Colofon
NRLO |
Per 1 januari 1995 is de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) nieuwe stijl van start gegaan. Met de omvorming van de 'oude' naar de 'nieuwe' NRLO werden in het bijzonder twee doelen beoogd: versterking van de lange termijn oriëntatie in het beleid voor het landbouwkundig onderzoek èn vergroting van het vernieuwend vermogen van dat landbouwonderzoek.
De missie van de nieuwe NRLO is het formuleren van lange-termijn visies op de (wenselijke) ontwikkeling van het landbouwkundig onderzoek. En dat middels het verrichten van toekomstverkenningen.
Waar de NRLO zich voorheen vooral richtte op de actuele en middellange-termijn kennisbehoeften, houdt ze zich nu bezig met verkenning van maatschappelijke, wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen met een tijdsperspectief van 15 à 20 jaar. Tegen die achtergrond worden nieuwe opties en strategieën voor het landbouwkundig onderzoek in beeld gebracht.
De belangrijkste verschillen tussen de oude
en de nieuwe NRLO staan vermeld in kader 1.
| Kader 1 | ||||
| NRLO | ||||
| van OUD | naar NIEUW | |||
| Tijdsperspectief | Actuele en MLT-kennisbehoeften | LT-kennisbehoeften (2010/2015) | ||
| Produkten | Adviezen | Opties/strategieën | ||
| Methode | Analyse van onderzoekvragen en -aanbod
Dialoog en consensusvorming | Toekomstverkenningen/ Moderne strategische analyse | ||
| Organisatiemodel | Raadsorganisatie | Professionele organisatie | ||
| Positie en "drive" van deelnemers in de NRLO | Functioneel, belangenbehartigend, beherend | Op persoonlijke titel, onafhankelijk, vernieuwend | ||
In 1995 is door Bureau, Dagelijks Bestuur en
Raad NRLO veel aandacht besteed aan de ontwikkeling van de werkwijze
van de NRLO nieuwe stijl.
Verkenningen
De kern van de NRLOaanpak wordt gevormd door de combinatie van:
verkenning van de uitdagingen en kansen voor groene ruimte, agribusiness en visserij in de komende decennia, en dat in de Europese/mondiale context;
verkenning van de bijdragen die wetenschap en technologie kunnen leveren aan het zichtbaar maken en benutten van die kansen.
Centraal staat de vraag welke inhoud (koers,
thema's, prioriteiten) en welke infrastructuur (organisatie, financiering)
van het onderzoek nodig is, gezien de denkbare situaties over
15 à 20 jaar. Overigens gebeurt dat met uitdrukkelijke
aandacht voor de verbinding tussen het heden en de toekomst. In
dat kader worden ook analyses gemaakt van bijvoorbeeld het bestaande
krachtenveld, het bestaande beleid, de aanwezige instrumenten
en vooral ook de dynamiek daarin. Essentieel is de notie dat de
realisatie van een lange-termijn strategie al in het heden begint.
Produkten
De produkten die NRLOverkenningen dienen op te leveren zijn:
strategieën voor wetenschap en technologie (hoofdprodukt);
algemene strategieën (bijprodukt).
Deze produkten krijgen niet alleen vorm in interim en eindrapporten maar ook in procesresultaten. Die laatste worden door de NRLO minstens zo belangrijk geacht als de rapporten: de verkenningen moeten een zodanig karakter hebben dat ze de discussie aanwakkeren en het denken stimuleren. Het gaat niet om gepolijste voorspellingen en pasklare antwoorden, maar om het in een actieve dialoog formuleren van dilemma's, uitdagingen en kansen. De verkenningen moeten de politieke en beleidsmatige discussie over de strategie voor het landbouwkundig onderzoek bevorderen.
Een belangrijk hulpmiddel bij de verkenningen
is daarom het opstellen van scenario's, die kunnen helpen om nu
nog verborgen opties voor beleid zichtbaar en bespreekbaar te
maken. Andere activerende instrumenten die de NRLO hanteert zijn
rondetafelgesprekken en strategische conferenties,
workshops, studiedagen en studieopdrachten. Instrumenten
die de nadruk leggen op een open en creatieve discussie, waarin
actoren elkaar uitdagen. Verkennen dus als een gemeenschappelijk
zoek en leerproces van bedrijfsleven, maatschappelijke groeperingen,
overheidsinstanties en onderzoekinstellingen met betrekking tot
de strategische vraagstukken voor de toekomst (kader 2).
| Kader 2 |
| De lerende organisatie |
| 1. Verkenningen zijn zoek- en leerprocessen (m.b.t. de strategische vraagstukken voor de toekomst). |
| 2. Actoren leren en handelen het effectiefst indien zij zelf problemen onderkennen, en zelf oplossingsrichtingen exploreren. |
| 3. Het draagvlak voor de resultaten van een verkenning neemt aanzienlijk toe indien de beleidsmakers zelf aan de verkenning hebben deelgenomen. |
| 4. De NRLO voert de verkenningen uit in interactie met vernieuwingsgezinde sleutelactoren. |
| 5. Verkenningen vragen een grondig uitgewerkte combinatie van cognitieve en sociale processen. |
| 6. Procesresultaten, en wat de actoren in dat proces over hun eigen toekomst leren, zijn belangrijker dan het schrijven van rapporten c.q. het uitbrengen van formele adviezen. |
Duurzaamheid
De NRLO heeft ervoor gekozen bij de uitwerking
van zijn werkprogramma het concept van 'duurzame ontwikkeling'
als leidmotief te hanteren. Daarbij gaat het om economische, ecologische,
maatschappelijke, culturele, technologische en ruimtelijke aspecten
(zie kader 3). De NRLO tracht de keuzes die hier liggen te verhelderen.
Duurzaamheid wordt daarbij niet alleen uitgewerkt in termen van
consolidatie en behoud, maar ook in termen van ontwikkeling en
dynamiek.
Kader 3 Dimensies van duurzaamheid
Methodiek-ontwikkeling
De ontwikkeling van de methodiek van verkenningen
was in 1995 een belangrijk aandachtspunt. In het voorjaar waren
er studiedagen over verkenningsmethoden, scenario-bouw en scenario-gebruik,
en concepties van duurzame ontwikkeling. In september volgden
een workshop waarin de methodieken van de Sectorraden en de OCV
werden vergeleken en een interne studiedag over de operationalisering
van duurzame ontwikkeling in de NRLOverkenningen. Aan het
eind van het jaar werd een aparte studiedag besteed aan scenario-gebruik
in de NRLOverkenningen.
Budget
In 1995 is de NRLO in zijn nieuwe opzet van
start gegaan. Tussen de Bestuursraad LNV en de Voorzitter NRLO
is, mede met het oog op de splitsing DWTNRLO per 1 januari
1995, een convenant gesloten over de organisatorische en beheersrelaties
tussen LNV en NRLO.
De NRLO zal als een onafhankelijke organisatie functioneren.
Overeengekomen werd dat de NRLO zorg zal dragen voor een samenhangend pakket van verkenningen, en dat LNV zal zorgen voor de bekostiging van de NRLO. LNV stelt middelen ter beschikking voor de voorzitter NRLO; negen fte voor het Bureau NRLO; een materieel budget; huisvestingskosten; en een aanvullend studiebudget waarvan de hoogte wordt vastgesteld door de Bestuursraad LNV op basis van het conceptwerkprogramma van de NRLO.
De opbouw van Bureau NRLO kreeg in het eerste
kwartaal van 1995 zijn beslag. In de loop van 1995 werd met de
Bestuursraad LNV overeenstemming bereikt over de hoogte van het
studiebudget.
Netwerk
Voor het functioneren van de NRLO was en is
een netwerk van personen en organisaties van groot belang. De
gewijzigde taakstelling stelt evenwel andere eisen aan zo'n netwerk.
Het gaat minder om een uitgebreid 'belangen-netwerk' en meer om
flexibiliteit en een 'ideeënnetwerk'. Daarom werd in
de nieuwe opzet gekozen voor een afgeslankte 'vaste' structuur
in de vorm van een Dagelijks Bestuur, een Raad en een zestal klankbordgroepen
van betrekkelijk kleine omvang. Voorzitter en leden hebben op
persoonlijke titel zitting in deze organen. Zij worden aangezocht
op grond van strategische en brede oriëntatie, vernieuwingsgezindheid
en inhoudelijk gezag in het veld. De nieuwe organisatie, zoals
die in de loop van 1995 vorm kreeg, staat weergegeven in kader
4.
Kader 4 Organisatie NRLO
De NRLO streeft bij het formuleren en uitwerken
van de verkenningen naar samenwerking met andere organisaties.
Het gaat daarbij om organisaties als de Overlegcommissie
Verkenningen (OCV), het Interdepartementaal Onderzoekprogramma
Duurzame TechnologieOntwikkeling (DTO), de Raad voor Milieu
en Natuurbeheer (RMNO), het Netwerk Ruimtelijk Onderzoek (Netwerk
RO) enz.
Op basis van de NRLOwerkconferentie van
november 1994 en de daarop aansluitende discussies van Dagelijks
Bestuur en Raad NRLO in het voorjaar van 1995 zijn voor het NRLOWerkprogramma
19951997 de volgende thema's gekozen:
Thema 1: Maatschappelijke en culturele positie van landbouw en natuur in de 21e eeuw
Thema 2: Plattelandsontwikkeling
Thema 3: Afzet-, verwerkings- en produktiesystemen in de 21e eeuw
Thema 4: Vis en visserij in de 21e eeuw
Thema 5: Organisatie van innovatie
De eerste drie thema's zijn zo gekozen dat
als het ware van buiten naar binnen wordt gewerkt: van maatschappelijke
context (1) via het landelijk gebied (2) naar agribusinesssystemen
(3). Voor onderwerpen met betrekking tot de visserijontwikkeling
werd een apart cluster opgenomen (4). Het laatste thema, organisatie
van innovatie (5), staat figuurlijk dwars op de eerste vier: de
in het kader van dit thema te verwerven inzichten zijn van belang
voor ieder van de andere thema's. Door de vijf thema's in samenhang
en gelijktijdig te verkennen, kunnen belangrijke synergetische
voordelen worden bereikt.
Bij de NRLOverkenningen gaat het niet
om voorspellen, maar om het verkennen van een onzekere toekomst.
Het gaat om foresight in plaats van forecast. De
aandacht gaat naast trends vooral uit naar trendbreuken en onzekerheden.
Verkenningen zijn er niet op gericht de waarschijnlijke toekomst
te voorspellen, maar ze beogen de aantrekkelijkheden, risico's
en voorwaarden van uiteenlopende strategieën bij verschillende
mogelijke toekomsten zichtbaar te maken en ter discussie te stellen:
het zijn zoek en leerprocessen met betrekking tot de strategische
vraagstukken voor de toekomst.
| Kader 5 | ||
| Voorspellen | Verkennen | |
| Aandacht voor | Trends | Trends
Tegentrends Trendbreuken |
| Waarschijnlijkheden | Onzekerheden | |
| Gericht op: | Anticipatie op waarschijnlijke toekomst in termen van beleidsaanpassing | Anticipatie op mogelijke toekomsten in termen van bewuste vernieuwing |
| Reduceren van onzekerheden ten behoeve van besluitvorming | Zoeken van onzekerheden en alternatieven van strategievorming | |
Verkennen en onderzoek
'Verkenningen' verschillen aanzienlijk van
'onderzoek' (in de klassieke betekenis van dat woord). We noemen
een aantal verschillen:
A. Weten, willen en kunnen
- Onderzoek concentreert zich op het weten: op het vergroten van kennis en inzicht, met als mentaal model dat je problemen kunt oplossen als je zaken weet en feiten hebt verzameld.
- Verkenningen richten zich naast het weten ook op willen en kunnen. Probleemoplossing en strategievorming vragen niet alleen kennis, maar ook aandacht voor normen, waarden, grondhoudingen en belangen van individuen en groepen (het willen), en aandacht voor hun mogelijkheden tot handelen (het kunnen). Het mentale model is hier dat het gaat om de combinatie van hoofd, hart en buik.
Dat betekent dat de analyse van normen en waarden,
krachtenvelden, het institutionele kader van de beleidsprocessen,
debat en visie en optieontwikkeling, c.q. het zichtbaar
maken van het willen en kunnen, in verkenningen minstens zo belangrijk
zijn als het opsporen van feiten: zowel de vormgeving van het
cognitieve als het sociale proces vragen aandacht.
B. Zekerheid en onzekerheid
- Onderzoek concentreert zich op zekerheid, op het in kaart brengen van ontwikkelingen en trends, met als mentaal model dat je onzekerheid moet reduceren door onderzoek te doen.
- In verkenningen zijn niet alleen feiten en
trends van belang, maar vooral ook onzekerheden en trendbreuken.
En je moet niet proberen die onzekerheden om te vormen tot zekerheden
of waarschijnlijke ontwikkelingen, maar juist het existentiële
van onzekerheden en trendbreuken erkennen. De uitdaging is daarmee
om te gaan. Je moet leren denken en handelen vanuit uiteenlopende
scenario's.
C. Reductionisme en holisme
- In onderzoek is reductionisme de dominante aanpak. De werkelijkheid wordt zodanig vereenvoudigd en in aspecten opgesplitst dat die aspecten vanuit wetenschappelijke disciplines en met gangbare wetenschappelijke methoden hanteerbaar zijn.
- In verkenningen staat de holistisch/integratieve
benadering voorop, met veel aandacht voor de interactie tussen
de samenstellende onderdelen van een probleem/thema. Verkenningen
zijn integrerende studies, waarbij de methode van mixed scanning
zeer belangrijk is: de combinatie van een helikopter-benadering
(voor integratie en overzicht) met een inzoom-benadering op de
meest relevante onderdelen (voor voldoende diepgang).
D. Paradigmatische en socratische benadering
- In onderzoek worden problemen benaderd vanuit disciplines, inclusief de daarbinnen aanvaarde paradigma's, theorieën en methoden. Bijgevolg worden alleen diè feiten verzameld die passen bij een bepaalde manier van zien en werken (de wetenschappelijke methode).
- In verkenningen wordt steeds de vraag gesteld
of de problemen wel zijn zoals ze lijken (socratische benadering).
Zijn de paradigma's en theorieën die we hanteren wel geschikt?
Misschien is de dynamiek van strategische vraagstukken wel inherentchaotisch
in plaats van lineair, en dùs bijvoorbeeld blijvend beperkt
voorspelbaar. In dat geval moeten we vooral werken met de concepten
uit de complexiteitstheorie/chaostheorie in plaats van met gangbare
lineaire oorzaak-gevolg redenaties. En daarnaast is het voor verkenningen
noodzakelijk om een discipline-overstijgende benadering te kiezen.
Verkenningen zijn gericht op opspanning van onze 'mental maps', op anders willen zien dan tot nu toe; op zoeken en leren. Voor verkenningen geldt het motto: 'the mind is like a parachute, it works better when it is open'.
De thema's voor de verkenningen in het vernieuwde NRLOprogramma werden bepaald na een werkconferentie, die november 1994 werd belegd met vele actoren uit het veld van bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, beleid en wetenschap.
Begin 1995 hebben de nieuwe bureau-medewerkers voor elk van deze thema's een startnotitie uitgewerkt, die een eerste verkenning behelsde van de meest relevante aspecten van het betreffende onderwerp. Het ontwikkelen van een geschikte methode van aanpak vormde hierbij een eerste vingeroefening om de mentale omslag te maken van een meer traditionele onderzoekaanpak naar die van een strategische verkenning. De meer concrete uitwerking heeft voor de meeste verkenningen in de tweede helft van het jaar haar beslag gekregen. In enkele gevallen kon in de herfst al overleg plaats vinden met potentiële uitvoerders van de verkenningen. Bij thema 2.1 en 2.4 werd het ontwikkelingstraject gedeeltelijk uitbesteed aan derden.
Dit thema werd in het laatste kwartaal van 1995 ter hand genomen. Het concept plan van aanpak werd uitgewerkt in overleg tussen NRLO en dr. B.M. Somers van LEIDLO.
Met deze verkenning wordt beoogd kansen en bedreigingen voor landbouw en natuur vanuit een maatschappelijk kader te schetsen. Een belangrijk aandachtspunt vormde de afbakening van dit thema met de overige thema's. Vastgesteld werd dat dit thema een nadere verdieping van de sociaalculturele aspecten zou moeten opleveren.
Vanuit een ruime oriëntatie op de problematiek werden 'vlakken' geïdentificeerd waarop de interacties tussen landbouw, natuur en maatschappij zich afspelen. Voor de interactievlakken ruimtegebruik, voedingsmiddelen, natuurlijke hulpbronnen en arbeid zijn kernvragen geformuleerd. Vervolgens zijn de drijvende krachten achter deze kernvragen opgespoord. In de verkenning zal worden onderzocht in hoeverre het denkbaar is dat zich anno 2010 dezelfde of juist andersoortige problemen zullen voordoen. Reflectie op toekomstige knelpunten en mogelijkheden moet inzicht geven in de vraag welke strategieën daar het beste op aansluiten.
Een concreet plan van aanpak zal in de loop
van 1996 gereedkomen.
Het platteland geniet een toenemende belangstelling. Deels heeft dit te maken met de positie van de landbouw die, als traditionele drager van het platteland, sterk onder druk is komen te staan. Anderzijds worden van vele zijden ruimtelijke claims naar voren gebracht: voor meer natuur, een aantrekkelijker landschap, meer recreatieve mogelijkheden en meer woon en werkfaciliteiten. Dergelijke nieuwe functies kunnen bijdragen aan een leefbaarder en aantrekkelijker platteland, maar zullen niet door iedereen als verbetering worden gezien. Bovendien zijn er grote regionale verschillen. Kortom, er zullen (beleids)keuzen nodig zijn. En meer inzicht is wenselijk in de dynamiek van de plattelandsontwikkeling bij de ingrijpende wijzigingen in de relatie stad-land.
Daartoe is kennis nodig over zaken als de ontwikkeling van economie en bevolkingsgroei, de dynamiek van door het platteland te vervullen functies, over sturingsconcepten en over de ideeën die de mensen zelf over (hun) platteland hebben. De verkenning wil vooral bloot leggen welk onderzoek nodig is om de plattelandsontwikkelingen op een termijn van vijftien jaar in zo goed mogelijke banen te kunnen leiden. Dit met de uitdrukkelijke aantekening dat die kennisbehoefte andersom weer af zal hangen van de vraag welke strategieën voor plattelandsontwikkeling men zal gaan volgen.
Sinds het verschijnen van de startnotitie plattelandsontwikkeling is langs twee sporen gewerkt. Het eerste spoor behelsde een oriëntatie op beleidsinitiatieven en onderzoeksprogramma's rond ontwikkeling en vernieuwing van het platteland. Dit om zicht te krijgen op mogelijke beleidsstrategieën, maar ook om na te gaan in hoeverre in de verkenning aangesloten kan worden bij elders uit te voeren onderzoek en verkenningen. Dubbel werk moet immers worden vermeden.
Een tweede spoor vormde de opstelling van het plan van aanpak voor de verkenning. Het bleek niet eenvoudig om dit naar zijn aard zo omvangrijke veld zodanig af te bakenen dat de verkenning hanteerbaar blijft en duidelijke bevindingen voor het onderzoek oplevert. Na enkele exercities werd gekozen voor een cyclische benadering middels het zogenaamde 'SAR model'. SAR staat voor 'Strategieën, Aspecten en Research'. In dit concept worden mogelijke toekomstige strategieën voor plattelandsontwikkeling getoetst aan aspecten als onzekerheid over economische ontwikkeling, bevolkingsgroei, enz.; de verwachte dynamiek van door het platteland te vervullen functies; uiteenlopende stuurconcepten; en potenties van en visies op het platteland. Vervolgens wordt bekeken welke kennisbehoefte uit deze toetsing naar voren komt. Kennis om zicht te krijgen op de genoemde aspecten, maar ook kennis om plattelandsstrategieën te kunnen implementeren. Vergelijking van deze kennisbehoefte met de portfolio van het relevante onderzoek moet zicht geven op nieuwe strategische onderzoekvragen en de benodigde kennisinfrastructuur.
Genoemde cyclische benadering wordt eerst uitgeprobeerd
in een proefverkenning. Deze wordt uitgevoerd door StaringcentrumDLO
en LEIDLO en wordt in juni 1996 afgerond.
Binnen dit thema zijn aanvankelijk zeven deelthema's
onderscheiden. Twee daarvan (Milieu en Energie) werden samengevoegd.
De uitwerking van vier deelthema's startte in 1995. De twee overige
(Agrarisch grondgebruik en Systeemanalyse) volgen later.
Het plan van aanpak van deze deelverkenning werd in de eerste helft van 1995 opgesteld. Centraal daarin stonden vragen over de mogelijkheden voor de overheid en consumenten en milieuorganisaties om het keuzegedrag van consumenten te beïnvloeden en de mogelijkheden voor het bedrijfsleven om op dat deels voorspelbare en (groten)deels onvoorspelbare keuzegedrag in te spelen. Doel van de deelverkenning is aan te kunnen geven welke onderzoekthema's tegen deze achtergrond prioriteit verdienen.
In het kader van deze deelverkenning was de NRLO ook betrokken bij de voorbereiding van de EZconferentie 'Massaindividualisering', in oktober 1995. De consument werd daar afgeschilderd als een 'bewegend doel', waarbij het de taak is voor producenten en detailhandel om dit 'doel' te blijven volgen en haar 'trefkans' te vergroten.
Hoewel ook de markt vanaf het begin van deze deelverkenning in de beschouwingen is meegenomen, werd over de aanpak van dit onderdeel pas beslist op basis van de werkconferentie van december 1995. Daar werd besloten te gaan inventariseren welke markten in 2010 van belang kunnen zijn. En wel op het hogere aggregatieniveau van hoog en laag ontwikkelde markten, Europese regio's, internationalisering versus regionalisering etc. Stellen deze markten verschillende eisen aan te leveren produkten en wat zou dat kunnen betekenen voor de ketenorganisatie? De Vakgroep Marktkunde van de LUW zal dit onderdeel verder uitwerken in samenwerking met de Katholieke Universiteit Leuven.
Samen met de Stichting Agroketenkennis zal een project 'Flexibele Ketens 2010' worden gestart om te bezien hoe ketenschakels in kunnen spelen op de soms onvoorspelbare consumentenvraag.
Tenslotte bleek het wenselijk om ook aandacht
te besteden aan de toenemende verschuiving van binnen naar
buitenhuishoudelijk gebruik van voedingsmiddelen. LEIDLO
zal dit onderwerp nader uitwerken. Bedoeling is om de (tussen)produkten
van deze deelthema's aan de orde te stellen in één
of meerdere workshops in mei 1996.
Deze verkenning moet inzicht geven in de vraag of we op de goede weg zijn met het onderzoek naar energiedragers en hulpstoffen als mineralen, gewasbeschermings en diergeneesmiddelen. Dit vooral door de betreffende onderzoeksterreinen te bezien in hun onderlinge samenhang en in het perspectief van denkbare toekomstige ontwikkelingen op wetenschappelijk, technologisch en sociaaleconomisch terrein. De verkenning behelst een mix van deskstudies (verzamelen van ideeën, inzichten en informatie) en sociale interactie via werkgroepen, interviews en workshops. In de periode junioktober 1995 is een plan van aanpak opgesteld, dat werd bijgesteld na raadpleging van deskundigen uit een dertigtal instanties uit onderzoek, overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Naast de inhoudelijke oriëntatie werd uitvoerig aandacht besteed aan de verkenningsmethodiek. Voor de onderhavige problematiek bleken bestaande scenario-studies slechts beperkt bruikbaar, niet alleen vanwege de daarin gekozen variabelen maar ook om de wijze waarop deze variabelen werden toegepast.
De gevoerde gesprekken waren niet alleen nuttig
voor de gedachtenvorming over de aanpak, maar ook om een beeld
te krijgen van de kennis, ervaring en ideeën bij verschillende
instanties. Daarom is bij het zoeken van uitvoerders van de deelstudies
niet gekozen voor een open inschrijving, maar zijn een beperkt
aantal instellingen direct benaderd. Uit de ingediende voorstellen
en de daaropvolgende discussies met de betreffende instellingen
bleek echter opnieuw dat scenario's op zeer uiteenlopende manieren
kunnen worden gehanteerd. Een toekomstverkenning is nu eenmaal
een heel ander soort activiteit dan het doen van onderzoek (zie
paragraaf 1.5). Praktisch betekende dit dat de uitbesteding van
de bedoelde deelstudies niet zonder meer mogelijk bleek. Uiteindelijk
is gekozen voor een stapsgewijze aanpak, waarbij een vaste, multidisciplinaire
projectgroep de aanpak doordenkt, de regie voert over deelstudies
(elk lid is trekker van een deelstudie) en de communicatie met
de omgeving, en uiteindelijk de conclusies formuleert. Deze projectgroep
bestaat uit medewerkers van LEIDLO, RIVM, TPE-LUW, IKCLandbouw,
ABDLO, TUD en NRLO. Voor de kwaliteitsbewaking is er een
Adviesgroep Methodiek, waaraan WRR/LUWTheoretische Teeltkunde,
LUWAgronomie/RMNO, RIVM, NOVEM, OCV, DTO, IKCLandbouw,
LEIDLO en NRLO deelnemen. De eerste resultaten worden de
tweede helft van 1996 verwacht.
Om te komen tot een juiste vraagstelling voor de verkenning van de effecten van 'internationalisering' op de agribusiness en de landbouwwetenschap zijn twee sporen diepgaand geanalyseerd.
Het eerste spoor ging uit van het idee dat kennis veruit de belangrijkste factor wordt, dan wel is, voor de concurrentiekracht van bedrijven en sectoren. Om die reden werd kennis centraal gesteld binnen een thema 'Kennis, globalisering en concurrentiekracht'. Het relevante kennisdomein omvat dan alle aspecten die van belang kunnen zijn voor de concurrentiepositie: technologie, markt en marketing, management, organisatie van bedrijf en arbeid, enz. Het bleek echter moeilijk het begrip kennis zodanig in te kaderen, dat het voor een verkenning hanteerbaar zou worden.
Een tweede spoor ging vervolgens uit van de gedachte dat ingrijpende veranderingen op wereldschaal grote gevolgen kunnen hebben voor het functioneren van de agribusiness, hetgeen vervolgens gevolgen kan hebben voor de aard en de omvang van het gewenste landbouwkundige onderzoek. Tijdens consultaties in het veld bleek deze invalshoek meer aan te spreken. Uiteindelijk is dit spoor verder uitgewerkt tot een concreet plan van aanpak.
Belangrijke onderdeel hiervan is een grondige analyse van trends, veranderingen en trendbreuken, die voor de agribusiness relevant zijn. De selectie van drijvende krachten is daarbij wezenlijk. Deze zouden de basis kunnen vormen voor een aantal scenario's. Overigens is nog niet duidelijk of de analyse inderdaad zal uitmonden in scenario's. Naast aan omgevingsontwikkelingen/-scenario's zal in de verkenning terdege aandacht worden besteed aan door de agribusiness te beïnvloeden variabelen.
Deelstudies worden uitgevoerd op het gebied van landbouwbeleid; een sterkte/zwakteanalyse van de agribusiness vanuit de markt; internationaliserings-strategieën van kleine en grote ondernemingen binnen en buiten de landbouw; en een specifieke analyse van wetenschap en technologie vanuit het gezichtspunt van internationalisering.
Naast deze inhoudelijke aspecten, is ook de procesmatige invulling van groot belang. Er wordt een nauwe interactie beoogd met sleutel-actoren uit bedrijfsleven, beleid en wetenschap. Interviews moeten een beeld geven van de ontwikkelingen, veranderingen en onzekerheden die men ziet en een doorkijk geven hoe strategievorming tot stand komt. Langs deze weg hoopt de NRLO een interactief zoek en leerproces te entameren dat uiteindelijk moet uitmonden in enkele mogelijke strategieën voor wetenschap en technologie ten behoeve van de agribusiness in 2010.
In december 1995 is het plan van aanpak intern
afgerond. Begin 1996 wordt een aantal onderzoekinstellingen en
consultancybureaus offertes gevraagd op basis waarvan een uitvoerend
projectteam samengesteld zal worden.
Bij deze deelverkenning binnen het thema 'Afzet, verwerkings en produktiesystemen' gaat het met name om de vraag welke ontwikkelingen in wetenschap en technologie perspectief bieden voor een vernieuwende agrosector, en of de portfolio van het landbouwkundig onderzoek daarop voldoende is afgestemd. Het is dus een benadering vanuit de aanbodzijde van wetenschap en technologie die staat náást de analyse van kennisvragen vanuit de vraagzijde in de andere deelthema's.
Via literatuurrecherche zijn een aantal internationale
rapporten en studies geselecteerd die een algemeen overzicht bieden
van kansrijke wetenschapsgebieden. Veelal liggen deze gebieden
buiten het landbouwkennisdomein. De NRLO werkt nu aan een aanpak
om de potentiële betekenis van deze kansrijke nieuwe gebieden
voor de agrosector te verhelderen.
In deze startnotitie zijn vier deelthema's uitgewerkt:
Visserij en ecosysteem;
Internationalisering van de vangstrechten;
Optimaal gebruik van aquatische biomassa;
Nederland als distributiecentrum op de Europese vismarkt.
Het Dagelijks Bestuur van de NRLO besloot in eerste instantie de eerste twee deelverkenningen te doen uitvoeren.
In september werd een tiental onderzoekinstellingen op een bijeenkomst geïnformeerd over de methodieken en resultaten die de NRLO voor ogen staan. Belangstellenden werden uitgenodigd een offerte te doen. Dit resulteerde in drie offertes, die vervolgens ter advisering zijn voorgelegd aan drie beleidsverantwoordelijken op dit gebied. Zij adviseerden slechts één offerte, betreffende het thema 'Internationalisering van de vangstrechten', te honoreren. Het Dagelijks Bestuur nam dit advies over.
Deze deelverkenning ging december 1995 van start. Er is een multidisciplinair team voor samengesteld met onderzoekers van LEIDLO, RU-Utrecht, TU-Twente, DLO-centraal, RIVODLO en Rijntraining BV.
Wat betreft het deelthema 'Visserij en ecosysteem'
is met onderzoekers van RIVODLO, LEIDLO, IBNDLO,
NCDO en RIKZ afgesproken dat zij in 1996 een vernieuwd voorstel
zullen doen.
Maar er zijn meer redenen om de organisatie van innovatie tot prioritair verkenningsthema te maken. Enerzijds is dat de vaststelling dat innovaties zeer zelden uit de lucht komen vallen, maar steeds resulteren uit een keten van menselijk handelen. Anderzijds is dat de overweging dat de eis van duurzame ontwikkeling in vele opzichten een breuk vereist met de historische praktijk. Mogelijk is de traditionele 'keten van menselijk handelen' daar helemaal niet adequaat voor.
In een startnotitie van mei 1995 werden rond dit thema drie kernthema's geïdentificeerd:
- de rol van instituties (regels, normen, waarden, conventies) bij innovatieprocessen;
nieuwe organisatieprincipes ter verhoging van effectiviteit en efficiency van innovatieprocessen;
de toekomst van de agrokennisinfrastructuur.
De startnotitie werd uitvoerig doorgenomen met de NRLOklankbordgroep Beleid en Maatschappij en ongeveer dertig andere deskundigen op dit gebied. Alle commentaar werd verwerkt in een samenvattende notitie, die vervolgens weer beschikbaar is gesteld aan de geconsulteerden.
Mede in reactie op een verzoek van de Minister
van LNV is in het kader van dit thema, en in het bijzonder in
het kader van het kernthema 'de toekomst van de agrokennisinfrastructuur',
gestart met een verkenning naar Landbouwwetenschappen in 2010
en de positie van de LUW.
In het NRLOWerkprogramma 19951997 vormde de landbouwkennis-infrastructuur één van de te verkennen thema's. De brief van de Minister vormde aanleiding om een verkenning van het universitaire deel van de landbouwkennisinfrastructuur met voorrang ter hand te nemen. NRLO en OCV deden dat vanuit drie kernvragen:
a. Wat is de komende vijftien jaar nodig om agribusiness en groene ruimte optimaal te bedienen met academisch opgeleiden en (academische) kennis en technologie?
b. Wat betekent dit voor de te stellen eisen aan met name het (universitaire deel van het) kennissysteem?
c. Wat kan de rol van de LUW hierin zijn?
Om de genoemde kernvragen adequaat te kunnen beantwoorden kozen NRLO en OCV voor een brede en open aanpak. Op de eerste plaats werd besloten een vijftigtal deskundigen uit kringen van onderzoek en onderwijs, beleid, en afnemers van kennis en afgestudeerden te ondervragen over hun verwachtingen en onzekerheden, de vraag welke ontwikkelingen men bepalend acht voor de toekomst, de vraag wat er op den duur anders zou moeten, en wat er nodig zou zijn om die verandering te realiseren.
Op de tweede plaats werden uiteenlopende instellingen benaderd voor deelstudies. Het Leidse Centrum voor Wetenschaps en Technologiestudies (CWTS) kreeg opdracht voor een globale kartering van de internationale wetenschappelijke structuur van de landbouwwetenschappen. Dit aan de hand van de patronen waarin deze wetenschappen zich organiseren in de mondiale wetenschappelijke literatuur. Daarbij wordt speciaal gekeken naar de positie van Nederland en de LUW in het bijzonder. Het Twentse Centrum voor Studie van het Hoger Onderwijsbeleid (CSHOB) doet samen met het Wageningse KLVLoopbaancentrum een studie naar de toekomstige behoefte aan LUWafgestudeerden. Deze studie moet een aantal alternatieve prognoses in aantallen per beroepsprofiel opleveren, en gaat daarnaast in op de mogelijke behoefte aan meer specialistisch dan wel generalistisch opgeleiden. Het CSHOB zal ook de toekomstige ontwikkelingen in de financiering van universiteiten verkennen, met een accent op het onderscheid tussen publieke en private bekostiging. De Twentse Vakgroep Filosofie van Wetenschap en Techniek doet een wetenschapstheoretische studie naar de rol van landbouwwetenschappen en de LUW. Hierin wordt ingegaan op de karakteristieken die transfer-wetenschappen onderscheiden van meer disciplinaire wetenschappen; de vraag of er ontwikkelingen zijn die de specifieke positie van de huidige transferwetenschappen veranderen; en op de vraag of er veranderingen op handen zijn in de belangrijke karakteristieken van wetenschapsbeoefening. Een en ander vooral toegespitst op de landbouwwetenschappen. Het Bureau van de LUW maakt een synopsis van de bestaande strategiedocumenten van de LUW.
De verkenning 'Landbouwwetenschappen 2010'
startte in november 1995. De afronding is gepland in de zomer
van 1996. De kwaliteitsbewaking is in handen van een commissie
onder voorzitterschap van A.D. WolffAlbers (OCV), bestaande
uit A. Rörsch (NRLO), I.J. Schoonenboom (WRR), P. Vellinga
(OCV) en A.P. Verkaik (NRLO). In het verslagjaar kwam deze verkenningscommissie
één keer bijeen.
Deze studie wordt uitgevoerd gezamenlijk met RGO en RMNO. De discussie startte in 1993 en leidde tot een voorstel aan het Coördinatiefonds Sectorraden, dat in 1994 goedkeuring verkreeg. Achtergrondgedachte is dat een 'milieubewust' koopgedrag van de consument een bijdrage zou kunnen leveren aan een duurzame consumptie. Gezondheid is daarbij een harde randvoorwaarde. In 1995 is de studie uitgevoerd in twee delen: een studie naar de mogelijkheid om voedingsmiddelen te rubriceren naar gezondheid en milieuaspecten (uitgevoerd door IVM-VU); en een studie naar de vraag wat het koopgedrag van de consument bepaald en naar mogelijke strategieën ter beïnvloeding van dat gedrag (uitgevoerd door LUW en TU Eindhoven). Deze laatste studie is uitgebracht als NRLO rapport 95/7.
In maart 1996 volgt een workshop waarin de
resultaten van beide deelstudies aan de orde worden gesteld.
De recente verandering in het denken over de relatie tussen stad en land was voor de NRLO en het Netwerk RO (Ruimtelijk Onderzoek; voorheen PRO) aanleiding om de vraag naar onderzoek op de middellange termijn na te gaan. De relatie tussen 'stedelijke' en 'groene' activiteiten in zowel stad als landelijk gebied is behalve dynamisch ook asymmetrisch: de stedelijke invloed op het landelijk gebied is veel sterker dan omgekeerd. De dynamiek uit zich in de actuele politieke agenda, zoals de discussie over het groene hart, de bestuurlijke vraagstukken van grote steden en hun randgemeenten, de positie van landbouw en natuur, en de kwaliteit van openbare ruimten in en om steden. Onderzoek kan inzicht geven in de aard van de onderliggende maatschappelijke, economische en ecologische processen, in de gevolgen hiervan voor samenleving en milieu, en in de sturingsmogelijkheden voor het beleid.
Het SGBO (Onderzoeksbureau van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten), IBN-DLO en Staring Centrum-DLO kregen opdracht voor een studie naar de interactie stadland. Naast een analyse van de problematiek formuleren zij onderzoekthema's en doen zij een voorstel voor een kernprogramma van onderzoek.
Een brede commissie vanuit wetenschap en beleid
begeleidde deze studie met grote betrokkenheid maar ook met een
positief kritische opstelling. In de herfst van 1995 leidde dit
tot een nogal ingrijpende wijziging in de aanpak. In januari 1996
volgt een werkconferentie met vertegenwoordigers van de vraagzijde.
In mei 1996 moet dit leiden tot een beknopt, handzaam rapport
met ondermeer hoofdlijnen van onderzoek voor de komende 5 à
10 jaar. De NRLORaad en het Netwerk RO zullen daar medio
1996 hun advies aan toevoegen.
De laatste jaren wordt steeds meer onderzoek gedaan naar de wisselwerking tussen recreatie en natuur en milieu. Maar op onderdelen bestaat nog een duidelijke achterstand in kennis die nodig is ter ondersteuning van beleid en planvorming, zo constateerde de NRLO in de Meerjarenvisie Landbouwkundig Onderzoek 19951998.
Bij plattelandsvernieuwing speelt de ontwikkeling van het landschap in relatie tot recreatief gebruik en landschapswaardering een belangrijke rol. Buro Stroband analyseert dit aspect in opdracht van NRLO en RMNO en formuleert de behoefte aan onderzoek op middellange termijn. Daarnaast studeert dit bureau op een systeem van kwaliteitsbeoordeling in de recreatie. De studie richt zich op voor en nadelen, wenselijkheid en haalbaarheid van zo'n beoordelingssysteem op het niveau van multifunctionele gebieden. De studie wordt ondersteund door een kleine begeleidingscommissie met deskundigen uit onderzoek, beleid, planvorming en praktijk. Deze groep is intensief bij de voortgang van beide onderwerpen betrokken, hetgeen wederzijds als waardevol en stimulerend wordt ervaren. In december 1995 vond een workshop plaats over het kwaliteitsnormeringssysteem.
Hoewel beide onderdelen van de studie raakvlakken
hebben rechtvaardigen het uiteenlopende karakter van de gevolgde
analyses èn de aard van de conclusies en voorgestelde vervolgactiviteiten
publikatie in afzonderlijke rapporten. Deze zullen medio 1996
verschijnen.
Gezien de toenemende aandacht voor en complexiteit van toekomststudies ten behoeve van landelijke en stedelijke gebieden bezien de NRLO en het Netwerk RO of er behoefte bestaat aan bundeling van deskundigheid op dit terrein en of zo'n bundeling haalbaar is. Daarnaast is een cruciale vraag hoe de wisselwerking tussen beleid en toekomstgericht onderzoek kan worden verbeterd. Momenteel laat deze duidelijk te wensen over.
Een groep deskundigen uit wetenschap en beleid, onder voorzitterschap van J.P.A. van den Ban, is hierover advies gevraagd. De commissie wordt bijgestaan door het bureau Mentink Procesmanagement en betrekt bij haar analyse een brede groep deskundigen vanuit vraag en aanbodzijde. Dit middels een rondetafelconferentie, een workshop, interviews en een globale oriëntatie op de buitenlandse ervaringen en expertise. Op gezette tijden zal de commissie bijeen komen om de voortgang te bespreken en volgende stappen in gang te zetten. In het verslagjaar kwam de Commissie éénmaal plenair bijeen, terwijl verscheidene leden ook deelnamen aan een rondetafelconferentie in november. Daar stond de vraag centraal hoe reëel de behoefte vanuit overheden is aan toekomstgerichte studies.
De eindrapportage is voorzien voor september
1996.
Behoud van biodiversiteit is een betrekkelijk nieuw beleidsdoel dat zich richt op de totale verscheidenheid aan levensvormen. De ministeries van VROM, LNV en V&W vroegen een advies over de behoefte aan onderzoek en het beleidsmatig omgaan met het gebrek aan kennis op dit terrein. Dit verzoek kwam voort uit het UNCEDbiodiversiteitsverdrag van 1992 en het NMP2 actiepunt N59 dat zich richt op de eisen die het behoud van biodiversiteit stelt aan milieu en ruimte.
NRLO en RMNO richtten zich op een onderzoekprogrammering in hoofdlijnen voor de komende acht jaar. Daarin worden acht met elkaar samenhangende thema's onderscheiden. De Raad voor Natuurbeheer en de Raad voor Milieubeheer gingen in op het hanteren van onzekerheden en dragen daar een aantal strategieën voor aan. Dit onder begeleiding van een commissie van deskundigen uit wetenschap en beleid, onder voorzitterschap van dr. G. Bennett (RMNO). Deze voorzitter voerde ook periodiek overleg met de uitvoerders van de studie en de direct betrokkenen vanuit de Raadsbureau's over de voortgang, knelpunten en afstemming van de verschillende onderdelen. De organisatie van de studie berustte bij het RMNObureau. Essentieel voor de studie waren vijf discussiebijeenkomsten over beide hoofdonderwerpen. Zo'n 60 personen vanuit wetenschap, beleid, bedrijfsleven en praktijk namen daaraan deel.
Het advies en het daaraan ten grondslag liggend
rapport 'Omgevingskwaliteit voor biodiversiteit' zijn uitgebracht
als NRLO publikaties 95/9 en 95/10 en worden op 13 maart 1996
aan de Minister van VROM aangeboden. Een ad hocgroep, met
vertegenwoordigers van enkele departementen en onderzoekorganisaties,
zal medio 1996 een voorstel doen voor de implementatie van de
aanbevelingen.
In vervolg op het mest en ammoniakonderzoek van de afgelopen jaren is het noodzakelijk de gedachtenvorming te stimuleren over nieuwe concepten van landbouw, met een zeer aanzienlijk efficiëntere benutting van mineralen. Hiertoe is door ABDLO in samenwerking met AVEBE, de LUWvakgroep Veevoeding en de NRLO een verkennende studie uitgevoerd naar de stromen van N, P en C in de Nederlandse landbouw en naar de effecten van verschillende beschikbare en nog te ontwikkelen technologieën.
Het rapport (NRLO-studie nr. 94/3) wordt op
16 februari 1996 gepresenteerd tijdens een workshop. De studie
levert waardevolle inzichten op voor de toekomstverkenning Hulpstoffen
en Energie in Landbouwsystemen in 2015 (zie paragraaf 2.3.2).
Beïnvloeding van de microflora in het maagdarmkanaal van landbouwhuisdieren kan wellicht bijdragen aan een efficiëntere benutting van mineralen en hogere resistentie tegen pathogene kiemen. Hiervoor is meer inzicht nodig in de eigenschappen van de gewenste darmflora, de rol hiervan bij de competitieve uitsluiting van ziektekiemen ('kolonisatieresistentie'), hun effecten op de weerstand van het dier en de mogelijkheden om de microflora in de gewenste richting te beïnvloeden, bijvoorbeeld via probiotica en gefermenteerd voer.
In opdracht van NRLO en TNO vond een inventarisatie
plaats van beschikbare en ontbrekende kennis aan de hand van literatuurstudie
en gesprekken met deskundigen in binnen en buitenland. De
bevindingen, neergelegd in NRLO-rapport nr. 95/6, worden begin
1996 in een workshop gepresenteerd. Ze onderstrepen het belang
van een intensivering van het onderzoek op dit terrein.
Wegens de groeiende belangstelling in de Nederlandse
varkenshouderij voor systemen die de gezondheid van de dieren
positief beïnvloeden is in 1992 de NRLOtaakgroep Gezondheidsbevorderende
Houderijsystemen ingesteld. Deze Taakgroep presenteerde tijdens
een workshop op 31 maart 1995 haar eindrapport 'Op weg naar vrijwaring
van specifieke infectieziekten in de varkenshouderij' (NRLOrapport
nr. 95/4). De aanbevelingen voor onderzoek betreffen zowel de
structuur, de regionale spreiding als de bedrijfsspecifieke omstandigheden
die tot besmetting kunnen leiden. De aanbevelingen zijn inmiddels
uitgewerkt in een onderzoekprogramma.
De laatste jaren kwam veel informatie beschikbaar over de invloed van de huisvesting en verzorging op het welzijn van runderen, varkens en legkippen. In enkele kleinere sectoren zijn dergelijke wetenschappelijke gegevens vaak slechts sporadisch voorhanden. Als basis voor een eventuele intensivering van het welzijnsonderzoek heeft IDDLO in opdracht van de NRLO en in overleg met vele instanties een inventarisatie gemaakt van de momenteel beschikbare kennis over de ernst en omvang van de problemen in zeventien kleinere sectoren, waaronder de konijnen, eenden, kalkoenen, paarden, vleeskuiken, schapen en struisvogelhouderij (NRLO-rapport nr. 95/2).
De prioriteiten binnen een aantal sectoren
zijn op een workshop op 21 juni 1995 intensief besproken met vertegenwoordigers
van bedrijfsleven, maatschappelijke groeperingen en overheid.
In verschillende sectoren hebben de deelnemende partijen de gezamenlijke
intentie uitgesproken om te komen tot plannen van aanpak, waarvan
ook onderzoeksactiviteiten deel uitmaken.
Het zogenoemde drieluik van Onderzoek, Voorlichting en Onderwijs heeft lange tijd sterk bijgedragen aan het vernieuwend vermogen van de Nederlandse agrosector. Als gevolg van ontwikkelingen in de agrosector, in het overheidsbeleid en in de samenleving als geheel, heeft het drieluik evenwel in belangrijke mate aan betekenis ingeboet. Dit vormde aanleiding voor de NRLO om aan onderzoekers van STB-TNO en LEI-DLO de opdracht te geven een verkennende studie te doen naar de rol die het landbouwinnovatiesysteem moet spelen om de internationaal sterke positie van de Nederlandse agrosector te doen behouden.
In de studie is de opdracht langs twee wegen benaderd: via een uitwerking van algemeen-economische visies op de wisselwerking tussen concurrentievermogen en innovatie; en vervolgens via een vertaling van deze algemene visies voor de agrosector.
De studie eindigt met een indicatie van een aantal onderzoekthema's op dit gebied (NRLO-rapport nr. 95/3).
NRLO
Bezoekadres: Bezuidenhoutseweg 73, Den Haag
Postadres: Postbus 20401, 2500 EK Den Haag
telefoon: 070 - 3785694/5653
faxnummer: 070 - 3786149
e-mailadres: d.p.pieters@innonet.AGRO.NL
| Dr.Ir. A.P. Verkaik Directeur telefoon: 070 3785650 e-mail: D.P.Pieters@innonet.AGRO.NL | Prof.Dr.Ir. A. Rörsch Voorzitter telefoon: 070 3785692 e-mail: d.p.pieters@innonet.AGRO.NL |
| Ir. N.A. Dijkveld Stol Methodiekontwikkeling/Algemene Zaken telefoon: 070 3785652 e-mail: n.a.dijkveld.stol@innonet.AGRO.NL | Ir. J.M. Rutten Beleid/Maatschappij telefoon: 070 3785777 e-mail: j.g.de.wilt@innonet.AGRO.NL |
| Dr. H. Hetsen Natuur/Landschap telefoon: 070 3784106 e-mail: H.Hetsen@innonet.AGRO.NL | Mw. D.P. Pieters-van Wageningen Directiesecretaresse telefoon: 070 3785653 e-mail: D.P.Pieters@innonet.AGRO.NL |
| Dr.Ir. H.J. van Oosten Plantaardige Produktie en Afzet telefoon: 070 3785727 e-mail: H.J.van.Oosten@innonet.AGRO.NL | Mw. M.J.V. Schouten-Hattink Directiesecretaresse telefoon: 070 3785694 e-mail: d.p.pieters@innonet.AGRO.NL |
| Dr.Ir. J.G. de Wilt Dierlijke Produktie en Afzet telefoon: 070 3784774 e-mail: J.G.de.Wilt@innonet.AGRO.NL | Dr.Ir. J.M.P. Papenhuijzen Verwerking, Voeding en Gezondheid telefoon: 070 3784751 e-mail: d.p.pieters@innonet.AGRO.NL |
Mutaties
In het verslagjaar heeft de NRLO van enkele
oud-medewerkers afscheid genomen:
Ing. A. van den Berg vanwege VUT per april 1995
mw. A.H. Water-Jongboer wegens beëindiging dienstverband per januari 1995
Dr.ir. G. Weststeijn vanwege VUT per maart 1995
Ir. F.C. Zuidema vanwege VUT per september
1995
Tijdelijke medewerkers/stagiaires
Mw. M.J. van Gorsel (i.s.m. de directie Wetenschap
en Kennisoverdracht)
Studente Rijksuniversiteit Leiden, Vakgroep
Geschiedenis.
Ir. F.C. Zuidema heeft de begeleiding van een
aantal programmeringsstudies bij de NRLO, na zijn afscheid door
VUT in augustus 1995, voortgezet.
Maatschappij en bedrijfsleven
Ir. H.E. Clevering
J. van der Veen
Ir.ing. H. de Boon
P. Nijhoff
W. Meijer
Mr. M.J. Roos
Onderzoekwereld (tevens Dagelijks Bestuur)
Drs. N. van Heijst
Prof.dr.ir. R. Rabbinge
Prof.dr.ir. E.W. Brascamp
Dr.ir. B.G. Linsen
Prof.dr.ir. L.C. Zachariasse
Overheid (adviserende leden)
mw. Prof.dr. L. van Vloten-Doting (LNV)
Drs. A.J.M.M. Maes (EZ)
Dr. J. Marks (OCW)
Dr. G.J.A. Al (VROM)
Voorzitter: Prof.dr.ir. A. Rörsch
Secretaris: Dr.ir. A.P. Verkaik
Mutatie
In het najaar 1995 is dr. R.J. Bogers opgevolgd door prof.dr.ir. R. Rabbinge
 
Samenstelling Klankbordgroep LANDELIJK GEBIED
mw. Drs. M.B.C. Beckers-de Bruijn (Stichting
Natuur en Milieu)
P. Bennema (Interprovinciaal Overleg)
Prof.dr.ir. A. van den Brink * (LNV,
Dienst Landinrichting en Beheer Landbouwgronden)
Prof.ir. K. Kerkstra (LUW-Ruimtelijke Planvorming)
Drs. A.F. van de Klundert (SC-DLO)
Ir. H. van 't Land (Landbouwschap)
Ir. J.M.J. Leenen (Unie van Waterschappen)
Drs. A.A.M. Meuleman (VROM, Rijksplanologische
Dienst)
Ir. H.R. Oosterveld (LNV, Directie Natuurbeheer)
Dr. A.N. van der Zande (LNV, Directie Groene
Ruimte en Recreatie)
Secretaris: Dr. H. Hetsen
* voorzitter
Samenstelling Klankbordgroep PLANTAARDIGE PRODUKTIE EN AFZET
A. de Bruijn Bestuur (Proefstation Bloemisterij en
Glasgroente (PBG))
Ir. J.L. Ebbens (Landbouwschap)
Prof.dr..ir. E.A. Goewie (LUW-Vakgroep Ecologische
Landbouw)
Ir. P. Hijma (Hoofdproduktschap Akkerbouwprodukten)
Prof.dr.ir. W.M.F. Jongen (LUW-Vakgroep Levensmiddelentechnologie)
Ir. J. van der Kolk (VROM, DG-Milieubeheer)
T. van Meyel (Bestuur Proefstation Akkerbouw,
Groente in de Volle grond (PAGV))
Dr.ir. O.M.B. de Ponti * (Nunhems Zaden B.V.)
Prof.dr.ir. R. Rabbinge (WRR)
Ir. C.M.M. van Winden (LNV, Directie Landbouw)
Secretaris: Dr.ir. H.J. van Oosten
* voorzitter
Samenstelling Klankbordgroep DIERLIJKE PRODUKTIE EN AFZET
Dr.ir. H. Bakker (Nutreco International)
Prof.dr.ir. E.W. Brascamp (LUW-Vakgroep Veefokkerij)
Dr. Ph.J. van der Heijden (ID-DLO)
Prof.dr. M.C. Horzinek (Faculteit Diergeneeskunde, Afdeling Virologie (RUU))
Prof.dr. E.A. Huisman (LUW-Vakgroep Visteelt
en Visserij)
Dr. P.W. de Leeuw (Stichting Gezondheidszorg
voor Dieren)
Ing. H. Los (Landbouwschap)
Ir. B.J. Odink (Produktschap Vee, Vlees en Eieren)
J. de Veer * (Landbouwschap)
Ir. J.G.B. Venneman (Landbouwschap)
Secretaris: Dr.ir. J.G. de Wilt
* voorzitter
Mutaties
Medio 1995 is mw. Dr.ir. A.J. van der Zijpp
opgevolgd door dr. Ph.J. van der Heijden.
Medio 1995 is Mr. P. Ritsema uit de Klankbordgroep
getreden.
Samenstelling Klankbordgroep VERWERKING, VOEDING EN GEZONDHEID
Dr.ir. A.H. Eenink (ATO-DLO)
mw. Ir. M.J.H. de Haas (LNV, Directie Industrie
en Handel)
Prof.dr.ir. R.J.J. Hermus (TNO-Marketing en
programma)
Dr. O. Korver * (Unilever Research Laboratorium)
Dr.ir. J.M.G. Lankveld (VAI)
Dr.ir. B.G. Linsen
Ir. P.J.A. Spitters (Produktschap Vee, Vlees
en Eieren)
Prof.dr.ir. A.G.J. Voragen (LUW-Levensmiddelentechnologie)
Drs. S.S. de Vries (Landbouwschap)
Secretaris: Dr.ir. J.M.P. Papenhuijzen
* voorzitter
Samenstelling Klankbordgroep BELEID EN MAATSCHAPPIJ
Ir. N.D. van Egmond (RIVM)
Drs. G.A.M. van der Grind (Landbouwschap)
Drs. C.J. Kalden (LNV, Directie Personeel en
Organisatie)
Prof.dr.ir. G. Meester (LNV, Bureau Strategische
Beleidsvorming)
Prof.dr.ir. J.D. van der Ploeg (LUW-Vakgroep
Agrarische Sociologie niet-westerse gebieden)
Prof.dr. C.P. Veerman * (Nationale Coöperatieve Raad voor Land- en Tuinbouw (NCR))
Drs. W.J. van der Weijden (Centrum voor Landbouw
en Milieu (CLM))
Ir. H. Wieling (IKC-Landbouw)
Prof.dr.ir. L.C. Zachariasse (LEI-DLO)
Secretaris: Ir. J.M. Rutten
* voorzitter
Samenstelling Klankbordgroep VISSERIJ
Drs. H.G. van der Bend (Visserijcentrum)
Prof.dr. N. Daan (RIVO- DLO)
Ir. P.H.A. Hoogweg (V&W, Rijkswaterstaat)
Ir. P.A.M. Kleemans (LNV, Directie Visserij)
Drs. D.J. Langstraat * (Produktschap voor Vis
en Visserijprodukten)
L.E. Ouwehand
Drs. W. Smit (LEI-DLO)
Prof.dr. W.J. Wolff (IBN-DLO)
Secretaris: Dr. J.W.D.M. Henfling (RIVO-DLO)
* voorzitter
Dr.ir. P. Folstar (TNO)
Ir. M. Heuver * (DLO)
Prof.dr. C.M. Karssen (LUW)
Prof.dr. H.W. de Vries (RUU-Faculteit Diergeneeskunde)
Secretaris: Dr.ir. A.P. Verkaik
* voorzitter
Thema 1: Maatschappelijke en culturele positie van landbouw en natuur in de 21ste eeuw
Thema 2: Plattelandsontwikkeling
Thema 3: Afzet-, verwerkings- en produktiesystemen
in de 21ste eeuw
Deelverkenningen:
Agribusiness in 2010, onder invloed van internationalisering
Consument en Markt in 2010
Hulpstoffen en Energie in de Landbouw in
2015 (HELI 2015)
Thema 4: Vis en visserij in de 21ste
eeuw
Deelverkenning:
Internationalisering van
de vangstrechten
Thema 5: Organisatie van innovatie
Deelverkenning:
Landbouwwetenschappen in 2010 en de positie van de LUW
95/1 Besturingsmodel Agrificatie, maart 1995
95/2 Welzijnsproblematiek in een aantal veehouderijsectoren, februari 1995
95/3 Innovatie, concurrentievermogen en de agrokennisinfrastructuur, maart1995
95/4 Op weg naar vrijwaring van specifieke infectieziekten in de varkenshouderij, februari 1995
95/5 Overzicht verkennende studies; intern werkdocument, februari 1995
95/6 Microbiële ecologie van het maag-darmkanaal van landbouwhuisdieren, juni 1995
95/7 Consument, voeding en milieu, november 1995
95/8 Over de grenzen van het landelijk gebied; verslag afscheidssymposium Ir. F.C. Zuidema d.d. 29 augustus 1995
95/9 Advies Biodiversiteit: omgevingskwaliteit voor biodiversiteit; onderzoekprogrammering & hanteren van onzekerheid, december 1995
95/10 Rapport Biodiversiteit: omgevingskwaliteit voor biodiversiteit; onderzoekprogrammering & hanteren van onzekerheid, december 1995
NRLO-Werkprogramma 1995 - 1997, juli 1995; Werkdocumenten (startnotities) voor de verkenningen:
95.1 Duurzame ontwikkeling, februari 1995
95.2 Verkenningsmethoden, februari 1995
95.3 Scenariobouw en scenariogebruik, maart 1995
95.4 Gezondheidsbevorderende houderijsystemen in de varkenshouderij, maart 1995
95.5 Welzijnsproblematiek in een aantal veehouderijsectoren, juni 1995
95.6 Biodiversiteit: - onderzoekprogrammering, juni 1995
95.7 Biodiversiteit: - handelen in onzekerheid (1), juli 1995
95.8 Biodiversiteit- handelen in onzekerheid (2), augustus 1995
(i.s.m. RMNO/RNB/RMB)
95.9 Over de grenzen van het landelijk gebied, augustus 1995 (t.g.v. afscheid Ir. F.C. Zuidema)
95.10 Biodiversiteit: - kennisinfrastructuur, september 1995
95.11 Operationalisering duurzame ontwikkeling in de NRLO-verkenningen, september 1995
95.12 In kader van toekomstonderzoek Landelijk en stedelijk gebied, wisselwerking beleid-onderzoek, november 1995
95.13 Markt en consument 2010, december 1995
95.14 In kader van studie Recreatie-landschap, kwaliteitsnormeringssystemen openluchtrecreatie (i.s.m. RMNO), december 1995
95.15 Scenariogebruik in de NRLO-verkenningen, december 1995
J.M. Rutten
- Ten behoeve van een rapportage van het Office for Technology Assessment (VS) aan het Amerikaanse Congres is in samenwerking met het ISNAR (International Service for National Agricultural Research) een rapport opgesteld over ontwikkelingen in de financiering en structurering van het landbouwkundig onderzoek in Nederland vanaf het begin van deze eeuw tot begin jaren '90.
- Tot in mei 1995 geparticipeerd als coördinator in de Stuurgroep Technology Assessment (TA), in het kader van het het TA-onderzoekprogramma van LNV. Het coördinatorschap is overgedragen aan een medewerker van LNV-DWK.
- Deelgenomen aan het multi-disciplinaire onderzoekproject 'Input en output landbouwbedrijven', uitgevoerd door LEI-DLO, AB-DLO en LUW-vakgroep agrarische sociologie. De NRLO is opdrachtgever van dit onderzoek, dat in 1996 afgerond zal worden.
- Voordracht voor onderzoekteam van Phare (Oost Europa programma van de EU) over: Doel en Methode van toekomstverkenningen.
H.J. van Oosten
- Lid van de Commissie "Toekomst fruitteeltkundig
onderzoek".
Rapport: Advies over de aard en omvang van het toekomstig fruitteeltpraktijkonderzoek.
Ten behoeve van de strategievorming in het bestuur van het proefstation voor de fruitteelt. Juli 1995.
- Adviserend lid van de Programma Advies Commissies van de diverse tuinbouwsectoren.
- Adviserend lid van een aantal onderzoekcommissies in de akkerbouw.
- Lid kerngroep DTO-programma's:
. Duurzaam landgebruik
. High Tech Agroproduktie
H. Hetsen
- Betrokken bij de opzet van de studie van het LEI-DLO naar regionale grondbalansen tot 2015.
A.P. Verkaik
- Lid Klankbordgroep DTO-programma:
. Novel Protein Foods
- Strategisch Platform Beleidsvorming LNV
A. Rörsch
- "De biologie biologeert de wetenschappen; het toekomstperspectief van een wetenschap met pretenties".
Gepubliceerd in: Trends in de Wetenschap. Achtergronddocument bij de beleidsnota van NWO 1996-2001.
- Lid Visitatiecommissie ETH-Zürich.
Agrarische Faculteit van de Eidgenossische Technische Hochschule te Zürich, 3-7 april 1996
- Key-voordracht "Scenario's in agricultural developments" op de interne onderzoekconferentie van de Veterinaire Faculteit van de Rijksuniversiteit te Utrecht, d.d. 10 maart 1996
J.M.P. Papenhuijzen
- Voorbereidingscommissie EZ-symposium "Massa-individualisering"
| AB-DLO | DLO-Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek |
| ATO-DLO | DLO-Instituut voor Agrotechnologisch Onderzoek |
| CSHOB | Centrum voor Studies van het Hoger Onderwijsbeleid |
| CWTS | Centrum voor Wetenschap- en Technologiestudies |
| DLO | Dienst Landbouwkundig Onderzoek |
| DTO | Duurzame Technologische Ontwikkeling |
| DWK | Directie Wetenschap en Kennisoverdracht (voorheen DWT) |
| DWT | Directie Wetenschap- en Technologiebeleid (later DWK) |
| ETH | Eidgenossische Technische Hogeschule |
| EZ | Ministerie van Economische Zaken |
| fte | full-time equivalent |
| IBN-DLO | DLO-Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek |
| ID-DLO | DLO-Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid |
| IKC | Informatie- en Kenniscentrum |
| IVM-VU | Instituut voor Milieuvraagstukken (Vrije Universiteit) |
| KLV | Koninklijke Landbouwkundige Vereniging |
| LEI-DLO | DLO-Landbouw-Economisch Instituut |
| LNV | Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij |
| LUW | Landbouwuniversiteit Wageningen |
| NCDO | Nationale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling |
| Netwerk RO | Netwerk Ruimtelijk Onderzoek |
| NMP | Nationaal Milieubeleidsplan |
| NOVEM | Nederlandse Ontwikkelingsmaatschappij voor Energie en Milieu |
| OCV | Overlegcommissie Verkenningen |
| OCW | Ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen |
| RGO | Raad voor het Gezondheidsonderzoek |
| RIVM | Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne |
| RIVO-DLO | DLO-Rijksinstituut voor Visserijonderzoek |
| RMB | Raad voor het Milieubeheer |
| RMNO | Raad voor Milieu- en Natuuronderzoek |
| RNB | Raad voor het Natuurbeheer |
| RUU | Rijksuniversiteit Utrecht |
| SAR | 'Strategieën, Aspecten, Research' |
| SC-DLO | DLO-Staringcentrum |
| SGBO | Onderzoeks- en Adviesbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten |
| STB-TNO | TNO-Studiecentrum Technologie en Beleid |
| TNO | Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek |
| TPE-LUW | LUW-Theoretische Plantkunde en Ecologie |
| TU | Technische universiteit |
| UNCED | United Nations Commission on Economic Development |
| V&W | Ministerie van Verkeer en Waterstaat |
| VAI | Verenigde Nederlandse Voedsel en Agrarische Industrie |
| VROM | Ministerie van Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer |
| WRR | Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid |