Het landbouwonderwijs heeft alleen toekomstperspectief indien ze er in slaagt adequaat in te spelen op de ingrijpende veranderingen die zich in de omgeving van de landbouw voordoen. Dat is de belangrijkste conclusie uit het rapport "Landbouwonderwijs in toekomstperspectief. Agenda voor strategische discussie", dat op verzoek van DWK door NRLO en STOAS gezamenlijk is opgesteld. Onder leiding van mevrouw Van Vloten-Doting, directeur van de Directie Wetenschap en Kennisoverdracht, is het rapport op een bijeenkomst (10 november jl.) met betrokkenen bij het landbouwonderwijs besproken.
De noodzakelijke ontwikkeling richting een duurzame en vitale
agrosector en groene ruimte vragen om andere kwalificaties van
ondernemers, managers, medewerkers en overige professionals. Naast
het "vanzelfsprekende" onderhoud van vakinhoudelijke
kwalificaties, zo stelden A.P. Verkaik (NRLO) en L. Nieuwenhuis
(STOAS) in hun toelichting op het rapport, is er ook sprake van
fundamentele veranderingen op dit terrein.
Een ondernemende attitude zou een leidend principe moeten zijn
voor de inrichting van alle opleidingen binnen het agrarisch onderwijs.
Daarbij zouden combinaties van bèta- en gammawetenschappen
op alle niveaus moeten worden nagestreefd. Toekomstige werkers in de verschillende sectoren zullen zowel
individueel als institutioneel steeds meer in netwerken moeten
kunnen werken. Sociale en communicatieve vaardigheden zijn een
belangrijk ingrediënt van het toekomstig landbouwonderwijs.
Landbouwonderwijsinstellingen worden indringend met de vraag geconfronteerd
hoever zij hun werkgebied willen en kunnen uitbreiden en welke
concurrentie en allianties ze daarbij met niet-landbouwinstellingen
willen aangaan. Legitimering van het landbouwonderwijs zoeken
in de historische agrarische eigenheid wordt steeds minder succesvol.
De snelheid en diversiteit van ontwikkelingen vraagt om een omslag
van het onderwijsstelsel van een beheerssysteem naar een ondernemend
systeem met zelfsturing en ondernemerszin. Strategievorming op
instellingsniveau wordt een belangrijk thema voor de vernieuwing
van het agrarisch onderwijs. De relatie met de overheid zal daardoor
veranderen.
Niet de school en het onderwijssysteem, maar het leren van mensen,
zal in de toekomst centraal staan, zo staat in het rapport. Levenslang
leren vraagt een grote omslag in het onderwijssysteem. De ontwikkeling
van het post-initiële traject is geen zaak van alleen de
onderwijsinstellingen. Het bedrijfsleven heeft hier een even grote
of zelfs grotere verantwoordelijkheid.
Ing. D. Duijzer (LTO Nederland), Ir. J.Th.J. Beeren (voorheen
Arcadis), Drs. T. Eimers (Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen
Universiteit Nijmegen) en Ir. J.W.G. Geerligs (LNV-DWK) gaven
korte reacties op het rapport. Hen was gevraagd twee opdrachten
te formuleren, één opdracht voor het departement,
en één voor het onderwijsveld.
Duijzer ging in zijn reactie vooral in op het moderne
ondernemerschap in de internationaliserende wereld. Van de Nederlandse
boeren die een bedrijf starten begint een op de vier in het buitenland.
Door Nederlandse ondernemers worden meer vierkante meters rozen
geteeld in het buitenland dan in Nederland.
Megabedrijven, die in alle sectoren zijn te vinden, staan anders
in de samenleving dan de traditionele agrarische bedrijven, ze
zijn flexibeler in het benutten van omgevingsfactoren, en spelen
beter in op mogelijkheden die regels bieden.
Duijzer ziet als belangrijke opgave voor agrarische scholen het
noodzakelijk onderwijs voor de nieuwe ondernemers vorm te geven.
Wel vraagt hij zich af wat daar specifiek "landbouw"
aan is.
Beeren hield een pleidooi voor strategische partnershiprelaties
van scholen met de actoren in de regio die belangen hebben in
de exploitatie en het gebruik van de groene ruimte. Hij ziet dit
als basis voor op de toekomst gericht en mede door het werkveld
ingevuld onderwijs. Het departement zou het landbouwonderwijs
organisatorisch en financieel in staat moeten stellen om de partnerrol
bij veranderingsprocessen te kunnen vervullen.
Eimers riep de sociale partners op om verantwoordelijkheid
te nemen voor het beroepsonderwijs. Trek de lijn van initieel
onderwijs gekoppeld aan leven lang leren door, en neem mede verantwoordelijkheid
voor initieel beroepsonderwijs.
Spreker constateert een spanningsveld tussen enerzijds onderwijs
als initiator van vernieuwing (voorloper) en anderzijds onderwijs
als responsief systeem (onderwijs luistert goed naar bedrijven
en past het aanbod aan aan de vraag). Eimers ziet een uitweg uit dit spanningsveld door de kwalificatiestructuur
te benutten als platform voor vernieuwing.
Geerligs pleitte voor scholen met profiel, ondernemende
scholen en lerende scholen. In dit verband vroeg hij aandacht
voor de sociaal-economische rol van het Voorbereidend Beroeps
Onderwijs. Dit onderwijs wordt gekenmerkt door een motiverende
en leerrijke leer/werkomgeving. Daar kunnen de andere onderwijsniveaus
iets van leren. Als belangrijke opdracht voor het onderwijsveld formuleerde hij
flexibiliteit in de organisatie en voor het departement aanscherpen
van context en profiel, vrijheidsgraden voor scholen en kwalitatieve
terugkoppeling op sleutelprocessen.
Uit de plenaire discussie kwam duidelijk naar voren dat
verantwoordelijkheden en rollen verschuiven en dat daarmee ook
de interactie tussen onderwijsinstellingen en departement verandering
behoeft.
Onderwijsinstellingen voelen zich in hun ontwikkeling nogal eens
belemmerd door wet- en regelgeving. Concrete punten die in dit
verband worden genoemd zijn de leeftijdsgebonden studiefinanciering,
de (on)mogelijkheden tot het aangaan van partnerships en de bekostiging
in het algemeen.
Er is bij sommigen twijfel of landbouwkennisinstellingen het waar
kunnen maken als "integrator" op te treden voor wat
betreft de problematiek van de groene ruimte. Krijgen de door
het landbouwonderwijs afgeleverde groene ruimte deskundigen dezelfde
waardering als hun collega's groene ruimte die buiten het landbouwonderwijs
een opleiding hebben genoten?
Instellingen zijn zich in toenemende mate bewust dat men geen
claims kan leggen op opleidingen maar dat men het moet verdienen.
Dat strategische allianties met "externe" partners daarbij
van belang zijn wordt door velen onderkend.
Bij de afsluiting van de discussie concludeerde de voorzitter dat de strategische dialoog met het onderwijsveld een follow-up behoeft. De directie zal daar voorstellen voor uitwerken. Mevrouw Van Vloten-Doting bevestigde dat elementen uit het rapport en de discussie daarover bij de opstelling van het definitieve Kennisbeleidsplan zullen worden meegenomen.
Op 26 en 27 november 1998 werd in Oviedo (Spanje) een EU-workshop gehouden, waar ervaringen met verkenningen in verschillende landen werden uitgewisseld. Er was een ronde-tafel-discussie gewijd aan landbouw, waarbij de NRLO was uitgenodigd om de key-note lecture te verzorgen. Enkele bevindingen:
Tijdens de EU-workshop stelde men veel belang in de ervaringen
van de NRLO met deze interactieve methoden en de wijze waarop
de verkenningen voor de landbouw in Nederland zijn georganiseerd.
Dit heeft onder andere geresulteerd in een uitnodiging voor het
geven van een seminar in Engeland en een verzoek om te participeren
in een foresightexercitie in Spanje. Tevens bleek dat op het gebied
van verkenningen in de landbouw de Nederlandse ervaringen in belangrijke
mate richtinggevend zijn voor andere landen.
Een iets uitgebreider verslag van deze workshop is ook op de NRLO-webstek te vinden
Bij de start van de NRLO nieuwe stijl, in januari 1995, is met de Bestuursraad van LNV een werkprogramma voor
de NRLO van vier jaar overeengekomen. Ook is afgesproken dat dit werkprogramma eind 1998 door een externe
commissie geëvalueerd zou worden. Deze evaluatiecommissie zal naar verwachting niet eerder dan eind februari
1999 klaar zijn met haar werkzaamheden. Intussen beraadt zowel het NRLO-netwerk als de ambtelijke top van LNV
zich op voortzetting van de NRLO.
Mede ten behoeve van de evaluatiecommissie heeft het Dagelijks Bestuur van de NRLO een 'zelfevaluatierapport'
opgesteld. Belangstellenden kunnen het opvragen bij de NRLO onder vermelding van
'Rapportnummer 98/25'.
De lopende werkzaamheden van de NRLO liggen voornamelijk in het verlengde van het werkprogramma.
In veel NRLO-verkenningen komt het naar voren: de uitdagingen
voor agrosector en groene ruimte kunnen niet meer verwoord worden
in eenvoudige motto's. Alom is sprake van een zich verbredend
perspectief. De duurzaamheidseis is daarin richtinggevend: die
vraagt per definitie aandacht voor de lange termijn en voor de
wijde omgeving. Kostprijs, kwaliteit en klantgerichtheid blijven
belangrijk, maar volstaan niet langer. Plattelandsontwikkeling
is niet langer hetzelfde als agrarische ontwikkeling, maar 'vernieuwing
van ruimtelijke functies'. Het perspectief van gestage energiebesparing
wordt vervangen door dat van drastische verhoging van de milieu-efficiency.
Zo gaan we ook van bedrijfsdenken en ketendenken naar denken in
netwerken. Van 'stad versus land' naar 'stad èn land'.
Van louter economische waarden naar 'maatschappelijke' waarden.
Kortom: nieuwe perspectieven vragen om nieuwe samenhang op
meerdere fronten, om nieuwe gehelen. Maar hoe komen die tot stand?
Hoe kom je tot 'vernieuwingen op systeemniveau'? En waar zou je
kunnen beginnen?
Tijdens een conferentie van de NRLO, begin december, stonden
deze vragen centraal. Hans Linsen (Dagelijks Bestuur NRLO) gaf
de aftrap voor wat een inspirerende bijeenkomst zou worden voor
de vijftig deelnemers. NRLO'er Hans Rutten zette in kort bestek
het waarom, wat en hoe uiteen van vernieuwingen op systeemniveau.
Twee referenten gaven vervolgens aanzetten voor discussie. Een
impressie van de bijeenkomst.
Rutten ging in zijn inleiding allereerst in op de perspectiefwijzigingen
die het streven naar duurzame ontwikkeling van agrosector en groene
ruimte met zich brengt. Voor het innovatiebeleid van overheid,
bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties hebben die perspectiefwijzigingen
grote gevolgen. Ze vragen om andere, deels nieuwe doelen - ze
vragen ook om andere, deels nieuwe handelingswijzen.
In innovatietermen komt dit neer op het vorm geven aan innovaties
op systeemniveau. Want wie werk wil maken van de ambitie om het
brede palet van maatschappelijke waarden leidend te doen zijn
voor de ontwikkelingen in de agrosector, zal dat niet in zijn
eentje kunnen. Individuele ondernemingen en organisaties zijn
bij uitstek geschikt om producten, diensten en processen te vernieuwen.
Maar van hen mag niet verwacht worden dat zij, ieder voor zich
en geheel op eigen kracht, gevolg kunnen geven aan de roep om
multifunctioneel ruimtegebruik, om drastische verbetering van
de milieu-efficiency, om het realiseren van behoeften-gestuurde
netwerken. Dergelijke bedrijfs- en organisatie-overstijgende ambities
vragen om vernieuwing van markten en van omgevingen, oftewel van
systemen.
Met dit type van vernieuwing is in binnen- en buitenland al enige
ervaring opgedaan. Daaruit blijkt dat het geen sinecure is om
systeeminnovaties te realiseren. Ze halen - als het goed is -
veel overhoop, en vereisen de betrokkenheid van vele, vaak tegenover
elkaar staande partijen. En ze vragen van die partijen bijzonder
veel openheid, vertrouwen, creativiteit, en verbondenheid bij
het vernieuwingsproces. De wijze van besturen van systeeminnovaties
wordt daarmee heel andere koek dan menig bestuurder gewend is
- ongeacht of het om een ambtenaar, een ondernemer of een belangenvertegenwoordiger
gaat.
Daarnaast doen systeeminnovaties een specifiek beroep op de inzet
van kennis. Voor systeeminnovaties is kennis nodig over waar precies
de knelpunten zitten die duurzame ontwikkeling tegenhouden of
remmen, welke oplossingen er zoal bedacht kunnen worden, en welke
manieren er zijn om tegemoet te kunnen komen aan de diversiteit
aan wensen. En hoe onoverkomelijk zijn vermeende 'onmogelijkheden'?
Dergelijke kennis kan niet op bestelling geleverd worden. Het
vereist een intensief samenspel tussen innovatieve praktijkmensen,
terreindeskundigen en academische vorsers. Rutten sloot zijn bijdrage
af met de stelling dat de kennisinstellingen daar nu nog onvoldoende
toe in staat zijn.
Gerard van Oosten, directeur van de Noord-Brabantse Christelijke
Boerenbond en eerder betrokken bij The Greenery, legde in zijn
reactie vooral nadruk op die noodzakelijke openheid en creativiteit
van participanten in vernieuwing. 95% van de mensen werken voornamelijk
'op de automatische piloot' en staan niet bepaald open voor veranderingen.
Die gaan op rem staan. Bijvoorbeeld door vraagstukken te ontkennen
of te versimpelen. Of men erkent ze wel maar vindt dat ànderen
daar maar iets op moeten verzinnen. Tribunegedrag, noemde Van
Oosten dit. De angst voor veranderen vind je terug in het gedrag
van bestuurders: er zijn er maar heel weinig die fundamentele
keuzen durven maken. Liever blijft men ieders vriend. En het moeilijkste
zijn tenslotte de 'professionele remmers'. Mensen die heel goed
in de gaten hebben hoe de hazen lopen en precies weten hoe ze
op het goede moment zand in de machine kunnen gooien. Het zijn
de mensen met de verborgen agenda's. "En houdt er rekening
mee: de wereld zit vol verborgen agenda's''. Wat Van Oosten betreft
moeten we de veranderingsprocessen in de agrosector niet romantiseren.
Tegenwerking kan uit alle hoeken komen. Enige druk van buiten
kan natuurlijk helpen, maar helaas is het heel moeilijk om alle
betrokken partijen tegelijkertijd onder druk te zetten.
Ad de Rooij van Rijkswaterstaat, de tweede referent, benadrukte
de noodzaak van perspectief-wisseling. De kunst is om uit het
bestaande denken te stappen, zo hield hij zijn gehoor voor. We
zijn enorm geneigd het oude te herhalen: nog groter, nog breder.
Zo is Nederland al volgelopen met infrastructuur. Een heel andere
vraag kan zijn: hoe komen we eráf?
Vernieuwing, zo stelde De Rooij, wordt belemmerd door de orde
die we met elkaar hebben ingezet. Orde is natuurlijk nodig, maar
voor werkelijk vernieuwing zal ook een fase van 'creatieve chaos'
nodig zijn. Zet een kleine groep (5 tot 15 mensen) bij elkaar
en spoor die aan om vooral hun persóónlijke idealen
te verwoorden en te verdiepen. Dus los van belangen. Even is álles
interessant en wordt nèrgens over geoordeeld. Pas later
komt er weer orde en worden de opgeborrelde ideeën beoordeeld
op basis van argumenten. En ook vooraf moet er orde zijn: de directie
moet zich committeren en globale procesgrenzen vaststellen in
termen van tijd en geld.
In de discussie kwam vooral die veelheid van partijen aan de orde. Voor systeeminnovaties heb je een breed draagvlak van betrokkenen nodig, en hoe regisseer je dat? Hoe bereik je bijvoorbeeld gelijkwaardigheid van stakeholders? Of moet je dat niet willen? Is het wellicht voldoende om alleen de invloed van de meest dominante stakeholders in te perken? Men werd het in elk geval eens dat je een 'traject-regisseur' nodig hebt, en dat die het vooralsnog met vallen en opstaan zal moeten leren.
De evaluatie onder de deelnemers leerde hoezeer het onderwerp
leeft. Ruim 90% zei op de korte conferentie stof tot nadenken
opgedaan te hebben voor de eigen praktijk. En tegelijk stelde
een meerderheid vast dat men aan de meest relevante innovatievragen
niet eens toegekomen was. Bijvoorbeeld: hoe kun je creativiteit
stimuleren? Want uit de discussies kwam ook naar voren hoe lastig
het is om met werkelijk vernieuwende voorbeeldprojecten voor systeeminnovaties
te komen.
De volledige tekst van de inleiding
van Rutten is op de NRLO-webstek
Colofon
NRLO
Bezoekadres: Bezuidenhoutseweg 73 Postadres: Postbus 20401
2500 EK Den Haag Tel. 070 - 3785653 Fax 070 - 3786149
Prof.dr.ir. A. Rörsch, voorzitter 070 - 3785650 Dr.ir. A.P. Verkaik, directeur Bureau 070 - 3785692
Secretariaat Mw. D.P. Pieters-van Wageningen 070 - 3785653 Mw. M.J.V. Schouten-Hattink 070 - 3785694 Mw. Y. van Zelst-van Wetten 070 - 3785537 Medewerkers Ir. N.A. Dijkveld Stol 070 - 3785652 Dr. H. Hetsen 070 - 3784106 Dr.ir. H.J. van Oosten 070 - 3785727 Dr.ir. J.M.P. Papenhuijzen 070 - 3784751 Ir. Hans Rutten 070 - 3785777 Dr.ir. J.G. de Wilt 070 - 3784774
Nieuwsbrief nummer 12 - Januari 1999