NRLO Nieuwsbrief 10 - juni 1998

 

upPresentatie NRLO-toekomstverkenningen

Drie NRLO toekomstverkenningen van de Agrosector, Vissector en de Groene Ruimte zijn op 7 mei 1998 gepresenteerd en aangeboden Geen afronding maar startpunt voor actie Op een zeer geslaagde bijeenkomst in de Beurs van Berlage, aan het Amsterdamse Damrak, presenteerde de NRLO op 7 mei drie belangrijke toekomstverkenningen voor achtereenvolgens de agrosector, de vissector en de groene ruimte. Dr. H. van Zon, Directeur-Generaal bij het Ministerie van LNV, nam ze namens de Minister in ontvangst. Jan Bart Wilschut (Door de Wind Advies B.V.), leidde de bijeenkomst.
De presentatie is niet bedoeld als een afronding, zo benadrukte NRLO-voorzitter prof.dr. A. Rörsch, maar als startpunt: een startpunt voor actie.
De voorstellen in de verschillende rapporten willen daar een aanzet toe zijn. In de eerste nieuwsbrieven van de NRLO nieuwe stijl werd al aangegeven dat haar verkenningen niet gericht zijn op het voorspellen van een toekomst, maar op het in gang zetten van een proces waarin de betrokkenen als het ware gevoeliger gemaakt worden voor mogelijke toekomstige ontwikkelingen, zodat zij beter in staat zijn adequaat op nieuwe ontwikkelingen te anticiperen.

Proces

Die procesbenadering kreeg gestalte in de werkwijze: studies werden uitgezet bij zoveel mogelijk uiteenlopende instanties, en in de verschillende fasen van de verkenningen werden de resultaten en (mogelijke) conclusies intensief met talrijke (ca 300) actoren besproken.
Het begon met een fase van divergentie, waarin de meest uiteenlopende variabelen op hun potentiële ontwikkelingen werden bekeken. Daarna volgde een fase van convergentie waarin gezamenlijk gezocht werd naar de meest relevante rode draden.
Uiteindelijk werden de verkenningen toegespitst op 'de kennis- en innovatie-agenda voor de 21e eeuw'. Op de vraag dus wat er op het vlak van kennis en innovatie moet gebeuren om wat dan heet 'de uitdagingen en kansen' voor de komende decennia te benutten.
Het proces mondt uit in de nodige voorstellen voor actie, en het aardige van de gevolgde werkwijze is dat deze voorstellen al bijvoorbaat gedragen werden door een groot deel van de betrokken actoren. En dan gaat het om actoren uit zowel het primaire en niet-primaire bedrijfsleven als uit overheid, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties.

"Graan"- Beurs van Berlage

Een belangrijke rode draad in alle voorstellen is de notie dat "investeren in nieuwe innovatienetwerken" een absolute must is. Voor de nabije toekomst is incrementele innovatie - het schaven aan en perfectioneren van bestaande oplossingen - niet langer toereikend: het hele systeem moet op de schop en dat vergt diepgaande samenwerking: niet alleen binnen de sector, binnen de overheid en binnen de wetenschap maar ook naar buiten toe. De kleine koninkrijkjes moeten open gegooid worden.
Vandaar de keuze voor Berlage Beurs: de genodigden zaten in een glazen doos, met aan alle kanten zicht op de zaal waarin het graan verhandeld werd: de markt. Met zicht ook op de boer die - op afbeeldingen hoog aan de wand - zaait en oogst. Maar tegelijk was het midden in Amsterdam: ver van de Haagse ministeries, en ver ook van het platteland waar de agrosector zich zo lang heeft 'ingegraven'. Gooi open, zo is de boodschap, en ga op zoek naar nieuwe ori‘ntaties en naar nieuwe relaties met de (stadse) burger. Of, zoals Cebeco-topman ir. H. de Boon het op een gegeven moment zei: over vijf jaar moet het gemiddelde publiek in deze zaal er heel anders uitzien: meer vrouwen, meer kleur, minder grijs.

 

upVissector

"De vissector wordt doorgaans nogal stiefmoederlijk behandeld", zo opende de kersverse lintjesdrager prof.dr. R. Rabbinge. Daarom juichte hij het toe dat dit onderwerp deze keer eens voorop stond. Per slot betreft het een sector met een omzet van 3,5 miljard gulden. Alleen de visserij zelf zit al tegen het miljard.
En wat nog belangrijker is: het is een sector met toekomst. De wereldbevolking neemt toe en miljoenen mensen zijn voor hun dierlijke eiwitten vooral afhankelijk van vis. Bovendien beantwoordt het licht verteerbare vis-eiwit bij uitstek aan de wensen van bevolkingsgroepen met hoge koopkracht.
Om aan die toenemende vraag tegemoet te komen zal in toenemende mate visteelt nodig zijn en zal de valorisatie, bijvoorbeeld tot snacks, belangrijker worden. Daarnaast moet er meer aandacht komen voor marificatie: er vallen immers méér producten dan vis uit zee te winnen, bijvoorbeeld voor de farmacie. Voorts zal de EU een nieuw beleidskader moeten scheppen voor bestandsbeheer, mede op basis van betere ecosysteemkennis. Tot slot ligt er voor de vele betrokkenen bij de uiteenlopende activiteiten in de kustgebieden de opgave te komen tot een zorgvuldig Coastal Zone Management.
Ir. D. Luteyn, sprekend namens de kokkel- en oesterproducenten, kon zich zeer in het verhaal vinden. Hij zei te verwachten dat waar de welvaart toeneemt vooral het dierlijke eiwit aan belang zal winnen in het menu. Met name het gebrek aan goed water voor de landbouw zal de kansen voor vis sterk verbeteren. Op het terrein van ranching en teelt zou hij vooral graag aandacht zien voor eigendomsvragen: in open water, maar ook in kustwateren is eigendom moeilijk te regelen en te bewaken.
Drs. R. Bol, directeur Visserij bij LNV, merkte op dat ook de visserij de omslag naar marktoriëntatie aan het maken is. Valorisatie, inclusief de opbouw van merken, wordt het leidend beginsel. En visafslagen zoeken meer en meer samenwerking in plaats van elkaar de laatste kist vis af te willen snoepen. Kortom: de omslag in het denken is gaande, en dit rapport helpt daarbij.
Voor Coastal Zone Management noemde hij twee belangrijke thema's. In de schelpdierensector wordt hard gewerkt aan beheersplannen waarin men met name ook te maken krijgt met natuurwaarden. Een ander thema vormt de grote infrastructurele werken. Enerzijds vormen die een bedreiging, bijvoorbeeld door iets 'simpels' als opdwarrelend zand, maar anderzijds ook kansen: je kunt er bijvoorbeeld nieuwe paaiplaatsen mee creëren.
H. Vink van Nutreco ging in op het feit dat Nederland ongeschikt is voor de traditionele visteelt. De bevolkingsdichtheid, gebrek aan snel stromend water en de rechte kustlijn spelen daarin een rol, en zeker ook de suboptimale temperatuur: te koud voor warmwatervissen en te warm voor koudwatervissen. Pas de recente ontwikkeling van goede recirculatiesystemen heeft vanaf begin jaren tachtig teelten als meerval en paling in de lift gezet. Samen met Denemarken is Nederland hierin nu toonaangevend: een milieuvriendelijk systeem dat de teelt onafhankelijk maakt van het klimaat. Maar wat Vink betreft groeit de sector momenteel teveel in het wild: structuur, overkoepeling en beleid ontbreken.
B. Daalder van de Federatie van Visserijverenigingen vertelde over het eerste stukje 'co-management' dat door de commissie Biesheuvel in de sector is gebracht. Hij gelooft sterk dat de mentaliteit in de sector aan het veranderen is. Vissers zijn van huis uit jagers, en het inbrengen van de notie management leert hen een andere manier van omgaan met hun vak. Dit leidt tot meer perspectief en ook tot meer behoefte aan beleid. Tekenend mag heten dat de vissers sterk hun best doen om ook hun collega's uit omringende landen voor het Nederlandse beleid te winnen. Ze hopen op een sfeer waarin beter onderling zaken gedaan kunnen worden, inclusief bijvoorbeeld het verhandelen of (ver)huren van quota.

 

upGroene Ruimte

Dr. A. van der Zande, directeur van Staring Centrum-DLO, ging eerst in op de innovatie-eisen ten aanzien van de groene ruimte. Steekwoorden hier zijn: een internationale benadering (denk aan Agenda 2000), multifunctionaliteit (kwaliteit en leefbaarheid), stad én land (in plaats van de compacte of complete stad versus het rurale), en sturing. Dat laatste zal regionaal moeten, maar graag wel met een goede monitoring om het effect te kunnen meten.
Van de kennisinstellingen vraagt de groene ruimte primair integratie: integrale oriëntatie, gecombineerd onderzoeken en ontwerpen, en multi- en transdisciplinariteit. Ten behoeve van de groene ruimte moet bovendien een heldere en adequate kennisinfrastructuur geschapen worden. De verkokering en verschotting is er veel te groot. Ook de financiering is te gering: LNV steekt slechts 8 procent van haar kennisbudget in het thema groene ruimte: 25 miljoen per jaar, terwijl de komende kabinetten 70 miljard willen steken in infrastructurele werken!
Wat Van der Zande betreft moeten in het onderzoek drie sporen voorop staan: een inhoudelijke en investeringsimpuls om tot een kennis- en innovatienetwerk Groene Ruimte te komen, versterking van het Kennis Centrum Wageningen als partner in dit netwerk, en het creëren van regionale innovatie- en kenniscentra. ICES mag dienen als inspiratiebron voor het eerste; waar het om gaat is steeds actoren te verenigen in productgerichte consortia. Essentie bij het instellen van - wellicht een drietal - regionale centra moet zijn dat innovatoren en kennisinstellingen in een gezamenlijke actie concrete plattelandsvernieuwingsprojecten realiseren.
De Utrechtse stadsgeograaf prof.dr. F. Dieleman zag die verschotting wel: 'Als ik zie hoe weinig mensen ik hier ken is dat niet gezond'. En P. Holdert, van Land-Water-Milieu Informatietechnologie (LWI) beklemtoonde het belang van een gelijkwaardige wisselwerking tussen aanbieders en vragers. In de civiele techniek waren het altijd Vrom en Rijkswaterstaat die zeiden 'U vraagt, wij draaien'.
Zo'n rolverdeling genereert weinig creativiteit. Drs. A. van de Klundert, hoofd Strategie bij de directie Natuur van LNV, wees op het belang van ontwerpen door het combineren van 'techniek en leuk'. En ir. J. Beeren van Arcadis wees op het verrassende innovatieve effect van het bijeen halen van uiteenlopende bedrijven met uiteenlopende doelstellingen. Mevrouw prof.dr. L. van Vloten-Doting, directeur directie Wetenschap en Kennisoverdracht van LNV, bestreed desgevraagd het idee dat voor de groene ruimte per definitie meer onderzoeksgeld nodig zou zijn: 'Het criterium is of er ook urgente (nieuwe) vragen zijn. Is er nieuwe kennis nodig of ontbreekt het aan andere elementen?' In eerste instantie zou ze liever gaan werken aan de genoemde verschotting dan er direct maar geld bij te doen.
W. van Dieren van IMSA vond de discussie maar voorbijgaan aan de cruciale vraag als het gaat om de groene ruimte. En die hangt op twee grote variabelen; de klimaatverandering ('dat is actueel: die is er, die komt er') en de vrije-markt ideologie. 'We zitten met kenniscentra die steeds weer iets moeten toevoegen aan wat we al weten en waar toch niks mee gebeurt. In zo'n situatie lost bundeling niets op. De tragiek is dat veel kennis niet gebruikt wordt!'

 

upAgrosector

Met het agrosector rapport in de hand viel Cebeco-directeur ir. H. de Boon direct met de deur in huis: we moeten gezamenlijke acties bevorderen en financieringsvormen vinden die die actie stimuleren. We moeten naar écht vernieuwend, transdisciplinair, noem het holistisch systeemdenken.
Het denken in termen van een waardenbeleid noemde hij - met een verwijzing naar het Ter Zake-debat - niet nieuw, 'maar we moeten nog leren daar pro-actief mee om te gaan. Niet wachten tot Van Aartsen ons opdringt om de dierhouderij te veranderen, maar dat z¸lf initi‘ren. Dat is temeer belangrijk omdat het 'maatschappelijk contract' ten einde loopt'. Qua internationalisering gaat het binnen de verzadigde Westerse markt om de extra toegevoegde waarde en daarbuiten zullen we het op nieuwe markten moeten zoeken in de export van kapitaal en expertise om ter plaatse met onze kennis iets te kunnen verdienen.
'We kunnen het niet alleen met de export van producten vanuit dit kleine landje.' En tot slot drong hij er nogmaals op aan dat de in het NRLO-rapport aangevoerde innovatievoorstellen (inclusief twee nieuwe opleidingsprogramma's) daadwerkelijk en snel van de grond komen, met als gemeenschappelijke noemer het op poten krijgen van innovatiecre‘rende netwerken.
Dr. P. Folstar van de Raad van Bestuur TNO vond die netwerken een 'hartstikke goed idee'. Het combineren van uiteenlopende partijen kan leiden tot onverwachte oplossingen. Wel waarschuwde hij dat het heel wat vraagt om zoiets goed te organiseren.
Met name is het van belang dat de vraag zo concreet mogelijk is en dat je een duidelijke 'probleem-eigenaar' hebt. Daarnaast is een gemotiveerde manager nodig die zich kan verplaatsen in verschillende werelden. Dat veronderstelt mobiliteit van ervaren mensen, ook tussen universiteit en industrie.
Bestuurder ir. K. van Ast van het KCW en socioloog prof.dr. J. van der Ploeg waarschuwden ten overvloede dat de (Wageningse) netwerken vooral ook extern gericht moeten zijn. 'Misschien is er wel behoefte aan heel andere netwerken, zónder KCW?', opperde interviewer Jan Bart Wilschut. 'Dat kan', antwoordde Van Ast voorzichtig, om er haastig aan toe te voegen dat het KCW zich zó wil organiseren dat zij beschikbaar is voor de vragen van de toekomst. En wat de aansturing van netwerken betreft wees hij op het project Agroketenkennis waarbinnen momenteel 400 bedrijven deelnemen aan zestig projecten. 'We zijn daar al lerende bezig.'

 

upVan Zon: enthousiast, maar voorzichtig

Aan het slot van de bijeenkomst bood NRLO-voorzitter Rörsch de rapporten aan aan dr. H. van Zon, Directeur-Generaal van LNV. Van Zon noemde het moment van presentatie gelukkig: het gaat vooraf aan de onderhandelingen over een nieuw regeerakkoord én aan de opstelling van een kennisbeleidsplan van LNV voor de periode 1999-2003 met een doorkijk naar 2010. Hij waardeerde het verder dat deze rapporten nu eens niet primair gericht zijn aan de overheid, maar aan álle betrokken actoren. In een open structuur, met gelijkwaardigheid. In dat verband is de brede steun van de stakeholders voor de gedane voorstellen zeer verheugend. De rapporten zelf noemde hij een boeiende combinatie van analyse, visie en voorstel. 'Ik zou willen dat ik elke dag zulke goed gecomprimeerde rapporten onder ogen krijg. Ik zou tijd over houden voor andere zaken.'
Van Zon onderstreepte het belang van systeeminnovaties, maar waarschuwde, "U weet als geen ander dat ysteeminnovaties de moeilijkste innovaties zijn om te realiseren. De kans bestaat dat door een zekere mate van ongerichtheid geen enkele systeeminnovatie tot haar recht komt. We zullen prioriteiten moeten stellen. Ik nodig de NRLO uit om binnenkort hierover met mij van gedachten te wisselen".
Tot slot noemde hij van elk rapport het hem meest aansprekende punt: voor de vissector de 'marificatie'; voor de groene ruimte de 'publieke functie'; en voor de agrosector de 'noodzaak om een hogere toegevoegde waarde en duurzame productiemethoden 'tussen de oren te krijgen' van diegenen die het moeten doen'.

 

upColofon

NRLO
Bezoekadres:Bezuidenhoutseweg 73
Postadres:Postbus 20401
2500 EK Den Haag
Tel. 070 - 3785653
Fax 070 - 3786149

Prof.dr.ir. A. Rörsch, voorzitter070 - 3785650
Dr.ir. A.P. Verkaik, directeur Bureau 070 - 3785692
Secretariaat
Mw. D.P. Pieters-van Wageningen070 - 3785653
Mw. M.J.V. Schouten-Hattink070 - 3785694
Mw. Y. van Zelst-van Wetten070 - 3785537
Medewerkers
Ir. N.A. Dijkveld Stol070 - 3785652
Dr. H. Hetsen070 - 3784106
Dr.ir. H.J. van Oosten070 - 3785727
Dr.ir. J.M.P. Papenhuijzen070 - 3784751
Ir. Hans Rutten070 - 3785777
Dr.ir. J.G. de Wilt070 - 3784774

Nieuwsbrief nummer 10 - Juni 1998

[NRLO Home]