NRLO Nieuwsbrief 14 - juli 1999

Inhoud:

 

upInnovatie

Dinsdag 18 mei 1999 organiseerde de NRLO een debat onder de titel 'Innoveren met ambitie - Kansen voor agrosector, vissector en groene ruimte', onder leiding van ir.ing. H. de Boon (Cebeco Groep). Dit als (voorlopige) afronding van de verkenning naar de organisatie van innovaties - een van de speerpunten uit het NRLO-werkprogramma sinds 1995.

Ir. H. Rutten (NRLO) schetste de centrale boodschap uit de verkenningen in drie punten: er zijn absoluut ingrijpende vernieuwingen noodzakelijk in de vorm van systeeminnovaties; die vergen een gezamenlijk zoek- en leerproces; en daarvoor dient beleid de voorwaarden te scheppen.
Ingrijpende veranderingen komen niet vanzelf. Daarvoor zijn de gevestigde belangen te groot en daarvoor is ook de onzekerheid over toekomstige kansen te groot. Bovendien gaan we in zekere zin gebukt onder de vloek van de maakbare samenleving: de vloek die maakt dat elke ambitie die verder reikt dan de eigen voortuin bij voorbaat verdacht is. Punt is ook dat de eigen kring, het oude netwerk, richtinggevend blijft voor een groot deel van ons handelen. Zeker in het begin werkt de noodzakelijke vernieuwing van dat netwerk vaak verwarrend.
Gericht beleid is daarom geen overbodige luxe. Niet alleen overheidsbeleid. Of liever: per se niet alleen overheidsbeleid, maar gezamenlijke inspanning van alle belanghebbenden die brood zien in deze route. Met name zal het daarbij moeten gaan om:

  • het stimuleren en faciliteren van het zoek- en leerproces;
  • nieuwe, passende institutionele voorzieningen; niet zozeer in termen van organisaties, maar meer van regels, afspraken, normen, enz.;
  • het zodanig heralloceren van publieke en private middelen dat initiatieven een gezonde financiële en personele basis hebben;
  • het koesteren van motoren die ervoor zorgen dat innovatiecreërende netwerken hun momentum behouden.

    Drs. C.J. Kalden (LNV) sloot zich in belangrijke mate aan bij de woorden van Rutten, maar kon toch niet aan de indruk ontkomen dat er een maakbaarheidsluchtje aan zat, alsof we nu dé oplossing gevonden hebben. Maar er zal meer nodig zijn. Hij bepleitte in elk geval een goed gefaciliteerde ontmoeting tussen overheid, (een zeer breed) bedrijfsleven en onderzoek, met het oogmerk tot innovatie te komen. Het gaat niet alleen om techniek maar vooral om sociale interactie. De overheid kan niet gemakkelijk experimenteren en risico nemen. Zo'n ontmoetingsplaats kan daarin helpen. Kalden formuleerde tot slot een drietal vragen:

  • In hoeverre vereisen vernieuwingen in "agro" en groene ruimte een verschillende aanpak?
  • Hoe ga je om met een gemeenschappelijk belang in een commerciële context?
  • Hoe vertaal je studies op een hoog aggregatieniveau naar de 'doe'-wereld?

    Prof.dr.ir. J.L.A. Jansen (DTO) constateerde dat DTO en NRLO afgelopen jaren zij­aan-zij opereerden, veel van elkaar geleerd hebben en elkaar beïnvloed hebben. Beide kijken naar de langere termijn en naar de (maatschappelijke) behoeften. Je ontkomt er daarbij niet aan om een idee te hebben over waar je over X jaar wilt zijn.
    Jansen meent dat de NRLO-notitie optimaliseren te zeer afzet tegen vernieuwen. Vernieuwen vereist immers óók altijd optimaliseren en verbeteren. In de lange periode die nodig is voor echt vernieuwen moet je steeds bezig zijn met verbeteren. Hij vroeg aandacht voor de belangen van de verschillende stakeholders. Onderken ze, schrijf ze op, ook al generen we ons daar vaak voor. En probeer vervolgens de korte termijn belangen van de stakeholders, de deelnemers aan vernieuwingsprocessen, in te passen in een lange termijn commitment. Dat neemt veel angst en onzekerheid weg. Het is geen garantie voor succes, wel een randvoorwaarde. En tot slot: zorg voor een trekker (een met gezag, die zich los kan maken van eigenbelangen), een gemeenschappelijke intentieverklaring en een financiële structuur.

    Volgens prof.dr. C.P Veerman (Wageningen UR) heeft het systeemdenken grote gevolgen voor de inhoud en zeker ook de wijze van wetenschapsbeoefening: van reductionistisch naar synthetiserend en holistisch. Van kennisinstellingen vraagt het een doorprikken van scheidingswanden tussen disciplines, bijvoorbeeld tussen bèta- en gamma-wetenschappen. Belangrijk is ook een innige relatie met de praktijk. We moeten de vernieuwende ondernemers opzoeken en samen met hen oplossingen bedenken. Het Centrum voor Landbouw en Milieu laat zien dat dat een simpele en krachtige aanpak is.
    Innovaties kun je niet afdwingen. Je kunt ze wel randvoorwaardelijk stimuleren. Door ruimte voor debat te creëren; participatieve processen te entameren; ruimte bieden om naast de gewone werkzaamheden kennis te nemen van andere vaardigheden en meningen. Zo zijn in Wageningen een aantal mensen voor één à twee dagen in de week vrijgemaakt om onderwerpen te bedenken die op langere termijn richtinggevend kunnen zijn voor het onderzoek: een strategische werkgroep van vrijdenkers.

    In de discussie, in vier groepen en later plenair, werd de NRLO-visie over systeeminnovaties breed ondersteund. Veel nadruk werd gelegd op het nastreven van een gemeenschappelijke doelstelling van alle betrokkenen. Niet in termen van heel concrete prestaties - die moeten gaandeweg het proces worden geformuleerd - maar in termen van een gemeenschappelijk referentiekader. De ambitie en houding van de partijen in het innovatieproces zijn van zeer groot belang. Waarom lukt in de glastuinbouw wel wat bijvoorbeeld in de varkenshouderij nièt lukt?
    De instelling van platforms moet zorgvuldig getimed worden. De 'praatfase' vooraf is heel belangrijk. Hoe kom je tot initiatiepunten, hoe creëer je beweging, dat is een centrale vraag. Kansrijk is om voort te borduren op bestaande kernen. Er gebeurt namelijk op veel plaatsen al het nodige.

    De Boon constateerde tot slot dat er behoefte is aan een vervolg, een verdiepingsslag. Vertegenwoordigers uit de diverse geledingen, Kalden (LNV), De Boon (Cebeco Groep), G. van Oosten (Z-LTO), Hoogervorst (LTO vakgroep Glastuinbouw), mw. Beckers-de Bruijn (Stichting Biologica), zijn bereid aan zo'n vervolgstap mee te doen. Ook de NRLO wordt hierbij betrokken. Kalden zal het initiatief nemen.
    Het rapport "Innoveren met ambitie" zal worden uitgebracht als NRLO-rapport 99/17 en het verslag van het slotdebat als NRLO-rapport 99/20.

     

    upAanbieding rapporten over Plattelandsvernieuwing

    Op 26 mei nam de (toen demissionaire) Minister van LNV, drs. H.H. Apotheker, drie NRLO-rapporten in ontvangst over kennisontwikkeling en plattelandsvernieuwing. Het betrof 'Innovatie en leren, kennismanagement en plattelandsvernieuwing' (99/13); 'Thinking globally and locally' (99/14); en 'Kennis in stedelijke vernieuwing' (99/15).
    De drie rapporten zijn in feite een uitwerking van voorstellen uit de NRLO-verkenning 'Groene ruimte op de kaart' (98/19). Ze leveren bouwstenen voor uitwerking van ideeën over regionale kennisnetwerken en centra voor plattelandsvernieuwing zoals die in het recente LNV-beleidsprogramma 'Kracht en Kwaliteit' zijn verwoord.
    De aanbieding vond plaats in tegenwoordigheid van de auteurs van de studies (van SC-DLO, LUW en INRO-TNO) en een aantal direct betrokkenen.

    Prof. dr. C.M.J. van Woerkum, hoogleraar Communicatie- en Innovatiestudies LUW en een van de auteurs, ging in op de essentie van de rapporten. Bij plattelandsvernieuwing die verder reikt dan het bedrijfsniveau zijn vele actoren betrokken met ieder hun eigen belangen, visies en aspiraties die zij echter alleen met de medewerking van anderen kunnen realiseren. De opgave is dan om een gemeenschappelijk gebiedsperspectief te ontwikkelen. Als men blijft hangen in het zoeken van oplossingen voor de één die vervolgens weer een probleem vormen voor de andere(n), dan komt men hooguit tot onbevredigende compromissen: "Plannen zonder gemeenschappelijke leermomenten zijn inherent instabiel." Daarom moet geprobeerd worden los te komen van de bestaande denkkaders en te komen tot wat in het rapport genoemd wordt 'substantieel leren': een gemeenschappelijk leerproces waarin gezocht wordt naar integrale concepten die uitdagend zijn voor alle partijen.
    In het rapport wordt aangegeven hoe de condities voor dergelijke leerprocessen kunnen worden verbeterd. Zo kan gezamenlijk feitenonderzoek bijdragen aan acceptatie van kennis en kan gezamenlijk ontwerpen, het ontstaan van een gemeenschappelijk perspectief begunstigen. Bij de uitwerking van ideeën is vaak professionele ondersteuning nodig. Aan regionale kenniscentra waar deze nieuwe werkwijzen worden beproefd en verbreid is, volgens Van Woerkum, grote behoefte.

    De minister toonde zich ingenomen met de manier waarop de NRLO-studies kennisontwikkeling en plattelandsvernieuwing met elkaar in verband brengen. Heel bijzonder vond hij de link tussen stedelijke vernieuwing en plattelandsvernieuwing: 'Twee typische D'66 onderwerpen in het kabinet'. Hij pikte er verder drie zaken uit:

  • de koppeling tussen regionale kennisnetwerken en centra voor plattelandsvernieuwing kan bijdragen aan de opbouw van kennisnetwerken binnen een gebied en het leggen van relaties naar wijdere netwerken;
  • volgens Agenda 2000 worden bestaande steunmaatregelen van het Europese plattelandsbeleid geïntegreerd in een 'Kaderverordening Plattelandsontwikkeling'. Zo wordt een aantal regelingen nu voor heel Nederland toegankelijk. In dat verband moeten er rurale ontwikkelingsplannen (ROP's) worden opgesteld. Het ligt voor de hand daarbij een relatie te leggen met de op te stellen gebiedsperspectieven en gebiedscontracten als instrumenten om gebiedsgedifferentieerde plattelandsvernieuwing te stimuleren;
  • het is bij plattelandsvernieuwing zaak een verbinding te leggen tussen beleidsdoelstellingen en ideeën die in de streek leven. Regionale centra en overlegplatforms kunnen hieraan bijdragen. Tot slot vroeg de Minister aandacht voor de vraag wat het 'juiste' schaalniveau is waarop plattelandsvernieuwing zich kan voltrekken en kan worden ondersteund.

    In de discussie werden onder meer de volgende visies naar voren gebracht:

  • het bepalen van het schaalniveau van netwerken en centra dient vooral aan te sluiten op de belevingswereld van betrokken burgers. Je zult derhalve moeten uitgaan van het regionale of streekniveau en per initiatief een kennisnetwerk of platform op maat moeten vormen;
  • het is belangrijk om ook de stedelijke belangen in de regionale kennisnetwerken te betrekken omdat stedelijke investeringen grote invloed hebben op landelijke gebieden. Dat kan soms betekenen dat je toch op wat hoger schaalniveau moet denken;
  • stedelijke vernieuwing leert dat het organiseren van de investeringen de kernopgave is. Partijen met investeringsmacht (groene èn rode) moeten dus absoluut in de regionale kennisnetwerken worden betrokken. Publiek-private samenwerking zal een belangrijke rol moeten spelen;
  • er blijft een inherente spanning bestaan tussen de democratische verantwoordelijkheid van overheden en interactief beleid waarin ruimte wordt gegeven aan particuliere initiatieven.

     

    upMaatschappelijke kwaliteit van onderzoek

    Onder grote belangstelling vond op 8 juni een workshop plaats over de methodieken voor de evaluatie van de 'maatschappelijke kwaliteit' van onderzoek. Deze middag werd georganiseerd door de COS, de NRLO en de VSNU. Aanleiding was een rapport van het bureau Sci_Quest dat vorig jaar in opdracht van COS, LUW en NRLO een studie deed naar een additionele beoordeling van het landbouwkundig onderzoek in het kader van de reguliere VSNU-onderzoeksvisitatie. De NRLO bracht van dit rapport een bewerking uit (99/12). In drie groepen spraken de deelnemers over de vraag in hoeverre maatschappelijke invloed een rol moet spelen in het onderzoeksproces; of universiteiten erin slagen om (meer) af te stemmen op externe vragen; en of het de moeite waard is om methoden te ontwikkelen om onderzoeksgroepen op deze vaardigheid te beoordelen. Hoewel de meningen sterk verdeeld waren bleken de meeste deelnemers de inzet van zo'n instrument waardevol te vinden. Zij het vooral als instrument tot zelfevaluatie. Vooral de mogelijkheid om je (maatschappelijke) aspiraties te meten aan, aan een aantal vast te stellen feiten, zou voor onderzoekers als ''eye-opener'' kunnen werken.

     

    upVerkenning Wetenschap en Technologie afgerond

    Wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen bieden volop kansen voor agrosector, groene ruimte en visserij De dynamiek in wetenschap en technologie creëert nieuwe kansen voor agrosector, groene ruimte en vissector. De verkenning van deze dynamiek is dan ook een van de drie hoofdlijnen van het NRLO-werkprogramma (naast de verkenning van de maatschappelijke dynamiek en van de dynamiek van innovatieprocessen). De W&T-verkenning van de NRLO startte medio 1996 en werd in april van dit jaar afgerond met actie-conferenties en een W&T-debat.
    Om deze kansen te grijpen is meer dan ooit behoefte aan gezamenlijke visie en ambitievorming bij overheden, maatschappelijke organisaties, "captains of industry" en wetenschappers.

    De dynamiek in wetenschap en technologie leidt tot toenemende differentiatie en subspecialisatie van W&T-gebieden en het ontstaan van nieuwe combinaties van disciplines. Het tot ontwikkeling brengen van nieuwe multi-disciplinaire W&T-gebieden is vaak alleen mogelijk via multi-laterale samenwerking. Ook de toenemende breedte en complexiteit van de opgaven voor agrosector, groene ruimte en vissector vergroot de noodzaak tot onderlinge samenwerking. Dit geldt ook voor grote conglomeraten als Wageningen UR.
    Er zijn verschillende mogelijkheden om deze afstemming te sturen: "top-down" vanuit de overheid, vanuit de "markt", of door middel van zelfsturing door onderzoeksinstellingen. Op een in april 1999 door de NRLO georganiseerd W&T-debat gaven de stakeholders de voorkeur aan een proces van gezamenlijke visie- en ambitievorming van de beleidsmakers bij overheden en maatschappelijke organisaties, "captains of industry" en wetenschappers. Uiteraard is het niet realistisch om te streven naar bindende afspraken voor de gehele nationale W&T-portefeuille. Zo'n ambitie zou ook contraproductief werken. Dit sluit echter niet uit dat voor bepaalde deelgebieden wèl bindende afspraken gemaakt kunnen worden. De W&T-verkenning doet hiertoe concrete actievoorstellen.

  • Gezamenlijke visie- en ambitievorming vraagt een procesmatige aanpak, een balans tussen onafhankelijkheid en betrokkenheid en een mix van studie en sociale interactie
    Gezamenlijke visie- en ambitievorming vereist betrokkenheid van de relevante partijen, maar tegelijk moet de onafhankelijkheid van het proces worden gewaarborgd. Daarom is in deze W&T-verkenning gekozen voor een gefaseerde aanpak, een mix van interactie en studies en de inzet van onafhankelijke partijen bij bepaalde onderdelen van het proces.
    In fase 1 (1996/1997) is op basis van internationale Delphi-studies, nationale verkenningen, essays, achtergrondstudies, interviews en workshops een beeld gevormd van de belangrijkste (te verwachten) ontwikkelingen in verschillende W&T-gebieden en hun betekenis voor agrosector, groene ruimte en vissector. Op grond hiervan selecteerde de NRLO (bureau, dagelijks bestuur en raad) tien W&T-gebieden van strategisch belang. Deze selectie was een goed beredeneerde, deels intuïtieve keuze en niet een uitkomst van een objectieve wetenschappelijke analyse. Het zijn:
    Sensor- en microsysteemtechnologie; Intelligente dataverwerking en procesbesturing; Nanotechnologie; Moleculaire plantenbiologie; Moleculaire en reproductiebiologie bij dieren; Productie-ecologie; Veterinaire epidemiologie; Verpakkings- en bewaartechnologie; Beleidswetenschappen en ICT in de groene ruimte en Aquacultuur.

    In fase 2 (1998) voerde TNO-STB voor deze tien gebieden een sterkte/zwakte-analyse uit. Dit door middel van een speciaal voor deze verkenning ontwikkelde methodiek met als kernelementen: middelenpositie (input), systeemkenmerken (o.a. netwerken) en performance (output). De hieruit resulterende profielschets bleek een essentieel hulpmiddel in de discussie over sterkten en zwakten met uitvoerders, gebruikers en financiers van onderzoek.

    In fase 3 (eind 1998/begin 1999) zijn de gewenste acties ter versterking van genoemde W&T-gebieden gegenereerd in een viertrapsraket: op basis van de sterkte/zwakte-analyse formuleerde TNO-STB tentatief enkele acties. Deze werden vervolgens besproken met de stakeholders en daarna verder uitgewerkt door een onafhankelijk driemanschap. Tenslotte zijn de acties in tien actieconferenties voorgelegd aan "beslissers" (policymakers en experts op het betreffende vakgebied).

  • De aldus geselecteerde acties ter versterking van strategische W&T-gebieden vormen belangrijke input voor de vernieuwing van het W&T-beleid van de verschillende actoren
    De geselecteerde acties dienen ter opheffing van zwakten met betrekking tot middelenpositie, systeemkenmerken en performance. Ze zijn in vijf categorieën in te delen:
    1. Bundelen en focussen van het onderzoek, bijvoorbeeld in consortia of een topinstituut.
    2. Versterken van de netwerken met onderzoeksinstellingen buiten het agrocircuit door middel van gezamenlijke programma's, workshops, platforms, clusters of zwaardere vormen van institutionalisering, zoals een innovatief centrum of een topinstituut.
    3. Versterken van de netwerken met gebruikers door het vormen van platforms, clusters en allianties.
    4. Versterken van fundamenteel onderzoek door middel van NWO-programma's, nieuwe leerstoelen en strategische studies.
    5. Versterken van de aansluiting tussen kennisgeneratie, technologie-ontwikkeling en innovatie door middel van wijzigingen in opleidingen, case-studies, innovatieprogramma's en start-up's van bedrijven.
    De besluitvorming over de acties en de uitwerking en uitvoering ervan behoren niet tot het mandaat van de NRLO maar tot dat van beslissers. Hun overwegend positieve reacties op de voorstellen geven vertrouwen in een uiteindelijke realisatie. Gelet op het grote aantal uiteenlopende acties en actoren zal de implementatie en de onderlinge afstemming nog aanzienlijke inspanningen vragen.

  • Toekomstverkenningen van W&T-gebieden, sterkte/zwakte-analyses en actieconferenties zijn belangrijke instrumenten voor de W&T-beleidsvorming in de 21e eeuw
    Als we voor de toekomst een enigszins samenhangend W&T-beleid willen realiseren op nationaal of - nog ambitieuzer - op internationaal niveau, dan zijn instrumenten nodig die voor alle betrokken partijen (en dat zijn er vele) de kansen, de sterkten en zwakten, en de potentiële actiepunten zichtbaar en bespreekbaar te maken. Toekomstverkenningen, sterkte/zwakte-analyses en actiegerichte bijeenkomsten zijn dan derhalve cruciaal. In deze W&T-verkenning is daarmee geëxperimenteerd en ervaring opgedaan.

    Slotdebat
    De verkenning werd afgesloten met een debat op strategisch niveau met gebruikers, financiers en uitvoerders van onderzoek. Die noemden de aanpak van de verkenning zorgvuldig en goed doordacht. Uitvoerig werd stilgestaan bij de keuze van de genoemde tien W&T-gebieden. Welke criteria zijn gehanteerd; zijn dit nu echt dé prioritaire gebieden voor het komende decennium; en in hoeverre is er sprake van samenhang tussen de gekozen gebieden?
    Blijkens een enquête achtte driekwart van de aanwezigen de W&T-verkenning een waardevolle bijdrage aan de vernieuwing van het W&T-beleid bij Wageningen UR, LNV, NWO e.a. Wel wees men erop dat voor een werkelijke implementatie van de voorgestelde acties nog een lange weg te gaan is.
    Een samenhangend W&T-portfoliobeleid op nationaal of internationaal niveau, waarbij partijen onderling afspraken maken over het al dan niet afdekken van een bepaald wetenschapsgebied, werd door velen als onwenselijk en onhaalbaar aangemerkt. Wel was er brede steun voor gezamenlijke visie- en ambitievorming in een permanente dialoog en samenwerking, maar met behoud van de eigen beslissingsruimte. Voor bepaalde deelgebieden acht men wel bindende afspraken mogelijk tussen partijen. Tot slot werden enkele kritische kanttekeningen geplaatst bij het huidige LNV-instrumentarium voor W&T-beleid. Toekomstverkenningen, sterkte/zwakte-analyses en workshops achtte men belangrijke instrumenten voor de W&T-beleidsvorming in de 21e eeuw.
    De verkenning 'Wetenschap en Technologie' zal worden gepubliceerd als NRLO-rapport 99/1 en het verslag van het slotdebat als NRLO-rapport 99/19.

     

    upBijlage: NRLO-documenten W&T-verkenning

    Nota Bene: deze rapporten zijn op de site te vinden in de rubriek 'Achtergrondstudies' (1997, 1998 of 1999)

    Fase 1: Dynamiek en potenties W&T-gebieden rapport
    nr.
  • Consumentgestuurde technologieontwikkeling - Van wenselijkheid naar haalbaarheid en doeltreffendheid bij productie van levensmiddelen
  • 97/22
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - Agrofysica, informatie- en communicatietechnologie in plantaardige productie
  • 97/24
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - Bodembiologie en plantaardige productie
  • 97/25
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - Kansen voor verwerking en distributie
  • 97/26
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - Kansen voor de dierlijke sector
  • 97/32
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - Moleculaire plantenbiologie
  • 97/36
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - Plantaardige productiesystemen en productie-ecologie
  • 97/37
  • Een kwantitatieve analyse van de bodembiologie in Nederland
  • 97/45
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - Verslag NRLO-workshop
  • 98/6
  • Aquacultuur in Nederland: Kansen en bedreigingen
  • 98/8
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - Sturingstheorieën en landelijke gebieden
  • 98/11
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - ICT: mogelijkheden voor sturing en ontwerp in landelijke gebieden
  • 98/12
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - Verkeer en vervoer in landelijke gebieden
  • 98/13
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - ICT in relatie tot mobiliteit en vestigingsgedrag in landelijke gebieden
  • 98/14
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - Bodemsanering en waterbeheer in landelijke gebieden
  • 98/15
  • Ontwikkelingen in wetenschap en technologie - Energietechnieken in landelijke gebieden
  • 98/16
    Fase 2: Sterkte/zwakte-analyse
  • Methode voor kwaliteitsbeoordeling van de agrokennisinfrastructuur - Een haalbaarheidsanalyse op basis van 3 case studies
  • 97/23
  • Productie-ecologie - Sterkte/zwakte-analyse
  • 98/31
  • Sensor- en microsysteemtechnologie - Sterkte/zwakte-analyse
  • 98/32
  • Verpakkings- en bewaartechnologie - Sterkte/zwakte-analyse
  • 98/33
  • Veterinaire epidemiologie - Sterkte/zwakte-analyse
  • 98/34
  • Moleculaire en reproductiebiologie bij dieren - Sterkte/zwakte-analyse
  • 98/35
  • Aquacultuur - Sterkte/zwakte-analyse
  • 98/36
  • Quick scan Nanotechnologie
  • 98/37
  • Intelligente dataverwerking en procesbesturing - Sterkte/zwakte-analyse
  • 98/38
  • Moleculaire plantenbiologie - Sterkte/zwakte-analyse
  • 98/39
  • Beleidswetenschappen en ICT in de groene ruimte - Sterkte/zwakte-analyse
  • 98/40
  • Sterkte/zwakte-analyse W&T-gebieden
  • 98/42
    Fase 3: Acties
  • Wetenschap en technologie - Kansen voor agrosector, groene ruimte en vissector
  • 99/1
  • Sensor- en microsysteemtechnologie - Speerpunten voor actie
  • 99/2
  • Verpakkings- en bewaartechnologie - Speerpunten voor actie
  • 99/3
  • Veterinaire epidemiologie - Speerpunten voor actie
  • 99/4
  • Moleculaire en reproductiebiologie bij dieren - Speerpunten voor actie
  • 99/5
  • Moleculaire plantenbiologie - Speerpunten voor actie
  • 99/6
  • Nanotechnologie - Speerpunten voor actie
  • 99/7
  • Productie-ecologie - Speerpunten voor actie
  • 99/8
  • Intelligente dataverwerking en procesbesturing - Speerpunten voor actie
  • 99/9
  • Aquacultuur - Speerpunten voor actie
  • 99/10
  • Beleidswetenschappen en ICT in de groene ruimte - Speerpunten voor actie
  • 99/11
  • Wetenschaps- en technologiedebat 28 april 1999 - Verslag van inleidingen, discussie en enquête
  • 99/19

     

    upColofon

    NRLO
    Bezoekadres:Bezuidenhoutseweg 73
    Postadres:Postbus 20401
    2500 EK Den Haag
    Tel. 070 - 3785653
    Fax 070 - 3786149

    Prof.dr.ir. A. Rörsch, voorzitter070 - 3785650
    Dr.ir. A.P. Verkaik, directeur Bureau 070 - 3785692
    Secretariaat
    Mw. D.P. Pieters-van Wageningen070 - 3785653
    Mw. M.J.V. Schouten-Hattink070 - 3785694
    Mw. Y. van Zelst-van Wetten070 - 3785537
    Medewerkers
    Ir. N.A. Dijkveld Stol070 - 3785652
    Dr. H. Hetsen070 - 3784106
    Dr.ir. H.J. van Oosten070 - 3785727
    Dr.ir. J.M.P. Papenhuijzen070 - 3784751
    Ir. Hans Rutten070 - 3785777
    Dr.ir. J.G. de Wilt070 - 3784774

    Nieuwsbrief nummer 14 - Juli 1999

    [NRLO Home]