Diederen, P.J.M., and Silvis, H.J.,
Milieudoelstellingen en landbouwmilieubeleid in Europa - Achtergrondstudie
voor de verkenning hulpstoffen en energie in landbouwsystemen
in 2015. Den Haag, NRLO, 1998. NRLO Rapport 97/18.
ISBN 90-5059-048-9
Samenvatting
De ontwikkeling van het EU-milieubeleid
is voor de Nederlandse land- en tuinbouw van groeiend belang.
Hoe zal het beleid er in 2015 uit zien? In dit rapport wordt deze
vraag langs twee wegen beantwoord. Langs de eerste weg worden
enige lijnen in het huidige beleid doorgetrokken; langs de tweede
worden factoren belicht die de beleidsontwikkeling mogelijk zullen
bepalen. De ervaringen met het EU-milieubeleid in het recente
verleden blijken weinig overtuigend. En voor de verdere ontwikkeling
van het beleid zijn de grote en groeiende tegenstellingen tussen
de landbouw binnen de EU een serieus obstakel. Al met al valt
niet te verwachten dat het beleid de komende jaren een versnelde
ontwikkeling te zien zal geven.
Het EU-milieubeleid voor de
landbouw
Het op de toekomst gerichte EU-milieubeleid
is verwoord in het vijfde Milieu Actie Programma. Voor de landbouw,
een van de doelsectoren van het programma, worden duidelijke lange-termijndoelstellingen
genoemd: instandhouding van de fundamentele natuurlijke processen
die onmisbaar zijn voor een duurzame landbouwsector, vooral door
de bescherming van water, bodem en genetisch materiaal; beperking
van het gebruik van chemicaliën zodat geen van deze processen
wordt verstoord; evenwicht tussen het gebruik van voedingsstoffen
en de absorptiecapaciteit van bodem en planten; en beheer van
het plattelandsmilieu, met het oog op instandhouding van de biologische
diversiteit en natuurlijke habitats en minimalisering van natuurlijke
gevaren en bosbranden.
Voor de uitwerking op middellange
termijn zijn in het programma bepaalde doelstellingen voor de
periode tot het jaar 2000 vermeld en ook enkele maatregelen om
die doelstellingen te verwezenlijken. Daarbij gaat het echter
niet om bindende verplichtingen. Bij de uitvoering van het beleid
wordt uitgegaan van het subsidiariteitsbeginsel: de EU heeft pas
een rol als doelstellingen niet op nationaal niveau kunnen worden
verwezenlijkt.
Nadere beschouwing leert dat
milieumaatregelen voor de landbouw uiterst moeizaam van de grond
komen. Harde afspraken zijn er nauwelijks en eenmaal gemaakte
afspraken worden slecht nagekomen. De uitvoering van de nitraatrichtlijn,
in feite de harde kern van het beleid, loopt in alle lidstaten
jaren achter op het afgesproken schema. Op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen
is er weliswaar een nuttige richtlijn van kracht voor de toelating
van middelen, maar blijkt vrijwel niets geregeld om de omvang
van het gebruik terug te dringen. Dit weinig overtuigende beeld
geldt ook voor de milieuaspecten in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.
Zo blijkt de landbouwmilieuverordening maar weinig bij te dragen
aan de bescherming van milieu en biodiversiteit.
Uitstoot van nitraten en gewasbeschermingsmiddelen
naar het milieu zullen ook in 2015 nog problematisch zijn. De
Europese Commissie zal zoeken naar verbetering van de doeltreffendheid
en doelmatigheid van haar beleid, onder meer door aan de milieu-aspecten
in het markt- en prijsbeleid een zwaarder gewicht toe te kennen.
Gedacht wordt aan directe financiële steun voor extensivering
van de productie, biologische landbouw en het behoud van milieuvriendelijke
landbouwactiviteiten in gebieden met hoge natuurwaarde. Daarentegen
zijn de individuele lidstaten geneigd een rem op deze ontwikkelingen
te zetten. Hoe de krachtsverhouding tussen Commissie en lidstaten
zich in de komende twintig jaar zal ontwikkelen is moeilijk te
voorspellen. Na een periode van toename van de macht van de Commissie
in de jaren tachtig, is de weerstand tegen verdere overdracht
van soevereiniteit naar Brusselse instellingen groeiend. Uitbreiding
van de EU met landen in Midden- en Oost-Europa zal de bereidheid
om de Commissie meer bevoegdheden te geven niet doen toenemen.
Determinanten van het landbouwmilieubeleid
Naar alle waarschijnlijkheid
zal er in 2015 nog een groot gat gapen tussen de bereikte resultaten
en de voor ecologische duurzaamheid noodzakelijke doelstellingen.
Het steekspel rondom beleidsformulering en implementatie zal dus
verder gaan; de vraag is in welke richting en op welke wijze.
Het proces om te komen tot milieudoelstellingen is een dialoog
tussen lidstaten. Twee factoren zullen hun stempel drukken op
de positie die landen in de Brusselse dialoog zullen kiezen: ten
eerste de aard van de landbouw, en ten tweede het politiek en
economisch gewicht in de landen van landbouw versus milieu.
In sommige lidstaten binnen de
EU, vooral in het noorden en westen, ontwikkelt de landbouw zich
steeds verder in de richting van een kapitaal- en grondintensieve,
op de export gerichte vorm van maakindustrie. Dit industrialisatieproces
gaat gepaard met erosie van traditionele waarden en afbreuk van
oude sociale (corporatistische) structuren. In absolute zin is
landbouw in deze landen van behoorlijk economisch belang, maar
in termen van toegevoegde waarde en werkgelegenheid wordt het
steeds meer een relatief marginale sector. In de politiek leggen
de economische belangen van de sector daarom niet veel gewicht
in de schaal. De traditionele pleitbezorgers van de landbouw binnen
het overheidsapparaat zoeken een nieuwe missie of vallen aan reorganisaties
ten prooi. In hun rol van rentmeesters van het platteland en producenten
van natuurwaarden worden agrariërs met argusogen gevolgd
door het bevoegd gezag en zo nodig met positieve en negatieve
economische en andere prikkels bijgestuurd.
In andere lidstaten, met name
in het zuiden en oosten van de EU, blijft de landbouw een centrale
sector binnen de nationale economie, met name vanuit sociaal oogpunt.
De landbouw, relatief extensief van karakter en georganiseerd
rond het familiebedrijf, verschaft er op het platteland een aanzienlijk
deel van de werkgelegenheid. Ook vanuit economisch oogpunt blijft
in deze landen de agrarische sector een sleutelsector. Deze landen
hebben zekere comparatieve voordelen wat betreft natuurlijke omstandigheden,
klimaat en bodemgesteldheid. Arbeidskosten zijn relatief bescheiden,
opleidingsniveaus komen langzaam op peil en geleidelijk vindt
kapitaal zijn weg naar deze streken. Grote delen van de landbouw,
in gebieden met minder gunstige randvoorwaarden, blijven traditioneel
en ambachtelijk van aard. In deze landen legt het landbouwbelang
in de politiek groot gewicht in de schaal en heeft economische
groei en welvaartsontwikkeling vaak prioriteit boven milieubescherming.
Hooggegrepen milieudoelstellingen
zijn in eerste instantie het resultaat van nationale beleidsprocessen
binnen welvarende landen waar de landbouw een relatief klein onderdeel
is van een hoogtechnologisch agrarisch-industrieel complex. Binnen
deze landen wint het milieubelang het pleit van het landbouwbelang
en wordt de lat voor de sector hoog gelegd. Vervolgens worden
vanuit deze landen pogingen in het werk gesteld om de aangescherpte
normen binnen de gehele EU aanvaard te krijgen. Pleidooien in
Brusselse gremia om milieudoelstellingen aan te scherpen en strikt
te handhaven zijn dan ook eerder te verwachten vanuit de hoek
van landen met een intensieve landbouw dan van landen met een
meer traditionele landbouw.
De tegenstellingen tussen de
EU-landen zullen in de toekomst waarschijnlijk alleen maar toenemen.
Enerzijds worden de milieuproblemen in de landen met een intensieve
landbouw steeds nijpender, anderzijds wordt de groep landen binnen
de EU met een extensieve landbouw steeds groter. Dit zou voortgang
op het gebied van milieubeleid in Europa verder kunnen verlammen,
de uitvoering van het milieubeleid steeds gecompliceerder kunnen
maken, en de krachtdadigheid van de Commissie op milieugebied
verder kunnen ondermijnen.
Kennisontwikkeling
Er zit weinig momenteel ontwikkeling in de discussie over milieudoelstellingen voor de landbouw in Europa. Een van de redenen daarvoor is een ontoereikende kennisbasis voor een verdere fundering van milieudoelstellingen. Kennislacunes liggen op allerlei terreinen, variërend van de fysieke draagkracht van het milieu en de economische draagkracht van de boeren en tuinders tot de drijvers van de mening en het handelen van burgers en consumenten en de determinanten en dynamiek van beleidsvormingsprocessen.
Niet alleen is er geen volledig
beeld van alle relevante fysische processen in bodem water en
lucht en van de ecologische tolerantiegrenzen van het milieu in
Europa, ook kennen we de consequenties van milieumaatregelen op
verschillende agrarische productie-activiteiten en op het gedrag
van boeren, en daarvan weer op het milieu, niet precies. Er bestaat
vraag naar natuurwetenschappelijke kennis omtrent fysieke processen,
maar ook naar economische en sociologische kennis omtrent de wisselwerking
tussen keuzegedrag van boeren en milieubelasting. Er is tevens
behoefte aan een inventarisatie van agrarische productie-activiteit,
milieubelasting en draagkracht van de natuur op Europese schaal.
De aandacht van het onderzoek
ten behoeve van de landbouw heeft zich tot voor kort vrijwel uitsluitend
op de aanbodzijde gericht. Agrarische producenten zien zich echter
steeds meer gedwongen rekening te houden met de gedachten en gevoelens
van de consumenten van haar producten, bijvoorbeeld ten aanzien
van ecologie en duurzaamheid. Op het punt van kennis van de consument
ontbreekt het niet alleen aan theoretisch inzicht, maar tevens
aan empirisch onderzoek op Europese schaal. Iets dergelijks geld
ook voor onze kennis van beleidsprocessen op het terrein van milieubeleid
binnen Europa: er ontbreekt vooral een geïntegreerd en comparatief
beeld van beleidsvorming en beleidsimplementatie in de diverse
Europese hoofdsteden.