NRLO Nieuwsbrief 5 - Januari 1997

Wageningen in profiel

Onder de titel 'Wageningen in profiel' is het eindrapport van de verkenning Landbouwwetenschappen in 2010: de positie van de LUW' op 11 oktober jl. aangeboden aan de ministers van LNV en OC&W en aan het College van Bestuur van de LUW.

Veertien dagen later wijdde het College van Bestuur in Wageningen een werkconferentie aan dit rapport. Daarop kwamen het inhoudelijke en geografische werkveld en de positie van de tweede fase aan de orde.

De verkenning stond ook centraal op een expertbijeenkomst van de Stichting Maatschappij en Onderneming (SMO).

Ten behoeve van deze Nieuwsbrief vroegen wij een drietal betrokkenen commentaar op werkwijze, resultaat en mogelijk natraject van de LUW-verkenning.

Karssen

Rector C.M. Karssen van de LUW merkt op dat de verkenning toch in een wat vervelende dwangbuis is gekomen door de parallel met het Peper-circuit. De haast waarmee in mei een tussenrapportage gemaakt moest worden maakte bijvoorbeeld dat dat rapport nogal wat losse eindjes bevatte. Maar uiteindelijk is het volgens Karssen toch een evenwichtig verhaal geworden.

"De vraag is alleen: wat nu? In het rapport wordt een discussie gesuggereerd die door de Minister in feite al beëindigd is. En dan doel ik natuurlijk op die keuze tussen keten en groene ruimte: de Minister heeft gezegd dat het beide moet zijn. En ik ben het met die keuze wel eens. Niettemin hoop en verwacht ik wel dat het rapport zal bijdragen aan een aangescherpte discussie over het profiel en het strategisch plan van het Kenniscentrum Wageningen. De Minister heeft weliswaar 'de grote keuze' gemaakt, maar binnen de door hem aangegeven thema's zullen we nog wat meer moeten kiezen.

Echt dramatische keuzen verwacht ik overigens niet. Welke exercitie je ook pleegt, telkens weer blijk je verdraaid weinig weg te kunnen snijden. Neem bijvoorbeeld onderwerpen als meteorologie, agrarisch recht, luchtkwaliteit: dat zijn allemaal vakken die je eigenlijk niet kunt missen. Maar soms kun je misschien wel de vereiste kritische massa bereiken door samen te werken met anderen. Ik denk ook niet dat we ons al te dramatische keuzen moeten laten opdringen.

Het verkenningsrapport doet dat overigens ook niet. Daar wijst men wel met klem op de 'grote keuze', maar die vind ik dan weer niet zo intelligent. En juist de subtielere keuzen zijn moeilijk".

Van Beynum

Professor G.M.A. van Beynum, onderzoeksdirecteur bij Pharming en voorzitter van de NIABA, vreest dat het rapport nog iets te veel geschreven is vanuit de optiek van de landbouwwereld zelf. Het oordeel van outsiders is mogelijk pijnlijker, maar wel beter.

Wat dat betreft was hij vooral tevreden over de gedegen interviews die Bureau Kleissen & Partners hield met mensen die van buiten naar binnen keken. Daar kwam precies uit wat Van Beynum verwachtte: het beeld van een redelijk zieke patient, die een wezenlijke turn around behoeft. 'Op de twee verkenningsbijeenkomsten die ik bijwoonde kwam dat minder pregnant naar voren. Daar prevaleerde toch die praatcultuur van de landbouwwereld: veel discussie zonder veel aanzetten tot sturing.'En hoewel de verkenning zijns inziens veel goede analyses bevat vreest Van Beynum dat het circuit gauw weer over zal gaan tot de orde van de dag.

'Laat iemand toch het voortouw nemen voor een goeie aanpak! Met een krachtige heelmeester is genezing best mogelijk. Bij Gist Brocades zijn we indertijd ook terug gegaan naar de core-business. Dat wil echt niet zeggen dat je de rest 'dus' om zeep moet helpen: het is ook een kwestie van opnieuw richting geven en onderdelen in andere eenheden opnemen. 'Een keuze voor een core-business is pijnlijk, maar wel helder. Bovendien kan het in tweede instantie, weer nieuwe processen katalyseren.'

Het is Van Beynum opgevallen hoe weinig er over dieren gerept wordt. Op zich zou hij het niet vreemd vinden als Wageningen zich zou beperken tot het plantaardige deel - 'daar is werk genoeg aan de winkel' - maar dan moet de kolom van dieren, vlees en melk wel op een andere manier georganiseerd worden.

Van Beynum is niet gerust op een goede afloop van de samenvoeging van LUW en DLO. DLO is nog niet door het veranderingsproces naar meer marktgerichtheid heen, en ook de LUW moet nog een hele veranderingsslag maken. Als je zulke complexe bedrijven samenvoegt nemen de problemen kwadratisch toe. Van Beynum ziet dan ook meer in een interimmanager die beide partijen rijp moet maken voor de fusie. 'Je loopt nu het gevaar dat straks iedereen zo druk is met de fusie dat de keuze voor de core-business langdurig wordt uitgesteld. Maar misschien slaagt men erin een manager te vinden die dat allebei tegelijk vorm weet te geven. Dat moet dan wel iemand van buiten zijn met kennis van zaken, inzicht en daadkracht. Alsjeblieft niet iemand uit politiek of ambtenarij!'

Van der Zande

A.N. van der Zande, directeur van DLO Staring Centrum, vond het verkenningsproces modern, grondig en goed getimed. Vermoedelijk is het Peper-proces ook mede voedend geweest. Misschien is het achteraf toch jammer dat de meeste aandacht formeel uitging naar de LUW, en had men zich beter al kunnen buigen over Wageningen als geheel. Maar achteraf is het altijd makkelijk praten.

Van der Zande meent dat het rapport een goede balans biedt tussen zakelijke analyses - in termen van bijvoorbeeld studentenaantallen en markten - en mogelijke toekomstbeelden. Het meest positieve van de verkenning vindt hij dat de vraag naar de kern van het domein op gang is gebracht. Hij bespeurt ook dat het daar een functie in heeft, bijvoorbeeld in de groepen die nu de fusie van LUW en DLO aan het voorbereiden zijn. 'En dat moet ook, want we moeten het ijzer smeden nu het heet is. We moeten de vaart erin houden en opportuun zijn. De kamer wil ook tempo: er moet nu wat gebeuren.'

'De NRLO heeft ons een strategische keuze voorgehouden, zonder daarin overigens een keuze te maken: het rapport is niet belerend, maar selecteert de punten waar het om draait.

Zelf meen ik dat het zwaartepunt moet komen op de kruising van die assen van keten en groene ruimte. En daar moet dan kwalitatief en kwantitatief meer balans in. Wageningen moet breder worden dan het puur technische. Ook de gammarichtingen moeten aan bod komen. In die richting moet de organisatie zich veranderen. En ik denk dat dat kan. Ik geloof in dynamiek. De beoogde samenwerking tussen LUW en DLO is daar een voorbeeld van. Er is al iets in de richting van een nieuwe missie geproduceerd. Het maken van definitieve keuzen is dan stap twee.

Belangrijk is, denk ik, dat we het werk moeten gaan ordenen langs maatschappelijke kennisthema's in plaats van langs disciplines. Die thema's zullen centraal moeten gaan staan bij het ordenen van de expertise. Dat is een heel andere manier van kijken.

En vervolgens zul je dan grenzen moeten gaan trekken aan het einde van die assen. Logistiek in de keten; wonen in de groene ruimte: waar top je die assen af? Dat zal inderdaad pijn gaan doen. Maar het kan niet vrijblijvend. En we moeten er haast mee maken.'

Toekomst agrosector en wetenschap en technologie

Op 14 november 1996 organiseerde de Stichting Maatschappij en Onderneming een expertbijeenkomst over de toekomst van de agrosector. De directeur van de NRLO, A.P. Verkaik, spitste zijn betoog toe op ontwikkelingen in wetenschap en technologie.

Markt en ketenkennis

Als eerste punt werd betoogd, dat het komende decennium versterking nodig is van het marktonderzoek. Naast behoud van markten voor bulkproducten zal de Nederlandse agribusiness vooral moeten werken aan de ontwikkeling van nieuwe markten voor producten met een hoge toegevoegde waarde. Te denken valt aan niche-markten en verre markten zoals de Aziatische. Op dit moment is de Nederlandse kennisinfrastructuur nog te eenzijdig gericht op de klassieke en min of meer verzadigde Europese markt. Met een aantal partijen wordt thans bekeken hoe de benodigde nieuwe kennis kan worden gegenereerd.

Daarnaast bepleitte Verkaik dat bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid hard verder werken aan een infrastructuur voor agroketenkennis. De activiteiten van de in 1994 gestarte Stichting Agro Ketenkennis (AKK) verdienen zijns inziens verdere uitbouw, vooral op het gebied van ketenondernemerschap, -strategie, ­organisatie, -marketing en logistiek. Daarnaast moet ook de plaats van ketenkennis in het onderwijs versterkt worden. Daarbij zijn keuzen nodig voor kerncompetenties met voldoende kritische massa en kwaliteit. En: gerichte samenwerking met Nederlandse en buitenlandse centra op het gebied van ketenkennis, logistiek, transport, distributie en consumentengedrag.

Wijzigend paradigma?

Bij verkenningen gaat het om alle 'denkbare' ontwikkelingen. Er is dus niet alleen oog voor bestaande, mogelijk extrapoleerbare ontwikkelingen maar ook voor mogelijke 'tegenontwikkelingen'.

In dat kader stond Verkaik stil bij de vraag of 'marktoriëntatie' ook in de toekomst het heersende paradigma zal blijven. Mogelijk, zo betoogde hij, worden de landbouwwetenschappen en de agrosector in de toekomst veel meer dan nu afgerekend op hun 'bijdrage aan de kwaliteit van het bestaan'. Bijvoorbeeld op hun bijdrage aan de gezondheid van de mens; aan zuinig gebruik van grondstoffen of productie van hernieuwbare grondstoffen; aan de minimalisering van de milieubelasting; aan het creëren van werkgelegenheid; aan sociale cohesie op het platteland; enzovoorts.

Dergelijke vragen kunnen in eerste instantie op de sector afkomen als 'marktvragen'. Zo komt de agrarische sector nu al tegemoet aan een 'marktvraag' naar agrarisch natuurbeheer, agrorecreatie, streekeigen producten, enzovoorts. Maar er zou wel eens sprake kunnen zijn van een veel ingrijpender verandering wanneer het platteland werkelijk moet voldoen aan de uiteenlopende kwaliteitseisen van een verstedelijkende samenleving en van een gelijktijdige versterking van natuurlijke processen. Het is zeer wel denkbaar dat de 'voedselproductie' op ons platteland haar primaat verliest en op grote schaal andere typen plattelandsbedrijven gaan ontstaan op het gebied van recreatie, natuurontwikkeling, energievoorziening, waterwinning, natuurlijke waterzuivering, enzovoorts. Het begrip 'agrosector' kan dan een wezenlijk andere inhoud krijgen.

Aanzetten tot zo'n structurele wijziging in de driehoek tussen samenleving, landbouw en natuur zijn al te vinden in de RPD-verkenning Ruimtelijke Perspectieven ('Nederland 2030'); in de studie 'Meegroeien met de zee' van het Wereld Natuur Fonds; en in de studie 'Interactie Stad-land' van de NRLO en het Netwerk RO.

Cultuur van kennisinfrastructuur

Tot slot ging Verkaik in op de cultuur van kennisnetwerken. De wenselijke veranderingen in de agrokennisinfrastructuur zijn op verschillende niveaus te benaderen. Bijvoorbeeld op het niveau van organisatie en structuur (vergelijk het rapport Peper) of op het niveau van strategie-ontwikkeling (vergelijk de NRLO/OCV-verkenning). Maar daarnaast is nog een derde invalshoek zeer bepalend: die van de 'cultuur' van het kennisnetwerk, ofwel de waarden, normen, percepties, gewoonten, spelregels en kwaliteitscriteria. Daarbij gaat het om vaak moeilijker organiseerbare zaken als de (gewenste) houding, de doelen en de identiteitsbeleving van het landbouwkennissysteem.

Dit aspect komt bijvoorbeeld duidelijk naar voren als het gaat om de vraag in hoeverre een universiteit is te managen als onderneming. Cultuurverandering is ook aan de orde bij een overgang van een publieke kennisinfrastructuur naar een kennis-

systeem met een sterke marktwerking.

De tekst van de lezing van Verkaik is bij de NRLO verkrijgbaar als NRLO-rapport 96/27.

Flexibele Agrarische Ketens in 2010

Door culturele en technologische ontwikkelingen lijkt het gedrag van consumenten steeds veranderlijker, minder uniform en moeilijker voorspelbaar te worden. Om die moeilijk grijpbare consument niettemin te kunnen volgen zullen de agrarische ketens extra flexibel moeten worden. Niet alleen qua productiesystemen, maar ook qua organisatie en management en toepassing van informatietechnologieën.

In het rapport FLAK 2010 wordt de gewenste flexibiliteit in de ketens afgeleid van de aard van de consument die men voor ogen heeft. Daartoe zijn vier contrasterende consumentbeelden nader uitgewerkt. Vanuit die beelden worden schetsen ontwikkeld van gewenste agrarische ketens.

Aan de hand van deze schetsen worden vervolgens kennisvragen geformuleerd. Deze betreffen vooral ketenstrategie en -management. Ook wordt aandacht besteed aan technologie binnen productie en distributie. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar de sleutelrol van informatie-technologie en duurzame technologie en naar het belang van maatschappijwetenschappen. Tot slot wordt een eerste stap gezet naar een mogelijke onderzoeksagenda.

De studie werd in opdracht van NRLO en de Stichting Agro Keten Kennis (AKK) uitgevoerd door LEI-DLO, Erasmus Universiteit en Nehem Consultancy group (NRLO-rapport 96/25).

Onderstaand de vier geformuleerde 'consumentbeelden':

1: 'de rationele mens'
De mens is een gewoontedier. Eten wordt beleefd als puur functioneel. Agrarische ketens moeten aan die basisbehoefte voldoen, efficiënt en goedkoop. Technologie wordt ingezet om de productstromen zo efficiënt mogelijk te doen verlopen.

2: 'de samenwerkende mens'
De mens is een sociaal wezen. Hij zoekt geborgenheid en zekerheid. Agrarische ketens moeten inspelen op zaken als voedselveiligheid, traditie, natuurlijkheid en streekeigenheid. Producten moeten voorzien zijn van aansprekende informatie omtrent herkomst en productiewijze.

3: 'de concurrerende mens'
De mens is een zelfstandig individu, mode- en trendgevoelig. Agrarische ketens moeten de individuele consument "als bewegend doel" goed blijven volgen (massa-individualisering).

De flexibiliteit wordt verhoogd door het werken met modulaire voedingsonderdelen waaruit precies de gewenste eindproducten kunnen worden samengesteld. Ketens trachten consumenten aan zich te binden met een duidelijk onderscheidend imago.

4: 'de verantwoordelijke mens'
De mens ziet duurzaamheid op wereldschaal zowel praktisch als moreel als enige weg. Agrarische ketens moeten een radicale ommekeer bewerkstelligen. Technologie wordt aangewend om voedselproductie, voedseldistributie en productontwikkeling mondiaal te optimaliseren.

Belangrijke publicaties over rurale ontwikkeling

Binnenkort wordt een onderzoek van de NRLO en de Landbouwuniversiteit naar de meest toonaangevende publicaties over plattelandsontwikkeling van de afgelopen twintig jaar afgerond. Aan 18 deskundigen werd gevraagd een oordeel te geven over 47 publicaties, die zij zelf hadden genomineerd.

De uitslag van de enquête is:

1. Relatienota (L&V, CRM, VRO, 1975)
2. Plan Ooievaar (Nieuwenhuijze e.a., 1986)
3. Zorgen voor morgen (RIVM, 1988)
4. Natuurbeleidsplan (LNV, VROM en V&W, 1990)
5. Geïntegreerde landbouw (WRR, 1984)
6. Bedrijfsstijlen (Van der Ploeg, in Spil 1991)
7. VINEX (VROM, 1991)
8. Grond voor keuzen (WRR, 1992)
9. Dynamiek en Vernieuwing (LNV, 1995)
10. Derde nota Ruimtelijke Ordening: landelijke gebieden (VRO,1979)

De opdracht aan de onderzoekers was om een lijst op te stellen van de meest toonaangevende literatuur op het gebied van de rurale ontwikkeling. De opdracht kwam voort uit een EU-project waarin wetenschappers en beleidsmakers zich buigen over de vraag hoe de kloof tussen wetenschap en beleid kan worden verkleind. De vakgroep Sociologie van de Landbouwuniversiteit participeert in dit project. De NRLO had belangstelling voor de vraagstelling omdat die past in haar 'verkenning plattelandsontwikkeling' en vooral omdat het onderzoek een antwoord zou kunnen geven op de vraag of we uit het verleden kunnen leren aan welke voorwaarden onderzoek moet voldoen om innovatief te zijn.

Menig betrokken deskundige keek met belangstelling uit naar de uitslag van de enquête. Niet zozeer om er methodologisch gaten in te kunnen schieten en misschien ook niet zozeer uit ijdelheid, maar dan toch zeker vanwege welbegrepen institutioneel eigenbelang. Want uiteindelijk beoordeelden wetenschappers uit verschillende disciplines ook elkaars werk. En een goede beoordeling is toch tenminste een erkenning dat het eigen werk van invloed was op het beleid of op het wetenschappelijk discours. Dat waren althans de beoordelingscriteria in de enquête.

Onder publicaties die als meest toonaangevend werden beoordeeld, zijn er maar weinig afkomstig van de belangrijkste wetenschappelijke instituten en universiteiten. De deskundigen die voor het onderzoek werden geraadpleegd plaatsten bijvoorbeeld geen dissertaties op de lijst. Daar prijken vooral overheidsnota's. Het is op zijn minst opvallend dat wetenschappers die gevraagd worden de publicaties van twintig jaar over rurale ontwikkeling te beoordelen, vooral overheidsnota's bovenaan plaatsen. Natuurlijk, overheidsnota's hebben invloed op het beleid, daarvoor worden ze geschreven. Maar bepalen ze ook het wetenschappelijke discours?

De onderzoekers zien twee mogelijke verklaringen voor het kleine aantal wetenschappelijke publicaties op de lijst. Wetenschappelijk werk kan heel goed in beleids-nota's zijn opgenomen, en behoeft daarom geen aparte vermelding op de lijst. De meer prikkelende stelling van de onderzoekers is dat schrijvers van beleidsnota's wel eens, en wellicht in toenemende mate, poortwachters van het wetenschappelijke discours kunnen zijn. Zij bepalen welke ideeën van welke onderzoekers beleidsvoornemen kan worden. Gezien de beoordeling door de deskundigen van de lijst van 47, voeren wetenschappers zelf het discours ook overwegend in termen van (voorgenomen) overheidsbeleid. Praten we vandaag nog lovend over het briljante rapport Meer dan de som der delen (op de vijftiende plaats geëindigd), morgen zijn we hem vergeten omdat het beleid hem negeert. Bijvoorbeeld. Waaruit de onvermijdelijke conclusie volgt dat wetenschappelijk (contract-)onderzoek steeds meer moet passen in de denkkaders van de beleidsmakers, om tenminste innovatief te kunnen zijn en als zodanig te worden erkend.

Die gedachte, maar vooral ook de nogal blote lijst van publicaties (wel van commentaar voorzien, maar nauwelijks met elkaar in verband gebracht), roept om nader onderzoek. Daarin moet het niet zozeer gaan over welke nota nu het meeste invloed heeft, zo bleek tijdens de afsluitende plenaire discussie met de deskundigen. De lijst die nu is opgesteld, riep in de discussie veel vragen op. Vooral vragen naar het verhaal, het discours, dat er mee verteld zou kunnen worden, bijvoorbeeld over een thema als scheiding en verweving. Of over het sturingsdebat. Vragen naar het verhaal: hoe is het debat de afgelopen jaren verlopen? Wie waren de dominante deelnemers? Hoe komen innoverende ideeën tot stand en hoe worden ze opgepakt? Hoe verloopt de interactie tussen discours en beleid? De onderzoekers zullen binnenkort een voorstel indienen voor vervolgonderzoek.

Het onderzoek, uitgevoerd door Prof.Dr. A.T.J. Nooij, Dr. H. Hetsen en Ir. M.T.A. Ettema zal in december worden afgerond en het rapport zal bij de NRLO zijn te verkrijgen onder de titel: "Rurale ontwikkeling in publicaties, een inventarisatie van de belangrijkste publicaties op het terrein van rurale ontwikkeling in de periode 1975 - 1996" (NRLO-rapport nr. 96/23).

Nieuwe verkenningen

Innovatie in land- en tuinbouw op weg naar 2015

In de omgeving van de land- en tuinbouw, en op de agrarische bedrijven zelf, zal de komende twintig jaar veel veranderen. Voortdurende vernieuwing is daarom - mogelijk meer dan ooit - noodzakelijk om de toekomst met vertrouwen tegemoet te kunnen zien. Vernieuwing, niet alleen van productie en productieprocessen maar ook van de structuren en 'spelregels' waarbinnen de agrarische ondernemers opereren. Dit is het onderwerp van de nieuwe, onlangs gestarte NRLO-verkenning 'Innovatie in land- en tuinbouw op weg naar 2015'.

De vraag is hoe ondernemers in de land- en tuinbouw en de daaraan aanpalende bedrijfstakken op weg naar 2015 kunnen inspelen op die veranderingen. En wat kunnen die betekenen voor het landbouwkundig kennis- en innovatiesysteem? Welke nieuwe rollen en werkwijzen doemen daarbij op voor de kennis-instellingen? Door middel van studie en discussie over deze vragen verwacht de NRLO bij te kunnen dragen aan nieuwe strategieën voor een continu vernieuwende land- en tuinbouw. Voor meer informatie kunt u terecht bij:

Hans Rutten, 070-378 5777, e-mail: j.g.de.wilt@innonet.agro.nl.

Diergezondheid 2015

Hoe zou een duurzame diergezondheidszorg er in 2015 uit kunnen zien, gezien de mogelijke ontwikkelingen die zich de komende twintig jaar in maatschappij, landbouw en wetenschap voor kunnen doen? Is er een koerswijziging nodig in veehouderij en veterinaire praktijk, en zo ja, in welke richting? Wat betekent een en ander voor de benodigde expertise, prioriteitsgebieden en structuur van het veterinaire en landbouwkundige onderzoek?

De NRLO-verkenning 'Diergezondheid 2015' beoogt niet op al deze vragen een ultiem antwoord te formuleren. Wel wil ze proberen de horizon ten aanzien van dit onderwerp te verbreden en de belangrijkste opgaven voor het onderzoek te formuleren.

Deze verkenning is begonnen met het benaderen van een vijftal personen waarvan nieuwe ideeën en gedurfde stellingnames op dit gebied verwacht mogen worden. Hen is gevraagd een essay te schrijven, waarbij ieder een specifieke invalshoek meekreeg: gezondheidsmanagement op het bedrijf vanuit economisch perspectief; georganiseerde en politionele dierziektenbestrijding; systemen en technieken voor een duurzame gezondheidszorg; diergezondheid in de praktijk; en diergezondheidszorg in het spanningsveld diergezondheid, welzijn en milieu.

Het streven is deze essays in april te bediscussiëren in een workshop. Vervolgens zal de NRLO haar visie formuleren op de gewenste koers, inhoud en structuur van het toekomstig onderzoek op het gebied van diergezondheid.

Contactpersoon voor deze verkenning is Jan de Wilt , 070 - 378 4774, e-mail: J.G.de.Wilt@innonet.agro.nl

[NRLO Home]