Afzet, verwerking en produktie
De vier deelstudies van de verkenning van 'Afzet-,
Verwerkings- en Produktiesystemen in de 21e eeuw' zijn in volle
gang. Een tussenstand.
Na een startconferentie op 8 december 1995
zijn enkele discussienota's gemaakt, die op een workshop op 11
juni jl. ter sprake kwamen. U kunt deze notities, en het verslag
van de workshop, aanvragen bij het NRLO-secretariaat.
* Een notitie van prof. M.T.G. Meulenberg (LUW)
gaat in op de factoren die het gedrag van de consument in 2015
mogelijk zullen bepalen. In onze westerse wereld zal de sensoriek
(ook) in 2015 uiterst belangrijk blijven. Een produkt moet vooral
lekker zijn. Daarnaast zal de gezondheidseis in belang toenemen
(ook in verband met de vergrijzing) en huishoudens met weinig
vrije tijd en voldoende geld zullen meer gemaksvoedsel vragen.
Verder zullen 'onbewerkt' en 'natuurlijk' een belangrijk koopargument
vormen. Milieuvriendelijk zal in 2015 onderdeel zijn van kwaliteit.
Gemiddeld zal de consument meer koopkracht hebben, maar belangrijke
groepen zullen slechts over bescheiden koopkracht beschikken (tweedeling
in de maatschappij). Bij de consument overheerst het ene moment
milieuvriendelijk, natuurlijk en gezond, het andere moment gemak
en beschikbaarheid. Eenzelfde persoon consumeert in verschillende
rollen en onder verschillende omstandigheden op verschillende
wijze. Nader onderzoek is nodig naar de vraag hoe je om moet gaan
met zo'n momentgebonden, grillige consument: enerzijds naar zijn
keuzegedrag en anderzijds naar de mogelijkheden om de flexibiliteit
van de voortbrengingsketens te vergroten.
* Een notitie van prof. L.C. Zachariasse en
drs. Van Gaasbeek (LEI-DLO) bekijkt de verschuiving van binnen-
naar buitenhuishoudelijk gebruik in de verschillende markten.
Tot dusver stond de besteding bij de detailhandel centraal, maar
in toenemende mate betrekt de consument voedingsmiddelen via andere
kanalen. In de VS verwacht men dat het voedingsbudget in het jaar
2000 al voor vijftig procent buitenshuis zal worden besteed. Voor
jonge paren zonder kinderen is dat in Nederland al dertig procent.
Overigens gaat de scheidslijn tussen buiten- huishoudelijk gebruik
en winkelaankopen wel vervagen. Denk bijvoorbeeld aan kant-en-klaar
maaltijden, die men thuis alleen maar hoeft op te warmen. De notitie
laat zien dat het buitenhuishoudelijk gebruik zich vooral in de
welvarende landen heeft ontwikkeld en vaak per land zeer verschillend.
Voor het inschatten van de verdere ontwikkelingen is nader onderzoek
nodig naar het consumentenkeuzegedrag en de verschillende eisen
die van daaruit worden gesteld aan de agrarische produktieketens.
* Een notitie van prof. J.E.B.M. Steenkamp
(LUW/KU Leuven) gaat in op de markten die voor 2010 van belang
zijn en de eisen die die markten stellen. Hij geeft aan dat agrarische
bulkproduktie tegen lage kosten op de Europese markt een belangrijke
strategie zal blijven. Maar gezien het veranderende consumentengedrag
en de opkomst van andere bulkproducenten is daarnaast een differentiatiestrategie
nodig, gericht op nieuwe produkten in veelbelovende niche-markten.
Onderzoek moet deze niches helpen identificeren en aangeven hoe
de agrosector hierop kan inspelen. Ook Steenkamp wijst daarbij
op de opkomende buitenshuismarkt. Verder kan het op termijn lonen
een leidende rol te spelen in milieu- en diervriendelijke produktie.
De opkomende markten van Azie en Latijns-Amerika vragen een duidelijk
andere benadering met differentiatie op specifieke marktsegmenten.
Gezien de hoge transportkosten hebben alleen produkten met hoge
toegevoegde waarde een kans. Steenkamp geeft daar voorbeelden
van en doet voorstellen hoe overheid en bedrijfsleven in deze
gezamenlijk actie kunnen ondernemen.
Samen met de Stichting Agroketenkennis heeft
de NRLO inmiddels een project 'Felexibele Ketens 2010' opgezet
om te bezien hoe ketenschakels in zouden kunnen spelen op de soms
onvoorspelbare consumentenvraag. De Stichting Agroketenkennis
heeft als taakstelling een blijvende versterking van de ketenkennis-infrastructuur
te bevorderen. De uitvoering van dit project ligt bij de NEHEM
en LEI-DLO. Met behulp van indicatoren, zoals grondstofgebondenheid
en potentiele produktdifferentiatie, worden agroketens beoordeeld
op hun flexibiliteit. Vervolgens worden aan de hand van een drietal
scenario's mogelijke ontwikkelingen geschetst, waarna de slag
wordt gemaakt naar de kennisbehoefte.
Tijdens de startconferentie werd aangedragen
dat de huidige schooljeugd de consument van de toekomst is. Communicatie
met deze groep zou kunnen helpen de bestaande kloof in kennis
en beleving over voedselproduktie en -verwerking te overbruggen.
Hierover is contact gezocht met de Stichting C3, die ten aanzien
van het imago van de chemische industrie al veel ideeen en initiatieven
heeft ontwikkeld. Een concept onderzoeksvoorstel is inmiddels
beschikbaar.
Projectleider J.M.P. Papenhuijzen 070 - 3792751
Hulpstoffen en energie in landbouwsystemen
in 2015
In deze studie wil de NRLO opties verkennen
voor de koers, inhoud en structuur van het landbouwkundig onderzoek
in het licht van het streven naar een duurzaam gebruik van met
name mineralen, gewasbeschermingsmiddelen en energie in de Nederlandse
landbouw. De verkenning gaat uit van de hoofdstrategieen uit het
WRR-rapport Duurzame Risico's (1994): 1. Lokale beheersing van
kringlopen en stofstromen bij de voedselproduktie. 2. Globale
beheersing van kringlopen en stofstromen bij de voedselproduktie.
3. Produktie van energie en grondstoffen met behulp van land.
Deze strategieen leiden tot uiteenlopende systeemontwerpen
(op het niveau van een regio of sector) en technologie-ontwerpen
(op bedrijfsniveau). Voor de Nederlandse situatie worden deze
strategieen getoetst aan uiteenlopende omgevingsscenario's. De
daarbij gesignaleeerde vraagstukken van technologische en sociaal-wetenschappelijke
aard moeten opties opleveren voor de onderzoeksagenda. De verkenning
wordt uitgevoerd door RIVM, TUD-Technische Bestuurskunde, LEI-DLO,
en de onderzoekschool Produktie Ecologie. In de eerste fase (mei/oktober
1996) worden verschillende interviews en workshops gehouden.
Projectleider J.G. de Wilt 070 - 3792774
Deze verkenning richt zich op de potentiele
gevolgen van het internationaliserings- en globaliseringsproces
voor de Nederlandse agro-bedrijfsleven. Wat betekenen deze processen
voor de agenda van het landbouwkundig onderzoek en wat zijn de
eventueel te volgen strategieen? Na een informatiebijeenkomst
hebben verschillende onderzoekinstellingen en consultants indicatieve
offertes uitgebracht voor het uitvoeren van de verkenning. Op
basis daarvan is een projectgroep samengesteld, bestaande uit
drs. W.J. Bijman (LEI-DLO), mevr. drs. C. Enzing (STB-TNO), dr.
J.M.F. Verhagen (Nehem consulting group) en ondergetekende. Gekozen
is voor een interactief zoek- en leerproces, waarin een belangrijke
rol is toebedacht aan sleutelactoren uit het bedrijfsleven. Welke
belangrijke ontwikkelingen en onzekerheden zien zij en tot welke
(ondernemings- en onderzoek)strategieen zou dat kunnen leiden?
De projectgroep heeft vooral tot taak het interactieproces te
begeleiden en informatie aan te dragen (uit deelstudies over bijvoorbeeld
landbouwbeleid, sterkte/zwakte analyses gezien vanuit de markt,
en bestaande of in ontwikkeling zijnde internationaliseringsstrategien
binnen en buiten de landbouw). Uiteindelijk doel is strategieen
te formuleren voor het onderzoek. De begeleidingscommissie bestaat
uit drs. W. Adema (Cebeco Handelsraad), dr. H. Bakker (Nutreco),
dr. O.M.B. de Ponti (Nunhems zaden), prof. G. van Dijk (NCR),
dr. P. Folstar (TNO), prof. P.A.Th.J. Werry (DLO), prof. G. Meester
(LNV) en drs. H.C. van Latesteijn (WRR).
H.J. van Oosten projectleider 070 - 3793727
In januari is een proefverkenning gestart waarin
het zogenaamde SAR-model wordt uitgeprobeerd op het proefgebied
Bergen, Egmond en Schoorl. 'SAR' (Strategieen, Aspecten en Research)
is een verkenningssystematiek, waarin mogelijke strategieen voor
plattelandsontwikkeling cyclisch worden getoetst aan aspecten
als onzekerheid over economie, bevolkingsgroei etc., dynamiek
van functies, en potenties van en visies op het platteland. Zowel
de toetsing als de implementatiestrategieën kunnen vervolgens
kennisvragen opleveren die men kan confronteren met het lopende
onderzoek. De proefverkenning moet uitwijzen of de SAR-systematiek
geschikt is om de belangrijkste kennisvragen voor toekomstige
plattelandsontwikkeling te achterhalen. Op 25 maart werd in het
kader van deze proefverkenning een workshop gehouden. Uit zes
alternatieve strategieen voor plattelandsontwikkeling werd er
een gekozen, waarna werd vastgesteld welke kennis er nodig zou
zijn om deze strategie te kunnen implementeren. Het verkenningsteam
is met dit materiaal aan de slag gegaan en probeert de gekozen
strategie, en de daaraan verbonden onderzoeksopgaven, voor het
genoemde proefgebied te concretiseren. In juni wordt de proefverkenning
afgesloten. Aan de hand van de ervaringen wordt dan besloten hoe
de Verkenning Plattelandsontwikkeling zal worden aangepakt.
Projectleider H. Hetsen 070 - 3792106
De recente discussie rond de haring heeft weer
eens duidelijk gemaakt dat de visserij opereert in een kwetsbaar
ecosysteem. De NRLO heeft deze 'interactie tussen visserij en
het mariene ecosysteem' opgenomen als een van de vier thema's
voor verkenningen op het gebied van visserij. Voor deze verkenning
is inmiddels een offerte ingediend door een groep onderzoekers
van het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ); de DLO-instituten
RIVO, LEI en IBN; en de Nationale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling.
Deze groep wil een beperkt aantal scenario's maken omtrent visserij
en ecosysteem en deze vertalen naar mogelijke nieuwe vraagstukken
en prioriteiten voor het visserij-onderzoek. Met het oog op de
scenariobouw is tevens de hulp ingeroepen van de afdeling Strategie
van Rijkswaterstaat. Het Dagelijks Bestuur van de NRLO heeft in
beginsel positief geadviseerd over deze offerte, maar gezien de
hoge kosten kon ze nog geen definitieve opdracht verstrekken.
Eerst wordt overlegd met de Directie Noordzee van Verkeer en Waterstaat
die eventueel wil meefinancieren. Als dit overleg succesvol verloopt
kan de verkenning in september starten.
Projectleider Hans Rutten 070 - 3793777
Een tussenrapport van de verkenning 'Landbouwwetenschappen
in 2010 en de positie van de LUW' is op 31 mei aangeboden aan
de ministers van LNV en OC&W en aan de rector van de Landbouwuniversiteit.
De boodschap luidde dat de LUW alleen toekomst heeft als zij ervoor
kiest zich te ontwikkelen tot een top-universiteit, en dat daarvoor
keuzes nodig zijn in werkveld, onderwijs en internationaliseringsbeleid.
Die keuzes moeten niet alleen resulteren in krachtige interne
reorganisaties maar ook in gerichte strategische allianties met
andere instellingen. In het algemeen moet de traditioneel intern
gerichte cultuur meer opengegooid worden. De verkenning wordt
maandag 23 september afgesloten met een werkconferentie. Deze
wordt - om de overgang naar de implementatie te markeren - georganiseerd
in samenwerking met de LUW. Op deze dag wordt ook het eindrapport
van de NRLO/OCV-verkenning uitgereikt.
Interactie tussen stad en land; aanleiding
voor onderzoek
In veel gebieden van ons land lijken steden
- en hun bijbehorende infrastructuur - zich als inktvlekken over
het omringende land te verspreiden. We houden zo steeds minder
platteland over en het karakter van het resterende platteland
verandert drastisch. Volgens sommigen kun je in Nederland al niet
meer van platteland spreken. Handhaving van het contrast tussen
'stedelijke' en 'groene' ruimte was tot op heden een belangrijke
prioriteit in het ruimtelijk beleid. Dat komt ook naar voren in
beleidsconcepten als de compacte stad en het streven het Groene
Hart van verstedelijking te vrijwaren. Dit beleid staat echter
steeds meer onder druk. In de eerste plaats vertonen allerlei
stedelijke functies de neiging de stad te ontvluchten, hiertoe
gestimuleerd door ontwikkelingen in de structuur van de economie,
telecommunicatie, infrastructuur en mobiliteit. In de tweede plaats
staat de landbouw als traditionele drager van het platteland onder
zware druk, zowel economisch als maatschappelijk (vanuit ecologische,
recreatieve en belevingswaarde optiek). Enerzijds is er dus de
druk dat het platteland verstedelijkt en anderzijds verwacht men
van de groene ruimte een aantrekkelijk milieu voor zowel een produktieve
en duurzame landbouw als voor stedelijke recreanten op zoek naar
vermaak, rust, natuur en wellicht 'authentiek' platteland. Een
duidelijk spanningsveld. Hoe moet een evenwichtige verhouding
tussen stad en land er dan uitzien? De in opdracht van de NRLO
en het Netwerk Ruimtelijk Onderzoek verrichte studie 'Interactie
stad-land' zocht een antwoord op deze vraag. De studie bouwt hiermee
voort op de eerder verschenen Visie Stadslandschappen, LNV 1995.
Na analyse van de verschillende soorten interactie tussen stad
en land worden voor een zestal thema's opgaven voor nader onderzoek
geformuleerd. Die vragen liggen op het gebied van de economie
van stad en land, nieuwe technologieën, de rol van de landbouw
in stedelijke omgevingen, denkmodellen en planconcepten voor een
integratieve benadering van stad en land, en nieuwe planvormen
en instrumenten ten behoeve van een samenhangend beleid voor stad
en land. De studie onderstreept het belang van interdisciplinaire
aanpak van de materie en beveelt daarom een kernprogramma aan
waarin - onder meer met behulp van regionale case-studies - de
verschillende vragen doelgericht op elkaar worden betrokken. De
NRLO en het Netwerk Ruimtelijk Onderzoek zullen proberen het draagvlak
voor dergelijk onderzoek te versterken bij departementen, provincies,
gemeenten en onderzoekinstellingen.
Projectleider H. Hetsen 070 - 3792106
Programmeringsstudie Milieubewuste, gezonde
consument
De achterliggende gedachte voor deze studie
van RGO, RMNO en NRLO was dat de consument met 'milieubewust'
koopgedrag een impuls zou kunnen geven aan de ontwikkeling van
duurzame produktiesystemen. Daartoe zou die consument een instrument
geboden moeten worden, waarmee voedingsmiddelen op inzichtelijke
wijze worden gerubriceerd naar milieu-effect. Maar tijdens een
workshop op 21 maart werden nog zeer veel vraagtekens geplaatst
bij een dergelijk instrument. Zo is er nog geen consensus over
wat je daar precies mee zou (willen) bereiken. Moet het bijvoorbeeld
niet veel meer gaan om een verandering in leefstijl dan om een
relatief milieubewustzijn bij een specifieke aankoop? Tijdens
de workshop werd verder geconcludeerd dat milieu-aspecten in vergelijking
met gezondheid nog een onontgonnen gebied vormen.
De programmeringsstudie maakt duidelijk dat
er in het onderzoek een ware inhaalslag nodig is wat betreft de
mogelijke invloed van milieu-aspecten op het consumentengedrag.
Vooral de wisselwerking aan het grensvlak tussen producent en
consument behoeft veel aandacht (interface-strategie). Het gaat
daarbij om de motivatie van en de informatieverwerving/-verwerking
door consumenten en om de beleving en evaluatie van milieuvriendelijke
voedingsmiddelen. Op dit moment lijkt de methode van de Levens
Cyclus Analyse de beste basis voor rubricering van voedingsmiddelen
naar milieu-effect. Vooralsnog zullen deze gegevens echter vooral
van nut zijn voor producenten en consumentenorganisaties. De
beide rapporten over dit onderwerp zijn bij de NRLO beschikbaar.
Projectleider J.M.P. Papenhuijzen 070 -
3792751
Nutriëntenbenutting in dierlijke produktie
Afgelopen decennium is veel onderzoek gedaan
naar mineralenoverschotten en -emissies. In een NRLO-studie,
uitgevoerd door AB-DLO en Avebe, worden de potenties van verschillende
technologieën in kaart gebracht aan de hand van de stromen
van N, P en C in de Nederlandse landbouw. Hieruit blijkt dat de
op korte termijn beschikbare technologieën niet toereikend
zijn om een evenwicht tussen in- en output van nutriënten
te realiseren. Een oplossing kan zitten in onderzoek naar vergroting
van de bijdrage van binnenlandse voeders aan de eiwit- en fosforvoorziening
van de veestapel; verbetering van dierlijke mest als voedingsmedium;
de ontwikkeling van 'precisie-farming'; veredeling van gewassen
die mineralen efficiënter opnemen; en het verminderen van
de NH3-emissie uit rundveestallen. Op een workshop bleek dat de
conclusies breed gedragen worden in kringen van overheid, bedrijfsleven
en onderzoekorganisaties. Het rapport is onder nummer 94/3 verkrijgbaar
bij de NRLO.
Wisseling in de Raad
Recent is prof. ir. W.L. van Dinten toegetreden
tot de Raad NRLO. Van Dinten is directeur Strategie bij Rabobank
Nederland en hoogleraar aan de Erasmus Universiteit. In de Raad
volgt hij W. Meijer op. Dr. A.N. van der Zande is benoemd tot
lid van de Raad en het Dagelijks Bestuur van de NRLO. Van der
Zande is directeur van het Staring Centrum DLO en volgt bij de
NRLO drs. N. van Heijst op.
Verschenen: Rijksuniversiteit Leiden, Vakgroep
Geschiedenis
"Landbouw of Onderwijs?"
Een historische analyse van de ministeriële
discussies over de departementale positie van het landbouwonderwijs
in de periode 1886 - 1996.
Doctoraalscriptie; Miriam van Gorsel
Inlichtingen: 020 - 6165335