Dinsdag 18 mei 1999 organiseerde de NRLO een debat onder de titel 'Innoveren met ambitie - Kansen voor agrosector, vissector en groene ruimte', onder leiding van ir.ing. H. de Boon (Cebeco Groep). Dit als (voorlopige) afronding van de verkenning naar de organisatie van innovaties - een van de speerpunten uit het NRLO-werkprogramma sinds 1995.
Ir. H. Rutten (NRLO) schetste de centrale boodschap uit de verkenningen in drie punten: er zijn absoluut ingrijpende vernieuwingen noodzakelijk in de vorm van systeeminnovaties; die vergen een gezamenlijk zoek- en leerproces; en daarvoor dient beleid de voorwaarden te scheppen.
Ingrijpende veranderingen komen niet vanzelf. Daarvoor zijn de gevestigde belangen te groot en daarvoor is ook de onzekerheid over toekomstige kansen te groot. Bovendien gaan we in zekere zin gebukt onder de vloek van de maakbare samenleving: de vloek die maakt dat elke ambitie die verder reikt dan de eigen voortuin bij voorbaat verdacht is. Punt is ook dat de eigen kring, het oude netwerk, richtinggevend blijft voor een groot deel van ons handelen. Zeker in het begin werkt de noodzakelijke vernieuwing van dat netwerk vaak verwarrend.
Gericht beleid is daarom geen overbodige luxe. Niet alleen overheidsbeleid. Of liever: per se niet alleen overheidsbeleid, maar gezamenlijke inspanning van alle belanghebbenden die brood zien in deze route. Met name zal het daarbij moeten gaan om:
Drs. C.J. Kalden (LNV) sloot zich in belangrijke mate aan bij de woorden van Rutten, maar kon toch niet aan de indruk ontkomen dat er een maakbaarheidsluchtje aan zat, alsof we nu dé oplossing gevonden hebben. Maar er zal meer nodig zijn. Hij bepleitte in elk geval een goed gefaciliteerde ontmoeting tussen overheid, (een zeer breed) bedrijfsleven en onderzoek, met het oogmerk tot innovatie te komen. Het gaat niet alleen om techniek maar vooral om sociale interactie. De overheid kan niet gemakkelijk experimenteren en risico nemen. Zo'n ontmoetingsplaats kan daarin helpen. Kalden formuleerde tot slot een drietal vragen:
Prof.dr.ir. J.L.A. Jansen (DTO) constateerde dat DTO en NRLO afgelopen jaren zijaan-zij opereerden, veel van elkaar geleerd hebben en elkaar beïnvloed hebben. Beide kijken naar de langere termijn en naar de (maatschappelijke) behoeften. Je ontkomt er daarbij niet aan om een idee te hebben over waar je over X jaar wilt zijn.
Jansen meent dat de NRLO-notitie optimaliseren te zeer afzet tegen vernieuwen. Vernieuwen vereist immers óók altijd optimaliseren en verbeteren. In de lange periode die nodig is voor echt vernieuwen moet je steeds bezig zijn met verbeteren.
Hij vroeg aandacht voor de belangen van de verschillende stakeholders. Onderken ze, schrijf ze op, ook al generen we ons daar vaak voor. En probeer vervolgens de korte termijn belangen van de stakeholders, de deelnemers aan vernieuwingsprocessen, in te passen in een lange termijn commitment. Dat neemt veel angst en onzekerheid weg. Het is geen garantie voor succes, wel een randvoorwaarde. En tot slot: zorg voor een trekker (een met gezag, die zich los kan maken van eigenbelangen), een gemeenschappelijke intentieverklaring en een financiële structuur.
Volgens prof.dr. C.P Veerman (Wageningen UR) heeft het systeemdenken grote gevolgen voor de inhoud en zeker ook de wijze van wetenschapsbeoefening: van reductionistisch naar synthetiserend en holistisch. Van kennisinstellingen vraagt het een doorprikken van scheidingswanden tussen disciplines, bijvoorbeeld tussen bèta- en gamma-wetenschappen. Belangrijk is ook een innige relatie met de praktijk. We moeten de vernieuwende ondernemers opzoeken en samen met hen oplossingen bedenken. Het Centrum voor Landbouw en Milieu laat zien dat dat een simpele en krachtige aanpak is.
Innovaties kun je niet afdwingen. Je kunt ze wel randvoorwaardelijk stimuleren. Door ruimte voor debat te creëren; participatieve processen te entameren; ruimte bieden om naast de gewone werkzaamheden kennis te nemen van andere vaardigheden en meningen. Zo zijn in Wageningen een aantal mensen voor één à twee dagen in de week vrijgemaakt om onderwerpen te bedenken die op langere termijn richtinggevend kunnen zijn voor het onderzoek: een strategische werkgroep van vrijdenkers.
In de discussie, in vier groepen en later plenair, werd de NRLO-visie over systeeminnovaties breed ondersteund.
Veel nadruk werd gelegd op het nastreven van een gemeenschappelijke doelstelling van alle betrokkenen. Niet in termen van heel concrete prestaties - die moeten gaandeweg het proces worden geformuleerd - maar in termen van een gemeenschappelijk referentiekader. De ambitie en houding van de partijen in het innovatieproces zijn van zeer groot belang. Waarom lukt in de glastuinbouw wel wat bijvoorbeeld in de varkenshouderij nièt lukt?
De instelling van platforms moet zorgvuldig getimed worden. De 'praatfase' vooraf is heel belangrijk. Hoe kom je tot initiatiepunten, hoe creëer je beweging, dat is een centrale vraag. Kansrijk is om voort te borduren op bestaande kernen. Er gebeurt namelijk op veel plaatsen al het nodige.
De Boon constateerde tot slot dat er behoefte is aan een vervolg, een verdiepingsslag. Vertegenwoordigers uit de diverse geledingen, Kalden (LNV), De Boon (Cebeco Groep), G. van Oosten (Z-LTO), Hoogervorst
(LTO vakgroep Glastuinbouw), mw. Beckers-de Bruijn (Stichting Biologica), zijn bereid aan zo'n vervolgstap mee te doen. Ook de NRLO wordt hierbij betrokken. Kalden zal het initiatief nemen.
Het rapport "Innoveren met ambitie" zal worden uitgebracht als NRLO-rapport 99/17 en het verslag van het slotdebat als NRLO-rapport 99/20.
Op 26 mei nam de (toen demissionaire) Minister van LNV, drs. H.H. Apotheker, drie NRLO-rapporten in ontvangst over kennisontwikkeling en plattelandsvernieuwing. Het betrof 'Innovatie en leren, kennismanagement en plattelandsvernieuwing' (99/13); 'Thinking globally and locally' (99/14); en 'Kennis in stedelijke vernieuwing' (99/15).
De drie rapporten zijn in feite een uitwerking van voorstellen uit de NRLO-verkenning 'Groene ruimte op de kaart' (98/19). Ze leveren bouwstenen voor uitwerking van ideeën over regionale kennisnetwerken en centra voor plattelandsvernieuwing zoals die in het recente LNV-beleidsprogramma 'Kracht en Kwaliteit' zijn verwoord.
De aanbieding vond plaats in tegenwoordigheid van de auteurs van de studies (van SC-DLO, LUW en INRO-TNO) en een aantal direct betrokkenen.
Prof. dr. C.M.J. van Woerkum, hoogleraar Communicatie- en Innovatiestudies LUW en een van de auteurs, ging in op de essentie van de rapporten. Bij plattelandsvernieuwing die verder reikt dan het bedrijfsniveau zijn vele actoren betrokken met ieder hun eigen belangen, visies en aspiraties die zij echter alleen met de medewerking van anderen kunnen realiseren. De opgave is dan om een gemeenschappelijk gebiedsperspectief te ontwikkelen. Als men blijft hangen in het zoeken van oplossingen voor de één die vervolgens weer een probleem vormen voor de andere(n), dan komt men hooguit tot onbevredigende compromissen: "Plannen zonder gemeenschappelijke leermomenten zijn inherent instabiel." Daarom moet geprobeerd worden los te komen van de bestaande denkkaders en te komen tot wat in het rapport genoemd wordt 'substantieel leren': een gemeenschappelijk leerproces waarin gezocht wordt naar integrale concepten die uitdagend zijn voor alle partijen.
In het rapport wordt aangegeven hoe de condities voor dergelijke leerprocessen kunnen worden verbeterd. Zo kan gezamenlijk feitenonderzoek bijdragen aan acceptatie van kennis en kan gezamenlijk ontwerpen, het ontstaan van een gemeenschappelijk perspectief begunstigen. Bij de uitwerking van ideeën is vaak professionele ondersteuning nodig. Aan regionale kenniscentra waar deze nieuwe werkwijzen worden beproefd en verbreid is, volgens Van Woerkum, grote behoefte.
De minister toonde zich ingenomen met de manier waarop de NRLO-studies kennisontwikkeling en plattelandsvernieuwing met elkaar in verband brengen. Heel bijzonder vond hij de link tussen stedelijke vernieuwing en plattelandsvernieuwing: 'Twee typische D'66 onderwerpen in het kabinet'. Hij pikte er verder drie zaken uit:
In de discussie werden onder meer de volgende visies naar voren gebracht:
Onder grote belangstelling vond op 8 juni een workshop plaats over de methodieken voor de evaluatie van de 'maatschappelijke kwaliteit' van onderzoek. Deze middag werd georganiseerd door de COS, de NRLO en de VSNU. Aanleiding was een rapport van het bureau Sci_Quest dat vorig jaar in opdracht van COS, LUW en NRLO een studie deed naar een additionele beoordeling van het landbouwkundig onderzoek in het kader van de reguliere VSNU-onderzoeksvisitatie. De NRLO bracht van dit rapport een bewerking uit (99/12). In drie groepen spraken de deelnemers over de vraag in hoeverre maatschappelijke invloed een rol moet spelen in het onderzoeksproces; of universiteiten erin slagen om (meer) af te stemmen op externe vragen; en of het de moeite waard is om methoden te ontwikkelen om onderzoeksgroepen op deze vaardigheid te beoordelen. Hoewel de meningen sterk verdeeld waren bleken de meeste deelnemers de inzet van zo'n instrument waardevol te vinden. Zij het vooral als instrument tot zelfevaluatie. Vooral de mogelijkheid om je (maatschappelijke) aspiraties te meten aan, aan een aantal vast te stellen feiten, zou voor onderzoekers als ''eye-opener'' kunnen werken.
Wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen bieden volop kansen voor agrosector, groene ruimte en visserij
De dynamiek in wetenschap en technologie creëert nieuwe kansen voor agrosector, groene ruimte en vissector. De verkenning van deze dynamiek is dan ook een van de drie hoofdlijnen van het NRLO-werkprogramma (naast de verkenning van de maatschappelijke dynamiek en van de dynamiek van innovatieprocessen). De W&T-verkenning van de NRLO startte medio 1996 en werd in april van dit jaar afgerond met actie-conferenties en een W&T-debat.
Om deze kansen te grijpen is meer dan ooit behoefte aan gezamenlijke visie en ambitievorming bij overheden, maatschappelijke organisaties, "captains of industry" en wetenschappers.
De dynamiek in wetenschap en technologie leidt tot toenemende differentiatie en subspecialisatie van W&T-gebieden en het ontstaan van nieuwe combinaties van disciplines. Het tot ontwikkeling brengen van nieuwe multi-disciplinaire W&T-gebieden is vaak alleen mogelijk via multi-laterale samenwerking. Ook de toenemende breedte en complexiteit van de opgaven voor agrosector, groene ruimte en vissector vergroot de noodzaak tot onderlinge samenwerking. Dit geldt ook voor grote conglomeraten als Wageningen UR.
Er zijn verschillende mogelijkheden om deze afstemming te sturen: "top-down" vanuit de overheid, vanuit de "markt", of door middel van zelfsturing door onderzoeksinstellingen. Op een in april 1999 door de NRLO georganiseerd W&T-debat gaven de stakeholders de voorkeur aan een proces van gezamenlijke visie- en ambitievorming van de beleidsmakers bij overheden en maatschappelijke organisaties, "captains of industry" en wetenschappers.
Uiteraard is het niet realistisch om te streven naar bindende afspraken voor de gehele nationale W&T-portefeuille. Zo'n ambitie zou ook contraproductief werken. Dit sluit echter niet uit dat voor bepaalde deelgebieden wèl bindende afspraken gemaakt kunnen worden. De W&T-verkenning doet hiertoe concrete actievoorstellen.
In fase 2 (1998) voerde TNO-STB voor deze tien gebieden een sterkte/zwakte-analyse uit. Dit door middel van een speciaal voor deze verkenning ontwikkelde methodiek met als kernelementen: middelenpositie (input), systeemkenmerken (o.a. netwerken) en performance (output). De hieruit resulterende profielschets bleek een essentieel hulpmiddel in de discussie over sterkten en zwakten met uitvoerders, gebruikers en financiers van onderzoek.
In fase 3 (eind 1998/begin 1999) zijn de gewenste acties ter versterking van genoemde W&T-gebieden gegenereerd in een viertrapsraket: op basis van de sterkte/zwakte-analyse formuleerde TNO-STB tentatief enkele acties. Deze werden vervolgens besproken met de stakeholders en daarna verder uitgewerkt door een onafhankelijk driemanschap. Tenslotte zijn de acties in tien actieconferenties voorgelegd aan "beslissers" (policymakers en experts op het betreffende vakgebied).
Slotdebat
De verkenning werd afgesloten met een debat op strategisch niveau met gebruikers, financiers en uitvoerders van onderzoek. Die noemden de aanpak van de verkenning zorgvuldig en goed doordacht. Uitvoerig werd stilgestaan bij de keuze van de genoemde tien W&T-gebieden. Welke criteria zijn gehanteerd; zijn dit nu echt dé prioritaire gebieden voor het komende decennium; en in hoeverre is er sprake van samenhang tussen de gekozen gebieden?
Blijkens een enquête achtte driekwart van de aanwezigen de W&T-verkenning een waardevolle bijdrage aan de vernieuwing van het W&T-beleid bij Wageningen UR, LNV, NWO e.a. Wel wees men erop dat voor een werkelijke implementatie van de voorgestelde acties nog een lange weg te gaan is.
Een samenhangend W&T-portfoliobeleid op nationaal of internationaal niveau, waarbij partijen onderling afspraken maken over het al dan niet afdekken van een bepaald wetenschapsgebied, werd door velen als onwenselijk en onhaalbaar aangemerkt. Wel was er brede steun voor gezamenlijke visie- en ambitievorming in een permanente dialoog en samenwerking, maar met behoud van de eigen beslissingsruimte. Voor bepaalde deelgebieden acht men wel bindende afspraken mogelijk tussen partijen.
Tot slot werden enkele kritische kanttekeningen geplaatst bij het huidige LNV-instrumentarium voor W&T-beleid. Toekomstverkenningen, sterkte/zwakte-analyses en workshops achtte men belangrijke instrumenten voor de W&T-beleidsvorming in de 21e eeuw.
De verkenning 'Wetenschap en Technologie' zal worden gepubliceerd als NRLO-rapport 99/1 en het verslag van het slotdebat als NRLO-rapport 99/19.
| Fase 1: Dynamiek en potenties W&T-gebieden | rapport nr. |
|
| 97/22 |
|
| 97/24 |
|
| 97/25 |
|
| 97/26 |
|
| 97/32 |
|
| 97/36 |
|
| 97/37 |
|
| 97/45 |
|
| 98/6 |
|
| 98/8 |
|
| 98/11 |
|
| 98/12 |
|
| 98/13 |
|
| 98/14 |
|
| 98/15 |
|
| 98/16 |
| Fase 2: Sterkte/zwakte-analyse | |
|
| 97/23 |
|
| 98/31 |
|
| 98/32 |
|
| 98/33 |
|
| 98/34 |
|
| 98/35 |
|
| 98/36 |
|
| 98/37 |
|
| 98/38 |
|
| 98/39 |
|
| 98/40 |
|
| 98/42 |
| Fase 3: Acties | |
|
| 99/1 |
|
| 99/2 |
|
| 99/3 |
|
| 99/4 |
|
| 99/5 |
|
| 99/6 |
|
| 99/7 |
|
| 99/8 |
|
| 99/9 |
|
| 99/10 |
|
| 99/11 |
|
| 99/19 |
| NRLO | |
| Bezoekadres: | Bezuidenhoutseweg 73 |
| Postadres: | Postbus 20401 |
| 2500 EK Den Haag | |
| Tel. 070 - 3785653 | |
| Fax 070 - 3786149 |
| Prof.dr.ir. A. Rörsch, voorzitter | 070 - 3785650 |
| Dr.ir. A.P. Verkaik, directeur Bureau | 070 - 3785692 |
| Secretariaat | |
| Mw. D.P. Pieters-van Wageningen | 070 - 3785653 |
| Mw. M.J.V. Schouten-Hattink | 070 - 3785694 |
| Mw. Y. van Zelst-van Wetten | 070 - 3785537 |
| Medewerkers | |
| Ir. N.A. Dijkveld Stol | 070 - 3785652 |
| Dr. H. Hetsen | 070 - 3784106 |
| Dr.ir. H.J. van Oosten | 070 - 3785727 |
| Dr.ir. J.M.P. Papenhuijzen | 070 - 3784751 |
| Ir. Hans Rutten | 070 - 3785777 |
| Dr.ir. J.G. de Wilt | 070 - 3784774 |