NRLO Nieuwsbrief 4 - juni 1996



Afzet, verwerking en produktie

De vier deelstudies van de verkenning van 'Afzet-, Verwerkings- en Produktiesystemen in de 21e eeuw' zijn in volle gang. Een tussenstand.

Consument en markt

Na een startconferentie op 8 december 1995 zijn enkele discussienota's gemaakt, die op een workshop op 11 juni jl. ter sprake kwamen. U kunt deze notities, en het verslag van de workshop, aanvragen bij het NRLO-secretariaat.

* Een notitie van prof. M.T.G. Meulenberg (LUW) gaat in op de factoren die het gedrag van de consument in 2015 mogelijk zullen bepalen. In onze westerse wereld zal de sensoriek (ook) in 2015 uiterst belangrijk blijven. Een produkt moet vooral lekker zijn. Daarnaast zal de gezondheidseis in belang toenemen (ook in verband met de vergrijzing) en huishoudens met weinig vrije tijd en voldoende geld zullen meer gemaksvoedsel vragen. Verder zullen 'onbewerkt' en 'natuurlijk' een belangrijk koopargument vormen. Milieuvriendelijk zal in 2015 onderdeel zijn van kwaliteit. Gemiddeld zal de consument meer koopkracht hebben, maar belangrijke groepen zullen slechts over bescheiden koopkracht beschikken (tweedeling in de maatschappij). Bij de consument overheerst het ene moment milieuvriendelijk, natuurlijk en gezond, het andere moment gemak en beschikbaarheid. Eenzelfde persoon consumeert in verschillende rollen en onder verschillende omstandigheden op verschillende wijze. Nader onderzoek is nodig naar de vraag hoe je om moet gaan met zo'n momentgebonden, grillige consument: enerzijds naar zijn keuzegedrag en anderzijds naar de mogelijkheden om de flexibiliteit van de voortbrengingsketens te vergroten.

* Een notitie van prof. L.C. Zachariasse en drs. Van Gaasbeek (LEI-DLO) bekijkt de verschuiving van binnen- naar buitenhuishoudelijk gebruik in de verschillende markten. Tot dusver stond de besteding bij de detailhandel centraal, maar in toenemende mate betrekt de consument voedingsmiddelen via andere kanalen. In de VS verwacht men dat het voedingsbudget in het jaar 2000 al voor vijftig procent buitenshuis zal worden besteed. Voor jonge paren zonder kinderen is dat in Nederland al dertig procent. Overigens gaat de scheidslijn tussen buiten- huishoudelijk gebruik en winkelaankopen wel vervagen. Denk bijvoorbeeld aan kant-en-klaar maaltijden, die men thuis alleen maar hoeft op te warmen. De notitie laat zien dat het buitenhuishoudelijk gebruik zich vooral in de welvarende landen heeft ontwikkeld en vaak per land zeer verschillend. Voor het inschatten van de verdere ontwikkelingen is nader onderzoek nodig naar het consumentenkeuzegedrag en de verschillende eisen die van daaruit worden gesteld aan de agrarische produktieketens.

* Een notitie van prof. J.E.B.M. Steenkamp (LUW/KU Leuven) gaat in op de markten die voor 2010 van belang zijn en de eisen die die markten stellen. Hij geeft aan dat agrarische bulkproduktie tegen lage kosten op de Europese markt een belangrijke strategie zal blijven. Maar gezien het veranderende consumentengedrag en de opkomst van andere bulkproducenten is daarnaast een differentiatiestrategie nodig, gericht op nieuwe produkten in veelbelovende niche-markten. Onderzoek moet deze niches helpen identificeren en aangeven hoe de agrosector hierop kan inspelen. Ook Steenkamp wijst daarbij op de opkomende buitenshuismarkt. Verder kan het op termijn lonen een leidende rol te spelen in milieu- en diervriendelijke produktie. De opkomende markten van Azie en Latijns-Amerika vragen een duidelijk andere benadering met differentiatie op specifieke marktsegmenten. Gezien de hoge transportkosten hebben alleen produkten met hoge toegevoegde waarde een kans. Steenkamp geeft daar voorbeelden van en doet voorstellen hoe overheid en bedrijfsleven in deze gezamenlijk actie kunnen ondernemen.

Samen met de Stichting Agroketenkennis heeft de NRLO inmiddels een project 'Felexibele Ketens 2010' opgezet om te bezien hoe ketenschakels in zouden kunnen spelen op de soms onvoorspelbare consumentenvraag. De Stichting Agroketenkennis heeft als taakstelling een blijvende versterking van de ketenkennis-infrastructuur te bevorderen. De uitvoering van dit project ligt bij de NEHEM en LEI-DLO. Met behulp van indicatoren, zoals grondstofgebondenheid en potentiele produktdifferentiatie, worden agroketens beoordeeld op hun flexibiliteit. Vervolgens worden aan de hand van een drietal scenario's mogelijke ontwikkelingen geschetst, waarna de slag wordt gemaakt naar de kennisbehoefte.

Tijdens de startconferentie werd aangedragen dat de huidige schooljeugd de consument van de toekomst is. Communicatie met deze groep zou kunnen helpen de bestaande kloof in kennis en beleving over voedselproduktie en -verwerking te overbruggen. Hierover is contact gezocht met de Stichting C3, die ten aanzien van het imago van de chemische industrie al veel ideeen en initiatieven heeft ontwikkeld. Een concept onderzoeksvoorstel is inmiddels beschikbaar.

Projectleider J.M.P. Papenhuijzen 070 - 3792751

Hulpstoffen en energie in landbouwsystemen in 2015

In deze studie wil de NRLO opties verkennen voor de koers, inhoud en structuur van het landbouwkundig onderzoek in het licht van het streven naar een duurzaam gebruik van met name mineralen, gewasbeschermingsmiddelen en energie in de Nederlandse landbouw. De verkenning gaat uit van de hoofdstrategieen uit het WRR-rapport Duurzame Risico's (1994): 1. Lokale beheersing van kringlopen en stofstromen bij de voedselproduktie. 2. Globale beheersing van kringlopen en stofstromen bij de voedselproduktie. 3. Produktie van energie en grondstoffen met behulp van land.

Deze strategieen leiden tot uiteenlopende systeemontwerpen (op het niveau van een regio of sector) en technologie-ontwerpen (op bedrijfsniveau). Voor de Nederlandse situatie worden deze strategieen getoetst aan uiteenlopende omgevingsscenario's. De daarbij gesignaleeerde vraagstukken van technologische en sociaal-wetenschappelijke aard moeten opties opleveren voor de onderzoeksagenda. De verkenning wordt uitgevoerd door RIVM, TUD-Technische Bestuurskunde, LEI-DLO, en de onderzoekschool Produktie Ecologie. In de eerste fase (mei/oktober 1996) worden verschillende interviews en workshops gehouden.

Projectleider J.G. de Wilt 070 - 3792774

Internationalisering

Deze verkenning richt zich op de potentiele gevolgen van het internationaliserings- en globaliseringsproces voor de Nederlandse agro-bedrijfsleven. Wat betekenen deze processen voor de agenda van het landbouwkundig onderzoek en wat zijn de eventueel te volgen strategieen? Na een informatiebijeenkomst hebben verschillende onderzoekinstellingen en consultants indicatieve offertes uitgebracht voor het uitvoeren van de verkenning. Op basis daarvan is een projectgroep samengesteld, bestaande uit drs. W.J. Bijman (LEI-DLO), mevr. drs. C. Enzing (STB-TNO), dr. J.M.F. Verhagen (Nehem consulting group) en ondergetekende. Gekozen is voor een interactief zoek- en leerproces, waarin een belangrijke rol is toebedacht aan sleutelactoren uit het bedrijfsleven. Welke belangrijke ontwikkelingen en onzekerheden zien zij en tot welke (ondernemings- en onderzoek)strategieen zou dat kunnen leiden? De projectgroep heeft vooral tot taak het interactieproces te begeleiden en informatie aan te dragen (uit deelstudies over bijvoorbeeld landbouwbeleid, sterkte/zwakte analyses gezien vanuit de markt, en bestaande of in ontwikkeling zijnde internationaliseringsstrategien binnen en buiten de landbouw). Uiteindelijk doel is strategieen te formuleren voor het onderzoek. De begeleidingscommissie bestaat uit drs. W. Adema (Cebeco Handelsraad), dr. H. Bakker (Nutreco), dr. O.M.B. de Ponti (Nunhems zaden), prof. G. van Dijk (NCR), dr. P. Folstar (TNO), prof. P.A.Th.J. Werry (DLO), prof. G. Meester (LNV) en drs. H.C. van Latesteijn (WRR).

H.J. van Oosten projectleider 070 - 3793727

Plattelandsvernieuwing

In januari is een proefverkenning gestart waarin het zogenaamde SAR-model wordt uitgeprobeerd op het proefgebied Bergen, Egmond en Schoorl. 'SAR' (Strategieen, Aspecten en Research) is een verkenningssystematiek, waarin mogelijke strategieen voor plattelandsontwikkeling cyclisch worden getoetst aan aspecten als onzekerheid over economie, bevolkingsgroei etc., dynamiek van functies, en potenties van en visies op het platteland. Zowel de toetsing als de implementatiestrategieën kunnen vervolgens kennisvragen opleveren die men kan confronteren met het lopende onderzoek. De proefverkenning moet uitwijzen of de SAR-systematiek geschikt is om de belangrijkste kennisvragen voor toekomstige plattelandsontwikkeling te achterhalen. Op 25 maart werd in het kader van deze proefverkenning een workshop gehouden. Uit zes alternatieve strategieen voor plattelandsontwikkeling werd er een gekozen, waarna werd vastgesteld welke kennis er nodig zou zijn om deze strategie te kunnen implementeren. Het verkenningsteam is met dit materiaal aan de slag gegaan en probeert de gekozen strategie, en de daaraan verbonden onderzoeksopgaven, voor het genoemde proefgebied te concretiseren. In juni wordt de proefverkenning afgesloten. Aan de hand van de ervaringen wordt dan besloten hoe de Verkenning Plattelandsontwikkeling zal worden aangepakt.

Projectleider H. Hetsen 070 - 3792106

Visserij

De recente discussie rond de haring heeft weer eens duidelijk gemaakt dat de visserij opereert in een kwetsbaar ecosysteem. De NRLO heeft deze 'interactie tussen visserij en het mariene ecosysteem' opgenomen als een van de vier thema's voor verkenningen op het gebied van visserij. Voor deze verkenning is inmiddels een offerte ingediend door een groep onderzoekers van het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ); de DLO-instituten RIVO, LEI en IBN; en de Nationale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling. Deze groep wil een beperkt aantal scenario's maken omtrent visserij en ecosysteem en deze vertalen naar mogelijke nieuwe vraagstukken en prioriteiten voor het visserij-onderzoek. Met het oog op de scenariobouw is tevens de hulp ingeroepen van de afdeling Strategie van Rijkswaterstaat. Het Dagelijks Bestuur van de NRLO heeft in beginsel positief geadviseerd over deze offerte, maar gezien de hoge kosten kon ze nog geen definitieve opdracht verstrekken. Eerst wordt overlegd met de Directie Noordzee van Verkeer en Waterstaat die eventueel wil meefinancieren. Als dit overleg succesvol verloopt kan de verkenning in september starten.

Projectleider Hans Rutten 070 - 3793777

LUW-verkenning

Een tussenrapport van de verkenning 'Landbouwwetenschappen in 2010 en de positie van de LUW' is op 31 mei aangeboden aan de ministers van LNV en OC&W en aan de rector van de Landbouwuniversiteit. De boodschap luidde dat de LUW alleen toekomst heeft als zij ervoor kiest zich te ontwikkelen tot een top-universiteit, en dat daarvoor keuzes nodig zijn in werkveld, onderwijs en internationaliseringsbeleid. Die keuzes moeten niet alleen resulteren in krachtige interne reorganisaties maar ook in gerichte strategische allianties met andere instellingen. In het algemeen moet de traditioneel intern gerichte cultuur meer opengegooid worden. De verkenning wordt maandag 23 september afgesloten met een werkconferentie. Deze wordt - om de overgang naar de implementatie te markeren - georganiseerd in samenwerking met de LUW. Op deze dag wordt ook het eindrapport van de NRLO/OCV-verkenning uitgereikt.

Verschenen studies

Interactie tussen stad en land; aanleiding voor onderzoek

In veel gebieden van ons land lijken steden - en hun bijbehorende infrastructuur - zich als inktvlekken over het omringende land te verspreiden. We houden zo steeds minder platteland over en het karakter van het resterende platteland verandert drastisch. Volgens sommigen kun je in Nederland al niet meer van platteland spreken. Handhaving van het contrast tussen 'stedelijke' en 'groene' ruimte was tot op heden een belangrijke prioriteit in het ruimtelijk beleid. Dat komt ook naar voren in beleidsconcepten als de compacte stad en het streven het Groene Hart van verstedelijking te vrijwaren. Dit beleid staat echter steeds meer onder druk. In de eerste plaats vertonen allerlei stedelijke functies de neiging de stad te ontvluchten, hiertoe gestimuleerd door ontwikkelingen in de structuur van de economie, telecommunicatie, infrastructuur en mobiliteit. In de tweede plaats staat de landbouw als traditionele drager van het platteland onder zware druk, zowel economisch als maatschappelijk (vanuit ecologische, recreatieve en belevingswaarde optiek). Enerzijds is er dus de druk dat het platteland verstedelijkt en anderzijds verwacht men van de groene ruimte een aantrekkelijk milieu voor zowel een produktieve en duurzame landbouw als voor stedelijke recreanten op zoek naar vermaak, rust, natuur en wellicht 'authentiek' platteland. Een duidelijk spanningsveld. Hoe moet een evenwichtige verhouding tussen stad en land er dan uitzien? De in opdracht van de NRLO en het Netwerk Ruimtelijk Onderzoek verrichte studie 'Interactie stad-land' zocht een antwoord op deze vraag. De studie bouwt hiermee voort op de eerder verschenen Visie Stadslandschappen, LNV 1995. Na analyse van de verschillende soorten interactie tussen stad en land worden voor een zestal thema's opgaven voor nader onderzoek geformuleerd. Die vragen liggen op het gebied van de economie van stad en land, nieuwe technologieën, de rol van de landbouw in stedelijke omgevingen, denkmodellen en planconcepten voor een integratieve benadering van stad en land, en nieuwe planvormen en instrumenten ten behoeve van een samenhangend beleid voor stad en land. De studie onderstreept het belang van interdisciplinaire aanpak van de materie en beveelt daarom een kernprogramma aan waarin - onder meer met behulp van regionale case-studies - de verschillende vragen doelgericht op elkaar worden betrokken. De NRLO en het Netwerk Ruimtelijk Onderzoek zullen proberen het draagvlak voor dergelijk onderzoek te versterken bij departementen, provincies, gemeenten en onderzoekinstellingen.

Projectleider H. Hetsen 070 - 3792106

Programmeringsstudie Milieubewuste, gezonde consument

De achterliggende gedachte voor deze studie van RGO, RMNO en NRLO was dat de consument met 'milieubewust' koopgedrag een impuls zou kunnen geven aan de ontwikkeling van duurzame produktiesystemen. Daartoe zou die consument een instrument geboden moeten worden, waarmee voedingsmiddelen op inzichtelijke wijze worden gerubriceerd naar milieu-effect. Maar tijdens een workshop op 21 maart werden nog zeer veel vraagtekens geplaatst bij een dergelijk instrument. Zo is er nog geen consensus over wat je daar precies mee zou (willen) bereiken. Moet het bijvoorbeeld niet veel meer gaan om een verandering in leefstijl dan om een relatief milieubewustzijn bij een specifieke aankoop? Tijdens de workshop werd verder geconcludeerd dat milieu-aspecten in vergelijking met gezondheid nog een onontgonnen gebied vormen.

De programmeringsstudie maakt duidelijk dat er in het onderzoek een ware inhaalslag nodig is wat betreft de mogelijke invloed van milieu-aspecten op het consumentengedrag. Vooral de wisselwerking aan het grensvlak tussen producent en consument behoeft veel aandacht (interface-strategie). Het gaat daarbij om de motivatie van en de informatieverwerving/-verwerking door consumenten en om de beleving en evaluatie van milieuvriendelijke voedingsmiddelen. Op dit moment lijkt de methode van de Levens Cyclus Analyse de beste basis voor rubricering van voedingsmiddelen naar milieu-effect. Vooralsnog zullen deze gegevens echter vooral van nut zijn voor producenten en consumentenorganisaties. De beide rapporten over dit onderwerp zijn bij de NRLO beschikbaar.

Projectleider J.M.P. Papenhuijzen 070 - 3792751

Nutriëntenbenutting in dierlijke produktie

Afgelopen decennium is veel onderzoek gedaan naar mineralenoverschotten en -emissies. In een NRLO-studie, uitgevoerd door AB-DLO en Avebe, worden de potenties van verschillende technologieën in kaart gebracht aan de hand van de stromen van N, P en C in de Nederlandse landbouw. Hieruit blijkt dat de op korte termijn beschikbare technologieën niet toereikend zijn om een evenwicht tussen in- en output van nutriënten te realiseren. Een oplossing kan zitten in onderzoek naar vergroting van de bijdrage van binnenlandse voeders aan de eiwit- en fosforvoorziening van de veestapel; verbetering van dierlijke mest als voedingsmedium; de ontwikkeling van 'precisie-farming'; veredeling van gewassen die mineralen efficiënter opnemen; en het verminderen van de NH3-emissie uit rundveestallen. Op een workshop bleek dat de conclusies breed gedragen worden in kringen van overheid, bedrijfsleven en onderzoekorganisaties. Het rapport is onder nummer 94/3 verkrijgbaar bij de NRLO.

Overig nieuws

Wisseling in de Raad

Recent is prof. ir. W.L. van Dinten toegetreden tot de Raad NRLO. Van Dinten is directeur Strategie bij Rabobank Nederland en hoogleraar aan de Erasmus Universiteit. In de Raad volgt hij W. Meijer op. Dr. A.N. van der Zande is benoemd tot lid van de Raad en het Dagelijks Bestuur van de NRLO. Van der Zande is directeur van het Staring Centrum DLO en volgt bij de NRLO drs. N. van Heijst op.


Verschenen: Rijksuniversiteit Leiden, Vakgroep Geschiedenis

"Landbouw of Onderwijs?"

Een historische analyse van de ministeriële discussies over de departementale positie van het landbouwonderwijs in de periode 1886 - 1996.

Doctoraalscriptie; Miriam van Gorsel

Inlichtingen: 020 - 6165335

[NRLO Home]