NRLO Nieuwsbrief 6 - juli 1997

Heli 2015 - Duurzame land- en tuinbouw

Kan optimalisatie en geleidelijke aanpassing van de bestaande productiesystemen toereikend zijn om onze land- en tuinbouw ook op termijn duurzaam te laten produceren, of moeten we mikken op een fundamentele herstructurering en herinrichting?
Dit was één van de pregnante discussiepunten tijdens twee recente NRLO-werkconferenties, waarop respectievelijk technologische oplossingsrichtingen en bestuurlijke aanpak ter sprake kwamen. Dit aan de hand van enkele achtergrondstudies.

Technologie

De landbouw is nog steeds één van de grootste milieuvervuilers. De vermindering van mineralenverliezen, ammoniak-uitstoot, en emissie van gewasbeschermings-middelen verloopt te traag om tijdig te kunnen voldoen aan de vastgestelde milieudoelen. Doelen, waarvan bovendien te verwachten valt dat ze nog verder aangescherpt moeten worden. Opmerkelijk is wel de grote spreiding tussen bedrijven onderling: die geeft aan dat in de huidige praktijk nog veel mogelijkheden tot verbetering zijn.

Extra mogelijkheden worden verwacht van een derde fase in het milieu-onderzoek: een benadering op (inter)nationaal systeemniveau, die ondermeer kan leiden tot herschikking van sectoren ('de juiste landbouw op de juiste gronden') en het sluiten van stof-, nutriënten- en energiekringlopen tussen sectoren onderling (ook buiten de landbouw).

Uiteraard hebben dergelijke veranderingen op systeemniveau ingrijpende consequenties voor de vraagstellingen op gewas-, dier- en perceelsniveau. Hier liggen belangrijke uitdagingen voor het onderzoek die tot nu toe onvoldoende zijn opgepakt.

In het verlengde van deze discussie werd gepleit voor meer vernieuwend en ontwerpend onderzoek rond bijvoorbeeld duurzame energie, hergebruik van water en afvalstoffen, en alternatieve vormen van ruimtegebruik. En dit dan voorlopig zonder de druk van korte-termijn rendement. De werkwijze moet uitdagen tot creativiteit en tot nadenken over onconventionele oplossingen. Daarbij hoort participatief onderzoek en intensieve samenwerking tussen zeer verschillende disciplines en uiteenlopende maatschappelijke actoren. Veel deelnemers zagen hierin een belangrijk en tot op heden onderbenut potentieel voor het realiseren van een duurzame landbouw.

Daarnaast werd een aantal thema's genoemd die extra onderzoeksaandacht behoeven. Zo werd gewezen op het belang van waterhuishouding en -voorziening voor de landbouw. Mondiaal zou zoet water in de toekomst wel eens schaarser kunnen worden dan energie of energiedragers.

Een ander punt is dat de grootste emissie van broeikasgassen niet afkomstig is uit de glastuinbouw (CO2), maar uit de melkveehouderij, en wel in de vorm van methaan (CH4) en lachgas (N2O). De broeikaswerking van laatstgenoemde gassen is volgens recent onderzoek vele malen groter dan die van CO2. Wanneer de normen daarop worden aangepast, zoals onder andere wordt bepleit door Nobelprijswinaar Crutzen, kan dat grote gevolgen hebben voor de melkveehouderij. Het onderzoek moet daarop anticiperen.

Opmerkelijk was tenslotte dat tijdens de technologisch bedoelde discussie herhaalde malen werd gehamerd op het belang van (onderzoek naar) 'zachte factoren': bijvoorbeeld het belang van een nieuw soort ondernemerschap; en nieuwe vormen van beleid, normstelling en beleidsimplementatie.

Bestuurlijk

Tijdens de bijeenkomst over bestuurlijke oplossingsrichtingen werd aangevoerd dat de ontwikkeling van (duurzame) landbouw bij uitstek een leerproces is dat zich slecht laat afdwingen door ge- en verboden. Daarom zou gemikt moeten worden op het stimuleren van leerprocessen als innovatieve strategie. Maar een aantal deelnemers plaatste daar vraagtekens bij. Leerprocessen zijn traag en vrijblijvend en bestaande belangentegenstellingen zijn moeilijk middels leerprocessen te overbruggen. Bovendien is het de vraag of de overheid zich in zo'n heel andere rol zal weten te plooien. Het primaat van de politiek en internationale kaders vormen daar belangrijke hinderpalen.

Niettemin werd intensivering van het onderzoek naar leerprocessen en interactieve beleidsvorming zeer wenselijk geacht. Dit zou vooral gericht moeten zijn op ondervanging van genoemde bezwaren.

Over de gewenste bemoeienis van de overheid met het terugdringen van milieubelastende activiteiten werd verschillend gedacht. Volgens sommigen geeft een dominante rol van de overheid in het milieubeleid de meeste kans op succes. Maar een meerderheid prefereert private afspraken tussen betrokken partijen, zònder of met slechts beperkte overheidsbemoeienis. Het onderzoek zou zich daartoe moeten richten op het ontwerpen van nieuwe, milieu-effectieve institutionele arrangementen in het privaat-publiekrechtelijk domein. Daarbij is ondermeer aandacht nodig voor de toedeling van eigendomsrechten en aansprakelijkheden, gekoppeld aan tuchtrecht en verzekeringssystemen.

Beide workshops vielen in het kader van de NRLO-verkenning 'Hulpstoffen en Energie in landbouwsystemen' (HELI 2015). De daar besproken achtergrondstudies worden in juni gepubliceerd (NRLO-rapporten 97/4 t/m 97/10 en 97/18). Verslagen van de workshops zelf zijn beschikbaar als werkdocument.

In het uiteindelijke verkenningsrapport, dat dit najaar uitkomt, worden vanuit milieuoptiek ontwerpeisen voor landbouwsystemen geformuleerd en worden zin en onzin van lopende initiatieven (bijvoorbeeld in DTO-kader) beoordeeld. Per deelsector worden vervolgens perspectiefvolle ontwikkelingsrichtingen aangegeven op met name nationaal systeemniveau. Ook bestuurlijke opties komen aan de orde. Het geheel mondt uit in prioritaire strategische onderzoekthema's voor de komende jaren.

Projectleider is dr.ir. J.G. de Wilt,

070 378 47 74, e-mail: j.g.de.wilt@innonet.agro.nl.

Bio-actieve componenten in Voeding

Bepaalde voedingscomponenten spelen een rol in het initiëren dan wel tegengaan van ernstige ziekten als kanker en hart- en vaatziekten. Men noemt dit wel 'bio-actieve' stoffen. Het hoeft geen betoog dat studie van deze componenten niet alleen van belang is voor een beter begrip van de gezondheidsaspecten van bestaande voedingsmiddelen maar ook voor de ontwikkeling van zogenaamde 'novel foods'.

Om zicht te krijgen op veelbelovende ontwikkelingen op dit terrein belegden de NRLO en de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) op 1 april een workshop met als centraal thema de vraag welke aspecten de komende jaren een bijzondere plaats verdienen op de onderzoeksagenda. Vooraf had overleg plaats met NWO. Dit in verband met het al in voorbereiding zijnde stimuleringsprogramma 'Verantwoorde Voeding'.

Prof.dr.ir. D. Kromhout (RIVM) sprak over aspecten van volksgezondheid en gezondheidsbeleid; prof.dr.ir. P.A. van den Brandt (Rijksuniversiteit Limburg) over bio-actieve voeding in relatie tot kanker; prof.dr. M.B. Katan (LUW) over de relatie tot hart- en vaatziekten; ir. P.C.H. Hollman (RIKILT-DLO) over bio-actieve componenten in agrarische produkten; en dr. A. Brouwer (LUW) sprak vanuit de optiek van de toxicologie.

's Middags werd van gedachten gewisseld in een viertal groepen. Uit de levendige discussie trok voorzitter dr. O. Korver (Unilever Research Laboratorium) de volgende voorlopige conclusies: