Dit essay werd opgesteld in opdracht van de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek door:
Prof.dr. C.J. van Woerkum, LU-Communicatie- en Innovatiestudies, Wageningen
Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek
Postbus 20401
2500 EK Den Haag
tel.: 070 378 56 53 ;
internet: http://www.agro.nl/nrlo/
NRLO-rapport nr. 99/14, Den Haag, mei 1999
ISBN: 90 - 5059 - 102 - 7
Overname van tekstdelen is toegestaan, mits met bronvermelding.
| Dit essay is geschreven in het kader van de studie "Innoveren en leren, kennismanagement en plattelandsvernieuwing", die als NRLO-rapport 99/13 is uitgebracht. De auteur is de uitvoerenden van die studie, met name Drs. E. Dammers en Drs. M. Horrevoets, bijzonder erkentelijk voor commentaar en aanvullingen op een eerdere versie van het essay. |
Inhoud:
Ten Geleide
1. Inleiding
2. Plattelandsvernieuwing: een wiel met vier spaken
3. Typerende processen
4. Kennismanagement
5. Naar een institutionele onder-steuning van kennisprocessen
6. Besluit
Ten Geleide
In 'Groene ruimte op de kaart!' (NRLO-rapport 98/19)
werd voorgesteld om een drietal kennis- en innovatiecentra voor
plattelandsontwikkeling in te stellen.
Voor de stelling dat dergelijke centra van grote
betekenis kunnen zijn voor het entameren van leerprocessen die
voor plattelandsvernieuwing nodig zijn, worden in dit essay goede
argumenten aangedragen.
Uitgangspunt van het essay is dat voor plattelandsvernieuwing
die het schaalniveau van het enkele bedrijf te boven gaat, substantiële
leerprocessen nodig zijn. Bij dergelijke leerprocessen zijn meerdere
actoren betrokken, men leert van elkaar en (aanvankelijke) meningen
worden bijgesteld. Er komt impliciete kennis aan de orde, zowel
van de betrokken actor zelf als van anderen, proceskennis en expliciete
kennis. Kennis is niet alleen van instituten afkomstig maar van
alle actoren in een besluitvormingsproces.
In feite vinden deze leerprocessen plaats in het
kader van integratieve planvorming voor een streek. Een verschil
met meer gangbare planprocessen is de nadruk op oraliteit en face
to face contacten waarbij gaandeweg vertrouwen wordt opgebouwd.
Leerprocessen waar het hier om gaat komen niet vanzelf tot stand
maar moeten zorgvuldig worden begeleid, zo wordt betoogd.
Vanuit een oogpunt van kennismanagement (het vermogen
om de factor kennis in veranderingsprocessen te optimaliseren)
is een regionaal kenniscentrum goed te verdedigen, zo stelt de
auteur. Hij schetst de contouren van zo'n centrum, zowel de concrete
activiteiten als de institutionele setting.
In essentie heeft het essay al zijn weg gevonden
in het rapport "Innoveren en leren, Kennismanagement
en plattelandsvernieuwing" (NRLO-rapport 99/13).
Voorts meen ik dat dit essay een belangrijke inhoudelijke
bijdrage kan leveren aan de discussie over een vitaal platteland
en regionale kennisnetwerken die nu in volle gang is.
Dr. ir. A.P. Verkaik
Directeur Bureau NRLO
1. Inleiding
Het lijkt erop dat de bestaande infrastructuur op
kennisgebied niet goed past bij het proces van plattelandsvernieuwing,
zoals dat in diverse regio's gaande is. De integratie van uiteenlopende
soorten kennis is een probleem, de ontsluiting van kennis van
buiten de streek loopt niet altijd soepel, er is een gebrek aan
continuïteit, etc. Daarom moet gedacht worden aan andere
voorzieningen, mogelijk dichter bij de regio zelf, mogelijk ook
dichter bij het proces van mening- en besluitvorming, dat daar
plaatsvindt.
Dit laatste nemen we als uitgangspunt. Kennis wordt
gebruikt in processen van menings- en besluitvorming. Pas als
we weten wat de kenmerken zijn van deze processen, kunnen we adequaat
aangeven wat dan in facilitaire zin nodig is.
Die processen hangen weer ten nauwste samen met de
essentialia van plattelandsernieuwing. Plattelandsvernieuwing
is een term die zijn betekenis ontleent aan een aantal verschijnselen
die te zelfder tijd optreden. Ze zijn als het ware de spaken in
het wiel dat plattelandsvernieuwing in beweging brengt.
We willen hieronder eerst ingaan op de kern van plattelandsvernieuwing.
Vervolgens praten we over het proces, dat daarvan kan worden afgeleid.
Dan gaan we in op het vermogen om deze processen mede te optimaliseren:
kennismanagement. Tenslotte behandelen we de infrastructuur op
kennisgebied die dit proces moet faciliteren.
2. Plattelandsvernieuwing: een wiel met vier spaken
Plattelandsvernieuwing ontleent zijn momentum aan
een viertal verschijnselen, die we successievelijk bespreken.
Natuurlijk moest er afgestemd worden. Dat gebeurde,
aan de rand van het dossier, waar landbouwontwikkeling botste
op natuur, of natuur op recreatie. Gezocht werd naar oplossingen
waar de vervelende consequenties van de ene ontwikkeling voor
de andere zoveel mogelijk werden beperkt.
Meer gemeenschappelijke planning geschiedde in de
vorm van een dossierplan, een geheel van deelplannen dat vooral
door nietjes bijeen werd gehouden. De afstemming verliep via compromissen.
De oplossing voor de een was het probleem voor de ander. Trekkend
en duwend kwam men tot een eindversie.
Een dergelijke planningscultuur leidt vaak tot suboptimale
resultaten, die bovendien inherent instabiel blijven. De natuurorganisatie
ziet 100 van de150 hectaren natuurterrein gerealiseerd, maar blijft
dromen van de andere vijftig. Iedere partij beleeft zo'n plan
als een noodzakelijke tussenstap naar wat ze (voor zichzelf) als
beter zien.
Wezenlijk voor plattelandsvernieuwing is integraliteit.
Er wordt geen natuur-, landbouw- of recreatieplan meer gemaakt,
noch een plan om de cultuurhistorische betekenis van een streek
te bewaren of om de lokale bedrijvigheid te ondersteunen, dan
wel de woonfunctie te bevestigen. Er komt één plan,
vanuit gemeenschappelijk ontwikkelde visie die de deelplannen
aanstuurt.
Deze ontwikkeling is al lang gaande maar is nu pas
echt uit de ontdekkingsfase geraakt. De gevolgen voor het proces
dat plaats moet vinden zijn -uiteraard- bijzonder groot.
Interactief besturen legt de verantwoordelijkheid
voor het beleid zo dicht mogelijk bij diegenen die bij het beleidsprobleem
betrokken zijn, zij het als staatsburger of als onderdaan. Het
betekent decentraal besturen, van het rijk naar de provincie en
van de provincie naar een gebied.
Enerzijds moet zo een beter plan worden gerealiseerd,
beter in de zin dat het plan zorgvuldiger is afgestemd op de situatie
van betrokkenen en op hun rationaliteit. Anderzijds wordt aldus
bereikt dat betrokkenen, ownership ontwikkelen, via participatie
komen tot engagement. Draagvlak wordt op deze wijze niet gecreëerd,
maar ontstaat. Wezenlijk hierbij is dat al doende geleerd wordt.
Leren is een belangrijk element van interactieve
beleidsvorming. De oude instrumentele planning eindigde met een
beleidsrapport waarin de oplossingen zijn vastgelegd met de bijbehorende
argumenten. Echter, deze argumenten ontlenen hun betekenis aan
het perspectief waarbinnen ze gehanteerd worden. Daarbuiten betekenen
ze weinig. Actoren, die een ander perspectief delen, voelen zich
er niet door aangesproken. Dit verklaart bijvoorbeeld de grote
acceptatieproblemen van het Natuurbeleidsplan (LNV, 1989)
in de landbouwsector.
Daar komt bij dat ook op betrekkingsniveau problemen
ontstaan, als externe partijen als de overheid onder druk van
maatschappelijke organisaties plannen ontwikkelen, en deze vervolgens
van toepassing verklaren op groepen van burgers die in het proces
tot dan toe niet zijn betrokken. De vele imagostudies in de sfeer van het
openbaar bestuur zijn indicatief voor deze ontwikkeling.
Het feitelijk voorkomen van verschillende perspectieven
en het geschetste, relatieprobleem, stellen we verantwoordelijk
voor de acceptatieproblematiek, een van de hoofdoorzaken van de
crisis van het openbaar bestuur. Het moet dus anders. Plattelandsvernieuwing
staat ook voor bestuurlijke vernieuwing: een nieuwe bestuursstijl
waarbij het platteland vooral zichzelf vernieuwt.
Bij bestuurlijke vernieuwing moeten we niet denken
in termen van consensus gerichte discussies, waarbij ieder, even,
zijn belang of visie vergeet en uitsluitend in het belang van
de streek praat. Het idee is dat binnen de regio's de verschillen
in belang en visie groot zijn. De idylle van het platteland als
een convivium van gelijkgestemden moet krachtig worden weersproken.
Door allerlei oorzaken, de instroom van buitenstaanders, het ineengeschrompelde
agrarische netwerk, de geringere betekenis van het kerkplein als
ontmoetingsplaats etc., is het platteland niet per definitie een
veel minder heterogene samenleving dan de stad. Het is geen agora
maar een arena.
We praten dan ook niet over een goed gesprek, maar
over onderhandelingen. Belangrijk is dan de vraag om wat voor
onderhandelingen het dan gaat. Hier dienen we een fundamenteel
onderscheid te maken tussen distributieve onderhandelingen (strijden
om de koek) en integratieve onderhandelingen (bepalen welke koek
gebakken moet worden). In onderstaand schema zijn de verschillen
indicatief weergegeven (van Woerkum, 1997). We komen later op
dit belangrijke verschil nog terug.
Distributieve en integratieve onderhandelingen
|
Distributieve onderhandeling - vertrekt vanuit posities | Integratieve onderhandeling - vertrekt vanuit een belang of visie |
| - gesloten over achtergronden | - open over achtergronden |
| - geen gezamenlijk feitenonderzoek | - gezamenlijk feitenonderzoek |
| - overvragen | - geen overvragen |
| - bedreigingen | - geen bedreigingen |
| - minder kans op een verstandhouding | - meer kans op een verstandhouding |
| - weinig leereffect | - veel leereffect |
| - geen zorg voor de ander | - wel zorg voor de ander |
Een voorbeeld is wederom het Natuurbeleidsplan.
Dit plan bevat vele gegevens over de zorgwekkende toestand van
onze natuur en wat er op dit punt zou moeten gebeuren. Opmerkelijk
weinig wordt ingegaan op de vraag hoe de landbouw, een belangrijke
partij in deze, van de ene naar de andere situatie moet komen,
wat dit voor agrariërs betekent, wat zij dan op hun weg tegenkomen.
Een andere verbreding zit in de erkenning dat niet
alleen gedrukte, expliciete kennis van belang is, maar ook impliciete
kennis. Dit kan zowel ervaringskennis zijn als kennis in de vorm
van veronderstellingen, uitgangspunten, vanzelfsprekende noties.
De studie naar impliciete kennis levert zowel een bijdrage aan
verklaringen waarom bepaalde expliciete argumenten niet worden
geaccepteerd (vanwege een andere natuurvisie bijvoorbeeld) als
aan de zoektocht naar nieuwe ideeën voor een ander beleid.
Impliciete kennis kan gezien worden als hulp of hinderpaal. In
ieder geval is de erkenning dat het hier om een legitieme kennisbron
gaat van groot belang voor een andere stijl van werken.
Als gesproken wordt over substantieel leren, dan
zijn juist deze impliciete (maar te expliciteren) veronderstellingen
etc. in het geding. Alleen door deze op tafel te krijgen ontstaat
de creatieve ruimte voor integrale oplossingen.
Ook die van plattelandsvernieuwing. Autochtonen beleven
meer aan hun regio. Inwijkelingen kiezen niet zelden heel bewust
voor een bepaalde streek, vanwege het karakter ervan en doen er
veel aan om de locale sfeer op te snuiven. Het aantal publicaties
over de geschiedenis van een gebied, fotoboeken, zelfs videobanden,
neemt sterk toe.
Plattelandsvernieuwing is (ook) te zien als een poging
om de culturele eigenheid van een streek te definiëren en
te versterken. Hier en daar zelfs: om die uit te baten. Het aantal
streekprodukten is niet gering, al moeten we deze ontwikkeling
wel enigszins relativeren. Uit een Duitse studie bleek bijvoorbeeld
dat wat als typisch (Duits) Fries werd verkocht in hoge mate geleek
op het Saksische equivalent, maar desondanks: hier is wat aan
de hand.
Interessant is de belangstelling van buiten de streek zelf, zoals van stedelingen, voor het regionale erfgoed. Waarom, zo is de gedachte , zouden we de binnenstad van Amsterdam wèl beschermen en de Purmer niet? Beide zeggen iets over ons verleden, ze zijn het symbool voor een bepaalde Hollandse traditie. Dat Nederland bij uitstek een agrarisch land was (en misschien nog deels is) mag zichtbaar blijven en niet alleen in de vorm van de koe van Potter. Het gaat om belangrijke identiteitsbepalers.
We komen hier wel op een interessant thema: hoe de
dynamiek in de landelijke gebieden te laten sporen met behoud
van oude culturele kenmerken. Amsterdam anno 1998 is ontegenzeglijk
zowel actueel als traditioneel, zowel nieuw als oud. Hoe behoud
je ten plattelande de culturele eigenheid in een situatie die
vraagt om verandering. Bijvoorbeeld natuurontwikkelingsprojecten
in het open gebied van Zuid-Holland of Groningen kampen met dit
dilemma.
Het is natuurlijk niet zo dat alleen in het landschap,
in uiterlijkheden, de culturele identiteit gestalte krijgt, hoe
symptomatisch het landschap ook is. Een cultuur verraadt zich
ook in gedragsregels, in taal in gemeenschappelijke waarden en
normen. Ook hieruit kan wellicht geput worden, als het gaat om
specifieke projecten van plattelandsvernieuwing.
3. Typerende
processen
Wat heeft het bovenstaande voor consequenties als
we kijken naar het proces? Laten we een drietal gevolgen bezien.
Een dergelijk leerproces kan niet zonder frequent
contact en ook niet zonder lateraal contact, dat wil zeggen contact
tussen regionale actoren onderling. De overheid kan dit proces
niet bilateraal, in een aantal slagen, tot een goed einde brengen.
Dit laatste is slecht mogelijk binnen distributieve onderhandelingen.
Integratieve onderhandelingen vergen face-to-face contacten, waarbij
gaandeweg vertrouwen wordt opgebouwd. Uitgangspunt is de ervaren
afhankelijkheden. Eén actor kan niet gerealiseerd krijgen
wat hij wil zonder de instemming van anderen. Als dit besef is
doorgedrongen, maar alleen dan, is de basis gelegd voor verder
contact van het produktieve type. De overheid moet dit proces
mediëren.
Qua methodiek moet gedacht worden aan gemengde groepen
die gedurende een bepaalde periode bijeenkomen. Het geëigende
leerproces moet zorgvuldig worden begeleid. Vele actoren hebben
een zeer grote bekwaamheid opgebouwd in distributieve onderhandelingen,
waarbij kennis als argument (munitie) wordt ingezet. Niet zelden
reageren ze met oude reflexen op nieuwe situaties, met name ook
in de contacten met achterbannen. Zo kunnen ze geneigd zijn om
het overleg met deze achterbannen (tijdelijk) op te schorten als
ze nog niets te bieden hebben. Ze vergeten dat wat ze wel degelijk
te bieden hebben, een ander denkproces, zeker van zoveel belang
is als het uiteindelijke resultaat daarvan.
Macht kan gebaseerd zijn op verschillende soorten
assets. Zo is er economische macht (werkgelegenheid bieden, financieel
iets kunnen bereiken). Er is ook - iets heel anders - mediamacht:
de mate waarin via de regionale pers of omroep de publieke opinie
kan worden beïnvloed. Er is juridische hindermacht. Er is
bureaucratische macht: het kunnen gebruik maken van formele kanalen.
Er is - in spannende situaties - contestatiemacht. En er is informatiemacht:
het (kunnen) beschikken over schaarse kennis.
Slechts als dit soort machtsbronnen worden doorzien
en eventuele negatieve ontwikkelingen, die van daaruit kunnen
ontstaan, kunnen worden gepareerd, kan het proces van integratieve
onderhandelingen, gepaard gaande met wenselijke leerprocessen,
slagen.
Het is interessant om te bezien hoe oraliteit in
diverse domeinen een rol speelt. Zo is er het formele domein van
de bestuurlijke bijeenkomst en het informele domein van wandelgangen
en zeker ook van allerlei ontmoetingen tussen actoren in de regio.
Gilbert & Mulkay (19..) spreken van een empiricist en een
contingent repertoire om aan te geven hoe binnen de wetenschap
gecommuniceerd wordt op basis van pure resultaten van onderzoek
(empiricist repertoire) en van overtuigingen over wat werkelijk
van belang is, wat foutieve gezichtspunten zijn of niet (contingent
repertoire). Dit onderscheid is ook voor ons interessant.
De nadruk op ontmoetingen als centraal medium van
plattelandsvernieuwing leidt tot een versterking van het informele
domein boven het formele en van het contingent repertoire, ten
koste van het empiricist repertoire. We kunnen daar het een en
ander uit afleiden. Belangrijker wordt bijvoorbeeld hoe mensen
in onderlinge gesprekken een bepaald thema framen. Gaat het bij
agrarische ontwikkeling om produktiemaximalisering of om het optimale
benutten van de biosfeer in een bepaald gebied? Dit laatste kan
door het laten groeien van spruitjes, maar ook door agrarisch
natuurbeheer. Gaat het bij natuurontwikkeling om het koloniseren
van zoveel hectaren gebied of om het versterken van de condities
voor biodiversiteit?
Belangrijk wordt ook te zien hoe mensen in gesprekken
informatie labelen. Is informatie afkomstig uit de eigen of verwante
kring of van buiten? De gepercipieerde herkomst van informatie
(van een in- of van een out-group) bepaalt in hoge mate de mate
waarin men deze wil meenemen in het eigen denkproces. Veel informatie
op natuurgebied zouden agrariërs zelf nooit bedacht kunnen
hebben. Hierin schuilt echter wel een groot probleem met betrekking
tot de acceptatie ervan. Niet zonder reden wordt in het schema
over typen onderhandelingen gesproken over gezamenlijk feitenonderzoek
(uiteraard bij integratieve onderhandelingen). Dit vergroot de
basis voor een geaccepteerd gezamenlijk kennisbestand.
Belangrijk tenslotte is ook het vocabulaire. Dit
uit zich in specifieke concepten. Zo is het concept parkwachter
en agrarisch natuurbeheerder denotatief sterk verwant, maar connotatief
liggen er werelden tussen. In de ondersteuning van het kennisproces
ten aanzien van plattelandsvernieuwing moet een grote gevoeligheid
worden ingebouwd voor dergelijke kwesties.
In het algemeen moet gesteld worden dat zeer veel
concepten en argumentaties hun betekenis ontlenen aan schriftelijke
representaties en in een orale context veelal onhanteerbaar zijn.
In een brochure voor het grote publiek voor een bepaald gebied
rond de grote rivieren vonden we termen als landschappelijk raamwerk,
zonering van activiteiten, natuurlijk riviersysteem, lijnelementen,
ecologische relaties of migrantenroute. Om de sfeer aan te geven:
ergens stelt de schrijver dat de uitwisselingen van vissen tussen
de rivier en het water in de uiterwaarden sterk toenemen (ze zwemmen
gemakkelijker heen en weer).
Het is goed om te benadrukken dat het hier niet
of maar ten dele gaat om een vertaalprobleem. Een groot deel
van geschreven onderzoeksdocumenten is eenvoudigweg onbespreekbaar
en kan dus ook in een publiek discourse niet meegenomen worden.
Het is een bekend gegeven dat door de geschiedenis heen de oraliteit
aan betekenis heeft ingeboet. Wij zijn minder dan vroeger in staat
om verhalen te vertellen en een betoog te ontwikkelen. We zijn
sterker afhankelijk van documentaire informatie. De nadruk op
ontmoetingen bij plattelandsvernieuwing, noodzakelijk voor sociaal
en substantieel leren, betekent tegelijk een verscherping van
het probleem hoe oraliteit met documentaire informatie te verbinden
is. Recente initiatieven met internet pogen in dit conflict te
bemiddelen. Bij internet hoeft men niet zomaar te spreken er kunnen
documenten meegezonden worden. Het valt nog te bezien waartoe
dit leidt. Kan een virtuele gemeenschap op internet de orale cultuur,
met zijn functies voor wat betreft mentale veranderingsprocessen,
vervangen?
Ten overvloede wellicht. In deze voorstelling van
zaken zijn wetenschappers niet de exclusieve kennisleveranciers.
Andere actoren zijn in principe even belangrijk op dit punt, om
verschillende redenen. Toch heeft de wetenschapper een specifieke
positie, voor wat betreft het aanleveren van geobjectiveerde,
expliciete kennis omtrent bepaalde verbanden. Daardoor kan de
kans om verkeerde beslissingen te nemen, vanuit onjuiste veronderstellingen,
worden verkleind.
De wetenschapper moet wel zijn bijdragen herdefiniëren.
In de oude planningscultuur werd veel onderzoek verricht volgens
een vastgelegd protocol. De besluitvorming was daarop afgestemd.
Nu moet soms in de helft van de tijd, in ieder geval veel flexibeler,
gewerkt worden. Dit vergt een andere kijk op methodiek: de bestaande
werkwijze voldoet niet langer. We spreken hier over aangepaste
methodiek, een onderzoeksbenadering waarbij in elke situatie bezien
wordt welke methodiek hier het beste voldoet. Dit geeft aanleiding
tot een heel nieuwe academische opdracht: hoe op metaniveau in
verschillende situaties tot bevredigende uitkomsten te komen,
gegeven de randvoorwaarden, tegen redelijke kosten.
Wetenschappers zullen precies als alle andere actoren,
hun concepten kritisch moeten bezien. Ook zij vertrekken doorgaans
vanuit relatief slecht overdachte assumpties over wat belangrijk
is en wat niet. Veel concepten (biodiversiteit, duurzaamheid),
die ook wetenschappers hanteren, zijn multi-interpretabel. Ook
wetenschappers moeten, zoals de andere actoren leren, om in het
proces een goede rol te kunnen spelen.
Een specifiek vraagstuk betreft de relatie tussen
wetenschappers onderling. Als we streven naar een plan uit één
stuk, moet transdisciplinariteit uitgangspunt vormen. Betrekkelijk
weinig onderzoekers zijn gewend zo te werken. Ook hierbij zal
dus vaak gemedieerd moeten worden.
Een ander vraagstuk is de wijze waarop men met de
tijdsdimensie omgaat en met de verschillende niveaus. Aan de ene
kant ontwerpen deelnemers aan deze processen oplossingen voor
wat zij zien als de meest typerende problemen in een bepaald gebied.
Doorgaans is men daarbij gericht op de kortere en middellange
termijn. Op een hoger aggregatieniveau ontwerpen beleidsfunctionarissen
en onderzoekers echter plannen voor een groter geheel en niet
zelden op langere termijn, vanuit een centrale visie, waar vanuit
een gebied een bepaalde functie krijgt toegemeten. Ook hier vinden
interactieve processen plaats, maar op een abstracter niveau,
veelal met de inbreng van overkoepelende maatschappelijke organisaties,
gesteund door macro-gerichte onderzoekers.
Het lijkt gewenst deze beide benaderingen met elkaar
in verband te brengen. Macro-scenario's die geen rekening houden
met feitelijke maatschappelijke processen in de diverse regio's
kunnen verworden tot sterk modelmatig gerichte nota's, die de
werkelijkheid beperkt beschrijven. Anderzijds is regionale ontwikkeling
los van meer algemene planvorming eveneens weinig realistisch
in een tijdperk waar moeilijke beslissingen over verkeer, de verdeling
van industriële vestingen, recreatieve voorzieningen voor
miljoenen stedelingen, etc. genomen moeten worden.
Dit alles vraagt om kenniscentra die tussen processen
op verschillende niveau's en met verschillende tijdshorizonnen
kunnen schakelen. Maar vooreerst vraagt dit om kennismanagement.
4. Kennismanagement
Onder kennismanagement verstaan we het vermogen om
de factor kennis in veranderingsprocessen te optimaliseren. In
onze maatschappij wordt kennis meer en meer gezien als een beslissende
factor, waar de kwaliteit van de besluitvorming op berust. Kennis
moeten we daarbij opvatten in de bovenstaande, ruime betekenis.
Het gaat dus niet alleen of zozeer om bestaande informatie een
zetje te geven. zodat die eerder benut wordt. Eerder betreft het
een doelbewuste poging om kennis beter te funderen. Ook sociale
en impliciete kennis, en dan weer zowel ervaringskennis als uitgangspunten
en veronderstellingen, spelen daarbij een rol. Kennis komt ook
niet alleen van kennisinstituten, maar van alle actoren in een
besluitvormingsproces.
Bij kennismanagement staat voorop het vergroten van
het rendement. Nu is return on knowledge uiteraard niet eenvoudig
te meten. De aanname is dat een bewustere omgang met kennis -
in al zijn facetten - lonend is. Maar hoe lonend onttrekt
zich aan harde criteria. Slechts door bij plattelandsvernieuwing
regelmatig bij procesevaluaties het kennismanagement in de analyse
te betrekken kunnen we bij benadering een optimum bepalen. Zover
is het nu nog niet. Laten we - voorzichtig - stellen dat een regionaal
kenniscentrum op goede gronden vanuit rendementsoogpunt te verdedigen
is. De oude kennisinfrastructuur is onvoldoende in staat om datgene
te leveren waaraan behoefte is.
Bij kennismanagement kunnen we verschillende fases
onderscheiden. Zo hebben we een oriëntatiefase, waarin visies
ontwikkeld worden. Daarna zien we een besluitvormingsfase, waarin
de belangrijkste beslissingen tot stand komen. Vervolgens kennen
we een toepassingsfase en tenslotte een evaluatiefase. Deze, grove
indeling geeft een indicatie van de verschillende functies van
kennismanagement in de tijd gezien.
Aan wat voor activiteiten denken we dan? Dat is nogal een palet. Laten we enkele activiteiten aanstippen:
De kennismanager moet zich dus wel het een en ander
eigen maken wil hij/zij zich als professional kunnen manifesteren.
Het is een beroep dat enerzijds als steeds belangrijker wordt
gezien maar anderzijds zeker nog niet is uitontwikkeld. De kennismanager
moet dus ook zijn eigen rol goed leren managen.
5. Naar
een institutionele onder-steuning van kennisprocessen
We hebben de belangrijkste elementen van plattelandsvernieuwing
opgesomd (de vier spaken). We hebben de gevolgen hiervan voor
het proces behandeld. We hebben het een en ander gezegd over kennismanagement.
Nu komen we bij de vraag wat dit betekent voor de infrastructuur
op kennisgebied. Laten we ons denken op dit gebied weer puntsgewijze
vastleggen.
De laagdrempeligheid en bereikbaarheid moet aangevuld
worden met een mogelijkheid om ontmoetingen te arrangeren. Dat
kan via de faciliteiten van andere instituties (een grotere gemeente,
waterschappen, etc.). Op zichzelf zijn ontmoetingen van zeer
groot belang, zoals we eerder zagen. Maar dit hoeft niet altijd
in één en dezelfde ruimte te gebeuren. Veel ontmoetingen
zullen kleinschalig zijn (huiskamerbijeenkomsten bijv.) of plaatsvinden
in de vertrouwde omgeving, waarin mensen elkaar plegen te ontmoeten
(zaaltjes).
Soms kan het innovatiecentrum goed gecombineerd worden
met een andere functie, zoals dit bij SPA is gebeurd (combinatie
met DLV).
Een beroep op kennisinstellingen als DLO of de LUW
(Wageningen Universiteit en Researchcentrum) ligt dan voor de
hand, maar moet gepaard gaan met een nieuwe onderzoekscultuur.
Daarbij zal projectmatig gewerkt moeten worden met teams van onderzoekers
die gezamenlijk, in nauw overleg met de betrokken actoren in de
streek, tot een probleemdefinitie en tot geïntegreerde oplossingen
komen. We kunnen hier spreken van geïntegreerd ontwerpen,
in de zin dat binnen en tussen technologische en sociaal-wetenschappelijke
disciplines vanuit één analysekader wordt gewerkt,
èn in de zin dat interactief wordt gewerkt met regionale
deskundigheden en preferenties. Zoals eerder gesteld is zullen
de impliciete veronderstellingen van alle actoren, ook van de
onderzoekers, aan bod moeten komen en zal ruimte geschapen dienen
te worden voor ervaringskennis. Het uiteindelijke plan is de neerslag
van dit proces. Het plan codificeert de kennis en argumenten,
die in de hoofden van betrokkenen reeds aanwezig zijn. Anders
gezegd: als het plan klaar is zou het idealiter voor de betrokkenen
geen nieuws meer moeten opleveren.
Voor de centrale kennisinstellingen is deze onderzoekscultuur
nog allesbehalve routine. Er moet dus door middel van training
en begeleide experimenten naar deze nieuwe aanpak worden toegewerkt.
Dit landelijk centrum zou zich ook functioneel adequaat
moeten verhouden tot landelijke of provinciale beleidsorganen.
Een groot deel van de problemen van het platteland zijn het gevolg
van weinig aangepast landelijk beleid. Veel ruimte is te winnen
door dit hier en daar te flexibiliseren, echter niet zonder duidelijke
criteria. Dit over en weer verlopende onderhandelingsproces vereist
een stevig bruggehoofd. Het zelfde geldt voor de contacten met
universiteiten. In Groningen berekende een oud-voorlichter voor
zijn gebied de nadelige invloed van schaduwwerking, als bossen
zouden worden geplant. Deze informatie was in Wageningen beschikbaar
geweest. Het centrum zou ook methodieken kunnen ontwikkelen, handboeken
kunnen schrijven, etc..
Dat deze personen een brede, liefst beta-gamma, achtergrond
moeten bezitten spreekt voor zich. Een uitgebreid netwerk is evenzeer
een pré.
Een bemensing door minimaal twee personen per regio
lijkt wenselijk in verband met de noodzaak tot onderlinge reflectie
op processen en besluiten.
Deze werkwijze is verdedigbaar en tot op zekere hoogte
onvermijdelijk. Toch is het goed om het probleem van representatie
op een iets hoger niveau te definiëren. Wat in vernieuwingsprocessen
nodig is gaat nogal eens voorbij aan de bestaande institutionele
structuur. Het belangrijkste criterium is opinieleiderschap, het
vermogen om nieuwe opvattingen te formuleren en te beïnvloeden
dat deze in eigen kring gehoor vinden. Daarvoor is nodig een sterke
betrokkenheid op een bepaald interessegebied en een goed functionerend
netwerk van contacten, waarin men als opinieleider een prominente
positie heeft.
Opinielieders kunnen we vinden binnen de bestaande,
gevestigde organisaties, maar soms ook erbuiten, of aan de rand.
Anders gezegd: formeel leiderschap valt lang niet altijd samen
met opinieleiderschap. Voor processen, zoals wij die voor ogen
hebben, is juist opinieleiderschap belangrijk.
6. Besluit
Uit deze meer praktische aanbevelingen is wel gebleken
dat we geen scheiding voorstaan van een procesbegeleiding in communicatieve
zin (bijvoorbeeld: het organiseren van constructieve bijeenkomsten)
en in de zin van ondersteuning door middel van het beschikbaar
stellen van kennis. Bij plattelandsvernieuwing is kennis geen
commodity, en is er geen sprake van stock-knowledge, maar van
flow-knowledge (Weggeman,1997). Kennis, in alle hoedanigheden,
is intrinsiek onderdeel van het hele proces, wordt daar deels
gemaakt, of krijgt daar betekenis, en kan daar niet in pakketjes
omheen worden gezet. Anders gezegd: het kennis- en beleidsproces
is, meer dan in de oude, gecentraliseerde bestuursculturen, verweven.
Dus moet ook de ondersteuning geïntegreerd worden. Dit doet
op zichzelf niets af van het nut van extern aanwezige wetenschappelijke
resultaten. Die wordt echter niet vanuit een transfer-gedachte
ingebracht maar worden benut, voor zover ze passen binnen de gezamenlijk
geconstrueerde perspectieven.
Voor een verdere uitwerking van de methodiek kan
aangesloten worden bij de diverse initiatieven die, ook buiten
de landbouw, op het gebied van interactieve kennis- en beleidsontwikkeling
zijn gestart. Zo valt te leren van de ervaringen met projecten
van stadsontwikkeling (o.a. Amsterdam: de noord-zuid verbinding)
of ruimer, met een geïndustrialiseerde regio (Mainport Rotterdam).
In essentie zien we hier vergelijkbare processen, met name op
het punt van het ontwerpen van visie, transdisciplinariteit, e.d.
Ook blijkt het zinnig de uitgebreide literatuur te bestuderen
t.a.v. de planning van deze processen, waarbij een aantal taken
kunnen worden onderscheiden, van het uitnodigen van deelnemers
tot de implementatie. Het gaat te ver hier deze methodische kwesties
uit te werken (zie: Leeuwis & Van Meegeren, 1998). Belangrijk
is de fase waarin men van een exploratie van de situatie komt
tot het definiëren van hiaten in kennis en tot gezamenlijk
feitenonderzoek, waarna een actieplan ontwikkeld dient te worden,
met daarin de geconstrueerde nieuwe oplossingen. Zoals gezegd:
hier is een goed gedocumenteerde, wetenschappelijk gefundeerde
literatuur beschikbaar.
Het is overigens onverstandig om de voorgestane participatieve
aanpak heilig te verklaren. In bepaalde condities kan het proces
niet succesvol verlopen of is het resultaat discutabel. Te denken
valt aan situaties waarin de esthetische dimensie een belangrijke
rol vervult. We weten dat een mooi landschap voor veel mensen
het vertrouwde landschap is. Interventies van boven af worden
niet zelden aanvankelijk zwaar bekritiseerd, maar later juist
gewaardeerd. Ook bij zeer complexe en gebiedsoverschreidende projecten
(Schiphol, de Betuwelijn) is regionale participatie beperkt zinvol.
Tenslotte bieden ook grote verschillen tussen regionale actoren
in macht of belang ongunstige condities voor plattelandsvernieuwing
in de voorgestelde zin. Dit accepterend blijft het in vele situaties
zinvol op de manier te werken zoals hier is gepresenteerd.
De vraag is wel wat dan de volgende stap zou moeten
zijn. Gezien de (nog) grote onzekerheden die op het vlak van de
praktische implementatie bestaan verdient het aanbeveling om te
starten met een pilot-project in een bepaalde regio, die redelijk
veel overeenkomsten heeft met wat elders speelt. In dit pilot-project
zou langs de hierboven geformuleerde lijnen een institutionele
structuur dienen te worden opgebouwd ten behoeve van op plattelandsvernieuwing
gerichte ontwikkeling en beleid.
(Toegepast) onderzoek zou in dit project drie posities
kunnen innemen. Op de eerste plaats zou op grond van de bestaande
inzichten een uitgewerkt plan kunnen worden geproduceerd dat als
basis kan dienen voor een regionaal kennis- en beleidscentrum.
Op de tweede plaats zou ontwikkelingsonderzoek de activiteiten
van dit centrum kunnen optimaliseren. Op de derde plaats zou onderzoek
de resultaten over een vastgestelde periode kunnen evalueren en
kunnen aangeven òf een dergelijk centrum kan beantwoorden
aan de veronderstelde functies en waar dan (eventueel) bijgestuurd
zou moeten worden.