NRLO Nieuwsbrief 2 - februari 1996
Inhoud:
- NRLO verkent de toekomst
- Visserij
- Landbouw en samenleving
- Plattelandsvernieuwing
- Te verschijnen studies
- Afzet, verwerking en produktie
- Landbouwwetenschappen 2010 en de LUW
- Wisseling in de raad
NRLO verkent de toekomst
Sinds ruim een jaar is de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) op nieuwe leest geschoeid. Na afsplitsing van de ministeriële Directie Wetenschap en Technologie, per 1 januari 1995, functioneert de Raad nu als een zelfstandige organisatie die zich bezig houdt met verkenningen ter ondersteuning van strategie-ontwikkeling voor het landbouwkundig onderzoek.
Waar de NRLO voorheen vooral poogde het landbouwkundig onderzoek te programmeren houdt ze zich nu bezig met het verkennen van toekomstige ontwikkelingen om daarmee mogelijke nieuwe opties voor het landbouwkundig onderzoek in beeld te brengen. Het gaat dus om vragen die aan de programmering van het onderzoek vooraf moeten gaan: welke ontwikkelingen zouden op ons af kunnen komen, en wat zouden de consequenties daarvan moeten zijn voor ons beleid ten aanzien van wetenschap en technologie?
Het hoeft geen betoog dat we met zo'n explorerende aanpak geen pasklare antwoorden en programma's beogen. Het verkenningsproces is veeleer bedoeld om de geesten lenig en flexibel te houden en op eventuele nieuwe uitdagingen en kansen voorbereid te zijn. Waar het om gaat is om nog verborgen mogelijkheden vroegtijdig denkbaar en bespreekbaar te maken. Het nut en de kwaliteit van onze verkenningen moeten dan ook niet alleen tot uiting komen in een eindrapport met 'mogelijke ontwikkelingen', maar vooral ook in de gedachtenwisselingen tijdens en na het proces. De verkenningen moeten kortom bijdragen aan een open en creatieve discussie over de strategie van het landbouwkundig onderzoek.
Dit doel vertaalt zich ook in de werkwijze. Studie-opdrachten worden verleend aan een zo breed mogelijk scala aan instellingen en organisaties en bovendien wordt veel gebruik gemaakt van 'interactieve' instrumenten als interviews, ronde-tafel gesprekken, workshops en studiedagen.
Verkenningen
Bij verkenningen gaat het uitdrukkelijk nièt om voorspellen, want behalve in trends zijn we bij verkenningen ook geïnteresseerd in mogelijke tegentrends, trendbreuken en onzekerheden om zo een beeld te kunnen krijgen van de waaier van mogelijke toekomstige omgevingen, bij voorkeur verwoord in een beperkt aantal scenario's.
Daarbij gaat het erom de aantrekkelijkheden, risico's en voorwaarden van uiteenlopende acties zichtbaar te maken en ter discussie te stellen. Verkennen dus als gemeenschappelijk zoek- en leerproces met betrekking tot de strategische vraagstukken voor de toekomst. Uitdrukkelijk heeft de NRLO daarbij als secundair doel de verkenning als strategisch instrument verder te vervolmaken.
Verkennen onderscheidt zich van onderzoek in de zin dat het niet gericht is op het wéten en het uitschakelen van onzekerheid en evenmin op reductionisme en een disciplinaire benadering vanuit heersende paradigma's. De kunst is juist een integratieve benadering te kiezen, waarbij een helicopterbenadering gecombineerd wordt met het inzoomen op de meest relevante punten. Een benadering die bovendien vraagtekens zet bij de paradigma's en theorieën die we plegen te hanteren. Een benadering die ook verdacht is op chaotische processen, op zoek is naar het onverwachte en oog heeft voor normen, grondhoudingen, belangen en (on)mogelijkheden tot handelen. Verkenningen zijn gericht op het opspannen van onze 'mental map': op het de dingen anders willen zien.
Opdrachten aan derden
NRLO kan jaarlijks voor circa twee miljoen expertise van derden inhuren. Daarbij bepaalt Bureau NRLO eerst welke deskundigheden en vaardigheden nodig zijn. Daarna oriënteert het zich, via zijn netwerk en de literatuur, op mogelijke kandidaten. Als één persoon of organisatie bij uitstek over de gewenste capaciteiten lijkt te beschikken wordt die gewoon uitgenodigd een offerte in te dienen. Lijken meerdere kandidaten geschikt, of als de vorming van een consortium gewenst is, dan krijgen die ook een verzoek om een offerte, vergezeld van een 'verzendlijst'. Bij relatief omvangrijke taken wordt een informatie-bijeenkomst belegd.
Belangrijk bij dit alles is de werkwijze die NRLO voorstaat bij het uitvoeren van verkenningen. Hierboven is daar al wat over gezegd. NRLO beoogt een vernieuwende aanpak, die zich onderscheidt van het gangbare 'onderzoek'. Opdrachten aan derden worden dan ook alleen toegewezen als de offerte ook werkelijk het karakter heeft van een verkenning.
Visserij
Als onderdeel van de visserij-verkenning is een deelverkenning gestart naar de internationalisering van vangstrechten. Binnen de Europese Unie geeft de vaststelling van visquota per land veel pijn en onderlinge wrijving bij de vissers. Bovendien zijn er voortdurend wrijvingen met visserij-landen buiten de EU en ontmoet het beleid grote kritiek van natuur-en milieu-organisaties.
In 2002 wil de EU een besluit nemen over een nieuw gemeenschappelijk visserijbeleid, en de komende jaren zal dat een onderwerp van hevige discussie vormen. Niet alleen over de omvang en de (nu nog nationale) verdeling van vangstrechten, maar ook over de politiek juridische inhoud van die rechten en de effecten van het beleid op de mariene ecologie.
Alle reden dus om de horizon verder te leggen dan het jaar 2002: dan pas zal het nieuwe beleid immers effectief worden en haar definitieve vorm krijgen. Om zicht te krijgen op de nieuwe kennisbehoeften die zo'n toekomstig beleid kan oproepen heeft de NRLO een groep samengesteld met onderzoekers van diverse pluimage van de DLO-instituten LEI en RIVO, de Rijksuniversiteit Utrecht en de Technische universiteit Eindhoven. Zij krijgen assistentie van een expert van Bureau Rijntraining, die gespecialiseerd is in toepassingen van het gedachtengoed van management-consultant Eduard de Bono - het zogeheten 'laterale denken'.
Contactpersoon is H. Rutten, 070-3793777.
Landbouw en samenleving
Voor de verkenning 'Maatschappelijke en culturele positie van landbouw en natuur in de 21e eeuw' wordt in overleg tussen NRLO en dr. Somers van LEI-DLO een plan van aanpak opgesteld.
Hiertoe werd gestart met een ruime oriëntatie op de problematiek, waarin de 'vlakken' zijn geïdentificeerd waarop de interacties tussen landbouw, natuur en maatschappij zich afspelen. Voor de interactievlakken ruimtegebruik, voedingsmiddelen, natuurlijke hulpbronnen en arbeid zijn kernvragen geformuleerd. Vervolgens zijn de drijvende krachten achter deze kernvragen opgespoord. In de verkenning willen we onderzoeken in hoeverre het denkbaar is dat zich anno 2010 dezelfde of juist andersoortige problemen voordoen. Reflectie op toekomstige knelpunten en mogelijkheden moet inzicht geven in de vraag welke strategieën daar het beste op aansluiten.
Op basis van een overzicht van in aanmerking komende verkenningsmethoden en een weging daarvan wordt een concreet plan van aanpak gekozen, dat in februari 1996 gereed moet zijn. Projectleider is N. Dijkveld Stol, 070-3793652.
Plattelandsvernieuwing
De plotselinge belangstelling voor plattelandsvernieuwing heeft ongetwijfeld te maken met de positie van de landbouw die, als traditionele drager van het platteland, sterk onder druk is komen te staan. Maar er spelen ook andere zaken. Van allerlei kanten worden ruimtelijke claims naar voren gebracht, voor meer natuur, een aantrekkelijker landschap, meer recreatieve mogelijkheden en meer woon- en werkfaciliteiten op het platteland.
Nieuwe functies kunnen bijdragen aan een leefbaarder en aantrekkelijker platteland. Maar niet alle veranderingen zullen door iedereen als verbetering worden gezien. Bovendien zijn er grote regionale verschillen. Kortom, er zullen (beleids-)keuzes moeten worden gemaakt.
Alvorens strategieën te ontwikkelen die beter dan voorheen de plattelandsvernieuwing kunnen ondersteunen, moeten zij worden getoetst aan een aantal vragen. Bijvoorbeeld: welke ruimtelijke dynamiek vertonen de verschillende functies op langere termijn; welke onzekerheden doen zich voor; welke mogelijkheden bieden landelijke gebieden voor bestaande en nieuwe functies; welke sturingsconcepten kunnen worden gehanteerd; en welke ideeën hebben mensen zelf over het platteland?
Kernvraag van de verkenning luidt welk onderzoek nodig is om de plattelandsontwikkelingen op een termijn van vijftien jaar in zo goed mogelijke banen te kunnen leiden. Dit hangt echter mede af van de vraag welke strategieën voor plattelandsontwikkeling als het meest zinvol worden gezien. Hier stuiten we op de wisselwerking tussen strategieën, de aspecten waaraan deze moeten worden getoetst, en de kennis die beschikbaar is dan wel beschikbaar moet komen. Nieuwe inzichten uit onderzoek kunnen immers leiden tot andere strategien, terwijl toetsing van strategieën aan zaken als dynamiek van functies, onzekerheden en stuurconcepten om (ten dele) andere kennis vraagt.
Om recht te kunnen doen aan deze wisselwerking is gekozen voor een cyclische benadering. Deze wordt eerst uitgeprobeerd voor een proefgebied om te zien in hoeverre ze zicht kan geven op strategische onderzoeksvragen en de benodigde kennisinfrastructuur voor plattelandsontwikkeling. Deze proef wordt uitgevoerd door Staringcentrum-DLO (W. de Haas) en LEI-DLO (H. Hillebrand) en wordt april '96 afgerond. Projectleider is H. Hetsen, 070-3792106.
Te verschijnen studies
Biodiversiteit
Behoud van biodiversiteit is een betrekkelijk nieuw beleidsdoel dat zich richt zich op de totale verscheidenheid aan levensvormen. De ministeries van VROM, LNV en V&W vroegen een advies over de behoefte aan onderzoek en het beleidsmatig omgaan met het gebrek aan kennis op dit terrein. Dit verzoek kwam voort uit het UNCED-biodiversiteitsverdrag van 1992 en het NMP-2 actiepunt N59 dat zich richt op de eisen die het behoud van biodiversiteit stelt aan milieu en ruimte.
De NRLO en de Raad voor Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO) richtten zich op een onderzoekprogrammering in hoofdlijnen voor de komende acht jaar, waarin acht met elkaar samenhangende thema's zijn onderscheiden. De Raad voor Natuurbeheer en de Raad voor Milieubeheer gingen in op het hanteren van onzekerheden, en dragen daar een aantal strategieën voor aan.
Het advies en het daaraan ten grondslag liggend rapport verschijnen beide in de publicatiereeksen van alle vier de raden. Voor de NRLO zijn het de nummers 95/9 en 95/10.
Recreatie en plattelandsontwikkeling
De laatste jaren wordt steeds meer onderzoek gedaan naar de wisselwerking tussen recreatie en natuur en milieu. Maar op onderdelen bestaat nog een duidelijke achterstand aan kennis die nodig is ter ondersteuning van beleid en planvorming.
Bij verbrede plattelandsontwikkeling speelt de ontwikkeling van het landschap in relatie tot recreatief gebruik en landschapswaardering een belangrijke rol. Buro Stroband te Bilthoven analyseert deze veranderingen en formuleert de behoefte aan onderzoek op middellange termijn.
Daarnaast studeert Buro Stroband ook op de opzet voor een systeem van kwaliteitsbeoordeling in de recreatie. De studie richt zich op voor- en nadelen, wenselijkheid en haalbaarheid van zo'n beoordelingssysteem op het niveau van multifunctionele gebieden. De studie wordt uitgevoerd onder auspiciën van NRLO en RMNO en zal maart 1996 gereed zijn.
Relatie stad-land
Over de relatie tussen stad en land wordt de laatste tijd heel anders gedacht dan voorheen. Dit was reden voor de NRLO en het Programmeringsoverleg Ruimtelijk Onderzoek (PRO) om de vraag naar onderzoek op de middellange termijn na te gaan. De relatie tussen 'stedelijke' en 'groene' activiteiten in zowel stad als landelijk gebied is behalve dynamisch ook asymmetrisch doordat de stedelijke invloed op het landelijk gebied veel sterker is dan omgekeerd. De dynamiek uit zich in de actuele politieke agenda, zoals in de discussie over het al dan niet bouwen in het groene hart, de bestuurlijke vraagstukken van grote steden en hun randgemeenten, de positie van landbouw en natuur, en de kwaliteit van openbare ruimten in en om steden.
Onderzoek naar de relatie stad-land kan inzicht geven in de aard van de onderliggende maatschappelijke, economische en ecologische processen, de gevolgen van deze processen voor samenleving en milieu, en in de sturingsmogelijkheden voor het beleid.
Het SGBO (Onderzoeksbureau van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten), het DLO-instituut voor Bos- en Natuuronderzoek en Staringcentrum-DLO werken in deze studie vanuit de ecopolisstrategie. De eindrapportage, met voorstellen voor onderzoek voor de komende vijf à tien jaar, wordt maart 1996 verwacht.
Onderzoek landelijk en stedelijk gebied
Gezien de toenemende aandacht voor toekomststudies ten behoeve van landelijke en stedelijke gebied, hebben de NRLO en het PRO zich afgevraagd of er behoefte zou bestaan aan een bundeling van deskundigheid op dit terrein en of zo'n bundeling haalbaar zou zijn. Een groep deskundigen uit wetenschap en beleid, onder voorzitterschap van prof.ir. J.P.A. van den Ban, is daarover advies gevraagd. De commissie wordt bijgestaan door het bureau Mentink Procesmanagement te Pijnacker en betrekt bij haar analyse een brede groep deskundigen vanuit vraag- en aanbodzijde. Het advies wordt medio 1996 verwacht.
Afzet, verwerking en produktie
Voor de verkenning van de afzet-, verwerkings- en produktiesystemen in de 21e eeuw worden een aantal deelverkenningen verricht.
Internationalisering
Een eerste deelverkenning gaat in op het feit dat de agribusiness (van boer en tuinder tot en met verwerkende industrie) te maken krijgt met ingrijpende veranderingen op wereldschaal, zoals in marktoriëntatie, wereldhandelsbeleid en technologie.
De Nederlandse agribusiness lijkt door zijn internationale oriëntatie in principe een goede uitgangspositie te hebben om op die veranderende marktverhoudingen in te kunnen spelen. Toch lijkt de impact van de veranderingen ingrijpender dan ooit. De vraag is dan hoe gevoelig de diverse delen van de agribusiness daarvoor zullen zijn. Tot welke verschuivingen in ondernemersactiviteiten kan dit gaan leiden? Welk type boer en tuinder zal Nederland anno 2015 kennen, en welke andere typen agrarische activiteiten? En wat zal dat dan betekenen voor de kennisvragen? Ondernemingen zullen zich ook internationaler gaan oriënteren op de kennismarkt. Wat zou dàt kunnen betekenen voor de ontwikkeling van de landbouwkennisstructuur?
De oriënterende fase, over met name de meest passende vraagstellingen, is afgerond. Inmiddels wordt overleg gevoerd met kennisinstellingen en consultancybureaus over de uitvoering van dit project. Projectleider is H.J. van Oosten, 070-3793727.
Consument
Over de tweede deelverkenning, 'Consument en markt in 2010', werd op 8 december '95 een startconferentie gehouden. Daar werd opgemerkt dat er over consumentengedrag al veel is gezegd en onderzocht. Niettemin is het belangrijk na te gaan welke kennis er nog ontbreekt, ook met betrekking tot strategieën om op dit consumentengedrag in te spelen of het te beïnvloeden. Er ontstaat steeds meer het beeld van een momentgebonden en grillige consument: een consument als bewegend doel, waarbij het voor de ondernemer zaak is de 'trefkans' te vergroten. Dat vraagt grote flexibiliteit van de voortbrengingsketens.
Op de conferentie bleek ook interesse voor het hogere aggregatieniveau van bijvoorbeeld hoog- en laagontwikkelde markten, Europese regio's, internationalisering versus regionalisering, het creëren van markten, en de verschuiving van binnen- naar buitenhuishoudelijk gebruik. En bij dat alles de vraag wat het betekent voor eindprodukten, halffabrikaten en grondstoffen, voor de kansen en bedreigingen voor de agrarische sector en de ketenorganisatie.
Projectleider is H. Papenhuijzen, 070-3792751.
Hulpstoffen en energie
Een derde verkenning moet inzicht geven in de vraag of we op de goede weg zijn met het onderzoek naar energiedragers en hulpstoffen als mineralen en gewasbeschermings- en diergeneesmiddelen. Dit vooral door de betreffende onderzoeksterreinen te bezien in hun samenhang en in het perspectief van denkbare ontwikkelingen in de komende decennia.
Daarbij komen fundamentele vragen naar voren. Bijvoorbeeld: hoe ver willen we gaan om ons natuurlijk leefmilieu te beschermen? De opvattingen hierover lopen ver uiteen, afhankelijk van de inschatting van het maatschappelijke aanpassingsvermogen en de belastbaarheid van het milieu. Er zijn dan ook diverse uitkomsten van dit afwegingsproces denkbaar, met sterk verschillende uitdagingen voor de Nederlandse landbouw. In het verlengde daarvan wordt ook zeer verschillend gedacht over de vraag hoe de Nederlandse landbouw op mogelijke nieuwe uitdagingen moet anticiperen. Welke trendbreuken kunnen nieuwe perspectieven bieden voor strategieën die nu kansloos lijken? En omgekeerd: wedden we nu niet op paarden die in de toekomst zeer kwetsbaar kunnen blijken? Welke strategieën kunnen elkaar onder omstandigheden versterken, dan wel tegenwerken? En als ze elkaar tegenwerken, zijn die dilemma's dan oplosbaar?
Natuurlijk beoogt onze verkenning niet op al deze vragen een antwoord te geven. Wel hopen we het inzicht te vergroten in de belangrijkste onzekerheden, en manieren aan te geven om daarmee om te gaan en de flexibiliteit binnen het onderzoek te vergroten.
De verkenning telt vier fasen van elk een half jaar. Elke fase levert een tussenprodukt op. In de laatste fase wordt, na een integratie met de verkenningen 'Consument en markt' en 'Internationalisering en concurrentiekracht' een eindrapport 'Afzet-, Verwerkings- en Produktiesystemen in de 21e eeuw' opgesteld.
Projectleider is J. de Wilt, 070-3792774.
Landbouwwetenschappen 2010 en de LUW
De Nederlandse agrarische sector heeft haar succes mede te danken aan de landbouwwetenschappen. Het is daarom zaak alert te zijn op de ontwikkelingen die die landbouwwetenschappen doormaken. De produktie en uitwisseling van kennis stoort zich hoe langer hoe minder aan nationale grenzen; de verschillen tussen onderwijs en onderzoek worden minder relevant net als de verschillen tussen fundamenteel en toegepast onderzoek; en aan alle universiteiten loopt het aantal studenten voelbaar terug en veranderen de financieringsgrondslagen voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Voor de landbouwwetenschappen geldt bovendien dat agribusiness en groene ruimte op nieuwe maatschappelijke wensen en grenzen stuiten.
Een en ander was voor de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ondermeer aanleiding om de NRLO en de Overlegcommissie Verkenningen (OCV) te vragen een aparte toekomstverkenning te doen naar 'het universitaire deel van de agro-kennisinfrastructuur in de 21e eeuw'. Daarbij denkt de minister met name aan de mogelijke 'behoefte aan vorming en opleiding van ingenieurs en doctores in de landbouw- en gerelateerde milieuwetenschappen, inclusief het daarvoor noodzakelijke onderzoek'. De minister wil het denken en de discussie hierover stimuleren alvorens een definitieve strategie te bepalen.
NRLO en OCV willen deze verkenning met open vizier tegemoet treden aan de hand van drie kernvragen:
a. Wat is de komende vijftien jaar nodig om agribusiness en groene ruimte optimaal te bedienen van academisch opgeleiden en (academische) kennis en technologie?
b. Wat betekent dit voor de eisen die gesteld moeten worden aan met name het (universitaire deel van het) kennissysteem?
c. Wat kan de rol van de LUW hierin zijn?
Open aanpak
Om de genoemde kernvragen adequaat te kunnen beantwoorden kozen NRLO en OCV voor een brede en open aanpak.
Op de eerste plaats wordt een vijftigtal deskundigen geraadpleegd uit kringen van onderzoek en onderwijs, beleid, en afnemers van kennis en afgestudeerden. Daarbij wordt gesproken over hun verwachtingen, hun onzekerheden, de vraag welke ontwikkelingen men bepalend acht voor de toekomst en de vraag wat er - op den duur - anders zou moeten en wat er nodig zou zijn om die verandering te realiseren.
Op de tweede plaats worden uiteenlopende instellingen ingeschakeld om deelstudies te verrichten.
Zo werkt het Leidse Centrum voor Wetenschap en Technologie (CWTS) aan een globale kartering van de internationale wetenschappelijke structuur van de landbouwwetenschappen. Dit aan de hand van de patronen waarin deze wetenschappen zich organiseren in de mondiale wetenschappelijke literatuur. Daarbij wordt gekeken naar de positie van Nederland en de LUW in het bijzonder.
Het Twentse Centrum voor Studie van het Hoger Onderwijsbeleid (CSHOB) doet samen met het Wageningse KLV Loopbaancentrum een studie naar de toekomstige behoefte aan LUW-afgestudeerden. Deze studie moet een aantal alternatieve prognoses in aantallen per beroepsprofiel opleveren, en gaat daarnaast in op de mogelijke behoefte aan meer specialistisch dan wel generalistisch opgeleiden.
Het CSHOB verkent ook de toekomstige ontwikkelingen in de financiering van universiteiten, met een accent op het onderscheid tussen publieke en private bekostiging.
De Twentse vakgroep Filosofie van Wetenschap en Technologie doet een wetenschapstheoretische studie naar de rol van landbouwwetenschappen en de LUW. Er wordt ingegaan op de karakteristieken die transferwetenschappen onderscheiden van meer disciplinaire wetenschappen; de vraag of er ontwikkelingen zijn die de specifieke positie van de huidige transferwetenschappen veranderen; en op de vraag of er veranderingen aan de orde zijn in de belangrijke karakteristieken van wetenschapsbeoefening. Een en ander natuurlijk vooral toegespitst op de landbouwwetenschappen.
Het Bureau van de LUW maakt een synopsis van de van de bestaande strategiedocumenten van de LUW.
Op de derde plaats worden studiebijeenkomsten georganiseerd, ondermeer naar aanleiding van de deelstudies, en wordt op gezette tijden een project-circulaire rondgezonden.
Planning
De verkenning 'Landbouwwetenschappen 2010' ging in november 1995 van start. De afronding is gepland in juni/juli 1996. De kwaliteitsbewaking is in handen van een commissie onder voorzitterschap van A.D. Wolff-Albers (OCV), bestaande uit A. Rörsch (NRLO), I.J. Schoonenboom (WRR), P. Vellinga (OCV) en A.P. Verkaik (NRLO).
Projectleider is N.A. Dijkveld Stol, 070-3793652.
Wisseling in de Raad
Per oktober 1995 is prof.dr.ir. R. Rabbinge toegetreden als lid van het dagelijks bestuur en de Raad NRLO. Dit als opvolger van dr. R.J. Bogers, die vanaf de start van NRLO deel uitmaakte van DB en Raad.
voor meer informatie: toestel 3653 of e-mail pieters@AM_KA@POST danwel d.p.pieters@innonet.agro.nl
[NRLO Home]