NRLO Nieuwsbrief 12 - januari 1999

Inhoud:

 

Landbouwonderwijs in toekomstperspectief

Het landbouwonderwijs heeft alleen toekomstperspectief indien ze er in slaagt adequaat in te spelen op de ingrijpende veranderingen die zich in de omgeving van de landbouw voordoen. Dat is de belangrijkste conclusie uit het rapport "Landbouwonderwijs in toekomstperspectief. Agenda voor strategische discussie", dat op verzoek van DWK door NRLO en STOAS gezamenlijk is opgesteld. Onder leiding van mevrouw Van Vloten-Doting, directeur van de Directie Wetenschap en Kennisoverdracht, is het rapport op een bijeenkomst (10 november jl.) met betrokkenen bij het landbouwonderwijs besproken.

De noodzakelijke ontwikkeling richting een duurzame en vitale agrosector en groene ruimte vragen om andere kwalificaties van ondernemers, managers, medewerkers en overige professionals. Naast het "vanzelfsprekende" onderhoud van vakinhoudelijke kwalificaties, zo stelden A.P. Verkaik (NRLO) en L. Nieuwenhuis (STOAS) in hun toelichting op het rapport, is er ook sprake van fundamentele veranderingen op dit terrein.
Een ondernemende attitude zou een leidend principe moeten zijn voor de inrichting van alle opleidingen binnen het agrarisch onderwijs. Daarbij zouden combinaties van bèta- en gammawetenschappen op alle niveaus moeten worden nagestreefd. Toekomstige werkers in de verschillende sectoren zullen zowel individueel als institutioneel steeds meer in netwerken moeten kunnen werken. Sociale en communicatieve vaardigheden zijn een belangrijk ingrediënt van het toekomstig landbouwonderwijs.
Landbouwonderwijsinstellingen worden indringend met de vraag geconfronteerd hoever zij hun werkgebied willen en kunnen uitbreiden en welke concurrentie en allianties ze daarbij met niet-landbouwinstellingen willen aangaan. Legitimering van het landbouwonderwijs zoeken in de historische agrarische eigenheid wordt steeds minder succesvol.
De snelheid en diversiteit van ontwikkelingen vraagt om een omslag van het onderwijsstelsel van een beheerssysteem naar een ondernemend systeem met zelfsturing en ondernemerszin. Strategievorming op instellingsniveau wordt een belangrijk thema voor de vernieuwing van het agrarisch onderwijs. De relatie met de overheid zal daardoor veranderen.
Niet de school en het onderwijssysteem, maar het leren van mensen, zal in de toekomst centraal staan, zo staat in het rapport. Levenslang leren vraagt een grote omslag in het onderwijssysteem. De ontwikkeling van het post-initiële traject is geen zaak van alleen de onderwijsinstellingen. Het bedrijfsleven heeft hier een even grote of zelfs grotere verantwoordelijkheid.
Ing. D. Duijzer (LTO Nederland), Ir. J.Th.J. Beeren (voorheen Arcadis), Drs. T. Eimers (Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen Universiteit Nijmegen) en Ir. J.W.G. Geerligs (LNV-DWK) gaven korte reacties op het rapport. Hen was gevraagd twee opdrachten te formuleren, één opdracht voor het departement, en één voor het onderwijsveld.

Duijzer ging in zijn reactie vooral in op het moderne ondernemerschap in de internationaliserende wereld. Van de Nederlandse boeren die een bedrijf starten begint een op de vier in het buitenland. Door Nederlandse ondernemers worden meer vierkante meters rozen geteeld in het buitenland dan in Nederland.
Megabedrijven, die in alle sectoren zijn te vinden, staan anders in de samenleving dan de traditionele agrarische bedrijven, ze zijn flexibeler in het benutten van omgevingsfactoren, en spelen beter in op mogelijkheden die regels bieden.
Duijzer ziet als belangrijke opgave voor agrarische scholen het noodzakelijk onderwijs voor de nieuwe ondernemers vorm te geven. Wel vraagt hij zich af wat daar specifiek "landbouw" aan is.
Beeren hield een pleidooi voor strategische partnershiprelaties van scholen met de actoren in de regio die belangen hebben in de exploitatie en het gebruik van de groene ruimte. Hij ziet dit als basis voor op de toekomst gericht en mede door het werkveld ingevuld onderwijs. Het departement zou het landbouwonderwijs organisatorisch en financieel in staat moeten stellen om de partnerrol bij veranderingsprocessen te kunnen vervullen.
Eimers riep de sociale partners op om verantwoordelijkheid te nemen voor het beroepsonderwijs. Trek de lijn van initieel onderwijs gekoppeld aan leven lang leren door, en neem mede verantwoordelijkheid voor initieel beroepsonderwijs.
Spreker constateert een spanningsveld tussen enerzijds onderwijs als initiator van vernieuwing (voorloper) en anderzijds onderwijs als responsief systeem (onderwijs luistert goed naar bedrijven en past het aanbod aan aan de vraag). Eimers ziet een uitweg uit dit spanningsveld door de kwalificatiestructuur te benutten als platform voor vernieuwing.
Geerligs pleitte voor scholen met profiel, ondernemende scholen en lerende scholen. In dit verband vroeg hij aandacht voor de sociaal-economische rol van het Voorbereidend Beroeps Onderwijs. Dit onderwijs wordt gekenmerkt door een motiverende en leerrijke leer/werkomgeving. Daar kunnen de andere onderwijsniveaus iets van leren. Als belangrijke opdracht voor het onderwijsveld formuleerde hij flexibiliteit in de organisatie en voor het departement aanscherpen van context en profiel, vrijheidsgraden voor scholen en kwalitatieve terugkoppeling op sleutelprocessen.

Uit de plenaire discussie kwam duidelijk naar voren dat verantwoordelijkheden en rollen verschuiven en dat daarmee ook de interactie tussen onderwijsinstellingen en departement verandering behoeft.
Onderwijsinstellingen voelen zich in hun ontwikkeling nogal eens belemmerd door wet- en regelgeving. Concrete punten die in dit verband worden genoemd zijn de leeftijdsgebonden studiefinanciering, de (on)mogelijkheden tot het aangaan van partnerships en de bekostiging in het algemeen.
Er is bij sommigen twijfel of landbouwkennisinstellingen het waar kunnen maken als "integrator" op te treden voor wat betreft de problematiek van de groene ruimte. Krijgen de door het landbouwonderwijs afgeleverde groene ruimte deskundigen dezelfde waardering als hun collega's groene ruimte die buiten het landbouwonderwijs een opleiding hebben genoten?
Instellingen zijn zich in toenemende mate bewust dat men geen claims kan leggen op opleidingen maar dat men het moet verdienen. Dat strategische allianties met "externe" partners daarbij van belang zijn wordt door velen onderkend.

Bij de afsluiting van de discussie concludeerde de voorzitter dat de strategische dialoog met het onderwijsveld een follow-up behoeft. De directie zal daar voorstellen voor uitwerken. Mevrouw Van Vloten-Doting bevestigde dat elementen uit het rapport en de discussie daarover bij de opstelling van het definitieve Kennisbeleidsplan zullen worden meegenomen.

 

upInternationale ervaringen met verkenningen

Op 26 en 27 november 1998 werd in Oviedo (Spanje) een EU-workshop gehouden, waar ervaringen met verkenningen in verschillende landen werden uitgewisseld. Er was een ronde-tafel-discussie gewijd aan landbouw, waarbij de NRLO was uitgenodigd om de key-note lecture te verzorgen. Enkele bevindingen:

Tijdens de EU-workshop stelde men veel belang in de ervaringen van de NRLO met deze interactieve methoden en de wijze waarop de verkenningen voor de landbouw in Nederland zijn georganiseerd. Dit heeft onder andere geresulteerd in een uitnodiging voor het geven van een seminar in Engeland en een verzoek om te participeren in een foresightexercitie in Spanje. Tevens bleek dat op het gebied van verkenningen in de landbouw de Nederlandse ervaringen in belangrijke mate richtinggevend zijn voor andere landen.
Een iets uitgebreider verslag van deze workshop is ook op de NRLO-webstek te vinden

 

upToekomst van de NRLO

Bij de start van de NRLO nieuwe stijl, in januari 1995, is met de Bestuursraad van LNV een werkprogramma voor de NRLO van vier jaar overeengekomen. Ook is afgesproken dat dit werkprogramma eind 1998 door een externe commissie geëvalueerd zou worden. Deze evaluatiecommissie zal naar verwachting niet eerder dan eind februari 1999 klaar zijn met haar werkzaamheden. Intussen beraadt zowel het NRLO-netwerk als de ambtelijke top van LNV zich op voortzetting van de NRLO.
Mede ten behoeve van de evaluatiecommissie heeft het Dagelijks Bestuur van de NRLO een 'zelfevaluatierapport' opgesteld. Belangstellenden kunnen het opvragen bij de NRLO onder vermelding van 'Rapportnummer 98/25'.
De lopende werkzaamheden van de NRLO liggen voornamelijk in het verlengde van het werkprogramma.

 

upInnoveren met ambitie - Impressies van een inspirerende werkconferentie

In veel NRLO-verkenningen komt het naar voren: de uitdagingen voor agrosector en groene ruimte kunnen niet meer verwoord worden in eenvoudige motto's. Alom is sprake van een zich verbredend perspectief. De duurzaamheidseis is daarin richtinggevend: die vraagt per definitie aandacht voor de lange termijn en voor de wijde omgeving. Kostprijs, kwaliteit en klantgerichtheid blijven belangrijk, maar volstaan niet langer. Plattelandsontwikkeling is niet langer hetzelfde als agrarische ontwikkeling, maar 'vernieuwing van ruimtelijke functies'. Het perspectief van gestage energiebesparing wordt vervangen door dat van drastische verhoging van de milieu-efficiency. Zo gaan we ook van bedrijfsdenken en ketendenken naar denken in netwerken. Van 'stad versus land' naar 'stad èn land'. Van louter economische waarden naar 'maatschappelijke' waarden.
Kortom: nieuwe perspectieven vragen om nieuwe samenhang op meerdere fronten, om nieuwe gehelen. Maar hoe komen die tot stand? Hoe kom je tot 'vernieuwingen op systeemniveau'? En waar zou je kunnen beginnen?
Tijdens een conferentie van de NRLO, begin december, stonden deze vragen centraal. Hans Linsen (Dagelijks Bestuur NRLO) gaf de aftrap voor wat een inspirerende bijeenkomst zou worden voor de vijftig deelnemers. NRLO'er Hans Rutten zette in kort bestek het waarom, wat en hoe uiteen van vernieuwingen op systeemniveau. Twee referenten gaven vervolgens aanzetten voor discussie. Een impressie van de bijeenkomst.

Rutten ging in zijn inleiding allereerst in op de perspectiefwijzigingen die het streven naar duurzame ontwikkeling van agrosector en groene ruimte met zich brengt. Voor het innovatiebeleid van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties hebben die perspectiefwijzigingen grote gevolgen. Ze vragen om andere, deels nieuwe doelen - ze vragen ook om andere, deels nieuwe handelingswijzen.
In innovatietermen komt dit neer op het vorm geven aan innovaties op systeemniveau. Want wie werk wil maken van de ambitie om het brede palet van maatschappelijke waarden leidend te doen zijn voor de ontwikkelingen in de agrosector, zal dat niet in zijn eentje kunnen. Individuele ondernemingen en organisaties zijn bij uitstek geschikt om producten, diensten en processen te vernieuwen. Maar van hen mag niet verwacht worden dat zij, ieder voor zich en geheel op eigen kracht, gevolg kunnen geven aan de roep om multifunctioneel ruimtegebruik, om drastische verbetering van de milieu-efficiency, om het realiseren van behoeften-gestuurde netwerken. Dergelijke bedrijfs- en organisatie-overstijgende ambities vragen om vernieuwing van markten en van omgevingen, oftewel van systemen.
Met dit type van vernieuwing is in binnen- en buitenland al enige ervaring opgedaan. Daaruit blijkt dat het geen sinecure is om systeeminnovaties te realiseren. Ze halen - als het goed is - veel overhoop, en vereisen de betrokkenheid van vele, vaak tegenover elkaar staande partijen. En ze vragen van die partijen bijzonder veel openheid, vertrouwen, creativiteit, en verbondenheid bij het vernieuwingsproces. De wijze van besturen van systeeminnovaties wordt daarmee heel andere koek dan menig bestuurder gewend is - ongeacht of het om een ambtenaar, een ondernemer of een belangenvertegenwoordiger gaat.
Daarnaast doen systeeminnovaties een specifiek beroep op de inzet van kennis. Voor systeeminnovaties is kennis nodig over waar precies de knelpunten zitten die duurzame ontwikkeling tegenhouden of remmen, welke oplossingen er zoal bedacht kunnen worden, en welke manieren er zijn om tegemoet te kunnen komen aan de diversiteit aan wensen. En hoe onoverkomelijk zijn vermeende 'onmogelijkheden'? Dergelijke kennis kan niet op bestelling geleverd worden. Het vereist een intensief samenspel tussen innovatieve praktijkmensen, terreindeskundigen en academische vorsers. Rutten sloot zijn bijdrage af met de stelling dat de kennisinstellingen daar nu nog onvoldoende toe in staat zijn.

Gerard van Oosten, directeur van de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond en eerder betrokken bij The Greenery, legde in zijn reactie vooral nadruk op die noodzakelijke openheid en creativiteit van participanten in vernieuwing. 95% van de mensen werken voornamelijk 'op de automatische piloot' en staan niet bepaald open voor veranderingen. Die gaan op rem staan. Bijvoorbeeld door vraagstukken te ontkennen of te versimpelen. Of men erkent ze wel maar vindt dat ànderen daar maar iets op moeten verzinnen. Tribunegedrag, noemde Van Oosten dit. De angst voor veranderen vind je terug in het gedrag van bestuurders: er zijn er maar heel weinig die fundamentele keuzen durven maken. Liever blijft men ieders vriend. En het moeilijkste zijn tenslotte de 'professionele remmers'. Mensen die heel goed in de gaten hebben hoe de hazen lopen en precies weten hoe ze op het goede moment zand in de machine kunnen gooien. Het zijn de mensen met de verborgen agenda's. "En houdt er rekening mee: de wereld zit vol verborgen agenda's''. Wat Van Oosten betreft moeten we de veranderingsprocessen in de agrosector niet romantiseren. Tegenwerking kan uit alle hoeken komen. Enige druk van buiten kan natuurlijk helpen, maar helaas is het heel moeilijk om alle betrokken partijen tegelijkertijd onder druk te zetten.

Ad de Rooij van Rijkswaterstaat, de tweede referent, benadrukte de noodzaak van perspectief-wisseling. De kunst is om uit het bestaande denken te stappen, zo hield hij zijn gehoor voor. We zijn enorm geneigd het oude te herhalen: nog groter, nog breder. Zo is Nederland al volgelopen met infrastructuur. Een heel andere vraag kan zijn: hoe komen we eráf?
Vernieuwing, zo stelde De Rooij, wordt belemmerd door de orde die we met elkaar hebben ingezet. Orde is natuurlijk nodig, maar voor werkelijk vernieuwing zal ook een fase van 'creatieve chaos' nodig zijn. Zet een kleine groep (5 tot 15 mensen) bij elkaar en spoor die aan om vooral hun persóónlijke idealen te verwoorden en te verdiepen. Dus los van belangen. Even is álles interessant en wordt nèrgens over geoordeeld. Pas later komt er weer orde en worden de opgeborrelde ideeën beoordeeld op basis van argumenten. En ook vooraf moet er orde zijn: de directie moet zich committeren en globale procesgrenzen vaststellen in termen van tijd en geld.

In de discussie kwam vooral die veelheid van partijen aan de orde. Voor systeeminnovaties heb je een breed draagvlak van betrokkenen nodig, en hoe regisseer je dat? Hoe bereik je bijvoorbeeld gelijkwaardigheid van stakeholders? Of moet je dat niet willen? Is het wellicht voldoende om alleen de invloed van de meest dominante stakeholders in te perken? Men werd het in elk geval eens dat je een 'traject-regisseur' nodig hebt, en dat die het vooralsnog met vallen en opstaan zal moeten leren.

De evaluatie onder de deelnemers leerde hoezeer het onderwerp leeft. Ruim 90% zei op de korte conferentie stof tot nadenken opgedaan te hebben voor de eigen praktijk. En tegelijk stelde een meerderheid vast dat men aan de meest relevante innovatievragen niet eens toegekomen was. Bijvoorbeeld: hoe kun je creativiteit stimuleren? Want uit de discussies kwam ook naar voren hoe lastig het is om met werkelijk vernieuwende voorbeeldprojecten voor systeeminnovaties te komen.
De volledige tekst van de inleiding van Rutten is op de NRLO-webstek

 

upColofon

NRLO
Bezoekadres:Bezuidenhoutseweg 73
Postadres:Postbus 20401
2500 EK Den Haag
Tel. 070 - 3785653
Fax 070 - 3786149

Prof.dr.ir. A. Rörsch, voorzitter070 - 3785650
Dr.ir. A.P. Verkaik, directeur Bureau 070 - 3785692
Secretariaat
Mw. D.P. Pieters-van Wageningen070 - 3785653
Mw. M.J.V. Schouten-Hattink070 - 3785694
Mw. Y. van Zelst-van Wetten070 - 3785537
Medewerkers
Ir. N.A. Dijkveld Stol070 - 3785652
Dr. H. Hetsen070 - 3784106
Dr.ir. H.J. van Oosten070 - 3785727
Dr.ir. J.M.P. Papenhuijzen070 - 3784751
Ir. Hans Rutten070 - 3785777
Dr.ir. J.G. de Wilt070 - 3784774

Nieuwsbrief nummer 12 - Januari 1999

[NRLO Home]