De NRLO voert momenteel een serie verkenningen uit op het terrein van wetenschap en technologie. Beoogt wordt inzicht te verkrijgen in de eigen dynamiek van wetenschap en technologie. Wat zullen in de komende 10 à 20 jaar de belangrijkste ontwikkelingen zijn, zowel in de "klassieke" aan de agrosector gerelateerde wetenschappen, als daarbuiten. Telkens is de vraag gesteld wat deze ontwikkelingen zouden kunnen betekenen voor de agrosector en de ontwikkeling van het landelijke gebied.
Er zijn verschillende studies uitgevoerd en verscheidene wetenschappers hebben in een persoonlijke essay een visie op de ontwikelingen in hun vakgebied gegeven. Enkele workshops hebben inmiddels plaats gevonden.
Deze nieuwsbrief geeft een impressie van de visie van enkele betrokken personen (essay-schrijver, projectleider of deelnemer van een workshop) op basis van een interview met Leo Klep.
Moleculair bioloog Van Kammen is een vurig pleitbezorger van het nieuwsgierigheidsgedreven fundamentele onderzoek. In zijn essay maakt hij op aanstekelijke wijze duidelijk waarom. Het gaat immers om niet minder dan een revolutionaire zoektocht in een nog zeer onbekende wereld: de fundamentele processen in levende organismen.
Het was nog maar in 1953 dat Watson en Crick de dubbele helix-structuur van DNA vaststelden, waarmee ze de basis legden van de moderne moleculaire biologie. Een nieuwe stroomversnelling kwam toen in de jaren zeventig de recombinant DNA technologie werd ontwikkeld waardoor men afzonderlijke genen kon isoleren en hun eigenschappen en werking besturen. Het werd bovendien mogelijk om genen van bacteriën, virussen of andere planten in een plant te introduceren. Van Kammen mag graag vertellen hoe hem, in 1980 nog, bijna meesmuilend werd gevraagd 'wat je nou eigenlijk kon' met dergelijk onderzoek. ,,Dat werd me toen gevraagd vanuit dezelfde hoek waar het werken met transgene planten nu een speerpunt is''.
De ontdekkingen die aan het front van de moleculaire biologie werden gedaan wáren onvoorspelbaar en zíjn onvoorspelbaar, zo stelt hij. En dùs moet je de wetenschap in ongebondenheid laten doorwerken aan de nog onopgeloste problemen en vraagstellingen. En dat zijn er vooralsnog heel wat. We weten bijvoorbeeld nog nauwelijks hoe de expressie van genen in cellen en organismen geregeld worden, en welke interacties van genen daarbij een rol spelen. Hoe wordt geregeld dat uit een zygote een plant kan groeien met zijn karakteristieke vormen en organen? Hoe komt het dat cellen verschillende functies krijgen, terwijl ze allemaal dezelfde genetische informatie bevatten? Waar en hoe wordt de 'beslissing' genomen dat een bepaald orgaan aangelegd gaat worden? En misschien nog wonderlijker: waar en hoe wordt de beslissing genomen dat het welletjes geweest is? ,,Dat we allemaal een neus hebben mag al een wonder heten, maar waarom zie je nooit iemand waar die neus een decimetertje is doorgegroeid?''
Tot op heden ging veel tijd en energie heen met het identificeren van genen en hun functie. Maar Van Kammen verwacht dat men nu veel meer toe gaat komen aan complexere vragen als bovenstaande. Niet in de laatste plaats door de ontwikkeling van nieuwe technieken. Veel verwacht hij ook van de (internationale) 'genoomprojecten', waarin binnen vijf jaar het complete genoom van de dicotyl Arabidopsis en de monocotyl rijst gedetailleerd in kaart worden gebracht: alle genen, hun positie op het genoom, en de aminozuur-volgorde van de eiwitten waardoor zij coderen. Dit zal een schat aan gegevens opleveren. Onder meer zal het, op basis van een geconstateerde sterke homologie tussen genen, veel gemakkelijker worden om snel aanwijzingen te krijgen over de functie van genen uit andere planten. Dat vermindert het routinewerk en geeft meer ruimte voor onderzoek naar de mechanismen waarmee 'het programma van het leven' tot expressie wordt gebracht.
'Een investering in vernieuwing en verbetering van de plantaardige productie' noemt Van Kammen dit onderzoek. ,,Toepassingsmogelijkheden ontstaan uit het inzicht in fundamentele processen. Die bron mag niet opdrogen.''
Blijft de vraag waarom de hoge verwachtingen van tien, vijftien jaar terug zo lang onbeantwoord bleven. ,,Omdat veel mensen geen verstand hebben van planten'', luidt het antwoord. ,,Dat is wel grappig: in het begin voelden plantenveredelaars zich maar bedreigd door de opkomst van de biotechnologie. Ik heb die bedreiging altijd ontkend. Je kunt wel nieuwe genen inbrengen, maar zo'n nieuwe plant moet het wèl doen. Het geheel moet werken, en daar moet je vaak jaren aan werken.''
Prof. dr. A. van Kammen was tot vorig jaar hoogleraar Moleculaire Biologie aan de Landbouwuniversiteit en beschreef voor de NRLO de actuele ontwikkelingen in dit vakgebied (rapport 97/36).
Wat hemzelf erg trof was onder meer de potentie van miniaturisering: dat je bijvoorbeeld bio-sensoren in een bloedbaan kunt hangen waarmee je à la minute de eiwit- of energievoorziening van een dier kunt volgen. Voor het onderzoek en mogelijk zelfs voor de bedrijfsvoering biedt dat ongekende kansen. Een andere eye-opener vormen de mogelijkheden om informatie vanuit uiteenlopende technologieën te combineren en te assembleren. Zo kan DNA-informatie één van de factoren worden waarop de keuze van je geneesmiddelen of zelfs je voeding wordt gebaseerd. ,,Je verbaast je hoeveel kennis al beschikbaar is. Je kunt zelfs al aan bepaalde afwijkingen in hersenfuncties aflezen of een dier stress heeft ondervonden.''
'High-tech' visioenen dus. Wil het publiek dat wel? ,,Je kunt landbouw beschouwen als een manier van leven of als economische bedrijvigheid. In dat laatste geval moet ze concurrerend blijven, en gezien onze dure grond en arbeid kan dat alleen met hoge technologie-inzet, gericht op goedkoper, beter en veiliger. Daar horen overigens ook grootschaliger bedrijven bij.'' Volgens Visscher zijn er wel meer punten waarop economische en politieke overwegingen momenteel niet parallel lopen. Met name vindt hij dat men bij het zoeken van oplossingen vaak 'onvoldoende inclusief' denkt. Neem het mineralenoverschot dat ontstaat door de import van veevoer. Om een of andere reden mag die internationale kringloop nièt internationaal gesloten worden. Het idee om er elders in de wereld voedsel-arme oceanen mee te bemesten - zodat daar weer maritiem leven kan ontstaan - blijkt bijvoorbeeld onbespreekbaar.
Een ander punt is dat Nederland veel meer zou moeten insteken op genetische manipulatie. Anders dreigt op dit terrein een nog grotere kennisachterstand. De ontwikkeling in de VS (met soya, maïs en tomaten) leert dat de consument heel soepel over zijn morele bezwaren heen stapt als iets lekker of goedkoop is. Ook hier zou integraler gedacht mogen worden: zo kun je bij transgenetische soya na de oogst de plantenresten laten liggen terwijl je bij de volgende zaai met één keer spuiten toe kunt. Dat leidt tot kostenbesparing maar ook tot een beter bodemleven en zelfs een rijkere vogelstand.
Ook bij dieren zal de genetische manipulatie - gebaseerd op inzicht in het totale systeem dier, inclusief de onderlinge samenhang in regulaties van zaken als gedrag en fysiologie - steeds gewoner worden. In eerste instantie zal de inzet zijn om medicijnen te produceren. Het publiek zal dat belang accepteren. Dan valt te denken aan een 'xeno-correct' varken, dat zonder afstotingsverschijnselen kan dienen voor orgaantransplantatie naar de mens. En in derde instantie zal genetische modificatie dienstbaar worden aan de productie. Zo worstelen we nog met het probleem dat vruchtbaarheid en vleesproductie elkaar in de weg zitten. Middels genetische modificatie kun je werken aan dieren die hun spiervorming pas ná de geboorte in volle omvang tot expressie brengen.
Wat ontbreekt in de verkenning is het zoeken naar kwaliteit in de zin van 'lekkerder' vlees. Een moeilijk punt, erkent Visscher. De aromatische stoffen zitten vooral in het vet, en de trend is juist minder vet. Bovendien zie je de verrassend groeiende trend dat men vlees als 'substraat' beschouwt en de smaak 'uit een potje' haalt. Feit is dat geen enkele geldschieter op dit moment een lijn uit durft te zetten op 'smaak'. Men mikt op een uniforme standaard die veilig is en van hoge kwaliteit. Wie het daarbuiten zoekt bedient een niche en is dùs niet kapitaalkrachtig genoeg voor risicovol onderzoek naar zoiets als vlees met een bijzondere smaak.
Drs. Ing. A.H. Visscher is werkzaam bij ID-DLO en mede-auteur van de wetenschaps- en technologie verkenning aangaande de dierlijke sector (97/32).
Het is natuurlijk persoonlijk, maar voor Simons waren integrale concepten, zoals 'de plant als fabriek' de grootste eye-openers van de verkenning over verwerking en distributie. Op zich wordt natuurlijk al lang gewerkt aan het aanmaken van complexe, hoogwaardige grondstoffen uit levende organismen (bacterie, schimmel, plant of dier), maar de extra uitdaging wordt om dat ook zodanig te doen dat de beoogde stoffen ook gemakkelijk te extraheren en te verwerken zijn. Op het grensvlak van bio- en productietechnologie moet daartoe gewerkt worden aan een integraal ontwerp van het héle productiesysteem tot en met het eindproduct. Bij het ontwerpen van de primaire schakel (de plant) wordt dan al gekeken hoe je in de industriële fase tijd, geld en energie kunt besparen.
In wezen is dit een uitwerking van het integrale ketendenken, waarbij de impulsen van de markt - de behoefte aan bepaalde eindproducten - terug vertaald moeten worden in de hele keten. Bovendien is de genoemde accent-verschuiving logisch als je bedenkt dat in de agro-sector tegenwoordig zeventig procent van de toegevoegde waarde gerealiseerd wordt in het naoogst-traject.
Zo'n integraal ontwerp vereist wel dat je het héle productie-proces verdraaid goed in de vingers moet hebben. Als je daarin slaagt ben je ook in staat om - bij een veranderende vraag - snel en flexibel te beoordelen aan welke 'knoppen je moet draaien'. En die snelheid is belangrijk: in de internationale markten zal het steeds belangrijker worden om 'de eerste' te zijn. Vandaar dat Simons opteert voor het bouwen van integrale modellen - zonodig te visualiseren virtuele systemen - waarbinnen de kennis vanuit uiteenlopende disciplines gecombineerd wordt: van fysiologie en procestechnologie tot verpakking en afzetplanning. De daartoe noodzakelijke kennis is voor het leeuwendeel al aanwezig, zij het vaak alleen 'tussen de oren' van specialisten. Specialisten die vaak slecht met elkaar kunnen communiceren ('aan die communicatie zou in het onderwijs meer aandacht besteed moeten worden').
Overigens gaat die noodzaak tot communicatie verder dan het in kaart brengen van complete productie-kolommen. In de hele verkenning komt telkens weer terug dat vernieuwing en innovatie vooral ontstaan op het grensvlak van disciplines.
De verkenners stuitten daar ook op toen ze hun zoektocht startten met het bevragen van top-experts. Al gauw bleek dat het op een rijtje zetten van ontwikkelingen binnen specialismen een sterk onvolledige dekking gaf. Vandaar dat men besloot in breder verband te onderzoeken welke innovaties zich momenteel voordoen om vervolgens te kijken op welke technologische trends deze innovaties terug te voeren zijn. Vrijwel onveranderlijk blijkt dan dat innovaties gevoed worden vanuit (trends in) verschillende wetenschapsgebieden.
Vervolgens werd een methode ontwikkeld om trends en hun onderlinge relaties in kaart te brengen en er ook gewichten aan toe te kennen. De verkenners menen hiermee een reproduceerbare techniek ontwikkeld te hebben waarmee veranderingen in trends of relaties tussen trends in een vroeger stadium geïdentificeerd kunnen worden. Met name als je initiatiepunten voor nieuwe trends vroegtijdig kunt signaleren kan dat een belangrijke versnellende impuls betekenen voor het (toegepaste) onderzoek.
In het verkenningen kwamen naast 'de plant als fabriek' nog zes andere integrale thema's sterk naar voren, waaronder hybride biomaterialen; sensor- en nanotechnologie; logistiek en transport; en virtualisering.
Ir. A.E. Simons is mede-auteur van de NRLO-rapporten 'Kansen voor verwerking en distributie' (97/26) en 'Agrologistiek: milieuvriendelijk en marktgericht' (98/23). Hij is divisie-manager Agro & Industriële Productieketens bij ATO-DLO.
Wanneer noemt men een plant 'mooi'? In Aalsmeer wilde men graag greep op die vraag, in de hoop het tijdrovende werk van keurmeesters te kunnen automatiseren. Maar het lukte niet. Omvang, lengte, vertakkingen, proporties: alles wat maar te meten viel werd in modellen gegoten, maar bevredigende relaties bleven uit. Tot een 'neuraal netwerk' werd ingezet. De keurmeesters plaatsten honderd planten op volgorde van mooiheid, en vervolgens bleek het neurale netwerk zodanig met de aangeboden variabelen te kunnen jongleren dat de gegeven volgorde optimaal benaderd werd. Dit zonder dat vooraf enig theoretisch verband aangereikt hoefde te worden.
Jan Meuleman kan met liefde vertellen over de werking van dergelijke 'lerende' netwerken. Neem bijvoorbeeld de selectie op groeikracht van jonge kaapse viooltjes. In praktijk kijkt de teler daartoe naar de ontwikkeling van het hart. Lastig te automatiseren, want dat hart leent zich niet zo eenvoudig voor beeldverwerking. Een aanpak als bovenstaand - dus een relatering aan andere, uiterlijke kenmerken - leverde echter een perfecte 'neurale sortering' op. Als er maar voldoende geschikte input- en output variabelen worden aangereikt is het neurale netwerk in staat de systematiek daarin te ontdekken. Niet alleen de lineaire maar ook andersoortige relaties. Het frappante verschil met de conventionele modellenbouw is met name dat je niet a priori het systeem hoeft te kennen of te begrijpen.
Meuleman ziet in deze technologie grote mogelijkheden om 'de plant als fabriek' verder te doorgronden. De plantenfysiologie heeft veel blootgelegd, maar is er nooit in geslaagd de groei en ontwikkeling van planten geheel te modelleren. Welnu, het is goed mogelijk dat er veel méér mogelijkheden ontstaan als neurale netwerken losgelaten worden op de bestaande enorme schat aan gegevens. Dat kan leiden tot nieuwe inzichten in water- en bemestingsbehoeften, ziektenregulatie, enz.
Enerzijds kan dat vervolgens voeding geven aan bijvoorbeeld gerichte genetische manipulatie en anderzijds - met behulp van sensortechnologie - aan een bijna letterlijk individuele benadering van de plant. Zo kunnen jonge planten haarscherp geselecteerd worden op productiviteit en zelfs op hun behoefte aan mest en licht om vervolgens - in geselecteerde groepen - zodanig opgekweekt te worden dat ze op het gewenste tijdstip de gewenste prestatie leveren. Ook tijdens de teelt kan een nauwgezette voorziening in de behoefte aan mest, water en bestrijdingsmiddelen gaan plaats vinden op indicatie van sensoren (precisie-landbouw).
Al met al schildert hij dus een high-tech toekomst voor de landbouw waarin niet alleen genetische manipulatie een rol speelt, maar waarin ook de natuur nòg verder wordt uitgeschakeld ('neem de onregelmatige regenval: dat regelen wij toch beter dan de natuur') en waarin zelfs de mens (de boer, de keurmeester) naar de achtergrond verdwijnt. Is dat wel de maatschappelijk gewenste weg?
Meuleman meent van wel. ,,Je moet niet vergeten dat we op dit moment een 'toevallige' overvloed kennen. De afgelopen eeuw is de voedselproductie vervijfvoudigd bij een verviervoudiging van de wereldbevolking. Maar over een halve eeuw is die wereldbevolking wéér aanzienlijk toegenomen. Dàt is de uitdaging waarvoor we staan.''
En wat de behandeling van de plant betreft: ,,Manipuleren hebben we altijd gedaan. Het verschil is dat we nu meer met de plant gaan 'meewerken'. We leggen het accent niet meer zozeer op het met chemische middelen 'in leven te houden' - zoals je dat in de veehouderij nog sterk ziet - maar we richten ons juist op de natuurlijke kracht van de plant om die beter te benutten: een plant die zich 'goed voelt' zal veel beter aan onze productiviteitseisen voldoen.''
Ir. J. Meuleman is mede-auteur van het rapport 'Agrofysica, informatie- en communicatietechnologie in de plantaardige productie' (97/24). Hij werkt bij de LUW en sinds dit jaar ook bij IMAG-DLO met beeldverwerking als specialiteit.
Leeuwis noemt zijn bedrijf 3T een 'ontwikkelingsbedrijf'. Op klantspecificatie worden (onderdelen van) professionele producten en systemen ontwikkeld voor meet-, regel-, besturings- en registratie-toepassingen. Dit met behulp van micro-elektronica en sensor/microsysteemtechnologie.
Die combinatie is niet toevallig, want voor de nieuwe generatie sensoren worden dezelfde fabricage-technieken toegepast als voor chips. Leeuwis voorziet op dit vlak revolutionaire ontwikkelingen, waarin Nederland momenteel mede voorop loopt. Met name op academisch niveau (Twente, Delft).
Grof gezegd komt de techniek neer op het 'printen' van dunne laagjes op een drager van silicium (een 'wafer'). Dat gaat met een precisie van microns. Het voordeel van de aldus te bouwen micro-systemen is niet alleen dat ze zo klein en mechanisch stevig zijn, maar ook dat het - hoe vreemd dat ook moge klinken - goedkoop is. Op zich is de techniek weliswaar heel duur, maar omdat één wafer kolossale hoeveelheden componenten kan bevatten wordt de prijs per stuk heel redelijk. Op zo'n manier kun je vrij voordelig aan standaardcomponenten komen, waarmee vervolgens systemen zijn samen te stellen voor bijvoorbeeld procescontrole en dataverwerking. Een al wat ouder voorbeeld is de aan de Universiteit Twente ontwikkelde PH-meter die zo klein is dat ze in de bloedbaan gebracht kan worden. De fabricagekosten van zo'n ding liggen nog slechts in de orde van guldens. Het inkapselen ervan is duurder dan de sensor zelf. Een andere bekende toepassing is de micro-sensor in airbags, die versnelling meet. We moeten dan denken aan een soort in elkaar hakende micro-kammetjes die bij een botsing iets ten opzichte van elkaar bewegen. Een beweging die vervolgens elektronisch gedetecteerd kan worden. Het idee van deze sensor blijkt ook te gebruiken als activiteitssensor, waarmee de bewegingen van een dier on-line gevolgd kunnen worden.
Het verdriet Leeuwis dat de markt zo lang heeft gewacht met het toepassen van deze nieuwe technologieën. Men schrok terug voor de ontwikkelingskosten en tot op heden ontbrak de infrastructuur om ergens 'even' iets te laten maken. Aan dat laatste doet de Europese Unie nu iets door faciliteiten te creëren waar elke klant terecht kan en pakweg al voor een halve ton een prototype kan laten fabriceren.
Verder acht hij het vooral belangrijk dat individuele ondernemers samen gaan werken. Op je eentje is het risico inderdaad groot, en zoals gezegd gaat het om een techniek die pas in grotere aantallen betaalbaar wordt. Weliswaar is in de sensor-wereld minder te standaardiseren tot basis-onderdelen dan in de chips, maar als je denkt aan toepassingen als het meten in substraatteelt, in voedingsstoffen, enzovoorts, dan heb je het over toepassingen die op bedrijfs- èn maatschappelijk niveau veel op kunnen leveren mits ze in het groot worden aangepakt. Vandaar dat Leeuwis uitdrukkelijk pleit voor een brede aanpak door bedrijven, universiteiten èn overheid. Onder meer moeten gremia ontstaan waar vragers en aanbieders van sensor- en microtechnologie elkaar treffen, zodat kruisbestuiving plaats kan vinden. Zo lijkt het hem niet wijs als 'Wageningen' zelf in de micro-systeemtechnologie gaat, en is het andersom duidelijk dat Wageningen weer heel ver is met bijvoorbeeld optische technieken. ,,Laat dat bij elkaar komen in een speciaal programma. Met aan de ene kant sensortechnologen en werktuigbouwkundigen en aan de andere kant de agro-wereld. Dan ontstaat er vanzelf iets, want er ligt al heel veel techniek en kennis klaar''.
Ir. H. Leeuwis is manager sensors and microsystems technology bij het Enschedese bedrijf 3T en werkte mee aan een NRLO-workshop over sensor-technologie.
Natuurlijk, de informatie- en communicatietechnologie (ICT) neemt een hoge vlucht. De zegeningen zijn genoegzaam bezongen: van bulletin-boards en e-mail tot videoconferencing en group-decision-rooms, en van multimedialisering tot geëlaboreerde virtual reality. Maar als het gaat om ICT als middel om daadwerkelijke participatie van de burger in sturing en beleidsvorming te bewerkstelligen, dan is Van Twist niet bepaald de profeet van een revolutie.
Bij participatie kun je denken aan geïnformeerd of zelfs geraadpleegd worden tot actief adviseren, co-produceren en (mee-)beslissen. Al deze zaken kunnen met ICT gefaciliteerd worden. Maar Van Twist verwacht alleen echte invloed op het vlak van informeren en in mindere mate het raadplegen van de burger.
Van de belemmeringen die hij ziet zijn de technische (bijvoorbeeld de beveiliging) misschien nog de minste. Praktisch en organisatorisch en zeker ook politiek-strategisch zijn er veel meer beren op de weg. Beren waar in de euforie van dit moment te gemakkelijk overheen gestapt wordt.
Neem zoiets als 'techno-fobie'. Hoeveel mensen omarmen de nieuwe technologie werkelijk? Zelfs onder hen die veel met computers werken zullen velen liever het telefoonboek grijpen dan dat ze hun beeldscherm raadplegen. Ongetwijfeld zal zo'n barrière in de tijd afnemen, maar we moeten niet net doen of ze niet bestaat.
Een ander punt is de groeiende overload aan informatie. Niet alleen bij het 'anarchistische' internet, maar zelfs ten aanzien van het persoonlijk e-mail klagen velen al over de overmaat aan overbodige schrijfsels. ICT zal die overload eerder versterken dan verminderen.
A fortiori zal dat gelden voor de tegenzin van de burger om op al die informatie te reageren, er een mening over te geven, of aanvullende ideeën te spuien. Veel overwegingen om nièt naar een gemeentelijke inspraak-avond te gaan zullen óók gelden in een ICT-setting: 'het heeft toch geen zin' en 'voor dit soort dingen hebben we bestuurders en ambtenaren ingehuurd'.
Andersom valt niet te verwachten dat ICT het kwalitatieve niveau van de inspraak verhoogt. De verzuchting van bestuurders dat op inspraak vaak 'de verkeerde mensen' komen zal even hard blijven gelden. De communicatie wordt technisch misschien makkelijker, maar de scheve participatie zal er niet door weggenomen worden. Voor de decision-makers wordt de kwaliteit van de inspraak-informatie zelfs minder omdat ze de insprekers niet eens meer voor zich zien.
Hoeveel belang we aan dat 'zien' hechten blijkt dagelijks. Al jaren zijn er vele mogelijkheden voor on-line vergaderen: van telefoon tot video-conferencing. En toch blijft het tijd-is-geld-bewuste deel van de natie trouw in files en vliegtuigen stappen om 'life' te vergaderen. Mensen blijken hun acties grotendeels te baseren op 'zachte' informatie, die verkregen wordt via persoonlijk, mondeling contact. Het feit dat informatie bij veel ICT-toepassingen een formaliseringsstap ondergaat versterkt de notie dat zulke informatie minder actueel en accuraat is. En zelfs te wantrouwen als men beseft dat informatie-programmatuur vrij eenvoudig en ondoorzichtig te manipuleren is.
Een politiek punt tenslotte is dat noch de spreekwoordelijke 'zwijgende meerderheid' - die de behartiging van haar belangen liever delegeert - noch de bestaande dominante belangen werkelijk belang hebben bij een publiek meebeslissen langs de digitale snelweg.
,,Wie op zoek gaat naar de betekenis van ICT voor ontwerp en sturing doet er goed aan zich niet blind te staren op de betoverende verschijning van automatiseringshulpmiddelen, maar in plaats daarvan gewoon de actoren en hun patroon van informatieverwerving centraal te stellen''.
Dr. M.J.W. van Twist van de Delftse Faculteit Techniek, Bestuur en Management is mede-auteur van de verkenning 'ICT: mogelijkheden voor sturing en ontwerp in landelijke gebieden' (98/12).
|
Drieledige benadering
Ideeën voor toekomstig innovatie- en kennisbeleid worden bij de NRLO gegenereerd door middel van een drieledige benadering. Namelijk analyse van en discussie over:
|
|
Doel en opzet verkenning "Strategische
Wetenschaps- en Technologiegebieden"
Het doel van de NRLO-verkenning "Strategische
Wetenschaps- en Technologiegebieden" is het genereren van
ideeën en voorstellen ter versterking van W&T-gebieden
die voor de toekomst van agrosector, groene ruimte en vissector
van strategische betekenis zijn.
De verkenning bestaat uit drie fasen:
|
Het NRLO-rapport "Ontwikkelingen Nederlandse landbouw en strategieën voor de komende jaren" (98/09) betreft de weergave van een inleiding van Dr.Ir. A.P. Verkaik, directeur NRLO, gehouden op de AOC-Workshop Kennisbeleid op 29 januari 1998.. Hierin wordt ingegaan op 3 thema's:
Daarnaast zijn verschenen:
overzicht van essays en studies
over ontwikkelingen in wetenschap en technologie
| 98/11 | Sturingstheorieën en landelijke gebieden | Prof.dr. H. van der Cammen en Dr. M. de Lange |
| 98/12 | ICT: mogelijkheden voor sturing en ontwerp in landelijke gebieden | Dr. M. van Twist e.a. |
| 98/13 | Verkeer en vervoer in landelijke gebieden | Drs. H. Hilbers en Ir. G. Jansen |
| 98/14 | ICT in relatie tot mobiliteit en vestigingsgedrag in landelijke gebieden | Drs. M. Tacken en Dr. A. van Reisen |
| 98/15 | Bodemsanering en waterbeheer in landelijke gebieden | Drs. J. Harmsen en Dr. J. Hoeks |
| 98/16 | Energietechnieken in landelijke gebieden | Ir. F. Rooijers en Ir. J. van Soest |
|
| ||
| 97/24 | Agrofysica, informatie- en communicatietechnologie in de plantaardige productie | Ir. J. Meuleman en Ing. P. Van Weel |
| 97/25 | Bodembiologie en plantaardige productie | Prof.dr. J. Van Veen |
| 97/36 | Moleculaire plantenbiologie | Prof.dr. A. van Kammen |
| 97/37 | Plantaardige productiesystemen en productie-ecologie | Prof.dr. R. Rabbinge |
|
| ||
| 97/32 | Kansen voor de dierlijke sector | Drs. A. Visscher e.a. |
|
| ||
| 97/22 | Consumentgestuurde technologieontwikkeling | Prof.dr. W. Jongen e.a. |
| 97/26 | Kansen voor verwerking en distributie | mw. Ir. E. van Tienen e.a. |
| 98/6 | Ontwikkelingen in W&T - Verslag NRLO-workshop | Dr. J. Papenhuijzen |
|
| ||
| 97/23 | Methode voor kwaliteitsbeoordeling van de agrokennisinfrastructuur | Dr. H. Schaffers e.a. |
| 97/45 | Een kwantitatieve analyse van de bodembiologie in Nederland | Sci Quest |
overzicht van de geselecteerde wetenschaps- en technologiegebieden
| NRLO | |
| Bezoekadres: | Bezuidenhoutseweg 73 |
| Postadres: | Postbus 20401 |
| 2500 EK Den Haag | |
| Tel. 070 - 3785653 | |
| Fax 070 - 3786149 |
| Prof.dr.ir. A. Rörsch, voorzitter | 070 - 3785650 |
| Dr.ir. A.P. Verkaik, directeur Bureau | 070 - 3785692 |
| Secretariaat | |
| Mw. D.P. Pieters-van Wageningen | 070 - 3785653 |
| Mw. M.J.V. Schouten-Hattink | 070 - 3785694 |
| Mw. Y. van Zelst-van Wetten | 070 - 3785537 |
| Medewerkers | |
| Ir. N.A. Dijkveld Stol | 070 - 3785652 |
| Dr. H. Hetsen | 070 - 3784106 |
| Dr.ir. H.J. van Oosten | 070 - 3785727 |
| Dr.ir. J.M.P. Papenhuijzen | 070 - 3784751 |
| Ir. Hans Rutten | 070 - 3785777 |
| Dr.ir. J.G. de Wilt | 070 - 3784774 |