Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek
|
Colofon
NRLO |
"Nederland heeft met zijn agrobeleid honderd jaar voorop gelopen in de wereld. Ons succes is onmiskenbaar. Maar... de instituties waarmee wij die successen hebben bereikt zijn in die honderd jaar nauwelijks veranderd terwijl de wereld om ons heen wél heel anders is geworden. Nu geldt dat natuurlijk ook voor vele andere bedrijfsactiviteiten, maar omdat wij in de agrosector 'koploper' zijn worden wij ook als eerste geconfronteerd met de veranderende omgevingsproblematiek. Wij zullen dus ook als eerste nieuwe wegen moeten vinden om onze positie op de wereldkaart te handhaven.'' Aldus Herman Wijffels in 1994. Hij gaf aan dat wij naast onze toekomstverkenningen naar ontwikkelingen in wetenschap en technologie, vooral ook oog zouden moeten hebben voor institutionele veranderingen. Twee jaar later zijn we dit als NRLO gaan aanduiden als 'systeeminnovatie'.
Bedrijven en overheidsinstanties zullen elk voor zich, en in samenspraak, verantwoordelijkheden nemen. En ze zullen daarbij een beroep doen op ondersteuning vanuit kennisinstellingen. Voor het leveren van een behoorlijke respons zullen echter aanzienlijke veranderingen in het functioneren van de kennisinfrastructuur nodig zijn. Met name is er behoefte aan meer transdisciplinaire samenwerking, investering in nieuwe kennis- en innovatiecreërende netwerken, ontwerpgerichte activiteiten vanuit een lange-termijn visie en meer synthese in plaats van analyse.
Binnen het krachtenveld van de publiek-private interactie heeft de NRLO afgelopen jaren een 'core'-competentie opgebouwd in het ondersteunen van deze transformaties. Deze is als zodanig ook al ingezet. De competentie berust op de combinatie van drie pijlers, kortweg aan te duiden als verkenning van (a) maatschappelijke ontwikkelingen, (b) ontwikkelingen in wetenschap en technologie, en (c) de organisatie van innovaties. In de vele verschenen NRLO-rapporten kan men lezen hoe een veranderde aanpak door de NRLO ook tot nieuwe inzichten heeft geleid. Ons werk heeft zeker nog niet geleid tot een recept voor de oplossing van alle opdoemende problemen, maar de nieuwe aanpak biedt beslist perspectieven. Vandaar dat we aan het begin van dit jaarverslag enige aandacht willen schenken aan enkele aspecten van onze werkwijzen, die 'even anders' waren dan die in de voorgaande veertig jaar.
Op de eerste plaats leveren die inzichten vooral het schrikbeeld op dat ogenschijnlijk onbelangrijke veranderingen in een klein domein enorme en desastreuze gevolgen kunnen hebben in een veel groter domein. Voor de verkenner betekent dat dat hij probeert zoveel mogelijk omgevingsvariabelen in kaart te brengen en daar gewichtsfactoren aan toe te kennen. Een tweede inzicht behelst echter de waarneming dat ook in ogenschijnlijk wanordelijke systemen een kans op zelf-organisatie is ingebouwd. Voor verkenners en besluitvormers levert dit de hoopgevende gedachte op dat kleine veranderingen weliswaar desastreuze gevolgen kunnen hebben, maar dat een klein duwtje tegen een andere omgevingsfactor mogelijk ook tot een gunstige zelf-organisatie van het systeem kan leiden. Wellicht niet direct de meest optimale oplossing, maar qua kosten-/batenverhouding een niet te versmaden. De erkenning van de complexiteit van systemen levert bovendien het inzicht op dat er voor één probleem meerdere oplossingen kunnen bestaan, èn dat het (denkbeeldig) reduceren van complexiteit niet de meest aangewezen weg is om ondoorzichtige problemen bevatbaar te maken. Daarmee loop je immers het gevaar mogelijkheden tot oplossingen voortijdig 'weg te reduceren'. Dit inzicht lijkt onder meer van belang voor de complexe publiek-private interactie. Het 'verkennen' daarvan, zonder a priori één algemene oplossingsrichting te kiezen, is wellicht de belangrijkste taak voor de nabije toekomst.
De ervaring leerde dat de Socratische ondervraging buitenshuis niet altijd als aangenaam werd ervaren. Er dient, vóór deze wordt aangegaan, een zekere vertrouwensbasis tussen de deelnemers te zijn ontstaan. En bij de aanvang van het werkprogramma 1994-1998 was het vertrouwen in het functioneren van de NRLO niet erg groot. Nog enige jaren werden wij wantrouwig bekeken als component van de in het landbouwcircuit vooronderstelde consensuscultuur. Dit noopte ons tot grotere omzichtigheid dan ons als 'hemelbestormers' eigenlijk lief was. Een zekere bescheidenheid was ook gepast, want een reputatie was niet gevestigd.
Op het moment dat dit verslag wordt geschreven, beslist de Minister van LNV - in casu de Bestuursraad van het Ministerie - over de wijze van voortzetting van de NRLO. Deze discontinuïteit maakt het, tijdens een interregnum, onmogelijk met enig gezag op de besluitvorming commentaar te geven. Dat hebben we overigens zelf zo gewild bij de aanvaarding van ons 'commitment' in 1994: bezie wat we in vier jaar presteren en besluit dan over continuering.
De activisten van 'NRLO nieuwe stijl' (stafleden, DB- en Raadsleden en netwerkmedewerkers) wachten uiteraard met grote belangstelling af of het principe van 'even anders', en van de Socratische benadering, mag overleven.
Arthur Rörsch
Voorzitter NRLO 1994-1998
Met deze verkenningen werd bewust een nieuwe weg ingeslagen. Een weg, die sterk afwijkt van het doen van onderzoek. Onderzoek in de klassieke Westerse betekenis is in wetenschappelijke disciplines georganiseerd, reductionistisch van aard en gericht op het verkrijgen van zekerheden. Onderzoek richt zich op het weten: op het vergroten van kennis en inzicht. Bij verkennen gaat het om een discipline overstijgende aanpak, met veel aandacht voor interacties tussen delen van een probleem. Het gaat om het opsporen van onzekerheden en trendbreuken met als uitdaging die niet om te vormen tot zekerheden, maar juist te leren ermee om te gaan. Bij verkennen gaat het niet alleen om het weten, maar ook om wat mensen willen en kunnen. Niet alleen om de feiten, maar ook om normen en waarden en maatschappelijke verhoudingen.
De NRLO koos het concept "duurzame ontwikkeling" als sturend uitgangspunt. Daarbij werd dit concept niet beperkt tot louter economische en ecologische aspecten, zoals halverwege de negentiger jaren gangbaar was, maar verbreed met maatschappelijke, culturele, technologische en ruimtelijke aspecten.
De deelverkenning over "Globalisering en internationalisering" benadrukte de grote betekenis van het streven om de wereldhandel te liberaliseren. De agribusiness staat wereldwijd voor een grote aanpassingsslag omdat de concurrentieverhoudingen op alle markten (ook de thuismarkt) sterk zullen veranderen. Naast de prijs zal het er steeds meer om gaan zich te onderscheiden van anderen in de markt door waarde aan producten toe te voegen of extra diensten te leveren. Het zal erom gaan kennis tot waarde te brengen: kennis wordt dé concurrentiefactor van de toekomst. Ook wordt het belangrijk om zich, naast export, daadwerkelijk in buitenlandse markten te nestelen om zo beter aan te kunnen sluiten bij de culturele karakteristieken van zo'n specifieke markt. Dat betekent ook het organiseren van lokale netwerken om het contact met markt en consument te optimaliseren. Kennisinstellingen zullen daar alert op moeten inspelen. Ook zij zullen hun kennis tot waarde moeten brengen in een concurrerende internationale markt. Dat betekent een andere attitude van instellingen én individuele onderzoekers in hun relaties met het bedrijfsleven. Onderzoek op contract en onder geheimhouding zal sterk toenemen. Daarnaast zullen kennisinstellingen zich dienen te profileren als meedenkers (co-innovators) in innovatieprocessen van klanten en zullen zij het vermogen moeten ontwikkelen om als kennismakelaar te opereren. Vanuit deze inzichten is voorgesteld om in Wageningen naast de sterke technologische positie ook een sterke positie te ontwikkelen op het gebied van kennis over het internationaal ondernemen en daartoe (en daarmee) aansluiting te zoeken bij de internationale agribusiness. Dit voorstel wordt door de divisie Kenniseenheid Maatschappijwetenschappen van Wageningen UR momenteel uitgewerkt. De aanbeveling dat kennisinstellingen zich meer als onderneming moeten profileren en hun kennis en expertise op de internationale markt tot waarde moeten brengen wordt binnen Wageningen UR actief opgepakt. Het rapport (98/2) werd in februari 1998 aangeboden aan de voorzitter van de Raad van Bestuur van Wageningen UR.
In de deelverkenning "Markt en consument" vormde een van de meest markante aandachtspunten de 'massa-individualisering' en de gevolgen daarvan voor het bedrijfsleven. De massa van consumenten is steeds minder op te delen in de bekende segmenten. Het gaat meer en meer om een massa van individuele consumenten met een onvoorspelbaar gedrag. Ondernemers moeten daarop zien in te spelen met individueel maatwerk op de juiste tijd en plaats. En dat vraagt een ander, uiterst flexibel en responsief gedrag. Daartoe zullen de bestaande, relatief starre agroketens moeten veranderen in meer open netwerken. In Westerse markten, waarin de agribusiness een sterke positie heeft, zal het accent verschuiven van massaproducten naar producten met toegevoegde waarde. Nieuwe markten, waar ook ter wereld, zullen moeten worden geëxploreerd om nieuwe kansen te benutten. Vanuit deze verkenning zijn verschillende acties voorgesteld. De belangrijkste is een kenniscentrum voor integrale keten- en netwerkkunde, waarbij transport, distributie en logistiek binnen de randvoorwaarden van milieu, ruimte en leefbaarheid nadrukkelijk worden meegenomen. Dit voorstel heeft bijgedragen aan het in de herfst van 1998 in ICES-verband totstandkomen van een kenniscentrum "Ketens, Logistiek en ICT" (KLICT). Daarnaast is voorgesteld een informatie- en kennissysteem te ontwikkelen over nieuwe markten. Een prototype "data warehouse" voor de agribusiness wordt door een consortium van kennisinstellingen, overheid en bedrijfsleven ontwikkeld. LEI-DLO is daarin projectleider. Het rapport (98/3) werd in februari 1998 aangeboden aan de voorzitter van de Vereniging van Agrarische Industrie (VAI).
De deelverkenning "Landbouw en milieu" leidde tot het inzicht dat het realiseren van een duurzame landbouw vraagt om een werkelijk nieuwe aanpak. De lange termijn doelstellingen zijn dermate scherp dat deze niet bereikt kunnen worden met end-of-pipe of procesgeïntegreerde oplossingen op bedrijfsniveau. Nodig zijn structurele vernieuwingen of systeeminnovaties die het individuele bedrijf en de sector overstijgen. Bij dergelijke vernieuwingen zullen steeds meerdere partijen nodig zijn, meerdere bedrijven, andere sectoren (ook van buiten de landbouw), lokale en regionale bestuurders en maatschappelijke organisaties. Van de betrokkenen vraagt dat een perspectiefwijziging: van uitsluitend productie-oriëntatie naar een oriëntatie waarin ook andere maatschappelijke waarden tot hun recht komen. Een belangrijke actie vanuit deze verkenning is het opzetten van een innovatieprogramma voor milieugerichte systeeminnovaties. De NRLO heeft deze ideeën in ICES-verband samen met Rijnconsult verder uitgewerkt in een businessplan "Initiatief Duurzame Voedselvoorziening". ICES heeft echter geen additionele middelen voor het plan ter beschikking gesteld. Momenteel wordt nagegaan hoe het plan toch tot uitvoering kan worden gebracht. Een pleidooi voor het opzetten van een sociaal wetenschappelijk netwerk voor landbouwmilieuvraagstukken heeft ertoe bijgedragen dat binnen Wageningen UR nu expliciet aandacht wordt besteed aan de positie van maatschappij- en gedragswetenschappen binnen het landbouwkundig onderzoek. Tot slot is gepleit voor de vorming van een netwerk voor monitoring- en managementinformatie op landbouwmilieugebied. De belangrijkste instellingen (RIVM en LEI-DLO) hebben de bereidheid uitgesproken om tot een koppeling van gegevensbestanden te komen en daarbij ook anderen te betrekken. Het rapport (98/4) werd in februari 1998 aangeboden aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM).
In de deelverkenning "Naar een gezonde veehouderij" bleek dat de sterke positie van Nederland op het gebied van diergezondheid wordt bedreigd door factoren die voor een flink deel liggen buiten de invloedssfeer van de betrokkenen. Een relatieve sterke positie dreigt om te slaan in een zwakke. De uitdaging voor het komende decennium is om met bedrijfsleven, overheid, maatschappelijke groeperingen en kennisinstellingen nieuwe strategieën te ontwerpen en duurzame oplossingen te vinden. Ook in deze verkenning zijn diverse acties voorgesteld. In de eerste plaats de opzet van een innovatieprogramma diergezondheidsstrategieën gericht op vrijwaring en beheersing van dierziekten. Het Beleidsbesluit Diergezondheid, dat in december 1998 naar de Tweede Kamer is verzonden, voorziet hierin slechts zeer ten dele. Een tweede voorstel betreft een expertisenetwerk voor epidemiologie van dierziekten. Het plan om een monitoringsysteem voor dierziekten op te zetten (Beleidsbesluit Diergezondheid) spoort hier in belangrijke mate mee. Daarnaast bepleit de NRLO een nieuw opleidingenprogramma voor beleidsepidemiologen en veterinaire kwaliteitsmanagers. De Raad van Bestuur van Wageningen UR heeft opdracht gegeven om voorstellen te ontwikkelen voor het verbeteren van de samenwerking met de Universiteit Utrecht op het gebied van het veterinaire onderwijs. De NRLO-voorstellen krijgen in dit verband aandacht. Een vierde voorstel betreft een innovatieprogramma geïntegreerde veehouderijsystemen. In het verlengde hiervan heeft LNV het ID-DLO verzocht samen met andere DLO-instellingen een nieuw onderzoeksprogramma "Geïntegreerde veehouderijsystemen" op te zetten. Het rapport (98/5) werd in februari 1998 aangeboden aan de verantwoordelijke Directeur-Generaal van LNV.
In mei 1998 presenteerde de NRLO op een discussiebijeenkomst in de Beurs van Berlage te Amsterdam de eindrapportage (98/20). De verantwoordelijk Directeur-Generaal van LNV, nam deze namens de Minister in ontvangst. Als kernopgave voor de agrosector voor de komende jaren wordt gezien het tot stand brengen van nieuwe kennis- en innovatiecreërende netwerken. Netwerken waarin ook andere partijen dan actoren uit de agrosector deelnemen. Netwerken die, meer dan thans, recht doen aan verschillende waarden in de maatschappij en inspelen op de toenemende pluriformiteit in bedrijfsvormen. De agrosector kan zich alleen duurzaam ontwikkelen als zij veel meer dan thans een bijdrage levert aan de kwaliteit van de samenleving. De netwerken zullen ook steeds meer een internationaal karakter moeten krijgen.
In 1998 is het onderzoekprogramma voor stad en land gereed gekomen. Dit programma voor fundamenteel en strategisch onderzoek naar de interactie van stad en land is in 1998 ingediend bij het gebiedsbestuur Maatschappij en Gedragswetenschappen van NWO. Het programma breekt met de gescheiden kennisontwikkeling voor de problematiek van stad en die van land. Het onderwerp past binnen het thema 'Integraal Ruimtegebruik' in het Wetenschapsbudget 1997. Men overweegt dit programma in 1999 als stimuleringsprogramma op te nemen. LNV is bereid tot medefinanciering. Financiering door andere departementen is noodzakelijk. Ook dit programma kan bijdragen aan de realisering van een kennis- en innovatienetwerk voor de groene ruimte.
In 1998 is verder gewerkt aan het project 'Kennis in plattelandsvernieuwing'. Dit project bouwt voort op het advies in 'Groene ruimte op de kaart!' om een aantal kennis- en innovatiecentra voor plattelandsontwikkeling in te stellen. Deze zouden de regionale netwerkvorming rond innovatie van het platteland moeten faciliteren. Tevens zouden via dergelijke centra vormen van interactieve kennisvorming beproefd kunnen worden. Zij participeren in vernieuwingsprojecten en vormen een schakel tussen de meer op generieke kennis georiënteerde instituten en universiteiten en de actoren met ervarings- en gebiedskennis die betrokken zijn bij concrete innovatieprojecten. Een van de doelen van het project is om, rekening houdend met de typische kenmerken van kennisgebruik en kennisvorming rond plattelandsvernieuwing, aanbevelingen te doen omtrent kennismanagement, persoonlijke vaardigheden en de institutionele vormgeving van de kennisontwikkeling. In maart 1999 is het verslag van die studie gereed. Naar verwachting zijn de resultaten en het te geven advies relevant voor de nota 'Vitaal platteland' die de Minister van LNV zomer 1999 zal uitbrengen.
In juni 1998 belegde de NRLO een workshop over 'Toekomstonderzoek en omgevingsbeleid'. Deze workshop borduurde voort op een studie die de commissie "Van den Ban" eerder uitvoerde in opdracht van NRLO en Netwerk RO (97/2 en 97/3). De commissie constateerde onder meer een kloof tussen enerzijds de uitvoerders van toekomstverkenningen en anderzijds de potentiële gebruikers ervan in kringen van strategische beleidsvorming. In de workshop werd nagegaan in hoeverre in het licht van recente ervaringen met toekomstverkenningen (Nederland 2030, Natuurverkenningen, de CPB lange-termijn scenario's) de conclusies van de Commissie Van den Ban staande konden blijven en of er draagvlak kon worden gevonden voor enkele voorstellen van die commissie. Dat laatste bleek het geval te zijn.
Vervolgens hebben NRLO en Netwerk RO zich gewend tot de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. De WRR is immers bij uitstek een orgaan dat met gezag kan oordelen over de kwaliteit van toekomstonderzoek en de relatie met strategisch beleid. Uit dit contact is een project voortgekomen met als kern het tot stand brengen van een leertraject waarin ervaring wordt opgedaan met het interactief ontwikkelen en uitvoeren van toekomstonderzoek ten dienste van het omgevingsbeleid. Centraal staat het achterhalen van mogelijke manieren van werken en het ontwikkelen van breed toe te passen technieken die tegemoet komen aan de wens om de kloof tussen toekomstonderzoek en omgevingsbeleid te overbruggen.
Inmiddels heeft ook de Raad voor het Milieu en Natuur Onderzoek zich aangesloten. Het project zal twee jaar duren en gaat in het voorjaar van 1999 van start.
In opdracht van de NRLO en het Productschap voor Vis en Visproducten heeft het LEI-DLO een strategische verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden om de distributiefunctie van de Nederlandse vissector op de Europese markt te versterken. Het onderzoeksgedeelte van deze verkenning kwam eind 1998 gereed. Ook hier kwam weer naar voren dat zoiets alleen gerealiseerd kan worden door middel van een omvattende, gezamenlijke actie door alle partijen in de visketen. In 1999 volgt een symposium en een nadere uitstippeling van levensvatbare strategieën.
Een van de conclusies van de verkenning is dat ook deze sector in toenemende mate geconfronteerd wordt met ruimtelijke beperkingen. In het relatief jonge beleidsgebied van de Coastal Zone Management (CZM) komt dit scherp tot uitdrukking. Aan het Instituut voor Milieuvraagstukken (IVM) is eind 1998 de opdracht gegeven om vast te stellen of nieuwe, dan wel te verwachten ontwikkelingen in CZM aanleiding kunnen geven tot nieuwe vragen of werkwijzen voor de kennisinfrastructuur in Nederland.
Deze W&T-verkenning behelsde drie fasen:
W&T-gebieden:
| 1. Sensortechnologie | 6. Productie-ecologie |
| 2. Intelligente dataverwerking en procesbesturing | 7. Veterinaire epidemiologie |
| 3. Nanotechnologie | 8. Bewaren en verpakken |
| 4. Moleculaire biologie bij planten | 9. Beleidsprocessen in het landelijk gebied en ICT |
| 5. Moleculaire biologie bij dieren | 10. Aquacultuur |
Vervolgens zijn in de eerste helft van 1998 de sterke en zwakke punten van de kennisinfrastructuur voor deze W&T-gebieden door STB-TNO in kaart gebracht met een methode die in opdracht van de NRLO werd ontwikkeld. De kernelementen van deze methode zijn: middelenpositie, systeemkenmerken en performance. Deze elementen zijn vertaald in kenmerken die kunnen worden beoordeeld aan de hand van uiteenlopende indicatoren (zie tabel). De bruikbaarheid van deze methode is gebleken in enkele case-studies.
W&T-gebieden:
| Kenmerken | Indicatoren | |
| Middelenpositie |
Capaciteit(sontwikkeling) Financiering Continuïteit |
Aantal en omvang groepen Geldstromen Opvolging "trekkers" |
| Systeemkenmerken |
Inbedding in netwerken Aansturing |
Aantal, sterkte en invloed van netwerken Co-publicaties en -citaties Centrale actoren in netwerk |
| Performance |
Wetenschappelijke kwaliteit Maatschappelijke bruikbaarheid |
Publicaties en citaties Peer reviews Deelname in "Centres of Excellence" Contractresearch Licenties, octrooien |
Bij deze sterkte/zwakte-analyse is zowel gebruik gemaakt van feitelijke informatie, bijvoorbeeld uit jaarverslagen en visitatierapporten, als van expert-oordelen. De resultaten zijn in de tweede helft van 1998 bediscussieerd in workshops met onderzoekers, beleidmakers en gebruikers. De sterkte/zwakte-analyses en de verslagen van de workshops worden binnenkort gepubliceerd. Ook zijn per W&T-gebied voorstellen voor actie geformuleerd door driemanschappen bestaande uit een DB-lid, een staflid en een derde persoon. Deze voorstellen zullen in de vorm van briefadviezen begin 1999 worden aangeboden aan de meest betrokken stakeholders en zullen daarna ook breder worden verspreid.
De resultaten van de sterkte/zwakte-analyse zijn in hoge mate specifiek per W&T-gebied. Desondanks zijn er enkele punten die bij meerdere W&T-gebieden terugkomen:
Innovatie is mensenwerk, zo luidt het cliché. Geen innovatie zonder samenwerking, wedijver, getob en geploeter door uiteenlopende betrokkenen. Innovaties gaan dan ook niet zonder een of andere vorm van organisatie - deels bewuste, deels impliciete organisatie. Met 'organisatie' wordt hier gedoeld op de afspraken, voorzieningen, voorwaarden en processen die functioneel zijn voor het welslagen van innovaties. Om deze brede invalshoek hanteerbaar te houden is ingezoomd op een aantal specifieke organisatie-aspecten van innovatie:
1.3.3. Systeeminnovaties
Hoe kom je tot 'vernieuwingen op systeemniveau'? En waar zou je kunnen beginnen? Tijdens een conferentie van de NRLO, december 1998, stonden deze vragen centraal.
Van NRLO-zijde werd allereerst ingegaan op de perspectiefwijzigingen die het streven naar duurzame ontwikkeling van agrosector en groene ruimte met zich brengt. Voor het innovatiebeleid van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties hebben die perspectiefwijzigingen grote gevolgen. Ze vragen om andere, deels nieuwe doelen en ook om andere, deels nieuwe handelingswijzen.
Wie werk wil maken van de ambitie om het brede palet van maatschappelijke waarden leidend te doen zijn voor de ontwikkelingen in de agrosector, zal dat niet in zijn eentje kunnen. Individuele ondernemingen en organisaties zijn misschien heel geschikt om producten, diensten en processen te vernieuwen, maar van hen mag niet verwacht worden dat zij - ieder voor zich en geheel op eigen kracht - gevolg kunnen geven aan de roep om multifunctioneel ruimtegebruik, om drastische verbetering van de milieu-efficiency, of om het realiseren van behoeftengestuurde netwerken. Dergelijke bedrijfs- en organisatie-overstijgende ambities vragen ook om vernieuwing van markten en van omgevingen, oftewel van systemen.
Systeeminnovatie vraagt van de betrokken partijen zeer veel openheid, vertrouwen, creativiteit, en betrokkenheid bij het vernieuwingsproces. Het besturen van systeeminnovaties wordt daarmee heel andere koek dan menig bestuurder gewend is, ongeacht of het om een ambtenaar, een ondernemer of een belangenvertegenwoordiger gaat.
Daarnaast doen systeeminnovaties een specifiek beroep op de inzet van kennis. Voor systeeminnovaties is kennis nodig over de precieze knelpunten die duurzame ontwikkeling tegenhouden of remmen, over welke oplossingen er zoal bedacht kunnen worden, en over manieren om tegemoet te kunnen komen aan de diversiteit aan wensen. En hoe onoverkomelijk zijn vermeende 'onmogelijkheden'? Dergelijke kennis kan niet op bestelling geleverd worden.
De Directeur van de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (ir. G. van Oosten), eerder betrokken bij The Greenery, legde vooral nadruk op de noodzakelijke openheid en creativiteit van participanten in vernieuwing. Zo'n 95% van de mensen werkt voornamelijk 'op de automatische piloot' en staat niet bepaald open voor veranderingen. Die mensen gaan op de rem staan. Bijvoorbeeld door vraagstukken te ontkennen of te versimpelen. Of men erkent ze wel maar vindt dat ánderen daar maar iets op moeten verzinnen. Tribunegedrag, werd dit genoemd. De angst voor veranderen vind je ook terug bij bestuurders: er zijn er maar heel weinig die fundamentele keuzen durven maken. Liever blijft men ieders vriend. En het moeilijkste zijn tenslotte de 'professionele remmers'. Mensen die heel goed in de gaten hebben hoe de hazen lopen en precies weten hoe ze op het goede moment zand in de machine kunnen gooien. Het zijn de mensen met de verborgen agenda's. De veranderingsprocessen in de agrosector mogen niet geromantiseerd worden. Tegenwerking kan uit alle hoeken komen. Enige druk van buiten kan natuurlijk helpen, maar helaas is het heel moeilijk om alle betrokken partijen tegelijk onder druk te zetten.
Een senior beleidsmedewerker van Rijkswaterstaat (ir. A. de Rooij) benadrukte de noodzaak van perspectiefwisseling. De kunst is om uit het bestaande denken te stappen, zo hield hij zijn gehoor voor. We zijn enorm geneigd het oude te herhalen: nog groter, nog breder. Zo is Nederland al volgelopen met infrastructuur. Een heel andere vraag kan zijn: hoe komen we eráf?
Vernieuwing wordt belemmerd door de orde die we met elkaar hebben ingezet. Orde is natuurlijk nodig, maar voor werkelijke vernieuwing zal ook een fase van 'creatieve chaos' nodig zijn. Zet een kleine groep (5 tot 15 mensen) bij elkaar en spoor die aan om vooral hun persóónlijke idealen te verwoorden en te verdiepen. Dus los van belangen. Even is álles interessant en wordt nérgens over geoordeeld. Pas later komt er weer orde en worden de opgeborrelde ideeën beoordeeld op basis van argumenten. En ook vooraf moet er orde zijn: de directie moet zich committeren en globale procesgrenzen vaststellen in termen van tijd en geld.
In de discussie kwam vooral de veelheid aan partijen aan de orde. Voor systeeminnovaties heb je een breed draagvlak van betrokkenen nodig, maar hoe regisseer je dat? Hoe bereik je bijvoorbeeld gelijkwaardigheid van stakeholders? Of moet je dat niet willen? Is het wellicht voldoende om alleen de invloed van de meest dominante stakeholders in te perken? Men werd het in elk geval eens dat je een 'traject-regisseur' nodig hebt, en dat die het vooralsnog met vallen en opstaan zal moeten leren.
De evaluatie onder de deelnemers leerde hoezeer het onderwerp leeft. Ruim 90% zei op de korte conferentie stof tot nadenken opgedaan te hebben voor de eigen praktijk.
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | Totaal | |
| Personeel in fte (gefinancierd door LNV) | 7,7 | 8,1 | 8,8 | 8,9 | |
| Materiële lasten (gefinancierd door LNV) huisvestings-, bureau-, reis-, automatiseringskosten, drukwerk, diensten derden | 272 | 316 | 311 | 353 | |
| Programmabudget (gefinancierd door LNV) | 500 | 1.599 | 1.397 | 1.188 | 4.684 |
| Programma's gefinancierd door derden | 120 | 380 | 1) | -- | 500 |
| Programmeringsstudies (gefinancierd uit Coördinatie-fonds Sectorraden) | 160 | 360 | 340 | -- | 860 |
Het programmabudget onderverdeeld naar thema:
| 1995 | 1996 | 1997 | 1998 | Totaal | ||||||
| . Verkenning maatschappelijke dynamiek | 395 | 882 | 871 | 1.027 | 3.175 | |||||
| Maatschappelijk-culturele positie landbouw en natuur | 30 | 19 | 125 | 5 | 179 | |||||
| Agrosector | -- | 593 | 377 | 412 | 1.382 | |||||
| Plattelandsontwikkeling | 60 | 126 | 282 | 143 | 611 | |||||
| Vis en visserij | 305 | 144 | 57 | 189 | 695 | |||||
| Overige | -- | -- | 30 | 278 | 308 | |||||
| . W&T-verkenningen | -- | 262 | 326 | 110 | 698 | |||||
| . Organisatie van innovatie | 105 | 455 | 200 | 51 | 811 | |||||
| Totaal | 500 | 1.599 | 1.397 | 1.188 | 4.684 | |||||
The NRLO decided to take the concept of 'sustainable development' as a guiding starting-point. However, the concept was not limited to exclusively economic and ecological elements, as was usual during the mid 1990s; instead, it was understood to incorporate social, cultural, technological and spatial elements as well.
3.1 Social dynamics
3.1.1 The social and cultural positions of nature and agriculture in the 21st century
Central to the study was the idea that agriculture should find new grounding in society. This could be achieved in four ways: through a multitude of high-quality products; by applying sound production methods that are careful about animals, the environment, landscape and nature; by taking into consideration cultural-historical values; and by making maximum use of scanty space. In this context the study argued in favour of an agriculture that will opt for a strategy of transparency, clear interactions with society and pluralism, i.e. pluralism in its relations with society, in spatial developments and in individual business developments. These developments will make demands upon the interaction between agriculture and - agricultural - knowledge infrastructure. It was argued that the Wageningen University and Research Centre (Wageningen UR) should create room to accommodate varied scientific approaches, beliefs and perceptions while making use of the knowledge, insights and skills available outside agriculture or the agricultural knowledge system (including experiential knowledge, ("tacit knowledge") with the parties involved as well as the formal knowledge of researchers). This foresight study was published in a report called 'Agriculture in Society: A New Perspective' (98/1E).
3.1.2 Agribusiness
3.1.3 Rural areas
The end report exploring rural area developments was published under the title 'Rural Areas Put on the Map' (98/19); it was presented to the Minister of LNV in May 1998. It covers four major issues: the quality and livability of multi-functional rural areas; the interaction between town and countryside; internationalisation and rural areas; and process control in rural areas. The report makes a case for a knowledge and innovation network for rural areas. The so-called 'Assessment Network for Multi-Purpose Use of Space' (EMR) may contribute to the case. There is a strong emphasis on bringing together public and private parties, various types of knowledge, knowledge bases about town and countryside as well as knowledge and innovative solutions that make possible a multi-purpose use of space.
In 1998 the research programme for town and countryside was concluded. The programme breaks out of the division in knowledge development regarding the problems of town and countryside. The issue agrees with the theme of 'Integrated use of space' in the 1997 Science Budget. The programme may contribute to establishing a knowledge and innovation network for rural areas.
The suggestion made in 'Rural Areas Put on the Map' to establish a number of knowledge and innovation centres for rural area development was taken as a starting-point in a project called 'Knowledge in countryside innovation.' The centres were aimed to facilitate building regional networks around countryside innovation. Also, these centres were thought to provide an opportunity to test several types of interactive knowledge development. One of the project's objectives is to put forward recommendations on knowledge management, personal skills and the institutional design of knowledge development.
In an NRLO study about 'Foresight studies and policy-making in town and country planning' it was concluded that there was a gap between those conducting the foresight studies, on the one hand, and their potential users in circles of strategic policy-makers, on the other. This has resulted in a new project which is essentially designed to establish a learning trajectory for gaining experience in interactive ways of developing and conducting foresight studies for the benefit of physical-planning policy-making. The project is due to start in 1999 and it will be carried out by the Advisory Council on Government Policy (WRR).
3.1.4 Fisheries
May 1998 the foresight study on fisheries and aquaculture was also presented to the Minister of LNV. Although initially the study was strongly focused on sea fishing, this gradually appeared to be too great a limitation on a foresight study. More interesting growth opportunities outside sea fishing appeared to be found in various types of aquaculture and in marification or - different - uses of aquatic biomass. Workshops made it clear that enterprises, knowledge institutes and government agencies needed to make joint efforts to exploit the possibilities of aquaculture.
Thus, a strategic exploration was carried out to study the possibilities of strengthening the distribution function of Dutch fisheries and aquaculture on the European market. The investigative part of the study was concluded toward the end of 1998. Here, too, it appeared that this could be realized only through a joint and comprehensive action by all the parties in the fish chain. A symposium and a more detailed outline of feasible strategies will follow during 1999.
One of the conclusions of the foresight study is that this sector, too, will be increasingly faced with spatial limitations. This will be particularly pronounced in the comparatively young policy-making area of Coastal Zone Management (CZM). Late 1998 the Institute of Environmental Studies (IVM) was assigned the task to establish new or anticipated developments in CZM which might result in new questions or new procedures for the knowledge infrastructure of the Netherlands.
3.2 The dynamics of science and technology
The study on science and technology (S&T) was carried out in three stages:
Applying a method that was developed at the request of the NRLO, the Centre for Technology and Policy Studies (STB-TNO) identified the strengths and weaknesses of the knowledge infrastructure for those S&T areas. The key elements of the method included: resource position, system characteristics and performance. The elements were translated into qualities that could be assessed by using various indicators (see table below). Several case-studies demonstrated the usefulness of the method.
Action proposals were drawn up for each individual S&T area. Early 1999 the proposals will be made public in the form of advising letters. The analysis in terms of assets and liabilities appeared to result in specific conclusions for each S&T area. Nonetheless, several issues were found repeatedly in various S&T areas:
3.3 Organising innovation
3.3.1 The foresight study in a nutshell
Innovation is a work of man, as the cliché goes. No innovations without collaboration, rivalry, worries and drudgery on all parts of those involved. Thus, innovations are not possible without some form of organisation - either intentional or implicit. 'Organisation' is referred to here as including the arrangements, facilities, conditions and processes that are essential to the success of innovations. In an effort to make this broad perspective easier to manage, the study has zoomed in on a number of specific organisational elements of innovation:
3.3.2 The perspective of agricultural education
At the request of the LNV Directorate for Science and Knowledge Transfer (DWK), NRLO and STOAS Research have jointly conducted a strategic exploration to examine points of departure for agricultural education in the NRLO foresight studies. The study covered the entire path of agricultural education.
The end report (98/24) provides a broad outline of the challenges faced by agricultural education, including the changing demands made by the labour market as well as changing ideas about knowledge and learning.
3.3.3 A methodology for judgement the social values of university research
Wageningen Agricultural University, the Association of Universities in the Netherlands (VSNU), the Centre for Development Cooperation (COS) and the NRLO jointly have commissioned a project that is designed to include agricultural research in regular VSNU research assessments. As a whole, the objective of the study is to support the assessment committee in examining differences in research orientations between research programmes as well as programme performance in relation to its social mission and objectives. The methodology design is due to be published in 1999.
Prof.dr.ir. A. Rörsch
Ir. N.A. Dijkveld Stol
Dr. H. Hetsen
Dr.ir. H.J. van Oosten
Dr.ir. J.M.P. Papenhuijzen
mw. D.P. Pieters-van Wageningen
Ir. J.M. Rutten
mw. M.J.V. Schouten-Hattink
Dr.ir. J.G. de Wilt
mw. Y. van Zelst-van Wetten
Onderzoekwereld (tevens leden Dagelijks Bestuur)
Overheid (adviserende leden):
Voorzitter : Prof.dr.ir. A. Rörsch
Mutatie
Door de NRLO zijn in de periode 1996-1998 een 50-tal workshops/studiedagen/ronde tafelbijeenkomsten georganiseerd met in totaal ca 1.500 deelnemers. Het gaat hierbij in totaal om ruim 900 verschillende personen, waarvan 247 personen aan meer dan één bijeenkomst hebben deelgenomen.
In het verslagjaar zijn de volgende bijeenkomsten georganiseerd:
N.A. Dijkveld Stol:
H.J. van Oosten:
J.M.P. Papenhuijzen:
A. Rörsch:
H. Rutten:
A.P. Verkaik:
J.G. de Wilt:
Ten S&T areas were selected:
1. Sensor technology
6. Production ecology
2. Intelligent data processing and process control
7. Veterinary epidemiology
3. Nano technology
8. Storage and packaging
4. Molecular biology: plants
9. Policy-making processes in rural areas and ICT
5. Moleculaire biology: animals
10. Aquaculture
Qualities
Indicators
Resource position
Capacity (and its development)
Financing
Continuity
Number and size of groups
Flows of funds
Succession of 'pioneers'
System characteristics
Network participation
Management
Number, size and impact of networks
Joint publications and citations
Central actors in network
Performance
Level of scientific quality
Social relevance
Publications and citations
Peer reviews
Participation in Centres of Excellence
Contract research
Licences, patents
4 Gegevens NRLOMedewerkers:
Dr.ir. A.P. Verkaik
Directeur
tel.: 070-3785650
email: D.P.Pieters@innonet.AGRO.NL
Voorzitter
tel.: 070-3785692
email: d.p.pieters@innonet.AGRO.NL
Methodiekontwikkeling/Algemene Zaken
tel.: 070-3785652
email: N.A.Dijkveld.Stol@innonet.AGRO.NL
Landelijk Gebied
tel.: 070-3784106
email: H.Hetsen@innonet.AGRO.NL
Plantaardige Productie en Afzet
tel.: 070-3785727
email: H.J.van.Oosten@innonet.AGRO.NL
Verwerking, Distributie Voeding en Gezondheid
tel.: 070-3784751
email: d.p.pieters@innonet.AGRO.NL
Directiesecretaresse
tel.: 070-3785653
email: D.P.Pieters@innonet.AGRO.NL
Vissector/Innovatie
tel.: 070-3785777
email: j.g.de.wilt@innonet.AGRO.NL
Directiesecretaresse
tel.: 070-3785694
email: d.p.pieters@innonet.AGRO.NL
Dierlijke Productie en Afzet
tel.: 070-3784774
email: J.G.de.Wilt@innonet.AGRO.NL
Directiesecretaresse
tel: 070-3785537
email: Y.van.Zelst-van.Wetten@innonet.agro.nl
Samenstelling RAAD NRLO
Maatschappij en bedrijfsleven:
Ir.ing. H. de Boon
Cebeco Groep
Ir. H.E. Clevering
Cosun
Prof.ir. W.L. van Dinten
Rabobank Nederland
P. Nijhoff
Stichting Natuur en Milieu
Mr. M.J. Roos
Centraal Bureau Levensmiddelenhandel
J. van der Veen
Productschap Tuinbouw
Prof.dr.ir. E.W. Brascamp
LUW (Fokkerij en Genetica)
Dr.ir. B.G. Linsen
Prof.dr.ir. R. Rabbinge
LUW (Theoretische Productie Ecologie)
Prof.dr.ir. L.C. Zachariasse
LEI-DLO
Dr. A.N. van der Zande
SC-DLO
Drs. R.J.T. van Lint
VROM
Drs. K. Vijlbrief
EZ
mw. Dr. E.H.M. Brans
OCenW
mw. Prof.dr. L. van Vloten-Doting
LNV
Secretaris : Dr.ir. A.P. Verkaik
In het najaar 1998 vond de volgende mutatie plaats:
Dr. J. Marks is opgevolgd door mw. dr. E.H.M. Brans.
UITGEBRACHTE PUBLICATIES NRLO 1998
Verkenningen, en achtergrondstudies bij verkenningen
Programmeringsstudies
Thema: Landbouw en samenleving
98/1
Een maatschappelijk perspectief voor de landbouw - Integratierapport
98/29
Toekomstverkenningen van de NRLO: Consequenties voor de toekomstige landbouwkundige?
Thema: Plattelandsontwikkeling
98/19
Groene Ruimte op de kaart! - Integratierapport
98/22
Kennisaanbod Groene Ruimte: een overzicht
98/28
Werkconferentie "Toekomstonderzoek en Omgevingsbeleid"
Thema: Agrosector
98/20
Agrosector: Kennis- en innovatie-opgaven - Integratierapport
98/21
Agrosector: Kennis- en innovatie-opgaven - Managementsamenvatting
98/26
Horticultural Research in the Netherlands: changes and challenges for 2010
98/41
De Nederlandse agrosector: kansen voor de toekomst
Sub-thema: Hulpstoffen en Energie in Landbouwsystemen in 2015
98/4
Landbouw en Milieu - Integratierapport
98/27
Initiatief Duurzame Voedselvoorziening
Sub-thema: Globalisering en Agribusiness
98/2
Globalisering en agribusiness - Integratierapport
Sub-thema: Markt en Consument
98/3
Markt en Consument - Integratierapport
98/23
Agrologistiek 2015: milieuvriendelijk en marktgericht; prioriteiten voor kennisontwikkeling
Sub-thema: Diergezondheid
98/5
Naar een gezonde veehouderij - Integratierapport
Thema: Dynamiek in Wetenschap en technologie
98/6
Ontwikkelingen in W&T - Verslag NRLO-workshop
98/11
Sturingstheorieën en landelijke gebieden
98/12
ICT: mogelijkheden voor sturing en ontwerp in landelijke gebieden
98/13
Verkeer en vervoer in landelijke gebieden
98/14
ICT in relatie tot mobiliteit en vestigingsgedrag in landelijke gebieden
98/15
Bodemsanering en waterbeheer in landelijke gebieden
98/16
Energietechnieken in landelijke gebieden
98/31
Sterkte/zwakte-analyse Productie-ecologie
98/32
Sterkte/zwakte-analyse Sensor- en Microsysteemtechnologie
98/33
Sterkte/zwakte-analyse Bewaar- en Verpakkingstechnologie
98/34
Sterkte/zwakte-analyse Veterinaire Epidemiologie
98/35
Sterkte/zwakte-analyse Moleculaire en Reproductiebiologie bij Dieren
98/36
Sterkte/zwakte-analyse Aquacultuur
98/37
Quick Scan Nanotechnologie
98/38
Sterkte/zwakte-analyse Intelligente Dataverwerking en Procesbesturing
98/39
Sterkte/zwakte-analyse Moleculaire Plantenbiologie
98/40
Sterkte/zwakte-analyse Beleidsprocessen in het landelijk gebied en Informatie- en Communicatietechnologie
98/42
Sterkte/zwakte-analyse W&T-gebieden
Thema: Vis en Visserij 21e eeuw
98/8
Kansen en bedreigingen voor aquacultuur in Nederland
98/10
Zeeën van mogelijkheden? Essays over aquatische biomassa
98/18
Vissector: Kennis- en innovatieopgaven - Integratierapport
Thema: Organisatie van Innovatie
98/7
Samenwerking bij innovatie; organisatorische concepten
98/9
Ontwikkelingen Nederlandse landbouw en strategieën voor de komende jaren - Inleiding AOC-workshop
98/24
Landbouwonderwijs in toekomstperspectief. Agenda voor strategische discussie
98/29
Toekomstverkenningen van de NRLO: consequenties voor de toekomstige landbouwkundige
Overige rapporten
98/17
Stad en Land; een programma voor fundamenteel-strategisch onderzoek
DOOR NRLO GEORGANISEERDE WORKSHOPS/STUDIEDAGEN/RONDETAFEL BIJEENKOMSTEN
98/25
Rapport Zelfevaluatie NRLO
In onderstaande de figuur is de frequentie van deelname nader gespecificeerd.
februari
Strategische discussie landbouwonderwijs op het terrein van de agribusiness (in samenwerking met STOAS)
februari
Strategische discussie landbouwonderwijs op het terrein van de groene ruimte (in samenwerking met STOAS)
maart
Zeeën van mogelijkheden - benutting aquatische biomassa
maart
Onderzoeksprogramma Stad Land
mei
Presentatie en aanbieding eindrapporten Agrosector, Vissector en 'Groene ruimte op de kaart'
juni
Toekomstonderzoek en omgevingsbeleid
juni
Naar een gezonde veehouderij: Economische en maatschappelijke aspecten van diergezondheid, dierwelzijn en voedselveiligheid
juli
Sensortechnologie
juli
Bewaar- en Verpakkingstechnologie
augustus
Initiatief Duurzame Voedselvoorziening
september
Aquacultuur
september
Beleidsprocessen in landelijke gebieden en ICT
oktober
Productie-ecologie
oktober
Moleculaire Biologie bij Dieren
oktober
Nanoscience en -technology
oktober
Moleculaire Plantenbiologie
oktober
Veterinaire Epidemiologie
november
Modelleren en Visualiseren
november
Landbouwonderwijs in toekomstperspectief: Agenda voor strategische discussie
november
Innoveren met ambitie - de organisatie van systeeminnovaties in agrosector en groene ruimte
OVERIGE ACTIVITEITEN
H. Hetsen:
Lidmaatschappen
Inleidingen:
Artikelen
Lidmaatschappen
Inleidingen
Artikelen
Lidmaatschappen
Taskforce "Ketens, Logistiek en ICT (KLICT)".
Lidmaatschappen
Lidmaatschappen
Artikelen
Lidmaatschappen
Inleidingen
Lidmaatschappen
Inleidingen
Artikelen
LIJST MET GEBRUIKTE AFKORTINGEN
AOC
Agrarisch Opleidingscentrum
COKON
Stichting Co-innovatie voor Ketenorganisaties en Netwerken
COS
Commissie Overleg Sectorraden
CPB
Centraal Planbureau
CZM
Coastal Zone Management
DB
Dagelijks Bestuur
DCO
Duurzame Chemie Ontwikkeling
DIARP
Dutch Israeli Agricultural Research Programme
DLO
Dienst Landbouwkundig Onderzoek
DWK
Directie Wetenschap en Kennisoverdracht
EMR
Expertisenetwerk Meervoudig Ruimtegebruik
EU
Europese Unie
EZ
Ministerie van Economische Zaken
ICES
Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking
ICES-KIS
Interdepartementale Commissie Economische Structuur - Kennis Infrastructuurversterking
ICT
Informatie en Communicatie Technologie
IDDLO
Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid
IKC-L
Informatie en Kenniscentrum-Landbouw
IVM
Instituut voor Milieuvraagstukken
KLICT
Ketens, Logistiek en ICT
KOMT
Kennis Oriëntatie Methoden en Technieken
LAT
Living Apart Together
LEIDLO
LandbouwEconomisch Instituut
LNV
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
LUW
Landbouwuniversiteit Wageningen
LWI
Land, Water, Milieu Informatietechnologie
MIAF
Massa-Individualisatie Agro Food-ketens
NCB
Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond
Netwerk RO
Netwerk voor Onderzoek en Ontwikkeling Ruimtelijk Beleid
NIROV
Nederlands Instituut Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting
NRLO
Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek
NWO
Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
OCenW
Ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
R&D
Research & Development
RIVM
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne
RMNO
Raad voor Milieu en Natuuronderzoek
SCDLO
Staringcentrum
STB-TNO
Studiecentrum voor Technologie en Beleid-TNO
STOAS
Stichting tot Ontwikkeling van Agrarische onderwijskunde en Scholing
TNO
Nederlandse Organisatie voor Toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek
TSL
Tijdschrift voor Sociaal wetenschappelijk onderzoek van de Landbouw
VAI
Verenigde Nederlandse Voedsel en Agrarische Industrie
VMBO
Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs
VROM
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VSNU
Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten
W&T
Wetenschap & Technologie
WRR
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
Wageningen UR
Wageningen Universiteit en Researchcentrum