Wageningen in profielVeertien dagen later wijdde het College van Bestuur in Wageningen een werkconferentie aan dit rapport. Daarop kwamen het inhoudelijke en geografische werkveld en de positie van de tweede fase aan de orde.
De verkenning stond ook centraal op een expertbijeenkomst van de Stichting Maatschappij en Onderneming (SMO).
Ten behoeve van deze Nieuwsbrief vroegen wij een drietal betrokkenen
commentaar op werkwijze, resultaat en mogelijk natraject van de
LUW-verkenning.
Karssen
Rector C.M. Karssen van de LUW merkt op dat de verkenning toch in een wat vervelende dwangbuis is gekomen door de parallel met het Peper-circuit. De haast waarmee in mei een tussenrapportage gemaakt moest worden maakte bijvoorbeeld dat dat rapport nogal wat losse eindjes bevatte. Maar uiteindelijk is het volgens Karssen toch een evenwichtig verhaal geworden.
"De vraag is alleen: wat nu? In het rapport wordt een discussie gesuggereerd die door de Minister in feite al beëindigd is. En dan doel ik natuurlijk op die keuze tussen keten en groene ruimte: de Minister heeft gezegd dat het beide moet zijn. En ik ben het met die keuze wel eens. Niettemin hoop en verwacht ik wel dat het rapport zal bijdragen aan een aangescherpte discussie over het profiel en het strategisch plan van het Kenniscentrum Wageningen. De Minister heeft weliswaar 'de grote keuze' gemaakt, maar binnen de door hem aangegeven thema's zullen we nog wat meer moeten kiezen.
Echt dramatische keuzen verwacht ik overigens niet. Welke exercitie je ook pleegt, telkens weer blijk je verdraaid weinig weg te kunnen snijden. Neem bijvoorbeeld onderwerpen als meteorologie, agrarisch recht, luchtkwaliteit: dat zijn allemaal vakken die je eigenlijk niet kunt missen. Maar soms kun je misschien wel de vereiste kritische massa bereiken door samen te werken met anderen. Ik denk ook niet dat we ons al te dramatische keuzen moeten laten opdringen.
Het verkenningsrapport doet dat overigens ook niet. Daar wijst
men wel met klem op de 'grote keuze', maar die vind ik dan weer
niet zo intelligent. En juist de subtielere keuzen zijn moeilijk".
Van Beynum
Professor G.M.A. van Beynum, onderzoeksdirecteur bij Pharming en voorzitter van de NIABA, vreest dat het rapport nog iets te veel geschreven is vanuit de optiek van de landbouwwereld zelf. Het oordeel van outsiders is mogelijk pijnlijker, maar wel beter.
Wat dat betreft was hij vooral tevreden over de gedegen interviews die Bureau Kleissen & Partners hield met mensen die van buiten naar binnen keken. Daar kwam precies uit wat Van Beynum verwachtte: het beeld van een redelijk zieke patient, die een wezenlijke turn around behoeft. 'Op de twee verkenningsbijeenkomsten die ik bijwoonde kwam dat minder pregnant naar voren. Daar prevaleerde toch die praatcultuur van de landbouwwereld: veel discussie zonder veel aanzetten tot sturing.'En hoewel de verkenning zijns inziens veel goede analyses bevat vreest Van Beynum dat het circuit gauw weer over zal gaan tot de orde van de dag.
'Laat iemand toch het voortouw nemen voor een goeie aanpak! Met
een krachtige heelmeester is genezing best mogelijk. Bij Gist
Brocades zijn we indertijd ook terug gegaan naar de core-business.
Dat wil echt niet zeggen dat je de rest 'dus' om zeep moet helpen:
het is ook een kwestie van opnieuw richting geven en onderdelen
in andere eenheden opnemen. 'Een keuze voor een core-business
is pijnlijk, maar wel helder. Bovendien kan het in tweede instantie,
weer nieuwe processen katalyseren.'
Het is Van Beynum opgevallen hoe weinig er over dieren gerept
wordt. Op zich zou hij het niet vreemd vinden als Wageningen zich
zou beperken tot het plantaardige deel - 'daar is werk genoeg
aan de winkel' - maar dan moet de kolom van dieren, vlees en melk
wel op een andere manier georganiseerd worden.
Van Beynum is niet gerust op een goede afloop van de samenvoeging
van LUW en DLO. DLO is nog niet door het veranderingsproces naar
meer marktgerichtheid heen, en ook de LUW moet nog een hele veranderingsslag
maken. Als je zulke complexe bedrijven samenvoegt nemen de problemen
kwadratisch toe. Van Beynum ziet dan ook meer in een interimmanager
die beide partijen rijp moet maken voor de fusie. 'Je loopt nu
het gevaar dat straks iedereen zo druk is met de fusie dat de
keuze voor de core-business langdurig wordt uitgesteld. Maar misschien
slaagt men erin een manager te vinden die dat allebei tegelijk
vorm weet te geven. Dat moet dan wel iemand van buiten zijn met
kennis van zaken, inzicht en daadkracht. Alsjeblieft niet iemand
uit politiek of ambtenarij!'
Van der Zande
A.N. van der Zande, directeur van DLO Staring Centrum, vond het verkenningsproces modern, grondig en goed getimed. Vermoedelijk is het Peper-proces ook mede voedend geweest. Misschien is het achteraf toch jammer dat de meeste aandacht formeel uitging naar de LUW, en had men zich beter al kunnen buigen over Wageningen als geheel. Maar achteraf is het altijd makkelijk praten.
Van der Zande meent dat het rapport een goede balans biedt tussen
zakelijke analyses - in termen van bijvoorbeeld studentenaantallen
en markten - en mogelijke toekomstbeelden. Het meest positieve
van de verkenning vindt hij dat de vraag naar de kern van het
domein op gang is gebracht. Hij bespeurt ook dat het daar een
functie in heeft, bijvoorbeeld in de groepen die nu de fusie van
LUW en DLO aan het voorbereiden zijn. 'En dat moet ook, want we
moeten het ijzer smeden nu het heet is. We moeten de vaart erin
houden en opportuun zijn. De kamer wil ook tempo: er moet nu wat
gebeuren.'
'De NRLO heeft ons een strategische keuze voorgehouden, zonder daarin overigens een keuze te maken: het rapport is niet belerend, maar selecteert de punten waar het om draait.
Zelf meen ik dat het zwaartepunt moet komen op de kruising van die assen van keten en groene ruimte. En daar moet dan kwalitatief en kwantitatief meer balans in. Wageningen moet breder worden dan het puur technische. Ook de gammarichtingen moeten aan bod komen. In die richting moet de organisatie zich veranderen. En ik denk dat dat kan. Ik geloof in dynamiek. De beoogde samenwerking tussen LUW en DLO is daar een voorbeeld van. Er is al iets in de richting van een nieuwe missie geproduceerd. Het maken van definitieve keuzen is dan stap twee.
Belangrijk is, denk ik, dat we het werk moeten gaan ordenen langs maatschappelijke kennisthema's in plaats van langs disciplines. Die thema's zullen centraal moeten gaan staan bij het ordenen van de expertise. Dat is een heel andere manier van kijken.
En vervolgens zul je dan grenzen moeten gaan trekken aan het einde
van die assen. Logistiek in de keten; wonen in de groene ruimte:
waar top je die assen af? Dat zal inderdaad pijn gaan doen. Maar
het kan niet vrijblijvend. En we moeten er haast mee
maken.'
Toekomst agrosector en wetenschap en technologie
Markt en ketenkennis
Als eerste punt werd betoogd, dat het komende decennium versterking nodig is van het marktonderzoek. Naast behoud van markten voor bulkproducten zal de Nederlandse agribusiness vooral moeten werken aan de ontwikkeling van nieuwe markten voor producten met een hoge toegevoegde waarde. Te denken valt aan niche-markten en verre markten zoals de Aziatische. Op dit moment is de Nederlandse kennisinfrastructuur nog te eenzijdig gericht op de klassieke en min of meer verzadigde Europese markt. Met een aantal partijen wordt thans bekeken hoe de benodigde nieuwe kennis kan worden gegenereerd.
Daarnaast bepleitte Verkaik dat bedrijfsleven, kennisinstellingen
en overheid hard verder werken aan een infrastructuur voor agroketenkennis.
De activiteiten van de in 1994 gestarte Stichting Agro Ketenkennis
(AKK) verdienen zijns inziens verdere
uitbouw, vooral op het gebied van ketenondernemerschap, -strategie,
organisatie, -marketing en logistiek. Daarnaast moet ook
de plaats van ketenkennis in het onderwijs versterkt worden. Daarbij
zijn keuzen nodig voor kerncompetenties met voldoende kritische
massa en kwaliteit. En: gerichte samenwerking met Nederlandse
en buitenlandse centra op het gebied van ketenkennis, logistiek,
transport, distributie en consumentengedrag.
Wijzigend paradigma?
Bij verkenningen gaat het om alle 'denkbare' ontwikkelingen. Er is dus niet alleen oog voor bestaande, mogelijk extrapoleerbare ontwikkelingen maar ook voor mogelijke 'tegenontwikkelingen'.
In dat kader stond Verkaik stil bij de vraag of 'marktoriëntatie' ook in de toekomst het heersende paradigma zal blijven. Mogelijk, zo betoogde hij, worden de landbouwwetenschappen en de agrosector in de toekomst veel meer dan nu afgerekend op hun 'bijdrage aan de kwaliteit van het bestaan'. Bijvoorbeeld op hun bijdrage aan de gezondheid van de mens; aan zuinig gebruik van grondstoffen of productie van hernieuwbare grondstoffen; aan de minimalisering van de milieubelasting; aan het creëren van werkgelegenheid; aan sociale cohesie op het platteland; enzovoorts.
Dergelijke vragen kunnen in eerste instantie op de sector afkomen als 'marktvragen'. Zo komt de agrarische sector nu al tegemoet aan een 'marktvraag' naar agrarisch natuurbeheer, agrorecreatie, streekeigen producten, enzovoorts. Maar er zou wel eens sprake kunnen zijn van een veel ingrijpender verandering wanneer het platteland werkelijk moet voldoen aan de uiteenlopende kwaliteitseisen van een verstedelijkende samenleving en van een gelijktijdige versterking van natuurlijke processen. Het is zeer wel denkbaar dat de 'voedselproductie' op ons platteland haar primaat verliest en op grote schaal andere typen plattelandsbedrijven gaan ontstaan op het gebied van recreatie, natuurontwikkeling, energievoorziening, waterwinning, natuurlijke waterzuivering, enzovoorts. Het begrip 'agrosector' kan dan een wezenlijk andere inhoud krijgen.
Aanzetten tot zo'n structurele wijziging in de driehoek tussen
samenleving, landbouw en natuur zijn al te vinden in de RPD-verkenning
Ruimtelijke Perspectieven ('Nederland 2030'); in de studie 'Meegroeien
met de zee' van het Wereld Natuur Fonds; en in de studie 'Interactie
Stad-land' van de NRLO en het Netwerk RO.
Cultuur van kennisinfrastructuur
Tot slot ging Verkaik in op de cultuur van kennisnetwerken. De wenselijke veranderingen in de agrokennisinfrastructuur zijn op verschillende niveaus te benaderen. Bijvoorbeeld op het niveau van organisatie en structuur (vergelijk het rapport Peper) of op het niveau van strategie-ontwikkeling (vergelijk de NRLO/OCV-verkenning). Maar daarnaast is nog een derde invalshoek zeer bepalend: die van de 'cultuur' van het kennisnetwerk, ofwel de waarden, normen, percepties, gewoonten, spelregels en kwaliteitscriteria. Daarbij gaat het om vaak moeilijker organiseerbare zaken als de (gewenste) houding, de doelen en de identiteitsbeleving van het landbouwkennissysteem.
Dit aspect komt bijvoorbeeld duidelijk naar voren als het gaat om de vraag in hoeverre een universiteit is te managen als onderneming. Cultuurverandering is ook aan de orde bij een overgang van een publieke kennisinfrastructuur naar een kennis-
systeem met een sterke marktwerking.
De tekst van de lezing van Verkaik is bij de NRLO verkrijgbaar
als NRLO-rapport 96/27.
Flexibele Agrarische Ketens in 2010 In het rapport FLAK 2010 wordt de gewenste flexibiliteit in de ketens afgeleid van de aard van de consument die men voor ogen heeft. Daartoe zijn vier contrasterende consumentbeelden nader uitgewerkt. Vanuit die beelden worden schetsen ontwikkeld van gewenste agrarische ketens.
Aan de hand van deze schetsen worden vervolgens kennisvragen geformuleerd. Deze betreffen vooral ketenstrategie en -management. Ook wordt aandacht besteed aan technologie binnen productie en distributie. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar de sleutelrol van informatie-technologie en duurzame technologie en naar het belang van maatschappijwetenschappen. Tot slot wordt een eerste stap gezet naar een mogelijke onderzoeksagenda.
De studie werd in opdracht van NRLO en de Stichting Agro Keten
Kennis (AKK) uitgevoerd door LEI-DLO, Erasmus Universiteit en
Nehem Consultancy group (NRLO-rapport 96/25).
Onderstaand de vier geformuleerde 'consumentbeelden':
1: 'de rationele mens'
De mens is een gewoontedier. Eten wordt beleefd als puur functioneel.
Agrarische ketens moeten aan die basisbehoefte voldoen, efficiënt
en goedkoop. Technologie wordt ingezet om de productstromen zo
efficiënt mogelijk te doen verlopen.
2: 'de samenwerkende mens'
De mens is een sociaal wezen. Hij zoekt geborgenheid en zekerheid.
Agrarische ketens moeten inspelen op zaken als voedselveiligheid,
traditie, natuurlijkheid en streekeigenheid. Producten moeten
voorzien zijn van aansprekende informatie omtrent herkomst en
productiewijze.
3: 'de concurrerende mens'
De mens is een zelfstandig individu, mode- en trendgevoelig.
Agrarische ketens moeten de individuele consument "als bewegend
doel" goed blijven volgen (massa-individualisering).
De flexibiliteit wordt verhoogd door het werken met modulaire
voedingsonderdelen waaruit precies de gewenste eindproducten kunnen
worden samengesteld. Ketens trachten consumenten aan zich te binden
met een duidelijk onderscheidend imago.
4: 'de verantwoordelijke mens'
De mens ziet duurzaamheid op wereldschaal zowel praktisch
als moreel als enige weg. Agrarische ketens moeten een radicale
ommekeer bewerkstelligen. Technologie wordt aangewend om voedselproductie,
voedseldistributie en productontwikkeling mondiaal te optimaliseren.
Belangrijke publicaties over rurale ontwikkeling
De uitslag van de enquête is:
1. Relatienota (L&V, CRM, VRO, 1975)
2. Plan Ooievaar (Nieuwenhuijze e.a., 1986)
3. Zorgen voor morgen (RIVM, 1988)
4. Natuurbeleidsplan (LNV, VROM en V&W, 1990)
5. Geïntegreerde landbouw (WRR, 1984)
6. Bedrijfsstijlen (Van der Ploeg, in Spil 1991)
7. VINEX (VROM, 1991)
8. Grond voor keuzen (WRR, 1992)
9. Dynamiek en Vernieuwing (LNV, 1995)
10. Derde nota Ruimtelijke Ordening: landelijke gebieden (VRO,1979)
De opdracht aan de onderzoekers was om een lijst op te stellen
van de meest toonaangevende literatuur op het gebied van de rurale
ontwikkeling. De opdracht kwam voort uit een EU-project waarin
wetenschappers en beleidsmakers zich buigen over de vraag hoe
de kloof tussen wetenschap en beleid kan worden verkleind. De
vakgroep Sociologie van de Landbouwuniversiteit participeert in
dit project. De NRLO had belangstelling voor de vraagstelling
omdat die past in haar 'verkenning plattelandsontwikkeling' en
vooral omdat het onderzoek een antwoord zou kunnen geven op de
vraag of we uit het verleden kunnen leren aan welke voorwaarden
onderzoek moet voldoen om innovatief te zijn.
Menig betrokken deskundige keek met belangstelling uit naar de
uitslag van de enquête. Niet zozeer om er methodologisch
gaten in te kunnen schieten en misschien ook niet zozeer uit ijdelheid,
maar dan toch zeker vanwege welbegrepen institutioneel eigenbelang.
Want uiteindelijk beoordeelden wetenschappers uit verschillende
disciplines ook elkaars werk. En een goede beoordeling is toch
tenminste een erkenning dat het eigen werk van invloed was op
het beleid of op het wetenschappelijk discours. Dat waren althans
de beoordelingscriteria in de enquête.
Onder publicaties die als meest toonaangevend werden beoordeeld,
zijn er maar weinig afkomstig van de belangrijkste wetenschappelijke
instituten en universiteiten. De deskundigen die voor het onderzoek
werden geraadpleegd plaatsten bijvoorbeeld geen dissertaties op
de lijst. Daar prijken vooral overheidsnota's. Het is op zijn
minst opvallend dat wetenschappers die gevraagd worden de publicaties
van twintig jaar over rurale ontwikkeling te beoordelen, vooral
overheidsnota's bovenaan plaatsen. Natuurlijk, overheidsnota's
hebben invloed op het beleid, daarvoor worden ze geschreven. Maar
bepalen ze ook het wetenschappelijke discours?
De onderzoekers zien twee mogelijke verklaringen voor het kleine
aantal wetenschappelijke publicaties op de lijst. Wetenschappelijk
werk kan heel goed in beleids-nota's zijn opgenomen, en behoeft
daarom geen aparte vermelding op de lijst. De meer prikkelende
stelling van de onderzoekers is dat schrijvers van beleidsnota's
wel eens, en wellicht in toenemende mate, poortwachters van het
wetenschappelijke discours kunnen zijn. Zij bepalen welke ideeën
van welke onderzoekers beleidsvoornemen kan worden. Gezien de
beoordeling door de deskundigen van de lijst van 47, voeren wetenschappers
zelf het discours ook overwegend in termen van (voorgenomen) overheidsbeleid.
Praten we vandaag nog lovend over het briljante rapport Meer
dan de som der delen (op de vijftiende plaats geëindigd),
morgen zijn we hem vergeten omdat het beleid hem negeert. Bijvoorbeeld.
Waaruit de onvermijdelijke conclusie volgt dat wetenschappelijk
(contract-)onderzoek steeds meer moet passen in de denkkaders
van de beleidsmakers, om tenminste innovatief te kunnen zijn en
als zodanig te worden erkend.
Die gedachte, maar vooral ook de nogal blote lijst van publicaties
(wel van commentaar voorzien, maar nauwelijks met elkaar in verband
gebracht), roept om nader onderzoek. Daarin moet het niet zozeer
gaan over welke nota nu het meeste invloed heeft, zo bleek tijdens
de afsluitende plenaire discussie met de deskundigen. De lijst
die nu is opgesteld, riep in de discussie veel vragen op. Vooral
vragen naar het verhaal, het discours, dat er mee verteld zou
kunnen worden, bijvoorbeeld over een thema als scheiding en verweving.
Of over het sturingsdebat. Vragen naar het verhaal: hoe is het
debat de afgelopen jaren verlopen? Wie waren de dominante deelnemers?
Hoe komen innoverende ideeën tot stand en hoe worden ze opgepakt?
Hoe verloopt de interactie tussen discours en beleid? De onderzoekers
zullen binnenkort een voorstel indienen voor vervolgonderzoek.
Het onderzoek, uitgevoerd door Prof.Dr. A.T.J. Nooij, Dr. H. Hetsen
en Ir. M.T.A. Ettema zal in december worden afgerond en het rapport
zal bij de NRLO zijn te verkrijgen onder de titel: "Rurale
ontwikkeling in publicaties, een inventarisatie van de belangrijkste
publicaties op het terrein van rurale ontwikkeling in de periode
1975 - 1996" (NRLO-rapport nr. 96/23).
Nieuwe verkenningen In de omgeving van de land- en tuinbouw, en op de agrarische bedrijven zelf, zal de komende twintig jaar veel veranderen. Voortdurende vernieuwing is daarom - mogelijk meer dan ooit - noodzakelijk om de toekomst met vertrouwen tegemoet te kunnen zien. Vernieuwing, niet alleen van productie en productieprocessen maar ook van de structuren en 'spelregels' waarbinnen de agrarische ondernemers opereren. Dit is het onderwerp van de nieuwe, onlangs gestarte NRLO-verkenning 'Innovatie in land- en tuinbouw op weg naar 2015'.
De vraag is hoe ondernemers in de land- en tuinbouw en de daaraan aanpalende bedrijfstakken op weg naar 2015 kunnen inspelen op die veranderingen. En wat kunnen die betekenen voor het landbouwkundig kennis- en innovatiesysteem? Welke nieuwe rollen en werkwijzen doemen daarbij op voor de kennis-instellingen? Door middel van studie en discussie over deze vragen verwacht de NRLO bij te kunnen dragen aan nieuwe strategieën voor een continu vernieuwende land- en tuinbouw. Voor meer informatie kunt u terecht bij:
Hans Rutten, 070-378 5777, e-mail: j.g.de.wilt@innonet.agro.nl.
Diergezondheid 2015
Hoe zou een duurzame diergezondheidszorg er in 2015 uit kunnen zien, gezien de mogelijke ontwikkelingen die zich de komende twintig jaar in maatschappij, landbouw en wetenschap voor kunnen doen? Is er een koerswijziging nodig in veehouderij en veterinaire praktijk, en zo ja, in welke richting? Wat betekent een en ander voor de benodigde expertise, prioriteitsgebieden en structuur van het veterinaire en landbouwkundige onderzoek?
De NRLO-verkenning 'Diergezondheid 2015' beoogt niet op al deze vragen een ultiem antwoord te formuleren. Wel wil ze proberen de horizon ten aanzien van dit onderwerp te verbreden en de belangrijkste opgaven voor het onderzoek te formuleren.
Deze verkenning is begonnen met het benaderen van een vijftal personen waarvan nieuwe ideeën en gedurfde stellingnames op dit gebied verwacht mogen worden. Hen is gevraagd een essay te schrijven, waarbij ieder een specifieke invalshoek meekreeg: gezondheidsmanagement op het bedrijf vanuit economisch perspectief; georganiseerde en politionele dierziektenbestrijding; systemen en technieken voor een duurzame gezondheidszorg; diergezondheid in de praktijk; en diergezondheidszorg in het spanningsveld diergezondheid, welzijn en milieu.
Het streven is deze essays in april te bediscussiëren in een workshop. Vervolgens zal de NRLO haar visie formuleren op de gewenste koers, inhoud en structuur van het toekomstig onderzoek op het gebied van diergezondheid.
Contactpersoon voor deze verkenning is Jan de Wilt , 070 - 378
4774, e-mail: J.G.de.Wilt@innonet.agro.nl