BIJLAGE I. KENNIS-GENERATIE, -TRANSFER EN -HANDEL EN INNOVATIE
I.1 Ontwikkelingen in de industriele kennisgeneratie.
I.2 De markt voor onderzoek van publieke instellingen.
I.3 Strategische kennis en geheimhouding.
I.4 De huidige positie van het octrooi.
I.5 De prijs van kennis.
I.6 Het risico van onderzoek.
BIJLAGE II. HET FUNCTIONEREN VAN DE ACTOREN IN DE INFRASTRUCTUUR.
II.1. Het bedrijfsleven.
II.2 De universitaire instellingen.
II.3 De 'stand alone' contract research organisaties.
II.4 De bemoeienis van de overheid.
1. SAMENVATTING
Innovatie is het succesvol introduceren van nieuwe producten (en
diensten) op de markt. Algemeen wordt erkend dat competitieve
economische kracht van bedrijven en naties wordt ontleend aan
het vermogen innovatie aan de dag te leggen.
De grootste uitdaging voor een klein land als Nederland is op
lange termijn, temidden van de andere Europese partners, op het
gebied van innovatie de uitdaging van de concurrentie met de ZO-Aziatisch
landen aan te gaan.
Een efficiënte interactie van publieke en private instellingen
is daarbij een belangrijk instrument.
In een eerdere NRLO-discussie nota (maart 1996) is het hedendaags
functioneren van de belangrijkste actoren in de wetenschappelijke
instructuur, - te weten universiteiten, contract research organisaties,
de kennis-intensieve bedrijven en de overheid -, beschreven, waaruit
34 conclusies werden afgeleid.
Deze voorliggende notitie (mei 1996) is gedeeltelijk een voortgangs-rapportage
naar aanleiding van de discussie die daarover is gevoerd. Bijlagen
I en II zijn een herziening van de tekst in de eerste (maart)
nota op grond van het ontvangen commentaar op respectievelijk
de hoofdstukken Kennis-generatie en innovatie, en het functioneren
van de actoren.
Algemeen wordt ondermeer onderschreven dat:
In deze vervolgnotitie wordt in het bijzonder nader ingegaan op
de positie en de betekenis van het academisch onderwijs in de
infrastructuur als belangrijke toekomstige concurrentiefactor
in relatie tot de ontwikkelingen in ZO-Azie.
Naar aanleiding van een bijdrage van een Nederlands kennis-intensief
bedrijf (met onderzoekfaciliteit in ZO-Azië) wordt het innovatieproces
nader bezien. De veronderstelde lineaire relatie:
strategisch onderzoek <----> innovatie <-----> markt
wordt als een te simplistische voorstelling beschouwd.
Het fundamentele en strategische onderzoek waarmede kennis wordt
gegenereerd, op grond waarvan nieuwe inzichten worden verkregen,
die aanleiding zijn voor weer nieuw onderzoek, is een cyclisch
proces in de wetenschapsbeoefening, een vliegwiel met een eigen
momentum:
kennis -----> inzicht -----> kennis.
Innovatie is een vergelijkbaar, op zich zelf staand cyclisch proces
markt ---> inzicht ---> nieuwe producten ---> markt
met een ander momentum.
Beide cycli dienen in de publiek private interactie op elkaar
te worden afgestemd. Dit leidt tot de metafoor waarbij de infrastructuur
wordt geschetst als een raderwerk van wielen met verschillend
momentum, dat per definitie niet soepel kan lopen. Dit leidt tot
het pleidooi het academisch onderwijs en onderzoek te zien als
een 'oefening in wetenschapsbeoefening en innovatie' en daarmede
als een belangrijke overbrenging tussen de wetenschapscyclus en
de innovatiecyclus, die de grootst mogelijke aandacht van de overheid
verdienen.
2. INFRASTRUCTUUR EN CONCURRENTIEPOSITIE
Dergelijke uitspraken hoort men nog steeds. Het is echter onjuist te veronderstellen dat ter bevordering van het innovatieproces niets zou zijn ondernomen en dat met name overheidsinitiatieven in deze geen enkel effect zouden hebben gehad.
Een voor de hand liggende aanpak was het bevorderen van de samenwerking
tussen publieke onderzoek-instellingen onderling en het bevorderen
van de interactie van deze instellingen met de maatschappelijke
en private instituties die kennis exploiteren. In onderscheidene
landen is dit op verschillende manieren aangepakt. Genomen maatregelen
onderscheidden zich door intensiteit van overheidsbemoeienis en
de wijzen waarop geldstromen uit publieke bronnen werden ingezet.
Hierdoor ontstonden in de geïndustrieerde landen, wat men
noemt, verschillende 'wetenschappelijke infrastructuren', waarvan
naast overheidsinstanties, onderzoekinstellingen en kennis-exploitanten
ook vele verschillende publieke adviesorganen deel uit maken.
In 1987 rapporteerde een OECD-visitatiecommissie dat de Nederlandse
wetenschappelijke infrastructuur zeer ingewikkeld is en noemde
deze een 'self-propelled bureaucracy'. De diepgang van deze waarnemingen
kan men betwijfelen omdat zij op een tamelijk vluchtig bezoek
van de visitatoren zijn gebaseerd. Het signaal is in ieder geval
genegeerd want de complexiteit van de infrastructuur is sindsdien
eerder toe- dan afgenomen door de instelling van nieuwe instituties.
De universiteiten werder verrijkt met onderzoekscholen, (naast
de reeds bestaande 'stand alone' onderzoek-organisaties [GTI's,
grote technologische instituten]); Nieuwe publieke kennistransfer-bureaus
werden ingesteld, (naast de reeds bestaande private ingenieursbureaus)
en speciale 'agentschappen' werden geformeerd die publieke middelen
over een grote verscheidenheid van participanten in het netwerk
distribueren (naast de middelen verstrekkende departementen).
Thans wordt overwogen nog meer nieuwe lichamen in het leven te
roepen, de zogenaamde top-instituten die onderzoek zouden moeten
gaan verrichten op gebieden die zowel van groot economisch nationaal
belang worden geacht als voor innovatiepotentie van de bestaande
ondernemingen.
Het OECD-rapport suggereerde dat in het 'buitenland' de zaken
efficiënter werden aangepakt en dit leidde (opnieuw) tot
het doen van verkenningen in buurlanden hoe men daar bij het bevorderen
van het innovatieproces te werk gaat. Het ministerie EZ bracht
in 1992 een nota uit 'Concurreren met kennis', die mede was gebaseerd
op zo'n verkenning van McKinsey waarin voorbeelden van succesvolle
publiek private samenwerking in het buitenland werden gegeven.
Beziet men deze voorbeelden kritisch dan is het nog maar de vraag
of door die buitenlandse initiatieven ook werkelijk reeds succesvol
nieuwe produkten op de markt waren gebracht, of zij niet nog steeds
vielen in de categorie 'veelbelovend' en of deze voorbeelden werkelijk
onder deden voor vergelijkbare Nederlandse initiatieven. Dus of
men zich niet heeft laten verleiden door het verschijnsel "the
grass always looks greener over the fence". Opmerkelijk is
ook dat vele van de door McKinsey aangedragen voorbeelden in voorgaande
decennia in Nederland al lang bleken te zijn beproefd, hier waren
mislukt of voortijdig gestopt.
Samenvattend kan met recht aan de orde worden gesteld of de wetenschappelijke
infrastructuur in andere landen van Europa en de VS werkelijk
zo veel efficiënter is georganiseerd dan in ons land, en
of het eventueel groter innovatievermogen over de grens daaraan
kan worden toegeschreven.
En voorts hebben we vandaag aan de dag niet meer alleen te maken
met onderlinge concurrentie in de westerse wereld, maar een wereldwijde,
met name door de economische opkomst van de ZO-Aziatische landen.
We kunnen derhalve a priori stellen dat Nederland om een positie
in de wereld te behouden, het bij voorkeur niet even goed als
onze naburen moet doen, maar beter.
De Japanse wetenschappelijke infrastructuur wordt gekenmerkt door een zeer sterke publiek private samenwerking, zo sterk dat het onderscheid tussen publiek en privaat zijn betekenis verliest. In vorige decennia is deze structuur dan ook door menige organisatiedeskundige als voorbeeld aan het westen voorgehouden. De manier waarop mensen in het Oosten denken, met elkaar omgaan en communiceren, is echter anders dan in onze westerse cultuur. Met name hiërarchische verhoudingen liggen gevoelsmatig wezenlijk verschillend.
Wat het Japanse model, en de vergelijking daarvan met Westerse,
in ieder geval heeft geleerd, is dat naast de organisatiestructuur
ook het functioneren van de mensen daarin een cruciale succesfactor
is. Het Japanse model is tot dusver niet apert beter gebleken
dan westerse modellen. Bij het kiezen van organisatiestructuren
dient met de volksaard rekening te worden gehouden. (Hofstede,
Cultural differences).
Op het gebied van de ontwikkeling van nieuwe management-opvattingen hebben westerse organisatiedeskundigen zelf zeker niet stilgezeten. Nieuwe ideeen, zoals de 'lerende' en de 'kantelende' organisatie vonden hun weg naar het westerse bedrijfsleven. In de lerende organisatie wordt een continu veranderings-management gepropageerd. Onder de kanteling van een organisatie wordt verstaan dat bij de sturing meer rekening wordt gehouden met de vraag uit de markt dan wat de markt potentieel kan worden aangeboden.
Typisch westers is ook het streven organisaties steeds 'platter' te maken, de hiërarchische lijn tussen de mensen op de werkvloer naar de voor de organisatie eindverantwoordelijke(n) in te korten door intermediaire bestuurslagen weg te snijden.
Dit past in onze (Nederlandse) volksaard, waarbij aan het individu een grotere mondigheid dan in oosterse culturen wordt toegekend.
Een vierde leidend principe werd: 'structure follows strategy'
hetgeen wil zeggen dat de structuur van een organisatie aan de
(veranderende) doelstelling wordt aangepast en niet omgekeerd.
Dit past geheel in de idee van de lerende organisatie met veranderingsmanagement,
maar het past minder in onze westerse volksaard. De westerling
kan moeilijker dan de oosterling met onzekerheden omgaan en de
eerste vindt in zijn wel omschreven positie in de bestaande structuur
een bevrediging van zijn behoefte aan zekerheid.
Dit kan zich tot een cruciale factor in onze toekomstige concurrentie-positie met de ZO-aziaten ontwikkelen. Algemeen wordt erkend dat de omgevingswereld steeds sneller verandert en dat op veranderingen steeds sneller gereageerd moet kunnen worden om op de 'markt' aanwezig te blijven.
Een wereld-consumentenmarkt die op termijn sterker door de afzetmogelijkheden op de Oosterse dan door de Westerse zal worden bepaald. Een groeiende markt waarvan westerse ondernemingen een goed gebruik weten te maken. Nog zijn de Aziaten onze volgelingen, nemen in toenemende mate en met ongekende graagte, westerse producten af. Maar zij gaan die ook imiteren en zelf produceren. Belangrijker echter is dat, gezien hun grote bevolkingspotentieel, moet worden voorzien, dat er een moment zal optreden waarop hun originaliteit de onze gaat evenaren en daarna overvleugelen.
Op middellange termijn kunnen we een concurrentieslag Oost-West op het gebied van innovatie verwachten. We zien dit nu reeds weerspiegeld in het succes dat vele uit het oosten naar het westen geëmigreerde wetenschappelijke en technologische onderzoekers in onze omgeving hebben. Dat is een bescheiden aantal Japanners, maar een veel groter aantal Chinezen en Indiërs. De eerst genoemden vinden kennelijk in eigen land en cultuur een voor hen voldoende gunstig klimaat voor wetenschapsbeoefening en innovatie. De andere Aziaten nog niet.
De vraag is dus, welke factoren bepalen waarom ons wetenschappelijk en technologisch klimaat nog zoveel beter is dan in grote delen van Azië maar vooral ook welke veranderingen we in die factoren mogen verwachten die onze huidige voorsprong teniet kunnen doen. En welke factoren wij kunnen beïnvloeden om dit tij te keren.
De inrichting van een goede publiek private samenwerking is ongetwijfeld éen zo'n factor.
Veranderingen in die inrichting kunnen we echter niet alleen meer
beschouwen met het oogmerk de prestaties in de huidige omgeving
te verbeteren. De echte innovatie-concurrentieslag zal zich in
een sterk veranderde wereld gaan afspelen. Hoe kunnen we ons daarop
voorbereiden?
De meest daarvoor aangewezen methodiek is die van het ontwikkelen van verschillende scenario's, waarin een verschillend verloop van niet te beinvloeden omgevingsvariabelen wordt aangegeven. De drie bekende voorbeeld scenario's zijn: 'global shift' (ZO-azie 'wint' economisch), 'balanced growth' (in Oost en West vindt evenredige economische groei plaats) en 'European renaissance' (de EU weet zich in het economisch krachtveld een eigen sterke positie te veroveren).
Men vreest in het westen 'global shift', hoopt te mogen rekenen op 'balanced growth' en wij streven naar 'European renaissance'.
De factor die in ZO-Azie ongetwijfeld in grote mate het eigen innovatief vermogen zal beïnvloeden, is economische groei. Mits geen grote natuur- of politieke ramp optreedt (b.v. een aardschok die Tokio vernietigt, of terugkeer van China tot een Marxistisch economisch stelsel) is er weinig twijfel aan het doorzetten van de economische groei en daarmee aan de vergroting van investeringen in eigen onderwijs en onderzoek (de basis van het innovatief vermogen).
Europa voelt in deze sterk de werking van de economische wet van de verminderende meeropbrengst.
Een vermindering in het verschil in economisch status tussen Oost
en West moet als een niet te beïnvloeden variabele worden
beschouwd. En derhalve voor het formuleren van discriminerende
scenario's als zodanig van ondergeschikt belang. Wel essentieel
zal zijn welk deel van het nationaal inkomen overheden in onderscheidene
continenten voornemens zijn in wetenschappelijk en technologisch
onderzoek te investeren, hoeveel private ondernemingen van hun
winsten zullen herinvesteren in innovatie activiteiten. En hoe
in onderscheidene continenten publieke en private investering
op elkaar zullen worden afgestemd.
Europese staten, de VS en Japan voeren dienaangaande sinds WO II een weloverwogen beleid. Ook grote ondernemingen ontwikkelden welbewust strategien. Dat beleid kan in verschillende richtingen veranderen, niet alleen in de zin van meer of minder investeren in wetenschappelijke en technologische ontwikkeling, maar ook of daarbij een resultaat voor de korte of lange termijn voor ogen staat en welke keuzen in te exploreren en exploiteren kennisvelden worden gemaakt.
Voor de verschillende keuzemogelijkheden kunnen opties worden
geformuleerd als mede de effecten aangegeven die verschillende
opties kunnen sorteren.
Daarvoor is het in de eerste plaats noodzakelijk dat de hedendaagse uitgangspositie helder wordt geformuleerd. Maar vooral ook op wat voor uitgangspunten het huidige beleid is gebaseerd en wat men met dat beleid beoogt te bereiken.
Een algemene trend in ons land (en Europa) is de publieke financiering
van tal van activiteiten te verminderen, waaronder ook van wetenschappelijke
onderzoek en technologische ontwikkeling. Dit ondervindt, uiteraard,
veel kritiek van de actoren in het veld. Ook deze kritiek dient
op kracht van argumentatie te worden getoetst. (zie bijlage I
en II)
Hier bezien we nogmaals (*) vanuit wetenschapsdynamisch oogpunt
het cruciale proces van innovatie waarover de theoretici uiteenlopende
opvattingen naar voren brengen.
3. WETENSCHAPSBEOEFENING EN INNOVATIE.
Gedurende de laatste decennia zijn we gewend geraakt bij (natuur)wetenschappelijk onderzoek ruwweg een driedeling te maken:
(a) Fundamenteel onderzoek, waarvan de doelstelling ten principale
niet op (economische of maatschappelijke) toepassing is gericht.
Daarbij wordt er van uitgegaan dat de generatie van fundamentele
kennis (van de natuur) een autonoom proces is.
(b) Toegepast onderzoek, dat fundamentele kennis benut en dit
direct tot praktische toepassing brengt. (Alvorens praktische
toepassingen worden gerealiseerd is gewoonlijk nog een z.g. 'ontwikkeling'
nodig van een produktieproces. Derhalve spreekt men in deze sector
steeds van R&D, research and development).
(c) Strategisch of 'verkennend' onderzoek, dat tussen fundamenteel
en toegepast onderzoek wordt gepositioneerd. Het is weliswaar
tamelijk fundamenteel van karakter, maar minder autonoom dan fundamenteel
onderzoek, omdat het wordt verricht met het oog op de verkenning
van potentiële toepassing van de resultaten.
Het simpele klassieke beeld voor de procesgang van innovatie is
dus:
In dit sturingsschema is het belangrijkste terugkoppelings-mechanisme dat vanuit een veronderstelde marktbehoefte, toegepast onderzoek op een bepaald gebied wordt geëntameerd.
Dat echter ook steunt op de resultaten van strategisch onderzoek.
De sleutel tot verbetering van het innovatie-proces ligt dus bij het beter op de markt afstemmen van de richting van het toegepaste onderzoek. Daar kan weinig twijfel over bestaan.
Of de sleutel ook werkelijk een deur kan openen, berust op twee voor-veronderstellingen:
(1) de markt voor nieuwe produkten is bekend,
(2) er zijn voldoende resultaten van strategisch (verkennend) en fundamenteel onderzoek voorhanden om daarop toegepast onderzoek te baseren.
Dit zijn twee voor-veronderstellingen waarvan hedendaagse beleidsmakers waarschijnlijk te gemakkelijk uitgaan, dat ze zijn, of kunnen worden vervuld. Er moet namelijk aan beide voorwaarden tegelijkertijd worden voldaan.
Een maatschappelijke (en economische) behoefte aan bv. een AIDS-vaccin is snel en makkelijk te definiëren. Er wordt dan ook veel in AIDS (HIV) onderzoek geïnvesteerd. Dat succes vooralsnog uitblijft moet ongetwijfeld worden geweten aan het feit dat er 'fundamenteel' nog te weinig bekend is.
Anderzijds, er wordt heel veel strategische kennis geproduceerd, waarin onderzoekers potentiële toekomstmogelijkheden zien, die toch de markt niet weten te veroveren.
Het onvermogen voldoende basis-kennis te genereren, lijkt een
zwaardere, in feite absolute, rem op het innovatie-proces, dan
het missen van een markt. Immers door maar voldoende breed-spectrum
strategische kennis te genereren, is er een (zij het kleine) kans
dat daar toch iets tussen zit, waarvoor (soms zeer verrassend)
een markt blijkt te zijn.
In een recente vergelijkende analyse van ervaringen en praktijken
in Nederland, Frankrijk, Engeland en Duitsland van Rip en Van
der Meulen (Universiteit Twente, OCV-studie Strategie-ontwikkeling
en verkenning), wordt - in het voetspoor van de Engelse auteur
Gibbons -, toch een andere kijk op de ontwikkeling van het innovatie-proces
gegeven waarbij vanuit de markt verder terug in bovengeschetste
keten wordt gestuurd, tot op het niveau van het fundamentele onderzoek.
Dit wordt kortheidshalve aangegeven als de trend 'discovery in
the context of application'. Dit is zeker geen nieuw verschijnsel;
met name in de landbouwwetenschappen en de chemie worden fundamentele
vraagstellingen sinds jaar en dag aan praktische vraagstellingen
ontleend. Hoogstens kunnen we constateren dat het beleid er sterker
dan in het verleden op wordt gericht deze aansturing te intensiveren;
of dit ook werkelijk nuttig effect sorteert, is moeilijk kwantitatief
aan te tonen. De wens kon hier wel eens de vader van de gedachte
zijn.
Het Centrum voor Wetenschaps- en Technologiestudies te Leiden
verricht onderzoek naar de onderlinge citatie van publicaties
in de (fundamenteel) wetenschappelijke litteratuur en in recente
octrooi-aanvragen (die daarbij als potentiële bron voor innovatie
worden gezien). Met deze methodiek wordt een indruk gekregen hoe
ontwikkelingen in verschillende wetenschaps-en technologie velden
met elkaar samen hangen. Deze onderzoekers constateren in octrooi-aanvragen
een toenemende citatie uit de (fundamenteel) wetenschappelijke
litteratuur, --- naar resultaten van onderzoek dus dat niet specifiek
op applicatie was gericht -, en een verminderende citatie van
eerder verleende octrooien.
Een Nederlands (multinationaal opererend) kennisintensief bedrijf
(in de agrosector) schetst een beeld waarbij wordt afgestapt van
het klassieke lineaire beeld 'strategisch onderzoek --> innovatie'.
Het beschrijft een gesloten innovatie-cyclus waarbij twee nieuwe
begrippen worden ingevoerd: 'leads' en competenties. Het strategisch
onderzoek wordt daarbij buiten de cyclus gezet.
Aan de markt-ontwikkeling worden 'leads' ontleend, op grond waarvan
compententies (potentieele mogelijkheden op grond van inzicht,
kennis en vaardigheden) worden geformuleerd, waaruit (voor het
bedrijf) geschikt geachte leads worden afgeleid, die tot de ontwikkeling
van nieuwe producten kunnen leiden. Strategisch en fundamenteel
onderzoek ziet het zowel als een product als een drijvende kracht
van de innovatie-cyclus.
Uit de wetenschapsgeschiedenis en filosofie (Popper, Kuhn) is echter duidelijk dat de wetenschapsbeoefening als zodanig een heel eigen dynamiek vertoont en deze kan met de techniek van de citatieindex analyse kwantitatief worden aangetoond:
Wetenschappelijke kennis verworven door (fundamenteel) onderzoek
genereert nieuwe inzichten (of paradigma's), vergelijkbaar met
de 'leads' in het bovenstaande schema, die richting geven aan
het toekomstige onderzoek waarbij uit oude onderzoekvelden, nieuwe
ontstaan.
De hier gepresenteerde nieuwe inzichten zijn kwalitatief niet
noodzakelijkerwijs in tegenspraak met elkaar. Het bestaan van
beide laatste twee genoemde cycli als zelfstandige identiteiten
naast elkaar, kan nauwelijks worden ontkend. De wetenschappelijke
cyclus speelt zich echter overwegend wereldwijd af, via de open
wetenschappelijke literatuur. De tweede specifieker bedrijfsgebonden.
Strijdvraag blijft echter wel, hoe krachtig de twee 'wielen' elkaar
(kunnen) aandrijven; hoe sterk zij op elkaar zijn aangewezen om
te blijven draaien.
4.OVERWEGINGEN BIJ DE OBSERVATIES
Een organisatie kan worden gezien als een raderwerk, waarin de
wielen impulsmomenten aan elkaar overbrengen. Het raderwerk loopt
alleen soepel als er éen aandrijving is: een motor die
door een bestuurder via een versnellingsbak wordt geregeld en
die af en toe tijdens de bedrijfscontrole wat olie tussen de raderen
doet. Wielen worden zo nu en dan door kleinere of grotere vervangen
door het management.
We kunnen ons een overeenkomstige voorstelling maken van de wetenschappelijke infrastructuur als een hele grote organisatie waarbij de cyclus kennis-inzicht-kennis het wiel van de wetenschapsbeoefening is, de cylcus markt-leads-markt (zie par. 3.2) het innovatie-wiel.
Er is op wereldniveau éen groot wetenschapswiel. Het wordt niet door éen bestuurder aangedreven; het is als het ware een groot waterrad waarop vele verschillende landen (geld)stromen storten. Het wiel heeft bij wisselende stromen de neiging om te schokken, doch door het grote eigen momentum draait het redelijk constant.
Het innovatie-wiel heeft een eigen momentum (gedreven door de
markt) maar zo nu en dan zoekt het aansluiting bij het wetenschapswiel
om extra momentum te krijgen.
Wat we bij het tot stand brengen van de privaat publieke interactie
proberen te doen is de snelheid van de wielen zo goed mogelijk
op elkaar af te stemmen. Laten we ze echter als tandwielen permanent
op elkaar aansluiten dan wordt het per definitie een rammelend
raderwerk omdat elk wiel zijn eigen momentum heeft. Maken we de
infrastructuur ingewikkeld door extra wielen toe te voegen die
op alle andere moeten aansluiten, dan loopt het raderwerk vast.
Ook smeerolie helpt dan niet meer. Knarsentandend wedijveren CROs
en universiteiten om aansluiting bij het marktgedreven momentum
en dat van het grote wetenschapswiel.
We kunnen uit de wetenschaps- en innovatiegeschiedenis een aantal embryonale andere schakelmodellen afleiden.
Bij technology-push wordt overwegend het grote wetenschapswiel aangedreven; nieuwe producten worden op de markt gebracht door het innovatiewiel zo stevig mogelijk op het wetenschapswiel aan te sluiten.
Bij market-pull wordt overwegend het innovatiewiel aangedreven. De geldstromen vallen niet direct meer op het grote wiel, het wordt aangedreven door vele kleine innovatiewielen.
Beide systemen kunnen blijven lopen, zij het 'freewheelend' (in
het geval van technology push) omdat niet gevraagde producten
op de markt worden gebracht, of knarsentandend (in het geval van
market-pull) omdat toch elk wiel zijn eigen momentum houdt.
Japan in opkomst geeft het beeld van een natie die zelf niet hielp het grote wiel op gang te houden maar met vele kleine innovatiewieltjes zoveel mogelijk momentum uit het wereldkennisreservoir aftapte. Een voorbeeld dat ZO-Azie nu zal volgen. We zien thans echter in Japan wel degelijk bereidheid ontstaan om een bijdrage aan het wereldwijde wetenschappelijk onderzoek te leveren.
De westerse multinationals van twintig jaar geleden geven een
tegengesteld beeld: gedreven vanuit de innovatiecyclus, werd in
huis een eigen wetenschapswiel opgesteld. Om twee redenen bleef
deze machinerie niet goed lopen: het wiel werd te kostbaar en
het leverde te weinig op; men kon niet alle benodigde expertise
zelf in huis genereren. Nu het eigen wetenschapwiel niet zo hard
meer draait, wordt het innovatiewiel nu, af en toe extra momentum
gegeven door het buitenshuis tegen het wetenschappelijke vliegwiel
te houden.
Aldus kan men zich een beeld vormen van een wetenschappelijke
en innovatieve infrastructuur, waarbij de wielen niet voortdurend
krampachtig tegen elkaar worden gedrukt om de (kennis)overdracht
te maximaliseren, maar juist een beetje op afstand van elkaar
worden gehouden en wanneer nodig tijdelijk tegen elkaar aan worden
gezet.
Dat is ook gewenst omdat het niet alleen gaat om het draaiende houden van reeds bestaande wielen maar er ook voortdurend nieuwe innovatiewielen (nieuwe bedrijven) worden geschapen die eveneens aan de wetenschappelijke versnellingsbak willen komen.
Eén directe overbrenging tussen het grote wetenschapswiel en het innovatiewiel kan onmogelijk worden gemist: het universitaire onderwijs.
Hierin is door Nederland van staatswege altijd stevig geinvesteerd, relatief meer dan in menig ander land. Dat aan hoogwaardig onderwijs economische en technologische kracht wordt ontleend is algemeen aanvaard. Het lijkt daarom gewenst dit onderwijs-wiel krachtig op gang te houden en in deze niet het voorbeeld te volgen van landen die (van staatswege) hun investering in onderwijs verminderen. Zoals bij de aanvaarding van een eredoctoraat in de VS door de voorzitter CvB RU-Utrecht is uiteengezet heeft het gelegenheid bieden aan een brede bevolkingslaag hoger onderwijs te genieten, ook aan de minder vermogenden, in Nederland twee belangrijke effecten gehad. Ten eerste dat het gehele bevolkingspotentieel werd benut en ten tweede dat eruditie niet binnen een kleine elitaire groep (in specifieke families van ouders op kinderen) bleef recirculeren. Mede hierdoor zijn wij een van de meest geëmancipeerde volkeren geworden, meer dan de Angelsaksische bijvoorbeeld. (Opmerkelijk is dat het eerst volgende land dat ook stevig in onderwijs heeft geïnvesteerd, Denemarken, in dit opzicht als soort samenleving het dichtstbij de onze staat).
Onvoldoende selectie op kunde tijdens de studie heeft ons hoger
onderwijs waarschijnlijk echter kostbaarder gemaakt dan strikt
noodzakelijk was. Het onderwijs kan selectiever maar het blijft
van belang een zo groot mogelijk deel van ons kleine bevolkingspotentieel
de best mogelijke opleiding te geven. Door wijde verspreiding
van academici in de samenleving, maken bevolkingsgroepen die de
familietraditie van 'studeren' niet kennen, kennis met de mogelijkheden
(en vreugden) die dit biedt, hetgeen er eveneens weer toe bijdraagt
dat het potentieel zoveel mogelijk kan worden benut. Ook dit is
een cyclus in zich zelf die een eigen momentum dient te houden.
Dit momentum kan worden versterkt door ook de middelbare school-
leraren weer allen terug te brengen op het academische niveau.
Academisch niveau wil zeggen dat in het onderwijs niet alleen feitenkennis wordt bijgebracht. Door oefening in wetenschapsbeoefening wordt momentum gegeven aan het wetenschapswiel en daarmee aan afgestudeerden meegegeven hoe uit kennis inzicht wordt verworven. Dit is niet alleen voor de wetenschapsbeoefening van belang; ook buiten de kring van de 'geleerden' spelen zich in de samenleving overeenkomstige cyclische processen af, waarbij uit 'gegevens' 'conclusies' worden getrokken die op hun beurt weer aanleiding zijn om noodzakelijke nieuwe gegevens in een specifieke richting te verzamelen. Dit is wat we onder 'denken' verstaan.
De schampere opmerking: "is het beleid of is er over nagedacht?"
geeft aan dat menige hedendaagse bestuurder er van wordt verdacht
al te rechtlijnig specifieke doelen na te streven in plaats van
gegevens-conclusies-gegevens in de optimale cyclus te plaatsen.
Het innovatie-wiel is ook zo'n cyclus waarin 'markt' de plaats in neemt van de gegevens, en de 'leads' de plaats van de conclusies. De processen wetenschapsbeoefening en innovatie vertonen veel overeenkomst, doch spelen zich in verschillende milieus af. De overeenkomst brengt met zich mee dat zij die zich hebben geoefend in wetenschapsbeoefening, met enige praktische bijscholing zeer wel de functie van innovator kunnen gaan vervullen.
Waarom beperken we dan de wetenschappelijke infrastructuur in de publiek gefinancierde sector niet tot het grote wiel van de wereldwetenschapsbeoefening dat over onze kleine land strijkt, waar het wat kleinere, de lokale oefening in wetenschapsbeoefening stevig tegen aan leunt en volstaan er mee dat dit laatste goed getrainde innovators aflevert aan de centra waar de marktgerichte innovatie plaats vindt? Veel gerammel in de tandwielkast, waarin allerlei wielen met verschillend momentum verkeren, door verschillende geldbronnen gedreven, waardoor vrijwingsverlies optreedt, - en de nodige geluidsoverlast -, wordt daarmee voorkomen.
Is een directe koppeling van de markt met de oefenschool werkelijk zo nodig om nationaal het rendement van de investeringen uit zowel de publieke als private middelen te maximaliseren?
De vrijere constructie, waarbij elke schoenmaker bij zijn leest
blijft, vereist wel onderling vertrouwen van publieke en private
partners, ondermeer dat de universiteit (weer) echte nadenkers
aflevert, geoefend in het ontwikkelen van inzicht; een oefening
die zij later benutten bij zowel sociale als technologische innovatie.
Dat de universiteit niet volstaat met het leveren van hoofden
vol feitenkennis die in vier jaar is vergaard. (Zie bijlage II,
paragraaf 2).
Er zijn uiteraard nog een aantal voorwaarden te noemen, teneinde te voorkomen dat de universiteit weer gaat 'freewheelen' zoals in de zestiger jaren. Die zijn vooral van bestuurlijke aard. In de context van dit betoog wordt echter specifiek aandacht gevraagd voor de bevordering van 'discovery in the context of application' waar het bedrijfsleven nadrukkelijk om vraagt.
'Education permanente' kan daarbij een overbrenging verzorgen.
'Education permanente' wordt tot nu toe vooral gezien als een
bijscholing van afgestudeerden door de academie. Waarvoor de minister
van onderwijs waarschijnlijk, onder het huidige regime, ook graag
een hoge prijs voor de profijttrekkers berekend ziet. Maar permanente
educatie zou ook wederzijds kunnen zijn: de afgestudeerden leren
de academie wat er in de wereld omgaat. Daarvoor zijn verschillende
constructies denkbaar. Elke faculteit kan bijvoorbeeld worden
voorzien van een uit maatschappijvertegenwoordigers bestaande
advies- of toezichts-raad. (In een enkel geval bestaat die overigens
reeds). Als minister van onderwijs zou voor die dienstverlening
aan de universiteit kunnen worden betaald, in plaats van geld
te vragen, om de oefenschool in het totale bestel op het gewenste
spoor te houden.
De simpele constructie is in essentie dat de overheid uitsluitend, maar zeer krachtig, de oefenschool in wetenschapsbeoefening, in sociale en technologische innovatie, financiert en grosso modo afziet van verdere inmenging in de rest van de infrastructuur. Dat is overzichtelijk en maakt het regelen van een veelheid aan geldstromen overbodig.
Voorwaarde is dat elke oefenschool een topschool is die op zijn gebied met elke andere in de wereld kan concurreren. (Type ETH Zürich). Slechts dit kennisklimaat maakt het voor bedrijven aantrekkelijk Nederland als vestigingsplaats te blijven houden.
Tot op heden is verondersteld dat Nederland te klein is om meerdere
topscholen in stand te houden. In de grote VS zijn er slechts
vijf. Als men echter het onderwijzend personeel, gelijk ETH in
Zürich, uit de hele wereld rekruteert, is het zeer wel mogelijk
op vele gebieden aan de top te staan. Concentratie van innovatievermogen
in Nederland is een eerste stap om op termijn de concurrentie
met 2000 miljoen ZO-Aziaten aan te gaan.
Problematisch is of de management-potentie kan worden opgebracht
om in alle universiteiten de kwaliteitssprong te maken. Voor de
leiding van elke universiteit worden bestuurders gevraagd die
zelf kwaliteit recruteren (zoals bij ETH) , die hoogleraarsbenoemingen
niet geheel aan de werkvloer overlaten. Bij de invoering van de
nieuwe wet op de universitaire bestuursstructuur heeft de overheid
een unieke kans alle bestuursfuncties beschikbaar te krijgen.
Bij een organisatorische verandering zoals met deze wet ge-entameerd,
is het in het bedrijfsleven gebruikelijk eerst de top opnieuw
in te richten.
In dit model proberen alle onderzoek- en onderwijs-instellingen optimale aansluiting te vinden bij de bestaande, private markt. De overheid stelt zich zelf ook als marktpartij op. Sluit contracten af met de instellingen op grond van wensen uit de samenleving (het parlement).
Dit (Engelse) model zal zeker op de korte termijn financieel een
verbetering van het rendement geven. De zwakke broeders in de
infrastructuur worden ge-elimineerd. De sterken overleven.
Optie 4.4 leidt er waarschijnlijk toe dat we slechts op een kleine, gespecialiseerde fractie van het wereldgebeuren op innovatief gebied nog een rol kunnen spelen.
Optie 4.3 garandeert niet het tegendeel maar biedt een kans wel van grotere betekenis te blijven, uitgaande van onze relatief gunstige uitgangspositie.
Het volgen van optie 4.3 betekent niet dat nu onmiddellijk ongeconditioneerd van overheidswege geïnvesteerd moet gaan worden in alle facetten van het universitaire onderwijs en onderzoek. Ook de verbetering van de publieke financiering moet door elke instelling worden 'verdiend' door te tonen een goede oefenschool in wetenschapsbeoefening te kunnen worden. Daar is nog vijf tot tien jaar tijd voor; de 2000 miljoen ZO-Aziaten zijn nog niet volledig wakker. Bovendien, men mag niet verwachten dat de cultuuromslag die optie 4.3 vraagt in minder dan zeven jaar wordt bewerkstelligd. Het Nederlands bedrijfsleven dat overeenkomstige cultuuromslagen heeft doorgemaakt, zal daar alle begrip voor hebben. Het gaat er in de eerste plaats om, goede wil te tonen.
BIJLAGE I. KENNIS-GENERATIE, -TRANSFER EN -HANDEL EN INNOVATIE
Tot ca. 1970 is in de grote bedrijven sterk op de aandrijving van de innovatie vanuit de wetenschapsbeoefening vertrouwd.
Grote ondernemingen richtten hun eigen grote onderzoek-instituten in die de van ouds bekende kenniscentra, de universiteiten, gingen overvleugelen. IBM (VS) investeert in onderzoek veel meer dan de Nederlandse staat. Het Shell-lab in Amsterdam heeft in het eerste deel van de 20ste eeuw meer organische chemische kennis geproduceerd dan de chemie-faculteiten. In 1975 was het vooruitzicht dat tegen het einde van deze eeuw de belangrijkste kenniscentra in ons land niet meer zouden zijn: Leiden, Utrecht, Amsterdam, Groningen, Wageningen, Delft, maar Vlaardingen en Duiven (Unilever), Geleen (DSM), Arnhem (AKZO), Geldrop (Philips), Amsterdam Noord (Shell).
Deze trend is echter afgeremd doordat de 'grenzen aan de groei' van investering in onderzoek werden bereikt. Op het moment dat de investeringen in onderzoek, in vooral kennisintensieve bedrijven zoals Gist Brocades en Philips, groter werden dan de nettowinst trokken de aandeelhouders aan de bel. Fundamenteel onderzoek werd gekapt; prioriteit werd gegeven aan toepassings-gericht onderzoek. En wat betreft het strategisch onderzoek, voor het lange termijn beleid van een bedrijf van groot belang, dit werd eveneens gezien als (te) zeer risicodragend. Een DSM-directeur rekende uit dat, afhankelijk van de bedrijfstak, het rendement van strategisch onderzoek tussen de 0.1% (farmacie) en 1% (chemie) ligt. Strategisch onderzoek werd uiteraard in het eigen bedrijf wel gehandhaafd, maar delen er van werden ook uitbesteed aan andere instellingen, universiteiten en grote technologische instituten GTI's, o.a. TNO).
IBM (VS) is weliswaar nog steeds heel groot maar de UL-vestiging
'Duiven' is opgeheven. Vrijwel alle andere genoemde, Nederlandse,
industriële kenniscentra zijn nu kleiner dan 20 jaar geleden.
Het zwaartepunt van het fundamentele onderzoek is weer naar andere
actoren in de kennisinfrastructuur, de universiteiten, doorgeschoven.
Maar de (grote) bedrijven willen wel gebruik blijven maken van
de kennis en de inzichten die in deze publieke instellingen worden
gegenereerd. Zij gaan dus, wat genoemd wordt 'shoppen' over de
hele wereld op zoek naar groeperingen met zeer specifieke (kostbare)
kennis die zo goedkoop mogelijk, op zo kortst mogelijke termijn,
kunnen worden afgetapt. Zo ontstaat de publiek private interactie,
die per definitie om uiteenlopende redenen die in het hierna volgende
uiteen worden gezet, vol spanning zit.
Niet alleen de koplopers, kennisintensieve bedrijven, gaan over de hele wereld 'shoppen', dat doen de publieke onderzoekinstellingen ook. En daar zijn twee gerede aanleidingen voor.
Ten eerste is de wetenschapsbeoefening al vele tientallen jaren 'geglobaliseerd'. Er is het opmerkelijke verschijnsel dat een Nederlands onderzoeker beter weet wat in zijn eigen vakgebied over de hele wereld gebeurt (en Internet geeft daar een nieuwe dimensie aan), dan wat een collega-onderzoeker in een naburig vakgebied in de kamer naast hem doet.
Ten tweede, Nederland produceert jaarlijks slechts 1% van de kennis die over de hele wereld wordt gegenereerd. En de omvang van ons lokale bedrijfsleven is van de zelfde orde van grootte.
Zoals eerder gesteld, het uiteindelijk rendement van strategisch onderzoek is laag. De kans dus dat de resultaten van 1/100 van de in de wereld gegenereerde kennis, lokaal aansluiting vindt bij 1/100 van het 'wereld'- bedrijfsleven is per definitie laag als niet lokaal naar afstemming wordt gestreefd.
Door wereldwijd hun kennis aan te bieden, vergroten ook de publieke instellingen hun potentiële markt 100-voudig. En dit proces is niet meer af te remmen, omdat menige buitenlandse onderneming een intellectueel meer bevredigende partner blijkt te zijn dan een lokale.
Met een wat bredere kijk op de gewenste ontwikkeling van het lokale
bedrijfsleven, lijkt het ook niet gewenst deze trend af te remmen.
Immers, als Nederland zich in de wereld als 'kennisland' weet
te manifesteren, wordt het voor buitenlandse ondernemingen ook
aantrekkelijk zich hier te vestigen. (Voor de biotechnologie is
zulks zeker al het geval gebleken).
We zitten in een spanningsveld dat veroorzaakt wordt door het feit dat zowel de wetenschapsbeoefening geglobaliseerd is, alsook het ondernemerschap, terwijl de financiering van publieke instellingen overwegend door lokale overheden moet worden opgebracht. De nationale overheid betaalt mee aan successen die voor buitenlandse bedrijven met Nederlandse kennis worden gegenereerd.
A priori is het aandringen van het lokale bedrijfsleven, de publieke
kennisgeneratie beter op het lokale bedrijfsleven af te stemmen,
dus niet ongerechtvaardigd. Maar de grotere, internationale markt
voor onderzoek van die lokale publieke instellingen, wordt daarmee
wel afgesneden. Biedt het lokale bedrijfsleven ook spontaan aan
minder in het buitenland voor kennis te gaan 'shoppen'? Dat lijkt
hoogst onwaarschijnlijk. Hoe kleiner het land des te minder zal
een lokaal bedrijfsleven op de eigen kennismarkt terecht kunnen.
Het is dus duidelijk dat een klein land als eerste een visie op
de globalisering van kennisproduktie en kennishandel dient te
ontwikkelen, een visie die uitgaat boven het primitieve denkbeeld
dat lokaal vraag en aanbod van kennis op elkaar zouden kunnen
worden afgestemd.
Publieke instellingen onderling en ondernemingen onderling staan steeds in een concurrentie-positie tot elkaar. Concurrentie-verhoudingen worden in eerste aanleg (nog steeds) bepaald door kwaliteit van produkt of dienst, verkoop-, marketing- en reclametechnieken, en in het kennisintensieve bedrijf in toenemende mate door de kennispositie (vooral voor de lange termijn concurrentie-positie). Strategische kennis maakt daar eveneens deel van uit; kennis die gewoonlijk niet te octrooieren is en derhalve vaak geheim wordt gehouden. 'Bedrijfsspionage' - of met een iets vriendelijker woord, de analyse van de positie van de concurrent door de 'Scientific Intelligence Officer' - richt zich dan ook overwegend op 'verkenning' van de strategische belangstelling van de 'tegenstanders'.
Elk kennisintensief bedrijf is zich dit bewust. Aarzelt soms ook
niet om 'misleidende' informatie over zijn strategische positie
beschikbaar te stellen. Dit is inherent aan concurrentie op een
vrije markt. Het is opmerkelijk dat in de enige jaren geleden
verschenen technologiebeleidsnota van EZ, die nota bene de titel
draagt 'Concurreren met kennis' aan concurrentie-aspecten geen
enkele aandacht is besteed.
De strategische geheimhouding die een bedrijf betracht, betreft in het bijzonder zijn zogenaamde 'core-business'. Het is aanzienlijk minder schichtig om informatie te delen met branchegenoten die slechts een ondersteunende functie heeft. Voorbeelden van ondersteunende functies zijn bijvoorbeeld, milieutechnologie, of de garantie dat grondstoffen van voldoende kwaliteit worden aangevoerd. Kennis daarvan wil men soms best met concurrenten delen omdat de uiteindelijke concurrentieslag op een ander kennisniveau plaats vindt.
Het Nederlands bedrijfsleven heeft beslist geen reden tot klagen
wat betreft bijvoorbeeld de bijdragen die de Nederlandse publieke
instellingen aan de ontwikkeling van de milieutechnologie hebben
geleverd.
Het octrooi is van ouds een instrument om zogenaamd 'intellectueel eigendomsrecht' juridisch vast te leggen.
Een ruim verspreid misverstand is dat het hedendaagse octrooi
nog steeds vooral de functie vervult van het economisch exploitabel
maken van het intellectueel eigendom. Slechts in uitzonderlijke
gevallen leveren octrooien echt veel geld op aan de houder. Nadrukkelijk
wordt door het bedrijfsleven bevestigd dat de economische waarde
van octrooien door, met name universiteiten, ernstig wordt overschat.
Dat blijkt ook uit pogingen in Groot Brittannië, Nederland
en Israël, gedurende de laatste decennia, om vindingen uit
de publieke sector door speciale agentschappen in octrooien vast
te leggen en te exploiteren; deze hebben slechts zeer matig resultaat
gehad. In elk geval niet zodanig dat een substantieel deel van
het onderzoek waaruit deze vindingen voortkwamen ermede kon worden
gefinancieerd. Het neven-effect van een octrooi, dat het een concurrent
verhindert van een vinding op een bepaald strategisch gebied gebruik
te maken, is belangrijker geworden dan het 'winst' maken met octrooien
zelf. Daarom streven bedrijven naar octrooi-portfolio's, waarmee
strategische terreinen worden afgedekt. Vervolgens ziet men dat
deze octrooien in 'joint ventures' als een soort aandelen in het
intellectuele eigendom van het samenwerkingsverband worden ingebracht.
De meningen over wie in de publiek-private samenwerking met gemengde
publiek private financiering, het recht op octrooiering heeft,
lopen uiteen. Er is het standpunt dat intellectueel eigendom,
los moet worden gezien van de financieringsbron. Het op naam gestelde
octrooi is van belang voor de onderzoeker zijn prestatievermogen
te bevestigen, gelijk de publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift.
Anderzijds wensen bedrijven zoveel mogelijk octrooien aan hun
eigen portfolio toe te voegen om deze zo breed mogelijk te maken.
Aan elk verhandelbaar produkt hangen altijd twee prijzen, de kostprijs en wat de koper er voor over heeft.
De eerste is uiteraard uit de produktiekosten te berekenen. Wordt daarbij de gehele 'overhead' van de producent meegenomen, dan is die prijs steeds een veelvoud van die van het enkele kennisprodukt dat uiteindelijk op de markt kan worden aangeboden, om de simpele reden dat het er aan ten grondslag liggende onderzoek zeer risicovol is, slechts een fractie ervan toepasbaar resultaat oplevert.
Wat de biedprijs betreft, de koper moet op het moment dat hij een bod op een kennisprodukt doet, nog het gehele innovatie-proces gaan doorlopen en neemt daarbij het zogenaamde ondernemers-risico op zich. Heel scherp is de waarde van een onbewerkt kennisprodukt niet vast te stellen. In principe moet de ondernemer toch op grond van ervaring, in staat worden geacht een biedprijs te berekenen. Er zijn ook vuistregels ontwikkeld wat het innovatieproces nog mag kosten in relatie tot de geschatte (wereld)markt voor een nieuw produkt en het marktaandeel dat de ondernemer meent te kunnen veroveren.
Echter, in de vrije markt economie, wordt de prijs van grondstof (waaronder kennis in deze beschouwing valt) overwegend bepaald door het vraag- en aanbodspel van verkopers en kopers, dus sterk vergelijkenderwijs.
Echter, het kennisprodukt dat bij innovatie wordt benut, is steeds een zogenaamd uniek kennis- en geen bulk-produkt dus in die zin zal voor de unica nooit een 'markt'waarde kunnen worden aangegeven. Het kennisprodukt wordt in principe maar één keer verhandeld.
De marktprijs wordt daarom afgemeten naar wat kennis in het algemeen
kost. Is de aanbieder een publieke instelling die mede van overheidswege
wordt gefinancierd, dan zijn de goedkoopste aanbieders die instellingen
die niet hun gehele 'overhead' (het deel van hun onderzoek dat
niet tot resultaten heeft geleid) hoeven door te berekenen.
Aangezien onderscheidene overheden wat overheidsfinanciëring
betreft zeer verschillend beleid voeren, leidt de toenemende globalisering
van het aanbod tot moeilijk te controleren concurrentievervalsing.
Samenvattend, het verschijnsel dat feitelijk in de lokale publiek private interactie geen realistische prijs voor verhandelbare kennis is aan te geven, is waarschijnlijk het grootste probleem bij het zakelijk vorm geven aan de publiek private samenwerking.
De diepere oorzaak is natuurlijk dat zeer veel potentieel toepasbare
kennis, niet op bestelling is te leveren, dat aan de generatie
ervan extreem hoge risico's zijn verbonden. De ene staat is meer
bereid dan de andere om dat risico over te nemen, door de investering
in onderzoek direct op nul af te schrijven, zodat scheve concurrentie-verhoudingen
kunnen ontstaan.
BIJLAGE II. HET FUNCTIONEREN VAN DE ACTOREN IN DE INFRASTRUCTUUR.
Tien tot twintig jaar geleden zou wellicht zijn voorspeld dat uiteindelijk de multinationals alle economische macht in de wereld zouden gaan overnemen. Die macht is groot maar zij zijn niet meer alleen de grote kennismachthebbers wat produktie-methoden betreft. Het midden- en kleinbedrijf gaat daarin delen.
Bezien we de keten van grondstof tot aan het, aan de consument af te leveren eindprodukt, dan blijken zich in deze keten steeds meer z.g.n. co-makers te nestelen , die halffabrikaten aan elkaar doorgeven. Die uiteindelijk aan een eind-producent worden afgeleverd. Deze laatste blijkt zich steeds meer te ontwikkelen tot zgn. 'schroevendraaiers-' of 'verpakkings-' fabriek. Ook een multinational maakt niet alles meer zelf; koopt in van co-makers, of doet tussenprodukten vervaardigen door dochterondernemingen. Co-makers zijn soms verkapte dochterondernemingen van eindproducenten, als hun aandelen, niet beurs-genoteerd, overwegend in laatst genoemde handen zijn. Een algemeen beleid is nu in het bedrijfsleven, om de research dichter bij de producent te brengen (dat bevordert de marktgerichtheid van de research!) dus in de multinational naar de dochterondermening of divisie (Shell was in de '80-er jaren het schoolvoorbeeld). En (onafhankelijke) co-makers krijgen meer behoefte aan eigen kennisgeneratie of -inkoop. Zo verschuift de kennishandel zich naar het midden- en kleinbedrijf, is de multinational niet per definitie meer het grote kenniscentrum. En co-makers onderling gaan ook steeds meer kennis verhandelen.
Daardoor is het verre van eenvoudig om de meest kapitaalkrachtige, potentiële opdrachtgever voor onderzoek in een ingewikkeld netwerk te vinden.
Vervolgens, op een iets hoger aggregatieniveau ontstaat een nieuwe
vorm van kennishandel, namelijk de handel in kennisdragende bedrijven
als geheel. Menig bedrijf, met name in de voedselverwerkende industrie,
heeft een groot deel van zijn kennis niet direct door onderzoek
verworven maar door gehele bedrijven op te kopen. Het is het lot
van menige (jonge) starter. Voorts is een trend dat grote bedrijven
zich terugtrekken op hun 'core business', hun diversificatie verminderen,
en onderdelen van hun bedrijf (met research-potentieel en al)
aan andere overdoen. Tenslotte is er het verschijnsel dat bedrijven
onderling 'joint ventures' aangaan op specifieke terreinen waarbij
technologische en markt-kennis worden gebundeld.
De diepere achtergrond van al deze bewegingen is, steeds weer, risico-vermindering en -spreiding.
Een goede ondernemer is altijd bereid z.g. ondernemers-risico te nemen. Hij ontleent daaraan zijn bestaansrecht. Maar hij is ten principale (met de adem van aandeelhouders in de nek) geen wilde gokker en beperkt zich tot risico's die hij kan overzien.
Zoals reeds meerdere malen opgemerkt, het kennisgeneratie-proces
dat aan innovatie ten grondslag ligt, is zeer risico-dragend en
dit wordt bij discussies over publiek private interacties veelal
onderbelicht.
Hoewel Nederland gezien zijn omvang, relatief veel grote multinationals herbergt, wordt het merendeel van de werkgelegenheid toch geboden door de midden- en kleinbedrijven. Dit verdient dus specifieke aandacht, vooral ook omdat hun betekenis als co-makers toeneemt. En het is dit MKB dat vooral spreekt van onvoldoende toegankelijkheid van (lokale) publieke instellingen voor onderzoekvragen en gebrek aan kennisaanbod. (De grote ondernemers, 'koplopers', zorgen, wereldwijd, wel voor zich zelf)
Hoe gerechtvaardigd is echter nog de vraag om publieke ondersteuning in een ondernemerswereld waarin naast 'kapitaal' en 'arbeid', het beschikken over 'kennis' een overwegende succesfactor wordt? Is het niet van het MKB de eigen ondernemers-verantwoordelijkheid om zich de toegang tot kennis te verschaffen? Moeten we werkelijk blijven doorgaan kunstmatig bedrijven in stand te houden die niet zelf in staat zijn 'scientific intelligence' te bedrijven?
Tal van ingenieursbureaus en CRO's staan klaar om op zakelijke basis diensten te verlenen.
Ondersteuning van het MKB bij het verwerven van kennis moet worden gezocht in het oude Chinese principe hoe een arme visser het best wordt geholpen. Dat is niet door hem vis cadeau te doen, maar hem te leren zijn visvangst-techniek te verbeteren.
De MKB-er zal zich in de eerste plaats moeten eigen maken zijn kennis-vraagstellingen scherper te formuleren, en op basis daarvan leren (wereldwijd) te 'shoppen' voor kennisaanbod. Dit is inherent aan het vrije markt principe dat deze ondernemers in andere opzichten hartstochtelijk aanhangen.
Terecht kan op de publieke instellingen wel een beroep worden
gedaan om dit onderricht te verzorgen, als men tenminste 'onderwijs'
als onderwerp van Staatszorg blijft zien.
De universiteiten functioneren op tweeërlei wijze als co-makers in het innovatieproces: als leverancier van afgestudeerden en als leverancier van door eigen onderzoek gegenereerde hoogwaardige kennis.
Ook bij deze instellingen is sprake van grote veranderingen, eerst
door de toename van studentenaantallen, en thans door de neergang
daarvan. Sterke groei en krimp zijn elkaar betrekkelijk snel opgevolgd.
Voorts is er een toenemende druk het onderzoek dat traditioneel
van fundamenteel karakter is, tenminste meer strategisch ten behoeve
van andere actoren in de infrastructuur in te zetten. Universiteiten
staan aan veel kritiek bloot omdat nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen
onvoldoende snel zouden worden gevolgd. Er is een groeiende belangstelling
voor post-doctoraal onderwijs (education permanente), als direct
gevolg van de groei van de wetenschapsbeoefening als zodanig,
die mede tot gevolg heeft dat kennis ook steeds sneller verouderd
waardoor voortgezette opleiding na het afstuderen noodzakelijk
wordt.
Een betrekkelijk nieuw fenomeen, - althans op de tijdschaal van eeuwen dat universiteiten bestaan -, vormen de zogenaamde 'science parcs' die (naar buitenlands model) rond de instellingen worden gevormd door kleine, kennisintensieve bedrijven, die soms het karakter hebben van zogenaamde 'venture capital' firma's die hoge ondernemersrisico's nemen en soms van CRO's die 'stand alone' toegepast onderzoek en ontwikkelingswerk doen.
Sinds het begin van het vorige decennium is in Nederland een systeem van regelmatige internationale visitatie van het universitaire onderzoek in zwang gekomen. Opeen volgende bezuinigingsronden hebben tot forse saneringen geleid. Het algemene (internationale) oordeel over de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek is thans positief; de citatie-index ligt boven het wereldgemiddelde.
Kritiek van het bedrijfsleven richt zich op onvoldoende scherpe oriëntatie op werkgebieden die dit bedrijfsleven voor innovatie aanmerkt. Deze kritiek is echter tot op heden niet gekwantificeerd en blijft in algemeenheden steken. Het is vrij duidelijk dat in bepaalde gebieden, mede dankzij extra stimuleringsfondsen van de overheid, zoals de biotechnologie, een leidinggevende positie is verworven (Van de 10 nieuwe produkten in Europa die in de jaren '80 de markt bereikten, waren er 3 van Nederlandse oorsprong en het resultaat van samenwerking van CRO's, universiteiten en bedrijven).
Indien niettemin bij meer gedetailleerde beschouwing, in andere
gebieden kritiek gerechtvaardigd is, moet de oorzaak daarvan gezocht
worden in de management-cultuur die uit de '70-er jaren is blijven
prolifereren. (de consensuscultuur van de leefgemeenschap). De
moderne ontwikkelingen in research-management zoals die door bedrijven
en andere publieke onderzoekinstellingen is gevolgd, lijkt aan
de universiteiten geheel te zijn voorbijgegaan (b.v. de principes
van de professionele organisatie en persoonlijke resultaat-verantwoordelijkheid).
Terecht kan van de zijde van het bedrijfsleven worden opgemerkt
dat de hedendaagse academici worden opgeleid in een management-cultuur
die niet meer van deze tijd is. Hierdoor blijft gerede twijfel
heersen over de efficiëntie van het universitaire bedrijf.
Dit geldt ook voor het onderwijs. Maar ook de kwaliteit daarvan verdient nadere beschouwing. Juist bij het streven naar hogere efficiëntie door studietijd-verkorting, en door gebrek aan mogelijkheden om vroegtijdig tijdens de studie selectie toe te passen, rijst de vraag of de kwaliteit geen geweld is aangedaan. Meer aandacht is nodig voor de inhoudelijke kant van het onderwijs dat sterk monodisciplinair is gericht. Bevordering van innovatie vraagt om discipline-grenzen overschrijdend onderwijs, waarbij op academisch niveau meer aandacht voor het doceren van inzicht dan van feitenkennis is gewenst. (zie paragraaf 4.2)
Sommige Buitenlandse universiteiten (b.v. ETH) handhaven, naar klassiek universitair model, nog steeds een brede onderbouw in het eerste studiejaar. Te overwegen ware echter de opleiding juist in het laatste studiejaar te verbreden, nadat een degelijke monodisciplinaire opleiding is voltooid, en een grondig inzicht in deze discipline is verkregen, waaraan inzichten in andere vakgebieden kunnen worden getoetst.
Ook het post-academisch onderwijs verdient in dit opzicht heroriëntatie.
De universiteit houdt vast aan de traditie dat onderwijs en onderzoek
steeds hand-in-hand gaan, zulks o.m. onder geleide van de filosofie
dat goed academisch onderwijs slechts kan worden gepresenteerd
als de docenten (in het zelfde vak) werkzaam blijven in het grensverleggende
onderzoek. Dit principe wordt hier niet bestreden, doch wel de
gedachte dat specifiek zgn. gespecialiseerd onderwijs-gebonden
onderzoek aan het doceren van een specifieke subdiscipline
gekoppeld moet blijven. Het voortleven van die gedachte lijkt
te bevestigen dat het onderwijs te sterk op het doceren van feitenkennis
en te weinig op inzicht is gericht. Immers, onderwijs in de westerse
traditie van wetenschapsbeoefening, is in feite onderwijs in een
manier van innovatief denken die niet aan een specifiek onderzoekgebied
gebonden hoeft te zijn.
Nederland heeft 800 verschillende studierichtingen en enige sanering
daarin lijkt gewenst. In verband met het voorgaande hoeft het
criterium daar voor niet te zijn, of de samenleving wel
behoefte heeft aan een studierichting (b.v. oude talen) waarvoor
de specifieke markt klein is, doch wel of aan de voorwaarde van
het verwerven van methodisch (innovatief) denken wordt voldaan.
Classici kunnen zeer wel doordringen tot de Raad van Bestuur van
grote bedrijven (voorbeelden zijn voorhanden).
Nadere bezinning op de methodische inhoud van het academisch onderwijs is nodig omdat dit indirect een grote invloed heeft op het functioneren van de wetenschappelijke infrastructuur. De sleutel tot verbetering daarvan moet zowel in de opleiding van de actoren worden gezocht als in organisatorische veranderingen. Beter opleiden in de principes van continue vernieuwing zal ook de bereidheid tot organisatorische vernieuwing vergroten. In dit opzicht is de universiteit een unieke co-maker in het innovatienetwerk.
(zie verder 4.2)
Tussen bedrijfsleven en universiteit ontwikkelden zich afzonderlijke kennisproducenten, 'stand alone' research organisaties - eigenlijk ingenieursbureaus met eigen research-faciliteiten - die worden aangeduid als Contract Research Organisatie (CRO). Hun succes, wordt enerzijds bepaald door de mate van overheidsfinanciering die zij genieten (in Frankrijk en Duitsland nog altijd relatief hoog), anderzijds vooral door de kennis die zij hebben van een specifieke bedrijfstak en hoe daarin de onderlinge verhoudingen liggen. 'Kennis' van een bedrijfstak ontwikkelt zich tot een eigen professioneel specialisme van de CRO's.
Eerder is betoogd dat zeer veel potentieel toepasbare kennis, niet op bestelling is te leveren, dat aan de generatie ervan extreem hoge risico's zijn verbonden. CRO's lijken het tegendeel te bewijzen. Maar, zoals met alles in de wereld, de ene activiteit is altijd meer risicodragend dan de ander, en ook bij onderzoekprojecten onderling kunnen de risico's tegen elkaar worden afgewogen en kan selectief worden geïnvesteerd in bepaalde activiteiten. Voorts ontwikkelen de CRO's de techniek om een bepaald kennisprodukt, of een pakket van meerdere verwante kennisprodukten, meerdere malen te verkopen waardoor de produktieprijs over meerdere afnemers kan worden verdeeld. Dat lukt als de afnemers op een ander niveau met elkaar concurreren dan het geleverde kennisprodukt.
In dit beleid past ook dat CRO's sterk op de internationale markt gaan expanderen maar spanningsvrij is die ontwikkeling zeker niet. Nog onlangs maakte een Nederlands bedrijf zelfs bezwaar dat een Nederlandse CRO een concurrent in het Verre Oosten als klant aannam, terwijl het te leveren kennisprodukt, niet meer dan routinematige analyse betrof, dus zelfs in het geheel niet tot de 'core business' behoorde.
Bedrijven met een wat bredere kijk, beginnen in de CRO's wel degelijk
instellingen te zien waarvan de medewerkers een ruimer zicht kunnen
bieden dan hun eigen medewerkers, op het mogelijk combineren
van kennis van zeer verschillende aard tot nieuwe produkten en
diensten. Hier zal waarschijnlijk de unieke kracht van CRO's gaan
liggen; zij worden bij uitstek de instellingen die innoveren door
gebruikmaking van bestaande kennis. Zij schuiven op van
puur onderzoek-instituten naar ontwikkelings-instellingen.
Er zijn twee grote CRO's in ons land, TNO en DLO die gedurende de laatste decennia regelmatig aan kritiek op hun functioneren onderhevig zijn geweest.
Beide roepen ook al jaren achtereen dat ze het nu ook beter (gaan) doen. Maar hebben ze het in het verleden wel zo slecht gedaan? Beide kunnen een wereldwijde vergelijking wat betreft kwaliteit en marktgerichtheid met andere CRO's goed doorstaan.
Nieuwe management-principes, afkomstig uit het bedrijfsleven zijn ingevoerd.
Te wensen overlaat wellicht nog de onderlinge samenwerking van
CRO's en die met de universiteiten. Dit lijkt echter meer een
probleem inherent aan de lokale infrastructuur (waarop wordt teruggekomen)
dan aan onwil of onkunde van deze instellingen die met tal van
buitenlandse instellingen wel goede samenwerkingsverbanden onderhouden.
De overheid financiert vanouds uit de publieke middelen (van belastinggeld) zogenaamde 'onderwerpen van Staatszorg' zoals defensie, fysieke infrastructuur, volksgezondheid, onderwijs en wetenschapsbeoefening. In de jaren '60 en '70 is het aantal onderwerpen van Staatszorg sterk uitgebreid en in elk ook de omvang van de overheidsinvestering daarin. Cultuur, natuur en milieu kwamen in de sector terecht, volksgezondheid breidde zich uit tot de hele geneeskunde. Niet alleen het onderwijs-geven werd gefinancierd maar ook heel sterk het onderwijs-genieten. (studiebeurzenstelsel voor iedereen). Uit het feit dat er een Ministerie van Economische Zaken bestaat, dat niet alleen regulerend maar ook financierend optreedt, kan worden afgeleid dat men ook de sector bedrijfsleven als onderwerp van Staatszorg is gaan zien. Waarvan in ons land de 'landbouw' een belangrijk onderdeel is, waarvoor een afzonderlijk departement de verantwoording heeft.
Het is wat uit de hand gelopen met de overheidsfinanciering; er
werd meer uitgegeven door, wat men ging noemen, de verzorgingsstaat,
dan er aan belastingen werd opgebracht. Nu wordt er dus teruggeschroefd.
Dat proces verloopt voor de gewone burger zeer onoverzichtelijk,
zodat er in menige sector protest wordt aangetekend.
In de sector wetenschappelijk onderwijs en onderzoek werd al sinds de '70-er jaren fors bezuinigd, al te fors meenden de wetenschappelijke en bedrijven-sector, zodat bij het aantreden van het paarse kabinet Kok van NWO tot VNO, eensgezind werd aangedrongen de publieke middelen daarvoor met een half miljard te verruimen. Iedereen leek het over die noodzaak eens te zijn zodat de ambtenaren van O&W en EZ tot op dag voor het verschijnen van het regeeraccoord druk doende waren voor de extra-middelen een juiste bestemming te vinden.
Maar het nieuwe kabinet verraste de hele gemeenschap met 1 miljard extra bezuiniging en de minister voor O&W uit het vorige kabinet, die kort te voren nog had geroepen dat er een eind aan het korten op O&W moest komen, nam de verantwoordelijkheid daar voor op zich. Naar de beweegredenen wordt nog steeds geraden. De minst onredelijke veronderstelling is dat de overweging heeft gegolden, als technologische en wetenschappelijke kennisvergaring zo goed voor de economische ontwikkeling zijn , kan die sector het beste als eerste proberen zijn eigen broek op te houden. Door de geldkraan wat dicht te draaien, worden de publieke onderzoekinstellingen met het bedrijfsleven gedwongen tot een meer efficiënte publiek private samenwerking te komen.
Op het eerste gezicht is dit niet onlogisch maar wat node wordt gemist is een argumentatie waarom bepaalde sectoren meer of minder onderwerp van Staatszorg zijn. Waarom neemt de overheid überhaupt de zorg voor een bepaalde sector (mede) op zich? Dat is zonder meer duidelijk voor defensie en rijkswaterstaat; er is geen private sector die daarvoor de verantwoordelijkheid kan nemen. Voor gezondheidszorg en onderwijs is het minder duidelijk; in vele andere landen (b.v. de VS) dragen individuele burgers daarvoor dan ook zelf een veel grotere verantwoordelijkheid dan in onze cultuur. Doch de armsten kunnen die niet aan. Daarom worden zij 'geholpen' met de middelen die de meer welgestelden opbrengen. Het financiële risico van ziekte, wordt over de gehele bevolking gespreid.
Aldus, wat we in wezen met Staatszorgfinanciering doen, is met de staat als geheel risico's overnemen die afzonderlijke individuen niet alleen kunnen dragen.
De nieuwe trend is dat daarbij toch de overheid wat op afstand
gaat staan en dat kan, mits wel gezorgd wordt dat een goede infrastructuur
voor het dragen van die risico's aanwezig is. Daarom worden ambtelijke
pensioenfondsen en ziekenfondsen geprivatiseerd. Dit kan in principe
tot efficiëntieverhoging leiden omdat de middelen die delen
van de gemeenschap voor een bepaald doel opbrengen, meer direct,
met minder omwegen, aan dat doel worden besteed. De geldcyclus
wordt ingekort.
Wat nu t.a.v. wetenschap en technologie als onderwerpen van Staatszorg
opvalt, is dat daar niet of zelden naar wordt gekeken vanuit de
invalshoek van het verwerken van de financiële risico's die
er aan zijn verbonden. Terwijl die risico's extreem hoog zijn,
nauwelijks te berekenen, en uitsluitend door grote instellingen,
die zelf risico kunnen spreiden, kunnen worden gedragen. Dat is
feitelijk de enige goede reden waarom de overheid een plaats inneemt
in de financieringscyclus van wetenschappelijk onderzoek dat van
economische betekenis is. (Wetenschap als belangrijk cultuurbezit
buiten beschouwing gelaten). En het is een cyclus. Immers de belastinggelden
worden voor een zeer groot deel door de winstgevende (kennisintensieve)
bedrijven gegenereerd.
Het 'op afstand gaan staan' van de overheid bij de wetenschapsbeoefening
komt in ons land vooralsnog slechts tot uitdrukking in financiële
terugtrekking, nog niet in het ontwerpen van een verbeterde infrastructuur.
De opdeling van het jaarlijks wetenschaps- (en technologie-)budget
in duizend posten illustreert dat organisatorisch de overheid
verre van op afstand wil gaan staan, en met de prioriteitstelling
gedetailleerde bemoeienis wil blijven houden.
Onvrede met het functioneren van andere actoren in de infrastructuur ligt hieraan ten grondslag.
Een ingewikkelde infrastructuur ontstaat vanzelf indien men bij
het niet optimaal functioneren van het management, daarover een
nieuwe, zwaardere, managementlaag legt en niet overgaat tot het
saneren van het oorspronkelijke management. In de afgelopen tien
jaar is dit in het bedrijfsleven wel rigoureus aangepakt; in vele
complexe organisaties zijn tussenlagen verwijderd en is de verantwoordingsplicht
met persoonlijke resultaat-verantwoordelijkheid in de gehele lijn
geïnstitutionaliseerd. De CRO's zijn gevolgd; de universiteiten
achtergebleven. Aangaande de laatste worden nu wettelijke maatregelen
voorbereid. De tijd is dus rijp om vergaande delegatie van (financiële)
bevoegdheden aan actoren te overwegen.
Dit leidt echter tot meer segregatie van de actoren, met name
van CRO's en universiteiten terwijl voor de hand ligt te veronderstellen
dat hun nauwe samenwerking de nationale infrastructuur zal versterken.
Opgemerkt moet echter worden dat tot op heden de overheid die
samenwerking ook niet of nauwelijks met generieke maatregelen
heeft bevorderd. Daar waar zulke samenwerkingen toch zijn ontstaan
is dit geheel aan de welwillendheid van de actoren overgelaten.
Voorts moeten worden opgemerkt dat het overheidsbeleid vrijwel
geheel op de temporaire situatie is gericht. Men probeert binnen
de bestaande infrastructuur onderlinge relaties te verbeteren,
niet om vanuit een bepaalde visie een lange termijn ontwikkeling
te entameren. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de overtrokken waarde
die wordt gehecht aan het oordeel van het gevestigde bedrijfsleven.
Te veel wordt opgehangen aan diens bereidheid mede te participeren
in de financiering van het nationale strategisch onderzoek. Een
innovatief, vernieuwend, beleid zou niet in de eerste plaats gericht
moeten zijn op het ondersteunen van het bestaande bedrijfsleven.
Het heeft zijn eigen ondernemers verantwoordelijkheid overeind
te blijven. Veel meer dient het overheidsbeleid gericht te zijn
op het stimuleren van nieuwe industriële bedrijvigheid.
Bij deze inventarisatie van observaties inzake de infrastructuur, zijn wij ook niet gestuit in enige groepering op onverdeeld enthousiasme voor het jongste overheids-initiatief: de inrichting van topinstituten. In wetenschappelijke kring wordt de idee op wetenschapsdynamische gronden afgewezen: een top-instituut kan niet zonder meer uit de grond worden gestampt. Het groeit rond een kern van excellerende onderzoekers. De aanpak zou moeten zijn: identificeer in het Nederlands potentieel die excellerende onderzoekers en geef hen de financiële middelen hun actieradius te vergroten.
In de kring van het gevestigde bedrijfsleven overheerst aarzeling
omdat zo nadrukkelijk van overheidswege om een financiële
bijdrage uit de private sector wordt gevraagd. Er is vooralsnog
niets meer dan een papieren-constructie geboden. In het grotere
buitenland zijn voldoende topinstituten waar direct mee in zee
kan worden gegaan. En voorts is ieder bedrijf van enige betekenis
bezig zijn vleugels ver over de grenzen uit te slaan, op zoek
nieuw talent in ZO-azie.
De potentieel nieuwe industriële bedrijvigheid kan geen stem laten horen; 'the future generation has no vote'.
Voor die toekomstige generatie zou de overheid zijn stem moeten
verheffen. Als Philips, Shell, DSM, Unilever, Gist Brocades gebruik
maken van hun potentie Nederland te verlaten dan gaat zulks ten
detrimente van de kleinere en jongere toeleveringsbedrijven.