.C.H. Hollman (RIKILT-DLO) over bio-actieve componenten in agrarische produkten; en dr. A. Brouwer (LUW) sprak vanuit de optiek van de toxicologie.
's Middags werd van gedachten gewisseld in een viertal groepen. Uit de levendige discussie trok voorzitter dr. O. Korver (Unilever Research Laboratorium) de volgende voorlopige conclusies:
De workshop past in het kader van de verkenning 'Ontwikkelingen in wetenschap en technologie'. Een verslag, inclusief samenvattingen van de inleidingen, zal verschijnen als NRLO-rapport 97/16. Contactpersoon is dr.ir. J.M.P. Papenhuijzen, 070 378 47 51.
VisserijbeleidHet huidige gemeenschappelijke visserijbeleid dwingt overheden tot dirigistisch optreden, met name bij de toewijzing en bewaking van vangstquota. Probleem is echter dat dirigistisch optreden ten koste gaat van het draagvlak voor het beleid in de sector. Dit dilemma belooft komende decennia des te prangender te worden vanwege strenger wordende milieuhygiënische eisen. De verkenners bepleiten daarom onderzoek naar nieuwe benaderingen die meer draagvlak creëren.
In het verlengde hiervan zou ook specifiek meer aandacht besteed moeten worden aan de uitvoerbaarheid van beleidsmaatregelen. Wat zijn bedoelde en onbedoelde effecten van een maatregel? Hoe valt de handelingsvrijheid van betrokkenen te maximaliseren zonder de beleidsdoelstellingen aan te tasten? Om dergelijke vragen goed op te kunnen pakken achten de verkenners een multidisciplinaire benadering noodzakelijk.
Projectleider van de visserij-verkenningen is ir. H. Rutten, 070 378 57 77,
e-mail: j.g.de.wilt@innonet.agro.nl.
Landelijk en stedelijk gebiedAl snel ontdekte de commissie dat de gebrekkige interactie tussen toekomst-onderzoek en strategisch-ruimtelijk beleid een kernprobleem vormt. Zo kan deze gebrekkige interactie tot gevolg hebben dat toekomstverkenningen onvoldoende georiënteerd worden op strategische beleidsdilemma's waardoor ze vervolgens weer onvoldoende worden benut.
Het bleek niet eenvoudig om eenstemmigheid te bereiken over de vraag hoe een 'juiste' interactie er uit zou moeten zien. Niettemin werd in de procesmatige aanpak die de Commissie zelf heeft gevolgd al gepoogd om een begin te maken met een dialoog tussen toekomstverkenners en strategische beleidsmakers. Ook in andere ruimtelijk relevante toekomstverkenningen besteedt de NRLO veel aandacht aan de samenhang met strategisch beleid. De ervaringen die daarmee inmiddels zijn opgedaan heeft de commissie Van den Ban echter niet meer in haar beschouwingen mee kunnen nemen. Overigens signaleert de commissie een duidelijk verschil tussen de structuur van het toekomstonderzoek voor stedelijke respectievelijk landelijke gebieden. Uit een oogpunt van interactie hebben die systemen elk hun sterke en minder sterke kanten.
De Commissie beveelt ondermeer aan dat NRLO en Netwerk RO een platform initiëren met als doel de interactie tussen toekomstverkenners en strategische beleidsvoerders te bevorderen.
Deze aanbeveling zou nu al opgepakt kunnen worden. Daarbij zal het nog zoeken zijn wat voor karakter zo'n platform moet hebben. Mogelijk is er behoefte aan een (informele) club waarbinnen geïnteresseerde onderzoekers en beleidsfunctionaris-sen informatie kunnen uitwisselen. Of is er meer behoefte aan een pool van gekwalificeerde toekomstonderzoekers waaruit geput kan worden bij het uitvoeren of beoordelen van toekomstverkenningen (naar analogie van de MER-commissie)?
De komende tijd willen NRLO en Netwerk RO de interesse peilen bij de sleutelactoren op het gebied van het strategisch beleid voor landelijke en stedelijke gebieden en bij de vooraanstaande toekomstonderzoekers op dit gebied.
Als 'voertuig' daarvoor beleggen ze dit najaar een studiedag die specifiek gewijd wordt aan de bruikbaarheid van toekomstverkenningen als bouwstenen van stretegisch beleid. Ze doen dat komend najaar omdat deze zomer een groot aantal toekomstverkenningen loskomen die een functie (moeten) hebben in de voorbereiding van strategische beleidsnota's op het gebied van onder andere ruimte, milieu en natuur.
Aan de hand van een evaluatie van deze verkenningen kan de studiedag gebruikt worden om de behoefte aan een platform te peilen en om na te gaan met welke andere aanbevelingen van de Commissie Van den Ban zo'n platform aan de gang zou kunnen.
Projectleider is dr. H. Hetsen,
070 378 41 06, e-mail:
h.hetsen@innonet.agro.nl.
Agribusiness en internationaliseringEén studie komt tot de bevinding dat de globalisering van de Nederlandse agribusiness (vooralsnog) beperkt is. Zo vinden de investeringen vanuit Nederland vooral plaats in direct omringende landen, gevolgd door landen elders binnen de EU en de VS. Andersom zijn het ook vooral de direct omringende landen die veel in Nederland investeren. Dit wijst dus vooral op een sterk regionale verweving van grotendeels volwassen, koopkrachtige markten en economieën. De recente belangstelling (een trendbreuk?) voor qua bevolkingsgroei en koopkracht opkomende gebieden als Latijns Amerika en Azië komen nog nauwelijks in de statistieken tot uitdrukking. Alleen multinationals lijken hier echt op in te spelen.
Een groot dilemma ligt in het feit dat de schaalvergroting in de retail en de verwerkende industrie een steeds schriller contrast oplevert met de primaire productie. Dit bedreigt de zelfstandige positie van de primaire producenten. Wellicht leidt dat tot discussies om hun 'countervailing power' verder te ontwikkelen middels allianties en/of fusies, ook internationaal.
Een punt dat wel eens grote invloed zou kunnen krijgen op de Nederlandse agrarische productie is een verandering in de wereldgrondstofstromen. Koopkrachtgroei zal het voedselpatroon in bijvoorbeeld Aziatische landen sterk veranderen, waarmee deze landen waarschijnlijk steeds meer grondstoffen gaan aantrekken in plaats van ze te exporteren.
Een andere vraag is welke mogelijkheden een nationale overheid heeft om in een setting van vervagende landsgrenzen de potenties van het eigen land te blijven versterken. In een essay hierover worden vier oplossingsrichtingen aangegeven:
In een studie naar de ontwikkeling van het landbouwbeleid onder invloed van internationalisatie werden twee uitersten in beeld gebracht: een economisch liberaal perspectief en een interventionistisch perspectief. Vooral het liberale perspectief, met afbraak van subsidies, zal drastische veranderingen in de agribusiness tot gevolg hebben.
Tenslotte werd een studie gedaan naar de positie van kennisinstellingen in een internationaliserende wereld. Voor overheden en bijvoorbeeld coöperaties blijken kennismarkten nog sterk nationaal, terwijl het internationaliserende bedrijfsleven zich steeds meer internationaal oriënteert. De band van het bedrijfsleven met de nationale kennissystemen wordt daarmee losser en meer door contracten gedreven. Voor kennisinstellingen is het de grote vraag hoe ze zich in dat krachtenveld moeten positioneren.
Deze zomer worden rond dit thema enkele workshops belegd en zullen de hier kort aangeduide studies verschijnen als de NRLO-rapporten 97/11 t/m 97/15. Projectleider is dr. ir. H.J. van Oosten,
070 378 57 27, e-mail: h.j.van.oosten@innonet.agro.nl.
Vitaliteit van agrosector en landbouw-kennissysteemVolgens Verkaik zijn daartoe twee actielijnen in het bijzonder van belang: versterking van de oriëntatie van de sector op consument en markt, en herijking van de maatschappelijke rol en het maatschappelijk functioneren van de sector. In dat kader noemde hij een aantal relevante trends en prioritaire aandachtsvelden.
Verder ging Verkaik in op de wijzigingen die het landbouwkennissysteem zouden moeten ondergaan om een vitale ontwikkeling te waarborgen. Ondermeer bepleitte hij daarbij extra aandacht voor innovatie en kennisgeneratie, betere aansluiting van onderzoeksturing op toekomstverkenningen, en een nieuwe positie en een nieuw profiel voor de Landbouwuniversiteit.
De tekst is verkrijgbaar als NRLO-rapport 97/1, 070 378 56 53.