|
Secretariaat: B.J. Blaauboer (VSNU-bureau) Postbus 19270 3501 DG Utrecht tel 030-2363842/825 ; fax 030- 2333540 e-mail: blaauboer@vsnu.nl |
Bijlagen:
1. Samenstelling van de commissie
2. Curriculum vitae van leden van de commissie
3. Opdracht van de evaluatiecommissie NRLO
4. Effectmeting onder gebruikers
In 1994 werd door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij via de Regeling Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek een nieuw kader gesteld voor de werkzaamheden van de NRLO. Vanaf dat moment was de NRLO een Sectorraad-Nieuwe Stijl met een welomschreven taak die nader toegelicht werd in een Convenant NRLO, afgesloten tussen de voorzitter van de Raad en de Bestuursraad LNV. De Raad startte de werkzaamheden per 1 januari 1995.
In het convenant was voorzien in een evaluatie van de werkzaamheden van deze Sectorraad na 4 jaar. Een onafhankelijke commissie zal dan de werkwijze, de realisatie van het werkprogramma en de overige resultaten van het werk van de raad beoordelen.
De Evaluatiecommissie NRLO werd in de zomer van 1998 ingesteld door dr H.J.M. van Zon, Directeur-generaal-LNV. Drs J.G.F. Veldhuis (voorzitter College van Bestuur, Universiteit Utrecht) werd verzocht het voorzitterschap op zich te nemen. Overige leden werden: prof dr ir J.L.A. Jansen (directeur Duurzame Technologie, VROM), prof dr J. de Jong (directeur Kennis, Rijkswaterstaat) en prof ir J. Witteveen (oud-directeur TNO Bouw). De VSNU leverde een secretaris (dr B.J. Blaauboer). De taakomschrijving van de commissie en korte c.v.'s van de leden zijn opgenomen in de bijlagen. Het was uitdrukkelijk de bedoeling van alle betrokkenen dat de commissie een kort rapport uitbrengt.
De commissie had de beschikking over het Rapport Zelfevaluatie, opgesteld door de Raad (rapport 98/25). Bovendien kon de commissie beschikken over alle rapporten en verslagen van de Raad. Daarnaast heeft LNV aan het onafhankelijk onderzoekbureau MMG-Environment de opdracht gegeven om een meting te verrichten van de impact van de werkzaamheden van de NRLO. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een rapport, waarvan de conclusies als bijlage zijn opgenomen in dit evaluatierapport. Ir O. de Kuijer van dit bureau heeft tweemaal in een commissievergadering een toelichting op deze meting verstrekt.
De commissie heeft 6 maal vergaderd.
Tijdens deze vergaderingen besprak de commissie de zelfevaluatie
van de Raad en werden de producten geëvalueerd. Tevens werd
gesproken met dr H.J.M. van Zon, Directeur-generaal-LNV, met
de voorzitter van de Raad, prof dr A. Rörsch en met de directeur,
dr ir A.P Verkaik en bureaumedewerker ir N.A. Dijkveld Stol. Bovendien
werd gesproken met mw prof dr L. van Vloten-Doting (dir. DKW van
LNV) en prof dr ir R. Rabbinge (LUW en tevens lid van het DB van
de Raad).
In het Convenant NRLO is een nadere taakomschrijving vastgelegd en op basis hiervan heeft de Raad een werkprogramma opgesteld. De taak was: "het doen van een samenhangend pakket van verkenningen die dienen ter ondersteuning bij het uitzetten van de strategie voor het landbouwkundig onderzoek".
In het werkprogramma worden een viertal
kernpunten genoemd.
Deze waren:
1. De keuze voor 5 thema's:
1) Maatschappelijke en culturele positie van landbouw en natuur in de 21e eeuw
2) Plattelandsontwikkeling
3) Afzet-, verwerkings- en productiesystemen in de 21e eeuw
4) Vis en visserij in de 21e eeuw
5) Organisatie van innovatie
2. De gerichtheid op verschillend doelgroepen
3. De methodische aanpak
4. Duurzaamheid als leidmotief
In het Convenant was sprake van het doen van verkenningen. Hierbij werd een beschouwingtermijn tot ongeveer het jaar 2010 vastgesteld. De evaluatiecommissie meent dat het stellen van deze grens uiteraard consequenties heeft voor het opstellen van verkenningen en dat het werk van de Raad mede in de context van deze keuze moet worden bezien.
De commissie stelt met genoegen vast dat de Raad in de gekozen werkwijze de taak meeromvattend heeft geïnterpreteerd. Via het opstellen van startnotities en achtergrondstudies (in de vorm van essays en verkennende onderzoekrapporten) en het organiseren van workshops en conferenties kwamen zgn. integratierapporten en een aantal policy rapporten tot stand. Hierbij is samengewerkt met vele belanghebbende groepen (stakeholders) en met andere sectorraden en organisaties, waarbij vruchtbaar gebruik is gemaakt van het ontwikkelde netwerk binnen en buiten de landbouwsector.
De commissie heeft met grote belangstelling kennisgenomen van de door de Raad gevolgde werkwijze. Het heeft geleid tot een groot aantal essays, workshopverslagen en rapporten. De gekozen werkwijze heeft in ieder geval geleid tot het openbreken van het traditionele landbouwcircuit en het in kaart brengen van de belangen(-tegenstellingen). In deze zin is het werk verder gegaan dan het opstellen van alleen verkenningen. De Raad heeft zich gerealiseerd dat dergelijke verkenningen niet werken zonder zich van de belangen rekenschap te geven. Er komt een beeld naar voren van een bewust gekozen systematische werkwijze van de Raad, sterk gericht op innovatie van het onderzoek en van de processen binnen de sector. Deze werkwijze heeft geleid tot een nadere oriëntatie op kennisvraag en -aanbod. Als resultaat van de werkwijze is een vruchtbare interactie ontstaan met onderzoeksinstellingen, andere toekomstverkennende organisaties, het bedrijfsleven en betrokken maatschappelijke organisaties. Deze bewust gekozen open opstelling, met een grote inbreng van "stakeholders" in het werk van de Raad, resulteert enerzijds in een completere, meer geïntegreerde toekomstvisie, anderzijds gaat deze gepaard met onzekerheden die beleidsmatig niet altijd gemakkelijk gehanteerd kunnen worden.
Ook de relaties met het beleid op het door de Raad bestreken terrein zijn gecompliceerd. Enerzijds is het ministerie als opdrachtgever betrokken geweest bij de formulering van de
taak en het scheppen van de randvoorwaarden (financieel en materieel) voor de werkzaamheden van de Raad. Anderzijds zal het beleid ook als afnemer van de producten van de Raad een rol spelen bij de implementatie van de resultaten. De commissie stelt vast, dat het ministerie aan de in de instellingsregeling en het convenant gestelde verplichtingen goed heeft voldaan door voldoende middelen voor de Raad ter beschikking te stellen.
De door de Raad gevolgde werkwijze heeft geresulteerd in een groot aantal noties en inzichten die beleidsconsequenties zullen of kunnen hebben. Het is de commissie niet voldoende duidelijk geworden in welke mate het beleid ook daadwerkelijk deze inzichten heeft verwerkt.
De commissie waardeert de wijze waarop
de Raad op originele wijze heeft bijgedragen aan de theorievorming
op het gebied van verkenningen en toekomstscenario's. De consistentie
van de producten is terug te voeren op het consequent hanteren
van het model van interactie tussen de scheppingsdomeinen (kennisgeneratie,
technologie- en kundeontwikkeling en innovatie).
De commissie is onder de indruk van de veelheid en verscheidenheid van de rapporten en verslagen. Een punt van kritiek is de onoverzichtelijkheid in de presentatie. De vormgeving van de rapporten laat niet toe dat een product onmiddellijk te plaatsen is in het gehele proces. Essays, verslagen, programmeringstudies en (integratie)rapporten hebben alle hun eigen functie en dit zou in de vormgeving tot uiting moeten komen. Een overzicht van de activiteiten is wel goed weergegeven in de jaarverslagen van de Raad.
Bij de uitvoering van het werkprogramma is een groot aantal parallelle activiteiten uitgevoerd. Per thema is met behulp van de voor die deelsectoren belangrijke betrokkenen consequent gewerkt aan de ontwikkeling van een toekomstvisie. De Raad heeft echter gedurende de werkperiode niet star vastgehouden aan eenmaal gekozen uitgangspunten; per thema is leerervaring merkbaar. Vooral de integratierapporten geven binnen de thema's een goed beeld van de productie van de Raad.
De commissie is van mening dat de Raad het werkprogramma adequaat heeft uitgevoerd. Alle in het werkprogramma genoemde thema's zijn behandeld en hebben geleid tot integratierapporten en/of policy rapporten, waarin nieuwe kennisvragen worden geformuleerd, innovatie wordt voorgesteld, inzichten worden aangedragen die ook beleidsmatig relevant zijn, en aanzetten voor aanpassing van de organisatie van het onderzoek worden gegeven. De raad heeft zich verzekerd van een netwerk van betrokkenen waarbinnen de producten grote bekendheid is gegeven. De thema's in het werkprogramma leenden zich goed voor het opstellen van een toekomstvisie.
De grote problemen van de agrarische sector zijn goed in beeld gebracht. De commissie constateert wel een grotere aandacht voor de landbouwproductie dan voor de groene ruimte. Er is veel en consistent werk gedaan aan de intensieve veeteelt (incl. de diergezondheidsaspecten) en aan de milieueffecten van de intensieve landbouw in het algemeen. In de beperking die de Raad zich gesteld heeft ten aanzien van de te beschouwen termijn (tot ca. 2010-15) worden pragmatische en werkzame aanpakken aangedragen.
De commissie meent dat de Raad in het algemeen wel is toegekomen aan het in kaart brengen van de belangen, maar dat niet direct oplossingen geboden worden voor problemen "die echt pijn doen" in de sector: de Raad gaat te voorzichtig om met bijv. zaken als overproductie en protectie (prijsgaranties, quotaregelingen, exportsubsidies, e.d.). Dit hangt wellicht samen met de gekozen werkwijze: nadrukkelijk in samenspraak met de "stakeholders". Dit heeft dan geleid tot meer aandacht voor de kwaliteit van de productie en niet in alle thema's tot een analyse van de kwantitatieve aspecten en de achterliggende problemen.
Door de veelheid, (ook vrij veel van hetzelfde) is echter niet goed te overzien wat de samenhang in het werk is. Door de vele parallelle activiteiten en de sectorgewijze benadering is niet een totaalbeeld ontstaan van een samenhangende visie op de toekomst van het onderzoek in de gehele landbouwsector. Dit wordt ook weerspiegeld in de geringe overlap in de deelname aan workshops. Een analyse van deze deelname leert dat veel workshops een specifiek publiek trekken, kennelijk geïnteresseerd in de daar behandelde deelproblemen.
Voorts vindt de commissie dat het
doen van een samenhangend pakket van verkenningen zich wat te
sterk beperkt tot de landbouwsector in Nederland. Het was beter
geweest als juist aan de plaats van het landbouwkundig onderzoek
in het gehele Nederlandse kennisbeleid, en ook aan de plaats
in een Europese (internationale) context meer aandacht was besteed.
De resultaten van de studie naar de impact (zie de conclusies van deze studie in bijlage) zowel als de gesprekken met betrokkenen leveren een beeld op van een zeer productieve periode van de Raad. De werkwijze van de Raad heeft, meer dan bij de oude NRLO, geresulteerd in een duidelijke beweging in het veld, gericht op innovatie van de sector. Dit geldt niet alleen voor het onderzoek in het Wageningse (LUW plus DLO), maar heeft ook de positie van andere betrokkenen, inclusief delen van het agrarische bedrijfsleven, veranderd. Het werk van de Raad is in meerderheid ervaren als zeer stimulerend bij het opstellen van een nieuwe gemeenschappelijke visie met anderen. Vooral bij het opzetten van een langtermijn strategie vond men de producten van de Raad van groot nut.
De waardering voor het werk van de Raad was het grootst in de hoek van de onderzoeksinstellingen, die de resultaten van de Raad ook gebruiken als input voor de onderzoeksagenda. De waardering was minder onder de geïnterviewden uit het practisch/technisch georiënteerde deel van de sector, met name in de hoek van de visserij en de veehouderij.
De commissie constateert dat de implementatie van de adviezen niet expliciet tot het taakveld van de Raad behoorde. Veel geïnterviewden verwachtten dit echter wel van de Raad. De Raad geeft zelf ook aan dat met dit probleem is geworsteld.
Een ander probleem is de afstemming
van de activiteiten met het beleid en de uitvoering. Er lijkt
soms geen goede afstemming te zijn tussen enerzijds de Raad ("verkenning,
beleidsadvisering") en het ministerie ("beleidsvaststelling
en -uitvoering"). Uiteraard hebben beide instanties hun eigen
taak en verantwoordelijkheid. Voor de buitenwereld lijkt soms
de taak van de Raad "nog eens dunnetjes te worden overgedaan"
door het ministerie.
In de opdracht van de evaluatiecommissie was aanvankelijk niet begrepen dat ook een uitspraak zou worden gedaan over de toekomst van de Raad. Bij de installatie van de commissie door de heer Van Zon (voormalig Directeur-generaal LNV) werd echter duidelijk dat opmerkingen hierover welkom waren. De commissie heeft ermee ingestemd ook hieraan aandacht te besteden.
De commissie meent dat ook in de toekomst zeker plaats is voor een sectorraad als de NRLO. Een dergelijk orgaan vervult een belangrijke rol in het voortgaande proces van innovatie van onderwijs, opleiding en onderzoek in de sector. Een gezaghebbende, onafhankelijke instantie, die alle betrokkenen (beleid, onderzoeksinstellingen, belangengroeperingen) kritisch kan blijven bestoken met analyses die leiden tot innovatie van de gehele landbouwsector, is permanent nodig. Voortbouwend op het vele nuttige werk van de huidige Raad zou het, met het oog op de gewenste samenhang met het algemene Nederlandse kennisbeleid, nuttig zijn om de samenstelling van een Raad en ook de opdracht nog eens goed tegen het licht te houden.
De commissie beveelt aan om een slagvaardige, kwalitatief hoogwaardige Raad een nieuwe periode te laten ingaan. Indien zo'n Raad ondersteund wordt door een goed bureau met een adequaat budget, dan kan de omvang van de nieuwe Raad kleiner zijn. Om de onafhankelijkheid te waarborgen zou de afstand tot de overheid tot uitdrukking moeten komen door het hebben van waarnemers in de Raad, geen vertegenwoordigers. Ook moeten enkele leden gezocht worden buiten de landbouwsector.
Het proces van het opstellen van verkenningen is geen continu proces en zal pas over een aantal jaren herhaling behoeven. Toch zijn er een aantal aspecten van het huidige werk die nog nadere uitwerking vergen. Als onderwerpen voor studie in een Raad nieuwe stijl noemt de commissie diverse onderwerpen die al aandacht hebben gekregen, maar waarop "nog stevig doorgezet zal moeten worden":
In de taak zou zeker ook opgenomen moeten worden:
De evaluatiecommissie heeft grote waardering voor het vele werk van de NRLO. Het werkprogramma is uitgevoerd en heeft geleid tot vernieuwingen in het landbouwkundig onderzoek. Hierbij zijn theoretische kaders opgesteld, is goed samengewerkt met andere toekomstverkennende instanties, is consequent een stramien van werkwijzen gehanteerd en zijn vele nuttige producten gemaakt. Er is een uitgebreid netwerk van deskundigen en "stakeholders" opgebouwd.
Er blijft ook in de toekomst behoefte aan voortzetting van dit type werk. Enkele aspecten voor de toekomst heeft de commissie hiervoor reeds beschreven. De commissie beveelt aan om de samenstelling van de Raad en ook de taak zodanig te formuleren dat een gezaghebbende, slagvaardige Raad ook voor de komende periode kan optreden als een organisatie die de innovatie in de sector verder kan aanscherpen en verdiepen.
Voorzitter:
Drs J.G.F. Veldhuis (voorzitter College
van Bestuur, Universiteit Utrecht).
Leden:
Prof dr ir J.L.A. Jansen (directeur
Duurzame Technologie, VROM),
Prof dr J de Jong (directeur Kennis,
Rijkswaterstaat),
Prof ir J. Witteveen (oud-directeur
TNO Bouw).
Secretaris:
Dr B.J. Blaauboer (programmacoördinator
onderzoekbeoordelingen VSNU)
![]()
Bijlage 2. Curriculum vitae van
leden van de commissie
J.G.F. Veldhuis (1938) studeerde
geschiedenis te Utrecht en Minnesota (VS). Na werkzaam te zijn
geweest bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Rijksuniversiteit
Leiden (o.a. als Secretaris van het College van Bestuur), kwam
hij in 1974 bij het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen,
eerst als plv. Secretaris-generaal, later als Directeur-generaal
Diensten Onderwijs en Inspectie en Inspecteur-generaal van het
Onderwijs. Sinds 1986 is hij voorzitter van het College van Bestuur
van de Universiteit Utrecht. Daarnaast had en heeft hij vele bestuurlijke
functies in nationale en internationale organen, voornamelijk
in de sectoren onderwijs, onderzoek, cultuur en de gezondheidszorg.
Hem werd door de Universiteit van Florida (VS) een eredoctoraat
verleend. Hij is Chevalier dans la Légion d'Honneur de
la République Française en Officier in de Orde van
Oranje Nassau.
J.L.A. Jansen (1934) studeerde
scheikunde in Delft, waar hij in 1967 promoveerde. Van 1960 tot
1973 werkte hij als onderzoeker bij Research and Development van
AKZO en als hoofd management informatie bij ENKA Glanzstoff, destijds
een werkmaatschappij van AKZO. In de periode 1973-81 was hij lid
van de Tweede Kamer der Staten Generaal en daarna lid (vice voorzitter)
van de Brede Maatschappelijke Discussie Energiebeleid. Vanaf 1984
werkt hij bij het Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke
Ordening en Milieu, resp. als Inspecteur Volksgezondheid en Milieu,
Directeur Afvalstoffenbeleid en Directeur Duurzame Technologie.
In 1990 werd hij aan de TUDelft benoemd werd tot hoogleraar Milieutechniek
en in 1996 tot voorzitter van de commissie Duurzame Ontwikkeling
aldaar. Sinds 1992 is hij voorzitter van de Stichting WEMOS, Gezondheid
voor allen in Noord en Zuid. Hij is Officier in de Orde van Oranje
Nassau
J. de Jong (1943) studeerde
scheikunde in Utrecht, waarna hij van 1966-72 wetenschappelijk
medewerker was aan de TUDelft (chemische technologie), waar hij
in 1970 promoveerde. Van 1972-85 was hij in dienst van de Rijksdienst
voor de IJsselmeerpolders, o.a. als Hoofd sectie Waterkwaliteit
Hoofd Wetenschappelijke afdeling. Daarna werkte hij bij het Rijksinstituut
voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling van Rijkswaterstaat
(RIZA), resp. als Hoofd Hoofdafdeling Algemeen Onderzoek en Hoofdingenieur-directeur.
Sinds 1997 is hij Directeur Kennis van de Hoofddirectie van Rijkswaterstaat.
Hij werd in 1993 benoemd tot hoogleraar Integraal Waterbeheer
aan de TUDelft.
J. Witteveen (1933) studeerde
Weg- en Waterbouwkunde aan de HTS in Leeuwarden en vervolgens
Civiele Techniek te Delft. Na werkzaamheden bij een ingenieursbureau
trad hij in dienst van TNO-Bouw, o.a. als Hoofd afd. Staalconstructies.
Na in 1971 tot onderdirecteur benoemd te zijn volgde in 1983 de
aanstelling als Hoofddirecteur. Vanaf 1985 was hij tevens hoogleraar
toegepaste mechanica aan de TUDelft en vanaf 1994 tot zijn pensionering
in 1997 Wetenschappelijk Directeur van de Onderzoekschool Bouw.
Prof Witteveen vervulde en vervult nog een groot aantal functies
als bestuurder en adviseur in de sectoren bouw en technische wetenschappen.
Hij ontving in 1985 de Medaille van de European Convention for
Constructional Steelwork. Hij is Honorary Member van de Conseil
International du Bâtiment en Officier in de Orde van Oranje
Nassau.
B.J. Blaauboer studeerde biologie te Utrecht, waar hij ook als wetenschappelijk medewerker in de toxicologie werkzaam was bij de Faculteit Diergeneeskunde en waar hij promoveerde in 1978. Na een post-doc jaar in Engeland werkte hij bij het Research Instituut Toxicologie in Utrecht, als Universitair Hoofddocent Toxicologie, voornamelijk op het terrein van de toepassing van celcultures als alternatief voor dierproeven. Op dit terrein gaf hij leiding aan een tiental promotiestudies en vervult hij in nationaal en internationaal verband een aantal bestuurs- en adviesfuncties. Sinds 1997 is hij tijdelijk werkzaam bij de Vereniging van Universiteiten (VSNU), o.a. als programmacoördinator voor de onderzoekbeoordelingen.
![]()
Bijlage 3. Opdracht van de evaluatiecommissie
NRLO
"In het tussen NRLO en Bestuursraad
destijds overeengekomen convenant is onder meer vastgelegd dat
in september 1998 de werkzaamheden van de Raad zullen worden
geëvalueerd. Het rapport zal opgemaakt worden door een onafhankelijke
visitatiecommissie. De opdracht aan deze commissie is, zich een
oordeel te vormen over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan
het tussen Bestuursraad en NRLO overeengekomen werkprogramma voor
de periode 1995-1997. Centrale vraag is of de destijds beoogde
resultaten zijn bereikt en of de Raad daarbij op de meest doelmatige
en doeltreffende wijze te werk is gegaan. Meer concreet gaat het
dan om antwoorden op de volgende vragen:
1. de eerste vraag is of de in 1995
overeengekomen werkzaamheden door de NRLO daadwerkelijk gerealiseerd
zijn binnen het overeengekomen budget en personeelsformatie;
2. belangrijkste oogmerk van convenant
en werkprogramma was het bewerkstelligen van vernieuwing van het
"landbouwkundig" onderzoek. Dit langs de weg van een
breed gedragen proces van toekomstverkenningen. Vraag is dus wat
de impact van de NRLO is geweest op de toekomstgerichtheid van
onderzoekers en beleidsmakers. De toegevoegde waarde van de NRLO,
de kwaliteit van de producten van de Raad en de interactie met
gebruikers zijn hier de kernbegrippen voor de evaluatie;
3. in aanvulling op het voorgaande
is voorts relevant in hoeverre de NRLO er in geslaagd is andere
toekomstverkennende organisaties te betrekken bij het uitvoering
geven aan het overeengekomen werkprogramma. Belangrijkste vraag
is of de NRLO synergetisch heeft samengewerkt met organisaties
als de WRR, OCV, AWT, RMNO, LNV/BSB, de afdelingen van DWK, IKC's,
LEI-DLO, TNO-STB, etc.;
4. een verdere vraag is of de NRLO
zorg heeft gedragen voor de ontwikkeling van geschikte werkmethodes
en technieken, alsmede voor de opbouw van relevante expertise
voor het doen van toekomstverkenningen;
5. ook is relevant in hoeverre LNV
- in het bijzonder Bestuursraad en DWK - actief hebben bevorderd
dat de NRLO de toebedachte rol kon vervullen;
6. aansluitend bij het voorgaande
punt is tot slot relevant in hoeverre LNV - en het bijzonder Bestuursraad
en DWK - de in het kader van het convenant overeengekomen verplichtingen
zijn nagekomen, teneinde een adequate uitwerking door de NRLO
mogelijk te maken.
Ter zake met name de punten 1 en 3 kan naast het convenant en het werkprogramma ook de notitie "Functie en rol van NRLO en Inspectie in het kennisbeleid" de visitatiecommissie als houvast dienen. Het betreft hier een notitie van de directie Wetenschap en Kennisoverdracht over de positie en rol van de NRLO (en Inspectie) in het kennisbeleid.
De visitatiecommissie zal
zich niet uitspreken over een eventuele verlenging van het mandaat
van de NRLO noch over de modaliteiten daarvan. In het convenant
tussen NRLO en Bestuursraad is vastgelegd dat van NRLO-zijde een
gedocumenteerd voorstel wordt gedaan voor eventuele voortzetting
van de activiteiten, op basis waarvan LNV, in overleg met bij
de NRLO betrokkenen, zal beslissen over al dan niet continuering
van de NRLO".
Noot van de evaluatiecommissie: Bij de installatie is de wens uitgesproken om af te wijken van het in de laatste alinea van de opdracht gestelde. Zoals uit het rapport blijkt heeft de commissie ingestemd met de verandering in de opdracht.
![]()
Bijlage 4. Effectmeting
onder gebruikers
Hoofdstuk 9 uit rapport door ir. O.C.H. de Kuijer (MMG Environment).
| Het volledige rapport (in pdf-format) is alleen op deze site beschikbaar. Klik hier om het rapport te downloaden (140 Kb). Om PDF-documenten te bekijken dient u Adobe Acrobat Reader op uw systeem geïnstalleerd te hebben. Dit hulpprogramma is vrij te verkrijgen op website adres: ![]() |
9. Conclusies
De NRLO kent een zeer brede doelgroep. De door de NRLO onderscheiden doelgroepen bestaan uit mensen en organisaties uit bedrijfsleven, onderzoek, overheid en maatschappelijke organisaties. Verder bestaan er binnen de doelgroepen grote verschillen in:
Deze grote onderlinge verschillen maken het optreden van eenduidige effecten minder waarschijnlijk. Indien de NRLO aan deze brede range van belangen tegemoet wil (blijven) komen zijn eenduidige effecten ook niet wenselijk.
In de paragraven 9.1 en 9.2
is alleen een onderscheid naar de verschillende doelgroepen gemaakt
indien er markante verschillen in effecten zijn waargenomen. Daar
waar geen onderscheid is gemaakt geldt de conclusie in grote lijnen
voor alle doelgroepen. Paragraaf 9.3 gaat in op (het verschil
in) de conclusies per doelgroep.
9.1 Tevredenheid
De conclusies ten aanzien van de tevredenheid van de doelgroepen over het werkprogramma van de NRLO laten zich als volgt samenvatten:
9.2 Effecten verkenningen
De conclusies ten aanzien van de effecten op de doelgroepen van het uitvoeren van het werkprogramma 1995 - 1998 van de Raad luiden:
9.3 Conclusies per doelgroep
Uit de paragraven
9.1 en 9.2 blijkt dat de respondenten de adviezen en de werkwijze
van de NRLO waarderen en groot aantal belangrijke effecten toeschrijven
aan het deelnemen aan de verkenningen. Voor een flink aantal respondenten
is het nog onduidelijk of de uitgebrachte adviezen door de betrokkenen
ook daadwerkelijk worden opgepakt. Naast deze algemene conclusie
zijn er ook verschillen in de effecten van de verkenningen per
doelgroep. De conclusies zijn hieronder voor de doelgroepen onderzoek,
overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties afzonderlijk
weergegeven.