Achtergronddocument

Over stromen

 

Kennis- en innovatieopgaven voor een
waterrijk Nederland

 

 

 

 

 

Onder redactie van:

Dr.ir. J.G. de Wilt (NRLO)

Dr. H. Snijders (AWT)

Drs. F. Duijnhouwer (RMNO)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NRLO-rapport nr. 2000/7

AWT-achtergronddocument 18

RMNO nr. 148

ISBN: 90 - 5059 - 109 - 4

Overname van tekstdelen is toegestaan, mits met bronvermelding.

Den Haag, juni 2000

 

Ten Geleide

 

Op 13 juni 2000 is het advies "Over stromen - Kennis- en innovatieopgaven voor een waterrijk Nederland"1 aangeboden aan de staatssecretarissen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Directeur-Generaal van de Rijksplanologische Dienst. Dit advies vormt het sluitstuk van een verkenningsproces met als motor een projectgroep van NRLO, AWT en RMNO, onder begeleiding van een breed samengestelde klankbordgroep. (Bijlage 1)Velen binnen en buiten de waterwereld hebben hieraan een bijdrage geleverd. Het onderhavige achtergronddocument bevat de essays, de studie van de watergerelateerde kennisinfrastructuur en de verslagen van de interviews, de brainstormsessies en de conferentie, die tijdens het verkenningstraject tot stand zijn gekomen en de basis vormen voor de verkenning en het advies.

 

De verkenning is uitgevoerd met een tweeledige doelstelling:

1. De identificatie van prioritaire kennis- en innovatiethema’s voor integraal waterbeheer; met andere woorden: waar liggen de grote vraagstukken nu en in de toekomst en welke rol zou het onderzoek moeten spelen om deze issues verder te brengen?

2. De ontwikkeling van voorstellen voor noodzakelijke veranderingen in de kennisinfrastructuur op het gebied van water en hieraan gerelateerde vraagstukken; met andere woorden: hoe moet het onderzoek worden georganiseerd en hoe verhoudt zich dat tot de huidige situatie?

 

Interviews

De verkenning is gestart in april 1999 en afgerond in juni 2000. In de maanden april en mei 1999 is gewerkt aan een eerste identificatie van kennis- en innovatiethema’s. Hiervoor is een interviewronde gehouden onder de leden van de klankbordgroep. Op basis van deze interviews zijn zes thema’s geïdentificeerd, die cruciaal zijn voor het realiseren van integraal waterbeheer. In juni en juli 1999 zijn de zes thema’s getoetst in een interviewronde met bedrijven en maatschappelijke actoren: ANWB, LTO Nederland, Shell, Unilever, Stichting Reinwater, Stichting Waterpakt, VEWIN, en WNF. De teksten van de interviews zijn opgenomen in deel 3 van dit achtergronddocument.

 

Brainstormsessies

In augustus en september 1999 is over elk van de zes thema’s een brainstorm met enkele deskundigen georganiseerd. De verslagen van deze sessies zijn te vinden in deel 3 van dit achtergronddocument.

 

Essays

Voortbouwend op de ideeën uit de brainstormsessies zijn de verschillende thema’s verder uitgewerkt in vijf essays. Deze essays zijn integraal weergegeven in deel 1 van dit achtergronddocument.

 

Inventarisatie kennisinfrastructuur

In het najaar van 1999 is tevens een inventarisatie uitgevoerd van de kennisinfrastructuur voor integraal waterbeheer in Nederland, gericht op het vaststellen van het kennispotentieel voor de innovatiethema’s.
De inventarisatie is gepubliceerd in deel 2 van dit achtergronddocument.

 

Conferentie

Het spanningsveld tussen kennisopgaven en het kennispotentieel is aan de hand van stellingen besproken met de stakeholders tijdens de conferentie "Kennisstromen in waterland" op 2 februari 2000. De resultaten van de discussie zijn opgenomen in deel 3 van dit achtergronddocument.

Er zijn vele redenen om dit achtergrondmateriaal te publiceren. Allereerst vanwege de grote rijkdom aan visies en ideeën. Voorts vormt dit document een illustratie van de analyse en de voorstellen in het verkenningsrapport.

Bovendien geeft dit materiaal aan dat velen binnen en buiten de waterwereld doordrongen zijn van de noodzaak van een omslag in het waterbeheer: van water keren naar water accomoderen. Wij vertrouwen erop dat dit achtergronddocument een bijdrage levert aan het gezamelijke leer- en zoekproces om te komen tot de daadwerkelijke realisatie van deze omslag.

Het projectteam:

Dr.ir. J.G. de Wilt (NRLO)

Dr. H. Snijders (AWT)

Drs. F. Duijnhouwer (RMNO)

 

 

 

 

 

Inhoud

Ten Geleide 5

Deel 1: Vijf essays: 9

1. De culturele en emotionele betekenis van water

J. Lengkeek (Wageningen UR) 11

2. De sociaal-economische betekenis van water

H.H.G. Savenije (IHE), J.J. Bouma (EUR), H.L.F. Saeijs (EUR/RWS) en W.A. Hafkamp (EUR) 35

3. Naar een waterrijk Nederland

H. Goosen, P. Vellinga, (Instituut voor Milieuvraagstukken), S.P. Tjallingii (Alterra Research Instituut) 51

4. Trendbreuk in Waterland

P.T.J.C. van Rooij (Accanto B.V.), M.J. van der Vlist (RIZA), P.A.E. van Erkelens (Waterschap Regge en Dinkel),
K.J. Hoogsteen (NV WMD) 63

5. Betrokkenheid van burgers in het waterbeheer

G.D. Geldof (TAUW/UT), J. Grin en M. Hajer (UvA), C.M.J. van Woerkum (Wageningen UR) 75

Deel 2: Inventarisatie Kennisinfrastructuur Integraal Waterbeheer 91

J. Wisserhof (KUN)

Deel 3: Verslagen van: 135

Interviews 137

Brainstormsessies 187

Conferentie 209

Bijlage 1: Samenstelling klankbordgroep en projectteam 217

Bijlage 2: Lijst van afkortingen 219

 

Deel 1:

Vijf essays

 

 

 

 

 

De culturele en emotionele betekenis van water

 

 

Dr. J. Lengkeek2, Wageningen UR

 

 

Inhoud

1. Inleiding 13

2. Water voor deskundigen en gewone mensen 13

3. Een kleine taxonomie van ervaringswerelden 16

4. Kwaliteiten en waarden 18

5. Een verschillend belang 20

6. Een schema voor koersbepaling 23

7. Innovatieopgaven 24

8. Kennis voor een meervoudige werkelijkheid 28

8.1. Wetenschappelijke uitwisseling 29

8.1.1. Fundamenteel onderzoek 29

8.1.2. Programmatisch interdisciplinair onderzoek 30

8.1.3. Een spinneweb van kennisnetwerken en kennisketens 30

8.2. Interactieve kennisontwikkeling 32

8.2.1. Interactieve kennisontwikkeling en strategische keuzen 33

8.2.2. Interactief ontwerpen 33

8.2.3. Regionale kenniscentra 33

9. Tot slot 34

1. Inleiding

De Nederlandse bodem daalt en de waterspiegel stijgt. De lager gelegen gedeelten van ons land lopen meer en meer het risico om overstroomd te raken. Dus moet er meer water worden weggepompt. De hoger gelegen gedeelten verdrogen daardoor en de lagere gedeelten zakken verder weg. De rivieren vormen niet meer het laagste punt. Doorgaan met water wegpompen lijkt uiteindelijk geen afdoende oplossing. Er moet daarom iets gebeuren. Meer water in Nederland, voor natuur, voor recreatie, voor een hogere belevingswaarde van de leefomgeving, of tenminste meer water omdat de strijd ertegen niet op de huidige manier is vol te houden.

Nederland verdroogt? Weinig burgers zullen dat beseffen of begrijpen. Nederland ligt grotendeels onder waterspiegel en is toch drijfnat? Gewone burgers, die niets met waterbeheer te maken hebben, zullen meer herkenning voelen bij het volgende beeld. Een groep mensen op een steiger. Natte, glimmende oliepakken, zuidwesters op of capuchons omhoog, druilerige regen. Dat alles vormt de elementen van een foto in het boek ‘Het water op; 400 jaar pleziervaart in Nederland’. Het bijschrift van de foto is ‘Nederland - Waterland’. Nederland en natheid lijken onverbrekelijk bij elkaar te horen. Regen van boven, natte voeten onder en af en toe de dreiging dat een deel van het land onder water zal lopen. De Romein Plinius, die over de lage landen schreef, werd er somber van. Hij kon zich goed voorstellen dat de bewoners van de Rijndelta het moeilijk hadden in de mistige en vochtige gebieden en hun onbehagen verdronken in bier. Vooral geen water.

Overleven vergde creativiteit. De laaglanders bouwden vlietbergen, terpen en later dijken. De strijd tegen het water en het geleidelijk aan verwerven van nieuw land uit de golven vormen een historisch gegeven dat diep ingewerkt heeft in de Nederlandse culturele identiteit.

Water is niet alleen een vijand geweest, maar ook een bron van welvaart en autonomie geworden. De functie ervan voor visserij, transport en handel hebben Nederland een belangrijke rol gegeven als Europese natie. Als vreemde soldaten de lage landen dreigden te overspoelen, zetten de bewoners grote delen van hun grondgebied weer onder water. En nu? Sinds de tweede helft van de 20ste eeuw overspoelen toeristen Nederland, op zoek naar water om in te zwemmen, om op te zeilen of op zoek naar overblijfselen van de historie die de bijzondere relatie met het water laten zien. Visserdorpen als Marken en Volendam zijn beeldbepalend geworden voor de toeristische attractiviteit van Nederland, samen met de windmolens, die voor een groot deel werden gebruikt om het water uit het laag gelegen land te pompen. Natuurlijk, ook tulpen, ook kaas.

We moeten kennelijk voor de toekomst op een andere manier met water omgaan. Dan is het van groot belang te weten wat de beleving is van water. Wat Nederlandse burgers vinden van water als aspect van de ruimtelijke omgeving is een belangrijke voorwaarde om tot een ander beleid te kunnen overgaan.

In dit essay worden de beleving van het water aan de orde gesteld, verbreed tot de culturele en emotionele betekenis van water, en worden daarmee verbonden activiteiten verder verkend. Bovendien wordt nagaan hoe deze betekenis kan worden meegewogen in benaderingen van water als regelsysteem en als economisch of ecologisch systeem.

2. Water voor deskundigen en gewone mensen

Omdat water en de Nederlandse cultuur zo met elkaar verknoopt zijn geraakt en deze verbinding zo vanzelfsprekend is geworden, lijkt de betekenis ervan buiten beeld te raken in allerlei hedendaagse discussies van experts op het gebied van waterbeheer en ruimtelijke ordening. Discussies gaan over ‘waterhuishouding’, watersystemen, verdroging en dreigingen van overstroming, over dijkverzwaring, kosten en baten en over de ecologische functies van water. Pas wanneer actiegroepen te hoop lopen tegen dijkverzwaring, omdat de mooie bochten recht worden getrokken en historische elementen dreigen te verdwijnen, beseffen deskundigen dat er meer aan de hand is. De landschappelijke en culturele neerslag van de wijze waarop Nederland met het water is omgegaan en omgaat is op verschillende, vaak onderling samenhangende manieren van belang. Water is een natuurverschijnsel waartegen strijd werd aangegaan, met allerlei middelen. Maar het is tevens aanleiding tot zeer verscheiden vormen van gebruik. Vooral in de vrije tijd. Men zwemt in water, vaart erop, hengelt eruit, duikt erin, wandelt er langs. De vakantiebestemming wordt vaak gekozen omdat daar water is waarin de kinderen kunnen spelen. De groteren begeven zich in alles wat maar varen wil. Hengelaars zetten zich aan de waterkant. De één met het hoofd vol dromen over de meest wonderbaarlijke visvangst. De ander zit gewoon aan de waterkant en versmelt met de natuur. Gebruik gaat samen met een mate van beleving. Vooral sinds Ruysdael zijn riviergezichten schilderde worden mensen getroffen door het rivierenlandschap. De enkeling ziet, net als de schilder, hoe het licht over het water speelt. De adem stokt daarbij in de keel. Vanaf een boot ontstaat een andersoortige ervaring van het omringende landschap dan vanaf de vaste wal. Het blikveld wordt meer van onderaf gevormd en de wind, de geur van water en waterplanten versterkt de ervaring. De wadvaarders ondergaan het water, waarvan de weidsheid geaccentueerd wordt door silhouetten aan de horizon, en de zich eindeloos herhalende getijdenwisseling, als een beleving waarover nauwelijks doeltreffend in woorden gesproken kan worden. Veel zeggingskracht van de historische relatie tussen land, cultuur en water bestaat niettemin bij de gratie van de verhalen, die beschikbaar zijn en doorverteld worden. Dichters en schrijvers vertellen de verhalen over het dorp aan de rivier en het wassende water. Over rivieren die door oneindig laagland stromen. Over de zee, die voort klotst in eindeloze deining. We kunnen ons nog moeilijk losmaken van deze beelden. Schilders legden de ervaringen visueel vast. Gefilmde documentaires en t.v.-debatten zijn moderne varianten op die oude verhalen. Ze inspireren mensen om het allemaal met eigen ogen te gaan zien. Naar Neeltje Jans stromen de bezoekers in groten getale toe om ter plaatse zich in te leven hoe de technologische Titanenstrijd zich heeft voltrokken.

Men gaat dus op uiteenlopende manieren met water om. Er is daarom ook onderlinge strijd tussen mensen, die belang hebben bij water en alles wat met het water te maken heeft. Toegangsrechten, gebruiksrechten, beheersrechten en -plichten vormen de officiële, juridisch tegenhangers van meer emotionele aanspraken van mensen op een plek op of aan het water. Mensen wonen graag aan het water om een eigen claim erop vast te leggen en vast te houden. Ze zijn bereid om daarvoor veel geld in hun woonlokatie te investeren. Bij sportvissers gaat het niet alleen om visrecht, maar ook om het ongestoord kunnen gebruiken van ‘hún’ stekkie. Die plek heeft een sterk emotionele waarde voor hen. Kanoërs houden hun favoriete vaargebied graag vrij van andere gebruiksvormen, om de ervaring van natuur en vrijheid niet te laten verstoren. Maar ze worden zelf weer weggekeken door natuurliefhebbers die op een andere manier hun toegang hebben tot het water.

Hoe Nederland thans met het waterbeheer omgaat is in overwegende mate een zaak van goed geschoolde en technisch onderlegde experts. De defensieve houding ten opzichte van het water heeft deels plaats gemaakt voor een meer offensieve. Landaanwinning is een actieve inzet geworden, die begonnen is met de droogmakerijen, een voorlopig hoogtepunt vond in de Zuiderzeepolders en die weer uitdagingen ziet in nieuwe locaties voor de Nederlandse kust.

Nederland is wereldberoemd om al dat technisch vernuft. Voor de experts ligt de vooruitgang vooral op technologisch vlak. Meet- en regelwerk vormen het uitvloeisel van de benadering van water als één systeem. In 1685 werd het idee van de Hoogheemraadschappen om één waterpeil voor het hele land in te stellen geconcretiseerd met het Algemeen Vergelijkingsvlak, nu het NAP. Deze gebeurtenis kan als een scharnierpunt worden gezien in de geschiedenis van de waterhuishouding.
Het oppervlaktewater werd vanaf die tijd als één zelfde systeem gezien en het landelijke peil werd een effectief gereedschap bij grootschalig waterbeheer en landinrichting.

Sinds enige tijd wordt deze systeembenadering aangevuld met de natuurwetenschappelijk kennis over ecosystemen. Beide moeten geïntegreerd en in een kosten/baten-analyse, dus een economisch systeem, tegen elkaar worden afgezet. De kennis daaromtrent neemt indrukwekkende vormen aan. Toch blijft de culturele en emotionele betekenis voor gewone mensen moeilijk in deze harde afweging te betrekken. Vormen cultuur en individuele emoties wel vergelijkbare, duidelijke systemen? Eigenlijk niet, zo lijkt het. Wat moet men dan met deze ‘zachte’ waarden?

De deskundige houdt moeite met softe aangelegenheden. Andersom geldt dat niet. Het vertrouwen van de burgers in de technologie van het waterbeheer is groot. Er is immers zoveel indrukwekkends verricht. De verontrustende of zelfs bedreigende aspecten van het water, als onvoorspelbaar element, als natuurverschijnsel en als bron en voorwaarde van leven verdwijnen uit de alledaagse leefwereld. In de Limburgse Maasvallei bijvoorbeeld werden zorgeloos woningen en vakantiebungalows gebouwd. Wonen en recreëren aan het water is immers een ideaal. Zolang de deskundigen in staat geacht worden om wateroverlast te bedwingen, staat niets in de weg. Water als problematisch onderdeel van onze leefomgeving verdwijnt tegen deze achtergrond van technologisch kunnen. Wateroverlast voor boeren of stijgend rivierwaterpeil lijken uitzonderingen, schoonheidsfoutjes van een goed geregisseerd systeem, dat zelfs, als het misgaat, schadevergoedingen mogelijk maakt aan de gedupeerden. Weinig mensen maken zich echt zorgen over het waterbeheer. We hebben toch onze ingenieurs. En wie gaat er eigenlijk stemmen bij waterschapsverkiezingen?

Maar, problemen met water hebben te maken met de wijze waarop de samenleving als geheel met water omgaat. De recente overstroming in het Westland heeft zich voorgedaan omdat er geen voldoende natuurlijke waterafvoer meer kan plaatsvinden in een gebied dat is volgebouwd met glazen kassen, belegd is met geasfalteerde straten en voorzien is van riolen, die een beperkte capaciteit hebben. De bewoners beleven zo’n situatie als een overstroming. Het is echter de intensieve benutting van de grond, die natuurlijke neerslag tot een catastrofe maakt. En dan te bedenken dat het in Nederland nog vaak hard zal waaien en regenen. Tegelijkertijd zorgen allerlei oorzaken ervoor dat de grondwaterstand elders in het land soms dramatisch zakt. Te noemen zijn de bruinkoolwinning net over de grens, de intensieve drainage en het areaal aan harde oppervlakte dat steeds groter wordt. Met gemalen en pompen houden de waterbeheerders de landbouwgronden zo droog mogelijk. De boeren vragen erom. De steeds zwaarder landbouwmachines maken een extra lage grondwaterstand noodzakelijk. Zo dreigt wel de waterbalans uit evenwicht te raken en Nederland, paradoxaal genoeg, te verdrogen. De drinkwatervoorziening dreigt soms in gevaar te komen.

De natuurwaarden die, vooral op de hoger gelegen delen van ons land, door de lage grondwaterstand worden teniet gedaan, worden met toenemende zorg in speciale natuurgebieden behoed en, waar nodig, teruggebracht door een andere groep deskundigen, de ecologen. Behoud van biodiversiteit is sinds de conferentie in Rio de Janeiro een speerpunt in het natuurbeleid. Veel van de soortenrijkdom hangt af van water. Maar deze nieuwe natuur is niet meer de natuur van weleer, een woest, bedreigend en soms zo prachtig geweld. De nieuwe natuur wordt de burger voorgeschoteld als iets in een afgeschermd gebied, dat op zijn mooist in televisieprogramma’s ontsloten wordt door middel van prachtige natuurbeelden en inspirerende teksten van een bekende Nederlander. De betekenis van water voor de burgers valt grotendeels samen met de beleving en ervaring van natuur in het algemeen. De natuur is getemd, de angel is eruit getrokken. We geven wel weer de natuur graag vrij spel, maar binnen onze condities. We houden nu van de natuur en vrezen haar nauwelijks.

Gebruik en beleving van het getemde water, het doorvertellen van de verhalen en de aanspraken op het water worden ook steeds meer inzet van een markt van plezier en illusie. Nieuwe ‘kicks’ worden in hoog tempo uitgevonden om snel verkocht te worden aan een ieder die het maar proberen wil. In de watersport is een trend te zien van een verschuiving naar luxe, comfort en exclusiviteit, grotere boten en grotere wateren. Varen met snelle boten, jetskies wordt een ‘hype’, zoals het modieus wordt aangeduid. Sportduiken geniet een groeiende belangstelling. Nieuwe activiteiten vragen om nieuwe goederen, nieuwe voorzieningen en ander ruimtebeslag. (De klant wil het, zo stelt men tegenwoordig, en de markt geeft het.)

Als het water zo’n belangrijke betekenis heeft vanuit de culturele achtergrond of om redenen van individuele emotionele betrokkenheid van mensen bij het water, dan is een belangrijke vraag in hoeverre daarmee rekening wordt gehouden in waterhuishouding en ruimtelijke ordening. Een eerste conclusie die valt te trekken, is dat de werelden van experts en van burgers ver uiteen gegroeid zijn. Om deze beter op elkaar te betrekken, moeten experts in hun opvatting van integraal waterbeheer beter inspelen op de vele betekenissen die water voor de burgers heeft en moeten burgers meer begrip op gaan brengen voor de omslag, die in het waterbeheer noodzakelijkerwijs moet gaan optreden.

In het vervolg van dit essay ga ik eerst in op een paar trends en ontwikkelingen in activiteiten en beleving die met het water te maken hebben. Om de houding van mensen ten opzichte van het water beter te kunnen begrijpen volgt een theoretische uitstap met begrippen als waarde en kwaliteit. Vervolgens komen een aantal innovatie-opgaven aan bod en wordt besloten met suggesties om kennislacunes te vullen ten behoeve van een werkelijk integraal waterbeheer dat ook recht doet de culturele en emotionele betekenis van water.

 

 

 

3. Een kleine taxonomie van ervaringswerelden

Water kan een belangrijk onderdeel zijn van de directe woonomgeving. Inwoners van Giethoorn, bewoners van de Amsterdamse grachtengordel of van de wijk Slotervaart kunnen daarvan meepraten. Tegenwoordig gaat het minder om water als transportmogelijkheid naast de deur en meer om het uitzicht op water. Je kunt je eigen bootje vlak bij huis kwijt en dat is ook een prettig idee. Grachten geven een Holland gevoel. Nieuwbouwwijken krijgen speciaal ontworpen grachtjes, zodat de nieuwe bewoners zich thuis zullen voelen bij het ruimtelijke beeld. Wonen aan het water is een ideaal geworden. Steden als Breda, Drachten of Assen ‘herontdekken water’ als structurerend element dat bijdraagt aan de belevingswaarde van de omgeving. In Midden-Delfland worden ‘groen-blauwe slingers’ van natuur en water ingezet om scheiding en verweving van stedelijk en landelijk gebied aan te brengen en daarmee de kwaliteit van de omgeving te verhogen. Het strand en de zee nabij steden als Den Haag en Haarlem hebben een belangrijke functie voor bewoners. Voor de ouderen om er uit te waaien en voor de jongeren om er bruin te branden en elkaar te ontmoeten.

Water is weliswaar een vanzelfsprekend onderdeel van de leefomgeving, toch worden mensen zich van de betekenis ervan meer bewust als ze hun daagse omgeving even achter zich laten en erop uit gaan. Om te recreëren of om hun vakantie ergens anders door te brengen. In 1956 bracht de toenmalige Rijksdienst voor het Nationale Plan de nota ‘Recreatie te water’ uit. In deze naoorlogse jaren werd het water als bijzonder kenmerk van Nederland en als toeristische attractie vergeleken met wat de bergen betekenen voor Zwitserland. ‘Nederland-waterland’ werd een slogan, die aan het eind van de jaren tachtig wederom opduikt als een van de hoofdthema’s van ruimtelijke ontwikkeling.

In de periode tussen 1960 en 1980 zijn er tal van grootschalige recreatiegebieden aangelegd, vooral in de verstedelijkte randstad. Water was daarvan altijd een centraal bestanddeel. Op mooie dagen ligt het vol mensen, die de mogelijkheid aangrijpen om niet al te ver van huis in open water te gaan zwemmen en er te gaan zonnen. Soms zijn de plassen speciaal voor de recreatie gegraven, soms zijn het ontgrondingsputten die voor recreatie geschikt zijn gemaakt.

De recreatieplassen trekken op dit moment ongeveer
5 miljoen mensen. Dat is veel als men de weersomstandigheden in Nederland in aanmerking neemt. Veel meer zijn de toeristen, die jaarlijks naar de kust trekken, voor vakantie of voor zomaar een dagje uit: 38 miljoen.

Niet alleen trekken de kust en de plassen veel bezoekers. Ook de rivieren als bijzonder aantrekkelijk landschappelijk element maken deel uit van de bezienswaardigheden, die recreanten en toeristen in Nederland de moeite waard vinden.

Water is iets om naar te kijken, iets om in te zwemmen, maar vooral iets om te bevaren.

Nederland kent een traditie van pleziervaart die tenminste 400 jaar oud is. Het IJ werd in de 17de eeuw een schouwtoneel voor een paar welgestelde Amsterdamse patriciërs, die hun welvaart daar konden tonen met hun rijkgedecoreerde ‘speeljachten’. Vorstelijke gasten, die per boot over het IJ arriveerden konden een onthaal verwachten van pleziervaartuigen die hen tot aan de kade escorteerden. Ter gelegenheid van een bezoek van Tsaar Peter de Grote werd op het IJ door plezierjachten een zeeslag nagespeeld met zoveel ernst en toewijding dat vanwege de ontstane averij aan het merendeel der boten de voorstelling op een tweede dag moest worden afgelast.

De belangrijkste ontwikkelingen van de 20ste eeuw zijn een enorme toename in het aantal toeristisch-recreatieve gebruikers van het water, aanvankelijk overwegend georganiseerde en later veel ongeorganiseerde watersporters, en een grote diversiteit in gebruiksvormen.

Om een indicatie te geven van de diversiteit in de georganiseerde watersport: na een aanvankelijk in de vorige eeuw uiteengaan van zeilers en roeiers met elk eigen verenigingen en bonden, onstonden er aparte verenigingen voor zeilklassen, scherpe en ronde kielen, houten en polyesther rompen, open jachten, kajuitjachten, catamarans, watertoeristen, motorbootvaarders, kanoërs, waterskiërs, zeezeilers, windsurfers, elk met weer hun onderverdelingen. De meeste verenigingen hebben hun eigen subcultuur en appreciatie van het water. Ze stellen hun eigen eisen aan het water. Ongeveer 1850 organisaties bestaan er op het gebied van de watersport, waaronder 940 verenigingen. Ze bezitten of beheren ongeveer 35% van alle, ongeveer 1150 jachthavens. De jachthavens bieden op dit moment ongeveer 175.000 ligplaatsen.

Nederland beschikt over circa 300.000 hectare aaneenzgesloten en bevaarbaar water. De routes die de verschillende wateren met elkaar verbinden vormen een ‘basistoervaartnet’ van meer dan 4.200 kilometer. Het is druk op deze wateren. Dat is goed zichtbaar in de weekends. Het is ook zichtbaar in de cijfers. Op dit moment zijn er volgens officiële CBS registraties ongeveer 265.000 pleziervaartuigen, groter dan zes meter. Zeilen en varen met een motorboot zijn beide zeer populair, elk goed voor zo’n 1,8 miljoen dagtochten per jaar.
De bestedingen aan geld, die met deze tochten gepaard gaan, stijgen voortdurend tot in totaal voor beide boottypen 56 miljoen gulden in 1995/1996. Rondvaarten en tochten per charterboot omvatten zo’n anderhalf miljoen tochten per jaar. Als de buitenlandse bezoekers hierbij worden opgeteld veranderen de cijfers nog drastisch. Alleen al in de Amsterdamse grachten is er sprake van bijna drie miljoen rondvaarten.

De belangrijkste trends zijn dat er een verschuiving optreedt binnen de watersport naar grotere schepen,
meer luxe, meer comfort rond de ligplaatsen en een toenemende trek naar de grotere wateren. Er is weliswaar behoefte aan meer ligplaatsen, maar vanwege hoge investeringslasten komen er weinig nieuwe jachthavens bij. Wel worden oude binnenhavens meer en meer ontwikkeld tot passantenhavens, hetgeen spoort met een groeiende interesse van watersporters in plekken die cultuurhistorisch de moeite waard zijn. Varen wordt gecombineerd met bezoek aan oude havenstadjes of natuurgebieden.

Passend bij snelle nieuwe ontwikkelingen in de amusementsgerichte vrijetijdsbesteding is een sterke vraag naar snelle motorboten en het varen met waterscooters en jetskies. Hiervoor zijn beperkte mogelijkheden, ofwel omdat er niet veel ruimte voor is of wel omdat er beperkende regels gelden.

Een duidelijk op rust en natuur gerichte vorm van watersport bestaat uit kanoën en roeien. Het gaat om zo’n 1,5 miljoen dagtochten in dit kader. Kanoërs zoeken binnenwateren op en roeiers worden vooral aangetroffen op de grote doorgaande wateren. Het is moeilijk te bepalen hoeveel van dit soort vaartuigen er zijn, omdat ze niet afhankelijk zijn van ligplaatsen aan het water. De officiële schattingen gaan uit van ongeveer 130.000 kano’s. Er is nog een stijgende lijn te zien in roeien en kanovaren.

De belangstelling voor surfen is de laatste tien jaar scherp gedaald. Er zijn nog zo’n 350.000 bezitters van een zeilplank, maar het aantal dagtochten met als hoofdactiviteit het surfen is gedaald van 1,5 miljoen in 1990 naar 260.000 in 1995.

Hengelen voor het plezier is een al even oude traditie als de pleziervaart. Meer dan duizend verenigingen bestaan er thans, waarvan de meeste ondergebracht zijn bij één koepelorganisatie, met ruim 350.000 leden. Hengelsport omvat uiteenlopende bezigheden, interessen en verbeeldingen. De een vist op dit, de ander op dat. Het soort aas dat wordt gebruikt, het type hengel, hengelbenodigdheden, het soort gebied waar men vist, vanaf het land of vanaf de boot, de zee of het binnenwater, het zijn even zoveel aanleidingen voor hengelaars om zich van elkaar te onderscheiden. Veel georganiseerde sportvissers zijn niet alleen in vissen geïnteresseerd, maar ook in vergaande vormen van waterbeheer. Ze controleren de waterkwaliteit, ze dragen zorg voor oeverbegroeiïng en voor de waterplanten. Hun interesse gaat vooral uit naar goede paaiplaatsen.

De meeste hengelaars beoefen hun liefhebberij vanaf de oever, een kleine groep vist vanaf een boot en nog minder mensen beoefenen het ‘wadend vissen’. In 1997 zijn er 560.000 sportvisakten verkocht. Gemiddeld vist men een kleine dertig per jaar, maar de echte gedreven vissers
(zo’n 10% van het totaal) vist meer dan 75 keer per jaar. Nederland is populair bij buitenlandse hengelaars, die in een jaar zo’n 1,5 miljoen ‘visdagtochten’ maken. Nederlandse sportvissers zijn echter veruit in de meerderheid met 6 miljoen visdagtochten en een gezamenlijke besteding van ongeveer 45 miljoen gulden.

Er zijn meer vrijetijdbestedingsvormen die met water te maken hebben en die duidelijk in belang aan het toenemen zijn. Zo’n 30.000 mensen houden zich bezig met sportduiken. Maar liefst 200.000 mensen gaan wandelen op het wad als onderdeel van een excursie, 50.000 hebben zelf een vaste vergunning om het wad te betreden. En als het langdurig gevroren heeft, begeeft meer dan half Nederland zich op de schaats. Ook daar moet het (water)beheer rekening mee houden: geen bemaling vlak voor of tijdens de vorstperiode, niet teveel kluunplaatsen enzovoort.

4. Kwaliteiten en waarden

De meeste activiteiten, die een specifieke betekenis van water met zich mee brengen, zijn niet alleen maar op water als zodanig gericht. Vaak gaat het erom dat het water een aanleiding is voor activiteiten en daar hangt weer van alles mee samen. In de vorige paragraaf is al aangegeven dat met water verbonden activiteiten gepaard gaan met hulpmiddelen, boten bijvoorbeeld. Deze zijn op zichzelf weer aanleiding tot verdergaande verbeelding. Niet een willekeurige boot voldoet, maar een boot die naar vorm, materiaal, grootte en tegenwoordig elektronische uitrusting de ‘dernier cri’ vertegenwoordigt.
Of juist het tegenovergestelde, de authentieke smaak van ambachtelijk hout en simpele vormgeving. Jachthavens, toegangswegen, verenigingsgebouwen, doorgaande vaarverbindingen, sociale gedragsregels, speciale kleding of zoals aan het strand ontkleding, hengels, dobbers, aas, ze maken deel uit van een schier onoverzichtelijke waslijst van elementen, die voorwaarde of afgeleide zijn van het gebruik van het water.

Alle activiteiten zijn gebaseerd op een zekere mate van verbeelding, waarin een speciale betekenis aan water wordt toegekend. Het water, en in bredere zin de omgeving en sociaal-culturele context ervan, voldoet in variabele mate aan hetgeen de verbeelding aan verwachtingen oproept. De ene omgeving is ideaal, de andere mist wat. De mate waarin de omgeving voldoet kan worden aangeduid als de ‘kwaliteit’ van de omgeving. Kwaliteit is geen inherente eigenschap, maar ontstaat dus onder invloed van verwachtingen en wensen die mensen hebben ten opzichte van hun omgeving. Een eerste constatering is al, dat als er zoveel verschillende activiteiten en daarmee verbonden verbeeldingen zijn, kwaliteit een veelvormig verschijnsel moet zijn, dat niet aan enkele criteria kan worden afgemeten.

Om de zaak nog wat te compliceren maken we een onderscheid tussen kwaliteit en waarde. Een omgeving die goed voldoet en een hoge kwaliteit bezit, kan schaars zijn of ruimschoots voorhanden. De waarde varieert met schaarste. De directe leefomgeving van mensen, ook waar het gaat om kwaliteiten ervan voor de culturele en emotionele betekenis van water, is per definitie niet uitwisselbaar met een andere plek. Leefomgeving is alleen daar waar de betreffende leeft, en dus schaars. Voor anderen heeft een eigen visvijver een hoge waarde, omdat alleen dáár geen andere gebruiksvormen van het water worden toegestaan. Een overschot aan mogelijkheden leidt tot devaluatie, maar niet vanzelfsprekend tot kwaliteitsverlies. Er zijn aantrekkelijke zandstranden aan de Noordzeekust, schaars zijn ze niet. Daarom kan men ze zonder al te veel zorgen maximaal exploiteren voor het toerisme. Maar, zijn er veel toeristen die naar zee willen, dan stijgt de waarde weer naargelang er vraag is.

Om te weten in welke opzicht de omgeving wel of niet voldoet aan verwachtingen kunnen we een onderscheid maken in 4 aspecten van waarden en impliciet daarmee van kwaliteiten.

In de paragraaf over experts en burgers zijn ze enigszins verdekt al ten tonele gevoerd.

Het meest duidelijk is dat water een gebruikswaarde heeft. Water waar geen vis in zwemt is niet geschikt voor hengelaars. De betekenis die sportvissers aan hun activiteit geven vraagt om water dat bepaalde vissoorten herbergt, waarin ook sprake is van diversiteit in soorten en een ecologisch milieu heeft waarin die vissen optimaal gedijen zodat hun aantal op peil blijft. Ondiep water is ongeschikt voor zeilboten. Vaarroutes die worden onderbroken door bruggen en sluizen zijn niet prettig voor mensen die met hun boot lange tochten willen maken. De gebruikswaarde van water voor windsurfen is anders dan voor kanoën. Surfers willen openheid en wind met voldoende ruimte om lange slagen te maken en liefst een oever die geleidelijk oploopt zodat ze makkelijk kunnen landen. Kanoërs raken pas in hun element als er beweging in het water zit.

De belevingswaarde is de tweede. Belevingswaarde betreft het voor handen zijn van kwaliteiten zoals openheid, geur, temperatuur, contrast, woestheid of kalmte. De beleving van het water geldt doorgaans ook de relatie met het omringende land, zoals een gat mee bepaald wordt door de randen. In de vorige paragraaf werd vastgesteld dat de beleving van de omgeving vanaf een boot geheel anders is dan vanaf het vaste land. De zintuigen ervaren andere dingen, het perspectief verandert. Het ontbreken van vaste contouren kan, net als bij alpinisme, gevoelens van angst en ontzag oproepen. Een belangrijk element voor de rasechte zeilers is dat men zich op het water letterlijk en figuurlijk los voelt van de wal. Het is de ultieme opschorting van alle zorgen die het alledaagse leven op de vaste grond bepalen. De strijd die men met de wind en waterstromen aangaat is een fysieke ervaring, die iets geheel anders is dan de strijd met mede automobilisten in de file. Op het water verschrompelt het sociale leven tot een beperkt project: naar de overkant, schip onder controle houden en anticiperen op veranderingen in het weer. De waarde van water dat omringd wordt door de silhouetten van de alledaagse woonbuurt en de pijpen van de krachtcentrale is minder dan die van het water met de natuurlijke randen, waar vee graast of waar de horizon ver weg lijkt.

Natuurlijke omgeving wordt in Nederland schaarser dan een verstedelijkte omgeving.

Zowel gebruikswaarde als belevingswaarde zijn onderwerp van onderzoek geweest. Minder is bekend over wat de ‘narratieve waarde’ kan worden genoemd. Water krijgt betekenis door specifieke ‘narratives’, verhalen die bijvoorbeeld uit de traditie van de verenigingscultuur komen, uit de plaatselijke historiën of uit de toeristische beeldvorming waarmee een watersport gebied wordt gepromoot. Verhalen gaan over uitdagingen, over aanwezige natuur, over de cultuur van het omringende land of over tochten, die ooit gemaakt zijn of beproevingen die zijn ondergaan. De oorsprong van verhalen, waarmee betekenis aan water wordt gegeven is veelsoortig. Verhalen zijn doorgaans gemeenschappelijk, cultureel. Maar soms zijn ze heel persoonlijk. In 1992 schreef dichter Willem van Toorn in de Volkskrant:
"In Varik ontdekte ik als kind bij een tante het wonder van het dijkhuis: je ging op de hoogte van de binnenweg de voordeur in, klom de steile trap naar de zolder op en zag door een klein raam benen en fietswielen van passanten op de dijkweg, door een scherm van hoog gras en klaprozen, daarachter de rivier". Iedereen heeft wel een unieke nostalgische relatie met een plek die in het verleden een rol speelde. Dit soort persoonlijke belevingen, ooit, van de rivier en het omringende landschap met de dijkhuizen, worden van persoonlijke verhalen tot collectieve herinneringen zodra ze vakkundig worden opgeschreven. Een auteur als Geert Mak verweeft op deze wijze persoonlijke en sociale geschiedenissen in zijn boeken. Of het nu over Jorwerd gaat of over de tijd van zijn vader. Iedereen leest de verhalen. En de eerste busladingen toeristen reisden af, naar Jorwerd, om het zelf te zien. De Engelse historicus Simon Schama vatte dit principe goed samen in zijn boek ‘Landscape and Memory’. Het zijn de verhalen, die de nostalgie voeden en daarmee een grote waarde verlenen aan plekken. Ook Ruysdael’s riviergezichten zijn verhalen die ervaringen hebben vastgelegd en over eeuwen heen overgedragen.

Een vierde waarde die te onderscheiden valt, is toeëigeningswaarde. Per definitie heeft waarde te maken met schaarste en beperkte beschikking over iets dat beladen is met een bepaalde kwaliteit. De toëigeningswaarde kan gestoeld zijn op juridische gronden, op losse afspraken of op herhaald en exclusief gebruik. Sportvissers verzekeren zich van visrecht, dat wil zeggen het recht om vis uit het water te halen. Dat zegt nog niets over het recht van overpad, het recht om het water te beheren of eigendomsrecht. Toeëigeningswaarden bleken in het geding te zijn bij een onderzoek naar conflicten tussen sportvissers en plankzeilers dat de Landbouwuniversiteit in 1986 uitvoerde. "De surfers hebben ons viswater gekraakt’ riep een onderzochte visser uit, bedoelend dat hij vond dat de surfer onrechtmatig gebruik maakte van water waarvoor hengelaars al jaren alleen het visrecht hadden. Emoties kunnen hierbij hoog oplaaien. Meestal blijft de onmin beperkt tot tandengeknars, gescheld of beschaafde juridische stappen. Een enkele keer ontaardt het. Een klein bericht uit de Volkskrant van juni 1995: "Twee nog onbekende mannen hebben woensdagavond een 27-jarige vrouw ernstig verwondt met een stoeptegel. Het rubberbootje van het slachtoffer was over hun dobber gevaren. Daarop ontstond een woordenwisseling, waarna het bootje doorvoer. De vissers wachtten het bootje bij een naburige brug op en lieten een stoeptegel naar beneden vallen. De vrouw ligt met zwaar hoofdletsel in zeer kritieke toestand in het ziekenhuis. De vissers zijn spoorloos."

5. Een verschillend belang

Water heeft betekenis, die aanzet tot gebruik, beleving, verhalen vertellen en toeëigening. Toch is het belang dat men aan deze waarden hecht niet altijd hetzelfde. De onterechte agressie van de hiervoor genoemde vissers komt wellicht voort uit het feit dat sportvissen voor hen alles is, niemand mag dat verstoren of in de weg zitten. Laten we wel wezen, er is geen excuus voor hun daad.
De vrouw in de boot had geen idee welke hinder ze veroorzaakte. Ze was misschien zomaar een beetje aan het varen, met anderen en voor de lol, en misschien wel voor het eerst. Het belang kan zeer verschillen. Een ‘echte zeiler’ kan razend worden op de zeilers, die zomaar eens een boot huren en het water opgaan.
"De amateurs, de klunzen. Ze kennen de vaarregels niet eens, en in de haven zitten ze lawaaierig te zijn op hun dek, met een jenevertje in de hand. Brallen, geen respect". Hoe terecht of onterecht dit soort veroordelingen ook zijn, zeker is dat door verschillende categorieën gebruikers van het water een verschillend belang wordt gehecht aan het water en daarmee andere vormen van gebruik, beleving, verhalen en toeëigening relevant worden.

De betekenis van het water voor de vrijetijdsbesteding illustreert dit verschillende belang het duidelijkst. Wanneer het om water in de eigen, directe leefomgeving gaat, waarop men ‘zou kunnen recreëren’, kan de toeëigening zo vanzelfsprekend, maar diepgeworteld zijn, dat mensen in opstand komen als op de waarden en kwaliteiten een aanslag wordt gedaan. Veel mogelijkheden in de directe omgeving zijn uiterst belangrijk, zonder dat men er feitelijk gebruik van maakt. Het moet er gewoon ‘zijn’. Water als attractie voor toeristen van ver weg kan echter iets eenmaligs zijn, iets oppervlakkigs dat men deelt met honderden anderen. In het volgende deel van dit essay maak ik een onderscheid naar vijf verschillende soorten belang, gelegen tussen de uitersten van betrekkelijk onbelangrijk aan de ene kant en heel belangrijk, zelfs van essentieel belang, aan de andere kant. Dus de waarden verwijzen naar oppervlakkig gebruik, luchtige beleving, aardige verhalen en zekere rechten, die gemakkelijk voor iets anders ingewisseld kunnen worden. Of, de waarden verwijzen naar een noodzakelijke plek voor een bepaald gebruik, een wezenlijke beleving, verhalen waaraan men een persoonlijke of collectieve identiteit verbindt en de uiterste noodzaak om zeggenschap te hebben over een waarde of kwaliteit.

De vrije tijd, die in de laatste eeuw een ongekende betekenis heeft gekregen, geeft mensen de tijd en de ruimte om zich van het vertrouwde, alledaagse los te maken en zich te richten op het andere. De wijze waarop dat gebeurt laat verschillende ‘modaliteiten’ zien.

De eerste is die van het amusement. Het gewone wordt even verlaten om zich met het andere te vermaken. Dat verleent een onproblematische betekenis aan het andere, maar er is ook weinig zorg of compassie voor het andere. Het Scheveningse strand illustreert dit goed. Het is er druk. Dat geeft niets en het is gezellig. Lekker bruin bakken in de zon, naar andere lijven kijken, een zure bom en een frietje scoren, ‘s avond nog even naar de disco. De terrasjes zijn overvol. Deze zee en het strand zijn de trekpleisters voor dit soort vermaak bij uitstek. Naar verwacht niet teveel van milieubewust gedrag.

De tweede betekenis is die van onderbreking van het alledaagse, omdat men nodig even eruit moet. Vooral als het gewone leven stressvol is, is een onderbreking in de vorm van een uitstapje of even gaan zwemmen een bijna noodzakelijke overlevingsstrategie in de moderne samenlevingen. Half Nederland breekt eruit in werkpauzes om, liefst met het verstand op nul, even iets anders te doen. De stranden en de duingebieden worden in de weekenden druk bezocht, juist als het weer niet zo stralend mooi is. Wandelen langs kustlijn met de zoute lucht in de longen is bijna een gezondheidskuur. Uit recent onderzoek van de Landbouwuniversiteit bleek dat veel bezoekers van de waterleidingduinen, die overwegend in de buurt wonen, om deze redenen het gebied vaak wel meer dan twintig keer per jaar betreden. Bijna als een achtertuin, maar toch eruit. De relatie met de omgeving wordt al intenser, maar men houdt het nog graag bij een zekere routine.

De derde betekenisvorm is die van de interesse. Buiten het alledaagse ligt een wonderbare wereld, die we maar ten dele kennen. Wie heeft ooit het eigen land van a tot z verkend? Door de verhalen en door de specifieke belevingskwaliteiten is het water en alles wat ermee te maken heeft iets bezienswaardig. Het andere is boeiend en onverwacht. Kleine Zuiderzee-stadjes zijn daarom geweldige trekpleisters. Er worden oude geveltjes gerestaureerd, oudheidkamers opengesteld of oude ambachten nagespeeld. Het Zuiderzee-museum in Enkhuizen is wel het meest sprekende voorbeeld hiervan. Het maakt de bezoeker niet veel uit of alles echt is of nagemaakt. Men leest de educatieve borden. Neemt de informatie op en vergeet het meestal weer snel onder het genot van een biertje aan de haven. Plekken aan het water worden bezocht omdat de interessant worden gemaakt voor bezoekers die weer eens wat anders willen zien. De interesse groeit zelden verder uit dan een eenmalige en kortstondige ervaring. De echte fanatieke kenners van iets bijzonders vermijden liever de toeristische trekpleisters, die ze gecorrumpeerd vinden door drukte en commercie.

De vierde betekenisvorm, die van de vervoering, is weggelegd voor de avonturier of de zoeker die iets wil vinden wat niet iedereen zomaar makkelijk voorgeschoteld krijgt. Het gaat hierbij om de unieke ervaringen, die men kan opdoen als men de vertrouwde omgevingen achter zich laat. Het is de schok die men ervaart tijdens een tocht op de Noordzee en men onverwacht vergezeld raakt van een paar dolfijnen die met de boot mee zwemmen. Het gaat niet om eenzelfde ervaring zoals men opdoet op een excursieboot, met veel luidruchtige anderen erop uit om zeehonden of walvissen te zien. Die ervaringen zijn geprogrammeerd. Het gaat vooral om het onvoorziene, waardoor men een geluksvogel wordt. De vervoering die met deze ervaring gepaard gaat ontstaat natuurlijk bij de confrontatie met ‘de grote dingen’. Maar het kan ook gebeuren in andere, kleinere dingen. Een lichtwisseling over het water. De unieke, kortstondige combinatie van wind, zon, geur en geluiden. Een momentaan gevoel van verbonden te zijn met de natuur, waaruit men voortkomt, een besef dat al zo in de vergetelheid was geraakt.

Tenslotte is er de betekenislading, die erop gericht is de bijzondere ervaringen vast te houden en binnen te voeren in de gewone, vertrouwde wereld, de toewijding. Het is vooral in deze zin dat de meer vrijblijvende vrijetijdsbesteding overgaat in passies en hobbies, ‘serious leisure’ zoals de Canadese socioloog Stebbins het noemt. De watersportbeoefening wordt een kunde, de navigatie of het waterbeheer van het viswater wordt een terrein van specialistische en soms professionele kennis. Wanneer de toewijding routine wordt krijgt de betekenis eenzelfde lading als de verworven en vanzelfsprekende toeëigening van de alledaagse leefomgeving.

Met andere woorden, met de laatste van de vijf modaliteiten van de vrijetijdservaring, is het ‘andere’ ‘eigen’ geworden. Daarmee komen deze ervaring en dit belang dicht aan te liggen tegen het belang van een eigen vertrouwde omgeving. Hoe dichter ze bij huis te vinden zijn, des te minder men zich bewust lijkt te zijn van de betekenis van omgevingskwaliteiten, zoals bijvoorbeeld die welke verbonden zijn met het water. De naaste omgeving is al min of meer toegeëigend. Men is, als de kwaliteiten ervan het tenminste toelaten, er van gaan houden. De relatie is vanzelfsprekend geworden en wordt alleen zichtbaar zodra de kwaliteiten en waarden ervan worden bedreigd. Alsof iemand je eigen persoon aantast. Psychologen noemen die vanzelfsprekende wereld van dingen en mensen om iemand heen wel ‘the extended ego’.

Het onderscheid dat we hier maken in vijf betekenisladingen is in de praktijk moeilijk precies vol te houden. Mensen die uit interesse naar het Cruciusgemaal gaan kijken zullen na het bezoek een moment van amusement vinden in de naburige snackbar. Ook de toegewijde bezoeker kan blij zijn gewoon even uit de daagse stress weg te kunnen en bestelt in de kroeg op de dijk een jonge jenever met een portie bitterballen. Onderbreking en amusement dus, zonder zorg voor de gezondheid. Toch blijkt uit een aantal onderzoeken, dat verricht is naar deze betekenisvormen, dat mensen wel te typeren zijn naar de betekenislading die ze in overwegende zin zoeken. De toegewijde blijft vooral ‘toegewijde’, ondanks de bitterballen. En dat gegeven kan als aanknopingspunt worden gebruikt voor kwaliteitsbeleid, voor differentiatie in betekenissen van water waarop men wil inspelen en voor concrete inrichtingsmaatregelen. De vier waarden completeren het beeld, doordat duidelijker wordt waar men als beleidsmaker zoal op moet letten. Niet alleen gebruik of alleen beleving, maar ook de worteling in verhalen en de neiging van mensen om zich waardevolle dingen toe te eigenen en daaraan verknocht te raken.

 

6. Een schema voor koersbepaling

De vier waarden zijn karakteristieken van de omgeving, zowel in fysiek-ruimtelijke, culturele als juridische zin. De vijf modaliteiten van belang karakteriseren de houding van degene die de omgeving tegemoet treedt. Tussen beide karakteriseringen zijn interrelaties en spanningen. In de amusements- of interessemodus wordt de toeëigening bijvoorbeeld vooral bepaald door de betaling van geld, een uitwisseling tussen aanbieder en klant. Maar van toewijding is niet of nauwelijks sprake.

Om het verband tussen de vier waarden en vijf belangen nog eens duidelijk te maken, dient het volgende schema.

Dit schema kan nader ingevuld worden aan de hand van een voorbeeld. Laten we voor het invullen van de lege cellen nog eens kijken naar het zeilen.

Amusement is gediend met verschillende waarden en kwaliteiten. Gezellige drukte (beleving) is van groot belang, dus er is behoefte aan jachthavens en cafés en een soort ‘waterfront’ waar veel mensen terecht kunnen (gebruik). Het varen zelf is niet onbelangrijk, dus er moet voldoende water zijn om al die mensen kwijt te kunnen (gebruik), maar het gaat vooral om zitten, praten, consumeren, kijken en bekeken worden. Loosdrecht heeft zo’n kwaliteit. Loosdrecht heeft ook een traditie, die in verhalen wordt doorgegeven. Het was de plek, waar de legendarische jazzfestivals werden gehouden. Je moest er zijn geweest, want het was er zo fantastisch (het narratieve). Er verzamelde zich ook, heel globaal gesteld, een bepaald soort publiek. Daarheen gaan was een sociaal gebeuren. Men voelde zich er thuis. Wanneer er plotseling een heel ander publiek gaat komen, dan openbaart zich de toeëigeningswaarde. Weg met die lui! Loosdrecht is Loosdrecht niet meer, en wij komen er niet meer! Weren kunnen we het andere publiek niet, want wie betaalt mag komen.

Onderbreking vergt andere aspecten. Men moet zich los kunnen maken van de wal. Een flink eind weg kunnen varen en even niet teveel mensen zien. Dat vergt de beschikbaarheid van goede kaarten, waarmee men vaarverbindingen kan vinden en benutten (gebruik). Het gevoel om er echt even uit te zijn wordt versterkt door een ver weg gelegen horizon, door een geringere drukte en door de mogelijkheid om echte afstanden te ervaren (beleving). De kaarten worden vaak voorzien van beschrijvingen en verhalen, die benadrukken dat men en waar men aan de massa kan ontsnappen (het narratieve). En als men eenmaal de routes en vluchtwegen heeft leren kennen, dan gaat men vaker naar dezelfde plekken. En o wee, als het op een voorheen rustige plaats ineens verandert, er meer mensen komen of mensen met motorboten of jetskies. Dan ontstaat de irritatie (een indicatie van toeëigening).

Interesse is tegenwoordig de schier onuitputtelijke bron waarvan de toeristische ondernemers ruim gebruik maken. Sommige waterrijke gebieden herbergen nog oude haventjes en stadjes, waar men met de boot kan komen. Soms moeten voor de boten nieuwe verbindingen worden aangelegd of mogelijkheden voor passanten om tijdelijk af te meren (gebruik). Voor veel zeilers is het geweldig om van stad naar stad, van haven naar haven te varen.
Men waant zich even een echte schipper (maar weet dat het een illusie is) en de oude gevels versterken de indruk van verleden tijd (beleving). Dit soort watertoerisme is zeer in opkomst. Het zijn de verhalen over de geschiedenis, over de VOC of over de oude Hanzesteden, die de interesse opwekken. Vaak wordt door overheden en ondernemers gezamenlijke promotie bedreven en maakt men arrangementen voor bezoek aan en verblijf in havenstadjes, die onderling met elkaar in verband worden gebracht (het narratieve en vaak ook gebruiksmatige). ‘Kraaltjes rijgen’ noemt men dat tegenwoordig wel in de toeristische productontwikkeling. In wezen kan met verhalen en goede promotie alles wel interessant worden gemaakt. Andersom geldt, onbekend maakt onbemind. De toeëigeningswaarde speelt niet zo’n rol, de verhalen en het goed zijn voor iedereen. Men komt een keer en gaat een volgende keer iets anders interessants bekijken.

Vervoering is iets wat niet zomaar optreedt als men het graag wil. Maar soms gebeurt er iets onverwachts, wat de zeiler niet eerder heeft meegemaakt. Dat is uitzonderlijk en heeft daarom zo’n sterke uitwerking. Een voorwaarde is dat niet alle gebruiks- en belevingsmogelijkheden zijn voorgegeven. Ruimte, verbindingen, getijden wisselingen, openheid of beslotenheid van water, het zijn zowel voorwaarden voor gebruik als voor de beleving. Men moet iets kunnen vinden of ontdekken dat niet tot in details is weergegeven op de kaart of door bebording niet mis te verstaan is. Dus, het verhaal moet ofwel verborgen zijn of alleen toegankelijk voor een paar ingewijden. Droogvallen op het wad geldt als ‘je van het’. Voor een deel is dit de overweldigende ervaring van hetgeen niet goed meer te bevatten is aan tijd en ruimte. Maar het begint langzamerhand ook al een verhaal te worden, iets wat je meegemaakt moet hebben om mee te tellen. Dan dreigt de ervaring echter zijn specifieke belang te gaan verliezen.

De toewijding is die van de zeiler, die zich het meest in deze wereld op zijn gemak voelt wanneer hij op zijn schip is. Er zijn nogal wat, vaak beter betaalde, werknemers die een jaar of meer onbetaald verlof nemen om ‘de grote tocht’ te gaan maken. Anderen verenigen zich in een exclusief gezelschap, dat de eigen deskundigheid onderling vergroot en met elkaar praat over de ideale tochten en ideale vaargebieden (gebruik). Soms uit de toewijding zich meer in het uitzetten en het in kaart brengen van de ideale tochten. Zoals een kookfanaat bijna meer plezier kan hebben in de recepten dan in de concrete gerechten (beleving). De ervaring van vervoering moet eigenlijk worden vastgelegd (narratief). Maar de wijze waarop dit gebeurt moet niet tot gemeengoed voor iedereen worden. Hoe scherm je zo’n ervaring af tegen devaluatie en massificatie (toeëigening)? Je kunt bakens weghalen, zodat alleen de echte wadvaarders in het gebied terecht kunnen. Of, in het meest extreme geval, de radiosignalen in het gebied verstoren. Dat moet men echt op de sterren kunnen varen.

7. Innovatieopgaven

Uit het voorgaande over het belang van de culturele en emotionele betekenis van water, de trends in activiteiten en ruimtelijke aanspraken en de theoretische beschouwing kunnen globale uitdagingen voor de komende 10 à 15 jaar worden afgeleid.

1. Betekenis van water

Betekenis van water gaat verder dan alleen de belevingswaarde, dat is de belangrijkste boodschap van dit essay. Gebruik, verhalen en toeëigening moeten steeds met de beleving in verband worden gebracht. Bovendien moeten deze waarden in verband worden gebracht met de verschillen in belang, zoals hiervoor is geschetst.

Inzicht in de kwaliteiten en waarden van water als element van de omgeving en inzicht in de verschillende betekenisladingen zouden goede aanknopingspunten kunnen vormen voor een beleid ten behoeve van meer water in Nederland. Het schema biedt een kader waarmee een systematische analyse kan worden uitgevoerd voor allerlei activiteiten en belangen. Door een nadere concrete invulling van de cellen uit het schema kan de betekenis van het water op verschillende manieren worden afgelezen, afhankelijk van de activiteit die men op het water projecteert, de daarbij behorende vier waarden en vijf soorten van belang (individueel emotioneel of collectief, cultureel).

Watersystemen en natuurontwikkeling geven al duidelijke aanzetten tot een betere integratie van water in ruimtelijke ordening. Echter, veel meer dan nu het geval is zou de betekenis van water voor mensen aanleiding voor ordening en herinrichting kunnen zijn. Voor gewone mensen in hun leefsituatie en voor mensen met allerlei bijzondere voorkeuren en bindingen met het water. Integraal waterbeheer wordt dan veel meer omvattend dan het nu het geval is.

2. Burgers en deskundigen

Burgers kunnen zich voorstellen wat water specifiek
voor hen kan betekenen. Algemene problemen van waterbeheer onttrekken zich volledig aan hun waarneming of passen niet in hun referentiekader.

Een belangrijke opgave is dat water als conditionerende factor voor het bestaan in Nederland weer opgenomen moet worden in de alledaagse ervaringswereld, als zowel belangrijk en waardevol als bedreigend. De moeilijkheid daarbij is dat het begrip van burgers niet zomaar recht kan doen aan de complexiteit van de vraagstukken die met waterbeheer te maken hebben. De zich nog ontwikkelende terreinen van kennis van experts lijken zich eerder te verwijderen van ‘common sense’ kennis dan daarmee in overeenstemming te brengen. Bovendien, als burgers zich meer zorgen maken, wat kunnen ze dan doen?
Het klimaat verandert, de bodem daalt, een deel van Nederland verdroogt en de waterspiegel stijgt. Toch vormt de publieke opinie en ervaringswereld een belangrijke context voor planning en besluitvorming. Burgers controleren bovendien uiteindelijk besluitvormers en verlenen draagvlak aan beslissingen. Het onder water zetten van wat eens land was, kan bij burgers emotionele protesten oproepen. Vernatting kan ook inspelen op wat burgers wensen.

Innovatieve maatregelen zullen waarschijnlijk heel goed moeten worden ingebed in publieksvoorlichting. Een sterke troef bij deze voorlichting kan zijn dat duidelijk wordt gemaakt dat een natter Nederland aansluit bij een positieve betekenis van het water voor allerlei activiteiten, waarden en belangen. Ook hiervoor biedt het theoretische schema aanknopingspunten, mits men bijvoorbeeld gebiedsgericht over kennis beschikt van aldaar vigerende specifieke emotionele en culturele betekenissen.

Daarbij komt dat burgers direct voor hun eigen handelen verantwoordelijk zijn. Veel van hun handelen heeft te maken met het gebruik van drinkwater als schaarse hulpbron en met het gebruik van oppervlaktewater.
Dat dient zorgvuldig en verantwoord te gebeuren.

Een veranderende houding van burgers moet het tegenwicht vormen en een aanvulling zijn voor de noodzakelijke verdere expertise ontwikkeling.

3. Vanuit een beter begrip van betekenis naar ‘natte’ ontwerpen

Wanneer meer inzicht verkregen kan worden in betekenissen en de fysiek-ruimtelijke dan wel cultureel-materiële condities die deze betekenissen concreet kunnen maken en ondersteunen, dan liggen er tal van innovatieve opgaven om meer systematisch in de ruimtelijke inrichting en ontwerp daarmee aan de slag te gaan. In de toeristische productontwikkeling en het recreatief beleid wordt bijvoorbeeld wel water vormgegeven overeenkomstig zekere betekenissen. Maar de vertaling van betekenissen naar concrete ruimtelijke ontwerpen zou meer systematisch kunnen worden gekoppeld aan de behoefte of noodzaak tot vernatting. Een voorbeeld. De Hollandse Waterlinie is een historisch gegeven, dat deels in het collectief bewustzijn nog een rol speelt en als toeristische attractie een rechtvaardiging vindt in behoud van elementen. Tot op heden zijn het vooral de militaire kunstwerken, die daarin figureren. Overwogen kan worden deels permanente, deels periodieke inundaties daaraan toe te voegen, die de Hollandse Waterlinie beleefbaar maken en tot leven wekken.

Watergebieden als de Weerribben hebben een belangrijke legitimatie voor ontwikkeling gevonden in de betekenis van de natuur. Daarnaast zijn de Weerribben een recreatief gebied geworden van grote betekenis. Beide legitimaties kunnen elkaar versterken, maar onderhouden ook een onderlinge spanning. Hetzelfde geldt voor gebieden als de Biesbosch en het Markiezaatsmeer.

4. Differentiatie

Van oudsher laat het waterbeheer in Nederland een gedifferentieerd beeld zien, in overeenstemming met lokale en regionale verschillen. Een toenemende rationalisering van waterbeheer, met name in relatie tot geïndustrialiseerde en grootschalige landbouw heeft geleid tot grotere eenvormigheid in watersystemen en hun effecten op de ruimtelijke vormgeving.

Twee nieuwe ontwikkelingen komen daarbij die ook een uniformerende invloed kunnen uitoefenen. De eerste is de ‘ecologisering’ van het waterbeheer. Ecologische ideaalbeelden vormen de maatstaf voor ecologische maatregelen. Uiterwaarden, die sinds lang gebruikt werden voor het inscharen van vee (zeg maar, de Ruysdael traditie), zijn ingrijpend heringericht om natuurlijke processen te herstellen. Als extra hulp zijn grote grazers ingezet voor het gebiedsbeheer en de versterking van de natuurlijke karakteristieken. Betreding door bezoekers is gereguleerd en recreanten worden vaak door informatieve bebording op de hoogte gebracht van hetgeen in het gebied gaande is. Natuurontwikkeling heeft de neiging om af te rekenen met historische elementen van het landschap.

Een tweede invloed is die van de ‘toeristificering’ van het landelijke gebied, de rivieren en de kust. Toerisme is een economische succesformule en veel productaanbieders richten zich min of meer op een zelfde type aanbod. Zo ontstaat er meer van hetzelfde en wordt het overal drukker en drukker. Jachthavens, campings aan het water en veel gebruikers op het water vormen een steeds uniformer beeld. De opmerkingen over beide ontwikkelingen moeten genuanceerd worden omdat noch natuurontwikkeling, noch toeristische ontwikkeling per se vervlakkend hoeft te werken. Ecosystemen kunnen zeer goed specifieke gebiedskenmerken versterken en een gedifferentieerd, tijd- en gebiedspecifiek toeristisch product, van vermaaksgericht tot exclusief, sluit beter aan bij de vraag dan een eenheidsworst.

De culturele en emotionele betekenis van water zou nadrukkelijker als ordeningsprincipe kunnen worden gebruikt om differentiatie en dus diversiteit in water en watergebonden ruimtelijke elementen te krijgen. In de paragraaf over een taxonomie van waterwerelden hebben we een scala van activiteiten geschetst die voortkomen uit betekenis van water. Dat op zich is al aanleiding voor een genuanceerd en gedifferentieerd beleid. Na de paragraaf over kwaliteiten en waarden is uiteengezet welke belangen er zoal zijn tussen amusement en toewijding.

Gedifferentieerd beleid kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden in een meer onderbouwde en gerichte zonering van water en gebieden met water. Water vormt enerzijds een verbinding met de natuurlijke wereld waaruit we voortkomen en waarvoor we ontzag hebben (het sublieme en het vreeswekkende). Anderzijds is het gebruiksruimte die tot de meest banale en oppervlakkige vormen van benutting aanleiding geeft.

In die balans tussen verschillende vormen schuilt een belangrijke innovatieve opgave, evenals in de vraag op welke schaal de differentiatie vorm moet krijgen.

Een op te lossen vraagstuk ligt bovendien in het feit dat voorgaande tegenstellingen zich ook vertalen in de contradictie tussen exclusiviteit en duurzaam collectief belang enerzijds en vermarkting en massaliteit anderzijds.

5. Integratie van integraal waterbeheer in ‘lagen van functies’

Integraal waterbeheer wordt wel opgevat als een integratie van oppervlakte- en grondwater, van waterkwantiteit en -kwaliteit, van water en zijn fysieke omgeving (land en lucht) en van water in de sociaal-economische ontwikkeling (als natuurlijke hulpbron en als fysieke omgeving). Tegenwoordig wordt daaraan vooral aandacht besteed in een gebiedsgerichte benadering. Binnen de context van een gebied is het met de nodige inspanning wel mogelijk om de belangrijkste betekenissen van water in beeld te brengen en wellicht in ontwerp te concretiseren, zoals al aangegeven in de eerste en derde innovatieve opgave.

Toch zijn er ook dan complicaties die integraliteit bemoeilijken. Ruimte en water zijn materiële omgevingen, die betekenis en functies krijgen vanuit zeer uiteenlopende invalshoeken en netwerken van onderling verbonden menselijke relaties. Men zou kunnen stellen dat over één en het zelfde gebied verschillende ‘lagen’ liggen, die elk aanspraken erop doen vanuit volstrekt verschillende achtergronden en belangen (meer of minder door de markt gedomineerd).

Een voorbeeld is dat van de overlappende lagen van agrarische functies, verkeersinfrastructuur, woonfunctie en leefbaarheid en natuurontwikkeling. De toeristisch-recreatieve belangen laten, zoals we eerder zagen, ook nog een sterk intern verdeeld beeld zien. De Beleidsvisie Recreatie Toervaart Nederland richt zich op grootschalige water infrastructuur. Maar wat betekent dat voor de aandacht voor fijnmaziger waterlopen, die door andere typen recreanten worden gebruikt? Met andere woorden, eenzelfde gebied kan onderwerp zijn van verschillende betekeniswerelden, die elkaar overlappen, maar verschillende reikwijdte hebben en al dan niet elkaar versterken of met elkaar in conflict zijn. Iedere betekeniswereld is veranderlijk en staat onder invloed van culturele processen en van marktwerking. Vooral de markt, waarvoor doorgaans een snelle omloop van producten nuttig is - of het nou gaat om nieuwe wetsuits, nieuwe typen boten of elektronische scheepsapparatuur - kan een versnellende invloed hebben op die processen van betekenisgeving. De ruimtelijke omgeving kan zowel aanknopingspunt bieden voor versnellende processen als voor vertraging. Sneller betekent: steeds anders en vaak meer. Vertraging gaat om het vasthouden aan wat gevestigde gevoelens zijn en vasthouden aan de dingen zoals ze waren. Juist in een moderne wereld, waarin mensen geconfronteerd worden met steeds snellere veranderingen, wordt een neiging om zich ook vast te houden aan onveranderlijke waarden of aan het verleden bijna een levensnoodzaak. Niet voor niets stijgt de belangstelling voor het cultureel erfgoed en heeft het rustig verblijven in de natuur een onverslaanbare populariteit.

Deze innovatieve opgave spitst zich niet alleen toe op de tegenstelling tussen concurrerende betekenissen en versnelling en vertraging. Ook is er een spanning aan het ontstaan tussen verleden- en toekomstgerichtheid. Veel ruimtelijke maatregelen zijn conserverend van aard, maar moeten we alleen leven met het verleden? Hoe kunnen we creatieve, futuristische vernieuwingen hun gang laten gaan, zonder dat die bij voorbaat stuklopen op de conserverende krachten? Innovaties in de bestemming van water voor vrijetijdservaringen kunnen zowel aansluiten bij historisch besef, authenticiteit, behoud en reconstructie (vertraging) als bij verandering, eigentijdsheid of futurisme (dynamiek en versnelling).

6. Interactiviteit

De laatste jaren wordt steeds luider geroepen om nieuwe sturingsconcepten voor beleid en ruimtelijke ordening. Interactieve beleids- of planvorming en ‘mediation’ zijn beide begrippen die, samen met veel min of meer verwante termen, aangeven dat lokale en andere betrokken belangen beter tot hun recht dienen komen bij beleidsvorming en dat conflicten beter onderling kunnen worden opgelost dan dat ze voor de rechter eindigen. Ten eerste gaat men er daarbij ervan uit dat besluitvorming via de gewone democratische volksvertegenwoordiging daaraan niet helemaal voldoet en dat er een meer directe inschakeling van belanghebbende betrokkenen moet plaatsvinden (democratische overweging). Bovendien is de veronderstelling dat direct belanghebbenden verstand hebben van ‘hun zaak’, bijvoorbeeld het gebruik van het water, en dat hun bijdrage meer kwaliteit van maatregelen en inrichting oplevert. Hengelaars weten wat goed viswater is, beter dan een ambtenaar achter zijn bureau (kwaliteitsoverweging). Ten derde meent men dat een tijdige inschakeling weliswaar in het begin beleidsprocessen kan vertragen, maar uiteindelijk leidt tot een snellere acceptatie van maatregelen en ingrepen (efficiëntie-overweging). De uiteenzetting over waarden en kwaliteit mag duidelijk maken hoe belangrijk deze inschakeling kan zijn. De verbeelding die met gebruik, beleving en ‘eigen’ verhalen te maken heeft, is wezenlijk voor kwaliteit en verdient te worden toegelaten tot het beleidsproces. En de toeëigeningswaarde zegt veel over de medewerking dan wel weerstand die men van gebruikers van het water kan verwachten.

Een belangrijk onderdeel van deze opgave is de vraag welke belanghebbenden bij de bepaling van kwaliteiten worden betrokken. Zijn het de mensen uit het stroomgebied van een waterloop of uit het territorium van een waterschap? Hoeveel mensen kunnen worden betrokken? Welke activiteiten zijn belangrijk en welke zijn discutabel (er is bijvoorbeeld een groeiend verzet tegen sportvissen: waarom doden voor plezier). Bovendien is een belangrijk vraagpunt in welke fase de betrokkenen worden toegelaten tot het beleidsproces en wat precies die betrokkenheid omvat. Men kan belanghebbenden informeren, raadplegen of zeggenschap gegeven. Daartussen ligt een wereld van verschil.

Een ander aspect van de interactie-opgave is dat er gestreefd wordt naar consensus tussen tegengestelde belangen, terwijl dat mogelijk creatieve en werkelijke innovatie in de weg kan staan. Belangrijk is dat innovaties van ideeën gekoppeld kunnen worden aan kennisontwikkeling en leerprocessen van de betrokkenen.

Een eveneens te noemen aspect van deze innovatie-opgave is de vraag hoe algemene onderzoeksmatige kennis omtrent betekenis van water, waar nodig toegespitst op specifieke activiteiten, zich verhoudt tot de idee- en wilsvorming van betrokkenen in een meer interactief beleidsproces. Simpeler gezegd: wie weet het beter, de onderzoeker die het allemaal heeft nagegaan en uitgeplozen of de belanghebbende, de watersporter, zwemmer/zonaanbidder of sportvisser zelf? Hoe worden beide soorten informatiebronnen met elkaar tezamen gebracht?

8. Kennis voor een meervoudige werkelijkheid

De hiervoor gepresenteerde innovatieve opgaven vragen om meer en om meer geïntegreerde kennis en inzichten. De betekenis van water als cultureel en meer persoonlijk, emotioneel verschijnsel is complex. Verschillende betekeniswerelden kunnen er bestaan en vaak zelfs over elkaar heen liggen als een ‘meervoudige werkelijkheid’.

Ten dele geldt deze versnippering ook voor het onderzoek in het algemeen. Het onderzoek naar betekenis, en beleving in het bijzonder, is in ieder geval versnipperd en onevenwichtig verdeeld over verschillende wetenschappelijke disciplines en instituten. Het psychologisch belevingsonderzoek houdt weinig rekening met de historische, sociale en culturele context. Het sociologisch onderzoek beperkt zich vaak tot een meer marktkundige benadering van doelgroepen, hetgeen raakt aan de economie, zonder rekening te houden met de ethische vraagstukken ten aanzien van natuur (en dus ook water) die weer onderwerp zijn van filosofische redenaties en debatten. Het filosofisch debat gaat meer over ‘beredeneerde betekenis’, en is vervolgens weer sterk in zichzelf gekeerd. De economie gaat, om het wat zwart-wit te stellen, uit van rationeel handelende mensen, maakt zich het minst zorgen over ethiek (vraag en bereidheid om te betalen zijn vaak al een voldoende legitimatie) en onderliggende motieven, en concentreert zich vooral op de uitwendige vormen van menselijk gedrag. Bovendien bestaat er nog kennis over ruimtelijke structuren, die behoort tot het domein van de geografie en ontwerpwetenschappen zoals landschapsarchitectuur. Vooral bij de laatste wordt echter overwegend aandacht besteed aan de relatie tussen landschappelijke verschijningsvormen en ecologische samenhangen. Betekenisgeving is daarbij nauwelijks of te weinig aan de orde. Toch zou men meer moeten weten hoe de ruimtelijke en sociale omgeving als het ware ‘uitdaagt’ tot betekenissen. Daarbij vormt water een specifieke uitdaging tot menselijke activiteit en betekenisgeving.

Uit verkenningen van de huidige kennisinfrastructuur op het gebied van water blijkt dat nauwelijks systematisch kennis wordt ontwikkeld met betrekking tot beleving en zeer beperkt met betrekking tot een thema als betrokkenheid van burgers. Bovendien lijkt er weinig systematisch geprobeerd te worden om kennis ten aanzien van verschillende thema’s met elkaar in verband te brengen, zoals tussen beleving, de sociaal-economische betekenis van water, vernatting in de ruimtelijke inrichting, integraal beheer van kringlopen, betrokkenheid van burgers en de rol van de markt. De kennis die ontwikkeld wordt is overwegend technisch en juridisch, maar in beperkte mate sociaal-wetenschappelijk.

Voor zover er kennis ontwikkeld is of wordt op het gebied van beleving van water overheerst een (omgevings-)psychologische invalshoek, die nog weinig feitelijk en theoretisch veralgemeniseerd wordt, boven het niveau uit van gebiedspecifieke omstandigheden.

Kennis die nodig is voor aspecten van water, is niet zelden in wezen kennis die ook ten aanzien van andere omgevings- en beheersaspecten van belang is. Er zijn weinig geïntegreerde pogingen om bijvoorbeeld beleving van de omgeving, of zoals ik het prefereer te noemen de emotionele en culturele betekenis ervan, aan te pakken met duidelijke positieve gevolgen voor kennisontwikkeling op het specifieke gebied van water. Het is opvallend dat nu pas geleidelijk aandacht komt voor een kennisdomein als vrije tijd, recreatie en toerisme, dat buitengewoon nuttige bijdragen kan leveren aan de kennisinfrastructuur voor integraal waterbeheer.

Soms wordt bepaalde kennis zeer eenzijdig bij een enkel instituut vergaard. Dat brengt het risico met zich mee dat een bepaalde disciplinaire benadering of paradigma overheerst, zonder dat innovatieve ideeën, door bijdragen vanuit andere benaderingen, tot creatieve sprongen leiden in het proces van kennisontwikkeling. Vooral het terrein van de betekenis van de omgeving of meer in het bijzonder van water vereist een interdisciplinaire aanpak.

Kennisinfrastructuur voor water past voor een deel binnen kennisinfrastructuur voor de groene ruimte, in het bijzonder voor wat betreft de kwaliteit, identiteit en leefbaarheid van de multifunctionele ruimte. Ook daar geldt dat de kennisontwikkeling versnipperd of eenzijdig plaatsvindt met een sterk accent op toegepast onderzoek. Nu is er niets tegen toegepast onderzoek, integendeel, maar onderzoeksresultaten moeten met elkaar geconfronteerd blijven worden om het kennisniveau geleidelijk op een hoger niveau te krijgen. Daarvoor is ook een confrontatie nodig met meer fundamentele theoretische kaders, waarin onderzoeksgegevens reliëf en context krijgen.

Uit het voorgaande zijn een paar suggesties af te leiden voor de vulling van bestaande kennislacunes. De suggesties zijn onder te verdelen in een eerste groep, die primair met wetenschappelijke uitwisseling van doen hebben en een tweede groep, waarbij het meer gaat om interrelaties tussen personen en instellingen, die belangen bij water hebben, en om de inzet van kennis daarbij.

8.1. Wetenschappelijke uitwisseling

8.1.1. Fundamenteel onderzoek

Om de uiteenlopende onderzoeken, resultaten en benaderingen bijeen te brengen is meer fundamenteel onderzoek onmisbaar. Het ziet er naar uit dat allerlei resultaten van verricht belevingsonderzoek zeer goed meer fundamenteel te integreren zijn in een meer omvattend kader, waarbij de vier eerder genoemde waarden en vijf modaliteiten een belangrijke theoretische rol kunnen spelen. Daarmee zouden aanzetten kunnen worden gegeven tot kennisontwikkeling met betrekking tot een brede benadering van de betekenis van water, waarvan het belevingsonderzoek slechts ‘een’ onderdeel is.

De gehanteerde begrippen dienen nader te worden getoetst, verder theoretisch consistent ontwikkeld en voor specifieke vormen van relevantie van het water (voor de woonomgeving, voor vrijetijdsactiviteiten, als algemene leefconditie etc.) geoperationaliseerd in bruikbare onderzoekscategorieën.

In dit essay is het niet mogelijk om uitputtend de relevante instellingen te noemen. Een paar suggesties zijn wel te doen. Onderzoek dat tot nog toe is verricht, met zowel wetenschappelijke als meer praktisch gerichte kenmerken, viel voor een groot deel binnen het Staring Centrum en Instituut voor Bos- en Natuurbeheer, beide thans samengevoegd tot Alterra en onderdeel van Wageningen Universiteit en Researchcentrum. Wageningen Universiteit valt nu ook onder hetzelfde researchcentrum (WUR). Bij verschillende toenmalige vakgroepen van de Landbouwuniversiteit Wageningen (werkgroep Recreatie en Toerisme, vakgroep Bosbouw en vakgroep Ecologie van het Wonen is belevingsonderzoek verricht. Specifieke aandacht voor percepties van waterverontreiniging is te vinden bij VU-IVM. Bij de TU-Delft, RUG, KUB en RUL zijn activiteiten op belevingsonderzoek geweest en deels nog gaande. Nagegaan moet worden wat de actuele stand van zaken is m.b.t. het belevingsonderzoek en welke instellingen en onderzoekers nog actief zijn. In de zeventiger jaren is een impuls tot belevingsonderzoek uitgegaan van onderzoek naar de woonomgeving. Inzichten die toen zijn verworven zijn nog steeds een relevant kader.

Aanbevolen kan worden om tenminste aan het onderzoek bij Alterra een meer fundamentele sociaal-wetenschappelijke benadering van het onderwerp toe te voegen, waarbij gebruik wordt gemaakt van kennis en inzichten van onderzoekers Wageningen Universiteit (sociaal-ruimtelijke analyse; toegepaste filosofie), KUB (vrijetijdstudies), RUG (psychologie). Verdere mogelijkheden moeten worden uitgewerkt in het kader van het volgende punt.

Behalve voor een nadere toetsing van centrale concepten als gebruik, beleving, narratieve waarde en toeëigening zal de betekenis van de omgeving en van water conceptueel in verband gebracht moeten worden met andere gebruikelijke en relevante begrippen, zoals bijvoorbeeld motivatie, cognitie, perceptie, ervaring, verbeelding en representatie.

Centraal staat hier een betere definiëring en afbakening van wat in de gebruikelijke thematisering van onderzoek wordt aangeduid met ‘beleving van water’.

8.1.2. Programmatisch interdisciplinair onderzoek

Om de eenzijdigheid en versnippering van het huidige onderzoek naar beleving te boven te komen, is interdisciplinair onderzoek een noodzaak. Meer complete kennis van de betekenis van water vereist een betere afstemming en integratie van verschillende disciplines, zoals filosofie, sociologie, psychologie, economie, geografie en ontwerpwetenschappen. Doorbreking van instituuts- en disciplinaire grenzen is van vitaal belang voor kennisinnovatie. Om effectief door grenzen hen te breken is een voorlopige programmering van interdisciplinair onderzoek voor het thema ‘beleving van water’ een goed instrument. Met nadruk is hier gesproken over een voorlopige programmering. Waar het om gaat is eerste prioriteiten te stellen, onderzoek te doen en kennis uit te wisselen, om vervolgens, lerend van de uitkomsten, verdere stappen op de weg naar kennisvermeerdering en innovatie te zetten. Om alle relevante instellingen daarbij te betrekken moet de verkenningen naar de kennisinfrastructuur voor waterbeheer verder worden toegespitst en geconcretiseerd.

8.1.3. Een spinneweb van kennisnetwerken en kennisketens

Uit bestaande verkenningen naar de kennisinfrastructuur komt naar voren dat er een kern is van instituten die met elkaar verantwoordelijk zijn voor kennis omtrent de verschillende thema’s voor integraal waterbeheer. Daarnaast wordt melding gemaakt van ‘rand-instellingen’ en instituten die ‘in de omgeving’ opereren. Het verdient aanbeveling om het fundamentele onderzoek (a) en de verdere programmering van interdisciplinaire kennis (b) vorm te geven in een netwerk van met elkaar samenwerkende instituten uit kern, rand en directe omgeving. Dit netwerk wordt gedefinieerd door de kennis en onderzoeksbenaderingen die direct voor de emotionele en culturele betekenis van water relevant zijn en daarop ook onderzoek richten als ‘materieel object’. Met andere woorden, hun onderzoek gaat over betekenis van water. Uiteraard dient de kennis omtrent de culturele en emotionele betekenis van water in verband gebracht te worden met de hydrologische, morphologische en ecologische kennis. Sommige betekenissen zijn letterlijk misplaatst gezien de fysiek-ruimtelijke situatie, andere sluiten er goed op aan en versterken deze.

Omdat emotionele en culturele betekenis van water inhoudelijk voor een groot deel samenvalt met de betekenis van de omgeving in algemene zin, is het aan te bevelen een dergelijk netwerk ‘op te hangen’ aan ketens van kennisinstellingen, die op enigerlei wijze zich met de betekenis van de omgeving bezighouden. Het onderzoek naar betekenis van water dient ook te worden vastgehaakt aan ketens van andere soorten expertise, onderzoek en discours, zoals van natuur en ecologie, ontwerp en inrichting, maatschappij-analyses en expertise op het gebied van bestuur, organisatie en informatie. Netwerk en ketens kunnen voorgesteld worden als een samenhangend spinneweb, met dwarsdraden en langsdraden (zie figuur).

De wetenschappelijke verbindingen in de ketens moeten gaan over fundamentele concepten en paradigma’s. De ketens kunnen worden geschakeld en in stand gehouden door periodieke uitwisselingen van inzichten. Hierdoor kan het netwerk worden gevoed met de nieuwste wetenschappelijke benaderingen, zonder dat alle instellingen in programmatisch onderzoek tot elkaar veroordeeld zijn.

In de figuur zijn twee ‘ringen’ van dwarsverbanden: een van integraal waterbeheer, waarin 6 verschillende thema’s moeten worden uitgewerkt en onderling verbonden. De betekenis van water is één van deze thema’s. En er is een omspannende ring van uitwisseling waarin moet worden uitgezocht hoe water als ordenend principe een nieuwe uitdaging wordt voor omgang met het fysiek systeem en met de maatschappij en inzet wordt van informatietechnologie, ruimtelijke organisatie en bestuur.

Figuur ‘Spinneweb van netwerken en ketens’

Met nadruk moet erop gewezen worden dat de figuur met het spinneweb een metafoor is. De positie van de draden ten opzichte van elkaar zou ook anders kunnen zijn getekend. Maar, hopelijk verduidelijkt de figuur dat enerzijds een intensief netwerk is vereist om het fundamentele en interdisciplinaire, meer toegepaste onderzoek effectief en efficiënt te richten op het vraagstuk van ‘water’, maar dat anderzijds zo’n netwerk altijd verbonden moet blijven met terreinen van onderzoek, discours en beleid die elk weer hun eigen logische lijnen kennen.

De draden waaraan het web is opgehangen zijn wellicht niet uitputtend weergegeven. Een aantal draden is vanzelfsprekend van belang. De ecologische wetenschap en inrichting, ontwerp en beheer zijn krachtig ontwikkelde draden, die zich laten verbinden door integraal waterbeheer. De notities van de Raad voor Natuur- en Milieuonderzoek vormen hier bijvoorbeeld een stimulerend kader. De ruimtelijke ordening, met het RPD onderzoek, het NIROV en het afzonderlijke meer sectorale onderzoek (bijvoorbeeld Groene Ruimte), het Expertisenetwerk Meervoudig Ruimtegebruik met het interdepartementale ICES-budget ter stimulering van onderzoek als achtergrond (met onder meer een prioritair kennisthema ‘Belevingsaspecten en waardering ruimtelijke kwaliteit’), de initiatieven die er landelijk worden ontplooid op het gebied van interactieve planvorming, de kennisinfrastructuur en kennismanagement (zie bijvoorbeeld NRLO-nota’s over beleidsprocessen en -wetenschappen en ICT in de groene ruimte), het zijn belangrijke lijnen van gedachtenvorming en kennisontwikkeling. Onderling worden ze weer in dwarsrichting verbonden door specifieke nota’s en initiatieven zoals ‘De groene ruimte op de kaart’, Kennisaanbod Groene Ruimte’ etc.

De maatschappijwetenschappen worden in de figuur als één draad weergegeven. In werkelijkheid gaat het om allerlei draden, waarin studie van de culturele ontwikkeling, economie, demografie en ruimtelijke spreiding van menselijke patronen, psychologie en mondialisering van uitwisselingen worden bestudeerd. Het proces van mondialisering en schaalvergroting op internationaal niveau heb ik als een aparte lijn weergegeven. Allerlei processen en afwegingen worden tegenwoordig niet meer zinvol alleen op regionale of nationale schaal gedaan, maar moeten in een internationaal perspectief worden bekeken: verstedelijking, natuurontwikkeling, landbouw, infrastructuur en dergelijke.

De fundamentele uitwerking van betekenis (a) zal vooral plaats moeten vinden in de lijn van de omgeving-maatschappij wetenschappen, met een centraal accent op het gebied 1 (Betekenis van water), maar tegen de multidisciplinaire achtergrond van de andere secties 2 t/m 5 binnen het netwerk van integraal waterbeheer. De interdisciplinaire uitwerking (b) komt vooral tot zijn recht in de vraagstelling van ‘water als ordenend principe’ binnen het meer omvattende netwerk. De gedachten zoals elders verwoord in een verkenning van de kennisinfrastructuur voor integraal waterbeheer om te komen tot een Expertisenetwerk Integraal Waterbeheer lijken hier goed bij te passen. Ook andere netwerkorganisaties op het gebied van water, zoals het Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving, het Platform Buitenriolering Nederland en de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer zouden daarbij kunnen aansluiten.

In deze twee binnenste netwerken zijn langs- en dwarsdraden uit te rafelen in specifieke onderzoekslijnen. De lijn van het Expertisenetwerk Meervoudig Ruimtegebruik onderscheidt een thema Groene Ruimte en Water, met bijzondere aandacht voor Zuidwest Nederland en waterberging in het Hollands Noorderkwartier (meervoudig ruimtegebruik in relatie tot de complexe waterhuishoudkundige opgaven, in combinatie met een verstedelijkingsopgave). Het zogeheten Delta-programma Groene Ruimte van Wageningen UR, dat een impuls moet geven aan het fundamenteel-strategisch onderzoek voor de groene én deels blauwe ruimte (thema multifunctioneel landgebruik), de onderzoeksgelden en -programma’s van de Directie Wetenschap en Kennisoverdracht van het Ministerie van LNV (m.n. het programma Kwaliteit Leefomgeving), maar ook onderdelen van het beleidsprogramma Belvedere en het NWO-programma Stimuleringsprogramma Behoud Bodemarchief, geven concrete ruimte aan nadere invulling van het onderzoek naar betekenis van water. Aandachtsgebieden die de verschillende lijnen verbinden zijn bijvoorbeeld ‘De kracht van waterlinies’ (behoud en revitalisering van waterlinies door benutting van economisch-toeristische potenties in planning en inrichting, combinatie van waterberging, cultuurhistorie, natuur en landschap en versterking van identiteit van laag Nederland) en ‘Culturele identiteit van Noord-Nederland (waardering en kwaliteit van zeekleilandschap in het Noorden, waarbij water een belangrijke rol speelt).

De voeding voor de specifiekere fundamentele en strategische studies komt uit de langsdraden en uit sommige specifieke verbindingen, die daar weer tussen bestaan. Bovendien is de kennis voor elk van die lijnen noodzakelijk om te kunnen begrijpen hoe de ‘over elkaar heen liggende lagen’ van functies in een gebied hun eigen vraagstukken en dynamiek hebben.

8.2. Interactieve kennisontwikkeling

De volgende suggesties hebben te maken met het voordeel om de wetenschappelijke kennis steeds te blijven spiegelen aan kennis die ontstaat in interactie met degenen, die direct bij water belang hebben en daaraan de betekenis ontlenen. De lijnen van het spinneweb ‘Interactieve planvorming’ en ‘Kennisinfrastructuur’ en hun dwarsverbindingen zijn hier in het bijzonder van belang. Door de NRLO zijn hierover verschillende notities uitgebracht. Ook in het eerder genoemde Expertisenetwerk Meervoudig Ruimtegebruik is de toepassing van informatie en communicatietechnologie een prioritair kennisthema.

De interactieve kennisontwikkeling moet leiden tot een intensiever contact tussen wetenschap en praktijk. Nog te vaak liggen tussen beide tenminste de gapende kloven van het niet aansluiten van wetenschappelijke kennis op praktisch beleid, en van de wetenschappelijke kennis en de praktijkkennis die uit de leefwereld van burgers en andere betrokkenen voortkomt.

8.2.1. Interactieve kennisontwikkeling en strategische keuzen

Kennis is zelden neutraal, zowel waar het gaat om wat relevant wordt gevonden als ook om de wijze waarop kennis wordt geselecteerd en ingezet. Belanghebbenden zijn zowel experts, die hun specifieke terrein van expertise, invalshoeken en beleidsmatige verantwoordelijkheden hebben, alsook burgers als gebruikers van het water en daarmee samenhangende ruimte. Veel te vaak gaat interactieve planvorming over de strategische keuzen
van ‘officiële’ actoren, zoals politici, ambtenaren en professionele belangenbehartigers. Burgers hebben ook een sleutelpositie, wanneer wordt teruggegrepen naar de meer fundamentele problemen die in het begin van dit essay werden gesignaleerd: water moet in algemene zin weer betekenisvol gemaakt worden als een aspect van onze overleving, dat iedereen aangaat. Daarmee kunnen de discussies die nog steeds vooral tussen deskundigen gevoerd worden, beter in evenwicht worden gebracht.

Niet alleen inhoudelijke kennis over de betekenis van water zou hierbij een rol moeten spelen, maar tegelijkertijd gaat het om vernieuwende kennis die met de technologie van interactieve communicatie en strategische keuzevorming te maken heeft. Beide terreinen van kennis moeten goed op elkaar betrokken blijven, waardoor de technologische kennis ten dienste blijft aan de inhoudelijke interactie en daar een effectieve ondersteunende rol bij speelt, zonder dat de technologie zelf gaat domineren en bepalen wat wel en wat niet interactief kan worden.

Zowel de leerstoelgroepen Landgebruiksplanning en Communicatie en Innovatie Studies van Wageningen UR, Alterra als de Faculteit Technische Bestuurskunde TU-Delft en andere bestuurskundige secties van verschillende universiteiten houden zich hiermee bezig (de lange lijn in het spinneweb).

Een adviesbureau als Accanto past een vorm van interactieve planvorming toe op het gebied van integraal waterbeheer.

 

8.2.2. Interactief ontwerpen

Eén van de meest prikkelende benaderingen van interactieve kennisontwikkeling en beleidsvorming is om van meet af aan bij het ontwikkelen van plannen te komen tot een interactief ontwerpproces. Interactief ontwerpen is nog nauwelijks ontwikkeld. Toch liggen hier grote kansen, vooral wanneer gebruik wordt gemaakt van door de computer ondersteunde technieken. Het gaat daarbij om vormgevende verkenningen van mogelijkheden om ruimtelijke problemen op te lossen. Vormgeven maakt een analyse en oplossing van een ruimtelijk probleem concreet en zou een integraal onderdeel moeten zijn van onderzoeksprocessen en kennisinnovatie. De computer kan consequenties snel doorrekenen, kan ruimtelijke beelden genereren en met behulp van driedimensionale technieken de esthetische gevolgen van keuzen en beslissingen in beeld brengen. Alternatieven kunnen snel worden beoordeeld en tegelijkertijd kunnen betrokkenen, die geen ervaring hebben in het lezen van planschetsen en kaartbeelden, een beter begrip krijgen van de consequenties van maatregelen, zodat ze er vervolgens ook beter over kunnen meepraten.

Dat doet meer recht aan de praktische kennis van betrokkenen dan deze in een later stadium met een planontwerp te confronteren.

8.2.3. Regionale kenniscentra

Als vervolg op de suggestie van een spinneweb van kennisnetwerk en kennisketens kan worden gedacht aan het opzetten van regionale kenniscentra, waar de algemene en gebiedsspecifieke kennis tezamen worden gebracht ter ondersteuning van gebiedsgericht beleid. Regionale kenniscentra verbinden de langsdraden van interactieve planvorming en kennisinfrastructuur. Deze kenniscentra zouden niet specifiek gericht moeten zijn op integraal waterbeheer, maar op integraal gebiedsgericht beleid.

Ideeën hierover zijn bij LNV actueel in verband met plattelandsontwikkeling. Door de NRLO zijn op dit gebied wederom behartigenswaardige notities uitgebracht. Hoewel integraliteit bij de ideeën over regionale kenniscentra voor plattelandsontwikkeling essentieel is, zouden op te zetten proefprojecten veel actiever dan nu het geval is kunnen worden gestart met de inzet om water en betekenisgeving nadrukkelijk mede onderwerp van experimenten te maken. Het LNV-initiatief zou daartoe moeten worden verbreed met een ondersteuning vanuit V&W en VROM.

Juist wanneer kennis over ruimtelijke functies en culturele betekenissen van de ruimte, die als overlappende lagen van aanspraken op een gebied en dus ook op de waterhuishouding van het gebied aan te wijzen zijn, gelijktijdig ter beschikking zijn en niet afzonderlijk worden opgeslagen in de bolwerken van beleidssectoren, kan recht worden gedaan aan de meervoudige werkelijkheid van cultuur, natuur, marktuitwisseling en andere handelingssystemen, die op een gebied betrokken zijn.

Regionale kenniscentra moeten op verschillende manieren van data en kennis worden voorzien. Ze moeten verbonden worden aan kennisinfrastructuur die meer centraal opereert waarvan de belangrijkste opgave is: kennisinnovatie en het bijeenbrengen van regionale ervaringen tot een nieuw geheel. In die zin moeten de regionale centra een onderling verbonden netwerk vormen met een centrale structuur voor integratie en innovatie.
Dit organisatorische beeld moet worden gekoppeld aan het beeld van het spinneweb van kennisnetwerk en -keten. De centrale structuur dient actief zorg te dragen voor het benutten van kennisketens naar andere beleidsterreinen, waar ook onderzoek naar de betekenis van de omgeving wordt gedaan.

9. Tot slot

In tal van verkenningen en studies naar de bestaande kennisinfrastructuur en naar prioritaire onderzoeks- en beleidsthema’s wordt gewezen op het grote belang van een thema beleving dan wel belevingsaspecten. In dit essay is een pleidooi opgenomen om het begrip beleving ruimer op te vatten, als een maatschappelijk, historisch, ethisch en psychologisch complex van betekenisgeving aan de ruimte, dat zich uit in samenhangende gebruiks-, belevings- (in specifieke zin), narratieve en toeëigeningswaarden.
Dit complex heb ik samengevat onder de termen culturele en emotionele betekenis. Onderzoek daarnaar dient interdisciplinair te zijn en verder te reiken dan de gebruikelijke sociaal-psychologische benadering alleen.

Hoewel culturele en emotionele betekenis van groot belang geacht moet worden voor de waardering van de ruimtelijke kwaliteit en in het bijzonder het water in Nederland, zijn de kennishiaten groot en ontbreekt het nog aan effectieve samenwerking om deze lacunes te vullen. Dat zal moeten veranderen op korte termijn, omdat in de betekenis een belangrijke legitimatie te vinden is om op een andere manier om te gaan met water in de ruimtelijke ordening.

De sociaal-economische betekenis van water

 

Prof.dr.ir. H.H.G. Savenije, IHE

Dr. J.J. Bouma, EUR

Prof.dr. H.L.F. Saeijs, EUR/RWS

Prof.dr. W.A. Hafkamp, EUR

 

Inhoud

1. Inleiding 37

2. Trends en issues in integraal waterbeheer 37

2.1. Verhoogde druk op natuurlijke hulpbronnen 37

2.2. De rol van de overheid 38

2.3. Aantasting watersystemen 38

2.4. Verstedelijking 39

2.5. Schaalvergroting en globalisering 39

3. Innovatieopgaven 40

4. Kennisleemtes en onderzoeksvragen 40

4.1. De waarde van water 41

4.2. Water als economisch goed 42

4.3. Wereldvoedselvoorziening 42

4.4. Omgaan met overstromingen 43

4.5. Van peilbeheer naar voorradenbeheer 44

4.6. Van lozingscriteria naar ketenbeheer 44

4.7. De tweede sanitaire revolutie 45

5. De rol van wetenschap en technologie in Nederland 45

5.1. De waarde van water 46

5.2. Regenafhankelijke landbouw 47

5.3. Environmental accounting 48

5.4. Institutionele arrangementen van integraal waterbeheer 48

6. Consequenties voor de kennisinfrastructuur 48

6.1. Strategisch onderzoek in interdisciplinaire samenwerking 49

6.2. Faciliteren fundamenteel lange termijn onderzoek 49

 

1. Inleiding

Water is een unieke substantie zonder welke geen leven, economische productie, sociale activiteit of natuurlijke ontwikkeling mogelijk is. Dit maakt dat de sociaal-economische betekenis van water zeer veelomvattend is, met wijde maatschappelijke vertakkingen. Integraal waterbeheer is de wetenschap die zich primair richt op het afwegen van maatschappelijke belangen in een brede sociaal-economische context.

In het verleden heeft ons waterbeheer geleden aan een te beperkte benadering van de waterproblematiek. Als gevolg hiervan hangen ons een aantal sluipende "rampen" als een zwaard van Damocles boven het hoofd. Grote delen van ons land lijden onder sterke bodemdaling als gevolg van een peilbeheer dat louter gericht is geweest op het ongedifferentieerd drooghouden van poldergebieden. Tegelijkertijd lijden hogere delen van het land onder verdroging als gevolg van versnelde afwatering. Veranderd landgebruik en ingrepen in het rivierbed hebben geleid tot verhoogd overstromingsrisico. Met onvoldoende aandacht voor de risico’s heeft intensivering van landgebruik in polders ertoe geleid dat overstromingen rampzalige gevolgen hebben. Vervuilde bodems en vervuild grondwater liggen als tijdbommen in de hydrologische kringloop. En ecosystemen zijn door menselijk ingrijpen soms drastisch aangetast.

Veelal is bij het beheer van watersystemen de benadering te beperkt van schaal geweest en is over het hoofd gezien dat interacties en belangen vaak uitstijgen boven de schaal van het subsysteem. Met name de sociaal-economische betekenis van water manifesteert zich op een grotere schaal dan die van het deelbelang. In dit essay wordt
het integraal waterbeheer nadrukkelijk geplaatst in een mondiale sociaal-economische context. Een introverte benadering, gericht op de typisch Nederlandse problematiek, is in strijd met het karakter van integraal waterbeheer. Een te beperkte oriëntatie op waterbeheer maakt dat wij onze waterproblematiek niet effectief kunnen aanpakken en dat wij de vooraanstaande positie die wij op dit terrein hebben weldra zullen verliezen.

In dit essay wordt eerst aandacht besteed aan een aantal mondiale trends die voor de sociaal-economische context belangrijk zijn. Vervolgens wordt er gekeken naar de kennisleemtes die er zijn om adequaat op deze trends in
te gaan. Deze leemtes manifesteren zich met name in onvoldoende kennis over de waarde van water, in wat het impliceert om water als economisch goed te beschouwen, en in de instrumenten die wij nodig hebben om verschillende belangen te analyseren en af te wegen. Tenslotte wordt een aanzet gegeven tot prioriteitstelling in de onderzoeksagenda en wordt aandacht gegeven aan de rol die de Nederlandse instellingen voor wetenschap en techniek hierin zouden moeten spelen.

2. Trends en issues in integraal waterbeheer

2.1. Verhoogde druk op natuurlijke hulpbronnen

Mondiaal is er een toename merkbaar van de druk op natuurlijke hulpbronnen en met name op het natuurlijk milieu en het watersysteem. Drijvende krachten hierachter zijn de sterk toenemende bevolkingsdruk (zowel in rurale gebieden als in steden) en de vaak ongereguleerde economische groei in urbane gebieden. Deze ontwikkelingen leiden tot het ontstaan van waterschaarste en degradatie (vervuiling, uitputting, erosie) op die plaatsten waar de druk het grootst is en de draagkracht van het systeem tegen de beperkingen aanloopt. Maar het leidt ook, langzaam maar zeker, naar een situatie van mondiale waterschaarste, met name in relatie tot de wereldvoedselvoorziening (zie 4.3).

Er is een toenemende bewustwording merkbaar voor deze problematiek en een behoefte om op een meer duurzame manier om te gaan met onze eindige waterstromen en watervoorraden. Concepten die hierbij naar voren komen zijn het omgaan met schaarste, de waardetoekenning van water, de bepaling van kosten en baten van ecosystemen, en het beschouwen van “water als een economisch goed”.

2.2. De rol van de overheid

Cruciaal in deze ontwikkelingen is de rol van de overheid. Mondiaal is er een trend merkbaar van deregulering (liberalisering), individualisering (gekoppeld aan een hogere graad van urbanisatie) en privatisering. Als reactie op een periode waarin de overheid in vele delen van de wereld opereerde volgens het “command and control” principe, is er na de val van “de muur” een sterke omslag merkbaar naar liberalisering en privatisering. Met name de VS, maar ook de Wereldbank, zijn hierin belangrijke stimulerende actoren geweest. Andere landen als het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zijn in de watersector ook krachtige promotors van privatisering.

Recentelijk is er een tegentrend merkbaar, hoewel deze nog lang niet de sterkte heeft van de privatiseringstrend. Nederland lijkt zich geleidelijk iets van de privatiseringstrend af te wenden, met name in de watersector. Om een aantal redenen is er een groot belang voor sturing vanuit de overheid in de watersector. Ten eerste heeft water het karakter van een publiek goed (“low subtractability and low excludability”), en ten tweede is er een constant gevaar voor “market failures” en met name het optreden van monopolies. Overal is men het erover eens dat de overheid een sturende taak heeft. Het verschil van mening ligt in de operationele taken, en welk deel daarvan geprivatiseerd kan, of zou moeten, worden.

Daarnaast groeit het bewustzijn dat privatisering geen antwoord heeft op de grote vraagstukken van deze tijd: verdroging, vernatting, overstromingsbeveiliging, omgaan met schaarste, aantasting watersystemen ketenbeheer, e.d. Het is doorgaans niet het belang van de private sector om zorg te dragen voor aspecten van duurzaamheid. Investeringen die pas op lange termijn baten generen (investeringen ten bate van toekomstige generaties) zijn zaken van algemeen belang, die typisch passen in de doelstellingen van de overheid. Waterbeheer behoort duidelijk tot die categorie. Of dit groeiend bewustzijn de privatiseringstrend op mondiale schaal kan keren is voorlopig nog zeer de vraag.

2.3. Aantasting watersystemen

De verhoogde waterdruk, en de uitwassen van vaak onvoldoende geleide ontwikkelingen hebben wereldwijd geleid tot substantiële vervuiling van waterbodems, grondwater en oppervlaktewater. In Nederland is de nitraatbelasting van het grondwater een probleem dat moeilijk in de hand te houden lijkt. Wij kampen met de erfenis van soms sterk vervuilde waterbodems. De trend die men ziet ontwikkelen is een “zero tolerance” met betrekking tot vervuiling (niet de handhaving van vervuilingsnormen, maar het volledig verbieden van lozingen), “gesloten ketenbeheer” en het volledig behandelen van afvalproducten tot nieuwe grondstoffen.

Een ander gevolg van ingrepen in het watersysteem, verhoogde ruimtedruk en aanleg van waterinfrastructuur is de verdroging in de hogere delen van stroomgebieden en de daaraan gerelateerde verhoogde wateroverlast in lage delen. Het bewustzijn groeit dat ons systeem van overstromingsbeveiliging en afwatering niet duurzaam is. Men ziet dan ook momenteel het idee postvatten dat wij water de ruimte moeten geven en dat wij ons land moeten inrichten op de basis van de aanwezige waterinfrastructuur (“water als ordenend principe”). Dit kan leiden tot vernatting in bepaalde delen van het land, ontpoldering, leven met (hoog)water, en dankzij deze vernatting in bepaalde delen, een goede zekerheid tegen wateroverlast in gebieden met de hoogste sociaal-economische waarde.

In het verleden is te veel peilbeheer gevoerd en te weinig voorradenbeheer. Het denken ontwikkelt zich in Nederland naar het trachten zoveel mogelijk het water vast te houden in het eigen gebied, minimaal te draineren en minimaal gebiedsvreemd water in te laten. Hierbij ziet men een tendens naar geïntegreerd ecologisch en hydrologisch beheer (ecosysteembeheer), waarbij gezocht wordt naar manieren om met de natuur mee te werken, en waarbij het ecosysteem een belangrijke bijdrage kan leveren aan het duurzame beheer van het water (eco-pragmatisme) middels: voedselproductie, waterbesparing, wonen en recreëren.

2.4. Verstedelijking

Wereldwijd is er een sterke toename van de urbane bevolking. De bevolkingsgroei die in de komende decennia zal plaatsvinden, zal zich voornamelijk manifesteren in de grote steden van de wereld. In het verleden heeft men geprobeerd de trek naar de stad een halt toe te roepen, maar dit is vrijwel nergens gelukt. Tegenwoordig groeit het besef dat deze ontwikkeling niet te stuiten is en dat men zich er beter op kan richten de trek naar de stad in goede banen te leiden door pro-actieve urbane planning. Tevens lijkt juist in de urbanisatie de oplossing te liggen voor het bevolkingsvraagstuk. Migranten blijken in een stedelijke omgeving binnen een generatie de stap te maken van kinderrijke gezinnen, die typisch passen in een rurale samenleving, naar gezinnen met een of twee kinderen. Wat in een arme rurale omgeving moeilijk te realiseren is, blijkt in een urbane omgeving onderdeel te zijn van een normaal proces. Deze ontwikkeling gaat echter wel gepaard met een overgang van een communale samenleving naar een individualistische samenleving, wat tevens gezien kan worden als een mondiale trend.

Ook in Nederland zal verstedelijking zich voortzetten.
Dit stelt hoge eisen aan de ruimtelijke ordening, waarbij “water in de stad” een belangrijk thema zal zijn, dat invloed heeft op ruimtelijke ordening, “leven met water”, waterretentie (voorradenbeheer) en ketenbeheer.

In dit verband speelt water een belangrijke rol bij het verdere invulling geven aan het concept van meervoudig ruimtegebruik. De discussies over meervoudig ruimte gebruik spitst zich toe op de “functiecombinaties” in landelijke gebieden. Vele van deze functies worden echter sterk beïnvloed door watersystemen en vice versa.

2.5. Schaalvergroting en globalisering

In het waterbeheer wordt steeds meer gehoord dat het hydrologische systeem de logische eenheid is voor beheer. Daar is veel voor te zeggen, omdat binnen hydrologische eenheden de waterbalans eenvoudig op te stellen valt, en oorzaak/effect-relaties relatief gemakkelijk te definiëren zijn, zowel wat betreft de waterstromen, als de kwaliteit en het aquatisch ecosysteem. Deze hydrologische eenheden kunnen op verschillende schalen beschouwd worden. Een polder is een hydrologische eenheid op kleine schaal. Bij stroomgebieden is er een getrapte opschaling van (berg)beek, via zijrivier, tot het stroomgebied van de gehele (internationale) rivier.

Omdat deze eenheden voor de hydrologie en de aquatische ecologie natuurlijke eenheden vormen, is er een trend om ook het integraal waterbeheer op basis van deze eenheden te doen. Hierbij zijn kanttekeningen te plaatsen. Voor het operationeel waterbeheer (zoals gedaan wordt door waterschappen) is hier veel voor te zeggen, maar voor het integraal waterbeheer moet men zich realiseren dat economische en politieke processen, die essentieel zijn in integraal waterbeheer, zich op andere schalen afspelen. De politieke processen spelen op gemeentelijk, provinciaal, nationaal en Europees niveau. De economische processen steeds meer op mondiaal niveau. De globalisering van de economie zal een steeds grotere invloed hebben op het waterbeheer. Het concept van "virtueel water" (Allan, 1994), waarbij water verhandeld wordt in de vorm van het eindproduct (voedsel) is een krachtig mechanisme om voedsel daar te verbouwen waar de condities het meest aantrekkelijk zijn (zie paragraaf 4.3).

In Nederland zullen wij ons moeten waken voor een te introverte benadering, uitgaande van de typisch Nederlandse verhoudingen en problematiek. Steeds meer zal de mondiale markt invloed hebben op onze economische activiteiten, het ruimtegebruik van deze activiteiten en de daarvan afhankelijke eisen aan het watersysteem. Een louter reactief beleid op deze ontwikkelingen leidt tot een toename van de problematiek die wij nu al waarnemen in het waterbeheer: polders die worden volgebouwd met kassen en bedrijfsterreinen waarvan de afwatering niet meer goed te reguleren valt; het bouwen van bedrijfsterreinen in gebieden waar de schade bij wateroverlast hoog is; het verlies aan realisering (zowel ambtelijk als sociaal) dat wij in een land leven waar men rekening moet houden met wateroverlast (zowel in regelgeving, bouwvoorschriften als in het verzekeringswezen). Dit vraagt om een andere benadering en een nieuwe strategische visie op het waterbeheer. Het recent opgestarte denkproces "Waterbeheer 21ste eeuw" zal hierin een sleutelrol moeten vervullen dat richting geeft aan zowel onderzoek als beleid.

3. Innovatieopgaven

De bovengenoemde trends leiden tot een aantal innovatieopgaven die nodig zullen zijn om de bovengeschetste problematiek aan te pakken en om internationaal een rol te kunnen blijven spelen in het waterbeheer.

Met betrekking tot de verhoogde druk op natuurlijke hulpbronnen is er een noodzaak voor het ontwikkelen van duurzame technieken en benaderingen voor watergebruik, zoals:

• methoden en technieken voor gesloten ketenbeheer;

• methoden en technieken voor “water harvesting”, supplementaire irrigatie en “farming systems”.

De veranderende rol van de overheid, vereist nieuwe benaderingen voor:

• institutioneel ontwerp, integrale wetgeving en financiering, in een internationaal kader.

Tevens ontstaat de behoefte aan:

• nieuwe afweegmechanismen die gebaseerd zijn op kennis van de waarde van water en van de gevolgen van ingrepen op de maatschappelijke waarde van water.

Met betrekking tot de aantasting van watersystemen is er behoefte aan benaderingen voor ecologische wederopbouw en duurzame vormen van landgebruik. Dit impliceert ondermeer:

• methoden en technieken voor geïntegreerd ecologisch waterbeheer;

• methoden om effecten van landgebruik op de hydrologische cyclus te analyseren en te compenseren.

Voortgaande urbanisatie vraagt om:

• fundamenteel andere benaderingen en technieken voor afvalwaterbehandeling en “non-waterborne sanitation”.

Deze innovatieopgaven genereren onderzoeksvragen en kennisleemtes die in de volgende sectie in meer detail worden uitgewerkt.

4. Kennisleemtes en onderzoeksvragen

De genoemde trends en innovatieopgaven leiden tot een aantal vragen die onze kennisleemte karakteriseren. De invalshoek is hierbij het sociaal-economische afwegingsproces. Integraal Waterbeheer is het afwegen van maatschappelijke belangen rondom water. De sociaal-economische omgeving staat hierin centraal. Instrumenten die bij deze afwegingen gebruikt worden moeten derhalve in staat zijn de sociaal-economische processen in relatie tot het water afdoende te beschrijven en recht te doen aan die gebruiksfuncties die traditioneel moeilijk te waarderen zijn. De context hiervan is internationaal. Vier vragen zijn hierin cruciaal:

• Hoe kunnen wij het water in zijn verschillende gedaantes en voorkomen waarderen?

• Hoe kunnen wij de functies en waarden van aquatische ecosystemen bepalen?

• Hoe moeten wij omgaan met het concept van “water als economisch goed”?

• Hoe kunnen wij inspelen op de in de toekomst toenemende vraag naar voedsel?

Daarnaast zijn er nog een aantal deelterreinen die vragen om een andere sociaal-economische benadering of om ontwikkelingen waarvan de kosten/baten-analyse momenteel nog onvoldoende gemaakt kan worden:

• Wat betekent het als wij anders met overstromingen zullen omgaan en hoe kunnen economische instrumenten daarbij worden ingezet?

• Wat betekent het als wij overgaan van peilbeheer naar voorradenbeheer, en hoe kan hiervan een goede kosten/baten-analyse gemaakt worden?

• Wat zijn de economische voordelen van ketenbeheer en welke schaal is hiervoor de aantrekkelijkste?

• Welke uitdagingen liggen er voor de Nederlandse industrie om in te spelen op de “tweede sanitaire revolutie” en wat zijn de kosten en baten van deze ontwikkeling?

In de volgende paragrafen wordt kort op deze onderzoeksvragen ingegaan.

4.1. De waarde van water

Bij het onderzoek naar de ‘waarde’ van water moet onderscheid worden gemaakt naar verschillende typen water, maar ook naar verschillende typen van waardering. Tevens is het nodig te analyseren hoe de waarde van een bepaalde hoeveelheid water verandert in de loop der tijd, zowel in de achtereenvolgende stadia van de hydrologische cyclus als in de opeenvolgende stadia van de gebruiksketen (onttrekking - gebruik - lozing - eventueel hergebruik - lozing). Tenslotte is het nodig mechanismen te ontwikkelen die kunnen bepalen welke waardeverandering er optreedt door ingrepen in het hydrologische systeem en water gebruik, en die vervolgens kunnen worden gebruikt om ervoor zorg te dragen dat hoogwaardig water wordt ingezet voor functies waar ook hoogwaardig water vereist is (en omgekeerd), en dat waardeverminderingen hoogstens van tijdelijke aard zijn.

Men kan verschillende soorten water onderscheiden, afhankelijk van hun voorkomen en verblijfstijd. ‘Blauw water’ is het water dat afstroomt via rivieren, meren en ondiepe grondlagen. De verblijfstijd varieert van enkele dagen (oppervlakkige drains) tot tientallen jaren (freatisch grondwater). ‘Groen water’ is het water dat via de onverzadigde zone wordt opgenomen door planten en heeft over het algemeen een verblijfstijd van enkele maanden. ‘Wit water’ is het deel van de neerslag dat direct teruggaat naar de atmosfeer door verdamping na interceptie of door verdamping vanaf de grond. De verblijfstijd is hier vaak maar enkele uren. ‘Fossiel water’ is het diepe grondwater met een verblijfstijd van duizenden jaren. Dit grondwater moet beschouwd worden als een delfstof, en als niet-vernieuwbaar. Vervuiling van dit water is voor de eeuwigheid

De verschillende typen water worden continu in elkaar omgezet langs natuurlijke weg, maar ook via ingrepen in het systeem, zoals door ontwatering en verandering van landgebruik. Ieder type water kent bovendien weer een aantal verschillende kwaliteitsgradaties, afhankelijk van het voorkomen van vervuilende stoffen. Het is duidelijk dat ieder type water zijn eigen ‘waarde’ heeft, maar wat die waarde dan zou zijn blijkt in de meeste gevallen toch onduidelijk te zijn.

Als water in zijn verschillende hoedanigheden en plaats en tijd van voorkomen kan worden gewaardeerd, wordt het mogelijk de kosten en baten van ingrepen in het systeem (verandering landgebruik, drainage, verlies aan berging, etc.) door te rekenen naar benedenstroomse gebruikers, en zodoende de afweging meer afgewogen te maken of eventuele schade te compenseren.

Blauw water heeft in het verleden de meeste aandacht gekregen van ingenieurs en waterbeheerders die verantwoordelijk zijn voor de watervoorziening, maar een prijskaartje is er nooit aan gegeven. In de economie krijgt een resource pas waarde nadat het ‘gewonnen’ is. De prijs van drinkwater is daarom in overeenstemming met de kosten die gemoeid zijn bij winning en zuivering van het water. Aan het water in de rivier of in de grond sec wordt geen waarde toegekend. Toch zou het helemaal niet gek zijn om wel een waarde aan ‘vrij water’ toe te kennen.
Een stuk land heeft uiteindelijk ook een waarde en dientengevolge een prijs. In sommige gevallen zien overheden in dat vrij water een waarde heeft, en geven wel degelijk een prijs aan ‘vrij water’. In Nederland kennen we nu al op veel plaatsen de zogenaamde grondwaterbelasting, een poging om grondwater op zichzelf toch een waarde toe te kennen. Maar de praktijk om water te waarderen voordat het gewonnen is staat nog in de kinderschoenen en wordt ook belemmerd door een goed waarderingsinstrumentarium.

Het gebrek aan inzicht in de waarde van verschillende typen water heeft ervoor gezorgd dat er vaak weinig efficiënt wordt omgesprongen met hoogwaardig water (bijvoorbeeld fossiel grondwater). Ook kan vervuiling plaatsvinden zonder dat duidelijk is hoeveel water daarmee in waarde achteruit gaat (het water was toch al niets waard). De daling in waarde wordt nu wel gevoeld door de benedenstroomse gebruiker die hogere kosten voor zuivering heeft, maar de vervuiling van de hulpbron op zich kost niets.

Daarnaast is het veelal onduidelijk hoe de verdeling van eigendomsrechten in relatie tot water is geregeld en welke actoren hierbij een rol spelen. Dit inzicht in de institutionele context waarbinnen de waarde van water kan worden bepaald, zal een bepalende invloed hebben op een eventuele verdergaande privatisering.

Vervolgens is er een substantiële leemte in de kennis over de waarde van ecosystemen in relatie tot het watersysteem. Zowel de waterbehoeftes, de effecten op de waterkringloop, als de eventuele schades bij tekorten zijn allerminst eenduidig bepaald.

4.2. Water als economisch goed

Sinds de “International Conference on Water and Environment” (Dublin, 1992) is het internationaal geaccepteerd dat water beschouwd moet worden als een economisch goed. Wat dit betekend voor de prijs van het water, is echter allerminst duidelijk. Reeds in Dublin ontstond er verwarring over dit onderwerp. Menigeen interpreteerde dit “Dublin Principle” als dat er een economische prijs voor het water moest worden betaald door de gebruiker. Dit is echter een misverstand.

Dat water een economisch goed is heeft alles te maken met het maken van de juiste (sociaal-economische) afwegingen over het gebruik en de allocatie van water als schaarse grondstof. Dit is iets fundamenteel anders dan het gebruiken van het prijsmechanisme als financieel instrument. De prijs speelt een rol in “cost recovery”,
het handhaven van financiële autonomie van instituties en het gebruik van de waterprijs als instrument om de vraag te beïnvloeden. Men kan heel goed economische principes hanteren bij de toekenning van water(functies) zonder dat hiervoor door de gebruiker betaald moet worden.

In het huidige denken over waterallocatie groeit er een consensus dat een aantal zaken prioriteit moeten krijgen: de essentiële waterbehoefte van het individu, de behoefte van essentiële ecosystemen aan voldoende water en waterdynamiek, en afspraken met naburige landen over waterverdeling. Vervolgens dient waterallocatie plaats te vinden op basis van economische criteria, waarbij het prijsmechanisme kan worden gebruikt al naargelang dat efficiënt is, maar er eveneens noodzaak kan zijn om subsidies strategisch in te zetten.

De instrumenten die nodig zijn om dit soort prioriteiten weloverwogen te stellen en te implementeren ontbreken vooralsnog en behoeven ontwikkeling. Hiervoor zijn al wel internationale aanzetten gegeven, maar met name functies die moeilijk in financiële termen te vertalen zijn blijven lastig af te wegen.

4.3. Wereldvoedelvoorziening

Op mondiaal niveau is de grootste vraag waarvoor de waterwereld zich gesteld ziet die van de wereldvoedselvoorziening. In termen van waterhoeveelheden is elke waterbehoefte ver ondergeschikt aan die van de voedselvoorziening. Voor elke kilo graan is minstens een kubieke meter (1000 kg) water nodig. Landbouwproducten zijn over het algemeen zeer waterintensief en stijgen in de mondiale watervraag ver uit boven industrieel, individueel of ecologisch watergebruik. Vrijwel 80% van de watervraag (blauw en groen) is nodig om mensen te voeden. Het plafond van de draagkracht van de wereldbevolking zit in het water, niet in het land, of op korte termijn in andere productiefactoren. Hierover is weinig verschil van mening. Waar wel verschil van mening over is, is over het tijdstip waarop dit voelbaar wordt. Momenteel zijn voedselprijzen ongekend laag op de mondiale markt (ver beneden de kostprijs); een indicatie voor het ontbreken van voedselschaarste (en voor het niet doorrekenen van waterschaarste in de prijs van voedsel). Hierbij komt dat degenen die waarschuwen voor een naderende watercrisis zich beperken tot berekeningen over ‘blauw’ water. Hierbij vergeten ze het groen water mee te nemen, dat bovendien verantwoordelijk is voor het merendeel van de huidige voedselproductie (inclusief begrazing) en dat nog zeer veel mogelijkheden heeft voor toename. Met name in Europa is een zeer groot potentieel voor regenafhankelijke voedselproductie, die op gang zal komen zodra de mondiale voedselprijs stijgt. Dit betekent natuurlijk niet dat er momenteel geen voedseltekorten zijn. Deze zijn echter plaatselijk en hebben te maken met armoede, conflicten of beheersproblemen.

In dit verband is een zeer krachtig nieuw concept het verhandelen van “virtueel” water (Allan, 1994), waarbij een product wordt uitgedrukt in de hoeveelheid water die voor zijn productie nodig is. Bij graan is dit enkele kubieke meters water per kilo. Een open markt zal ertoe leiden dat men waterintensieve producten daar verbouwt waar de condities optimaal zijn (goede regenval en goede gronden) en dat men in droge gebieden moet zoeken naar economische activiteiten die de gemeenschap in staat stelt het voedsel te importeren. Op die manier zal men “groen” water in virtuele vorm transporteren van gebieden met een gematigd klimaat naar gebieden waar het klimaat minder gunstig is voor grootschalige voedselproductie.

Tegelijkertijd zal het nodig zijn om in tropische gebieden (en met name in Afrika) de regenafhankelijke landbouw te verbeteren. In Afrika beneden de Sahara wordt vrijwel uitsluitend regenafhankelijke landbouw bedreven; veelal met zeer matige resultaten. Deze landbouw te verbeteren middels supplementaire irrigatie en verbeterd management kan een substantiële bijdrage leveren aan
de wereldvoedselvoorziening. Nederland met een lange kennistraditie op het gebied van tropische landbouw heeft hierbij een “comparative advantage” dat zou moeten worden uitgebaat en uitgebreid. Met name de integratie van technische kennis (supplementaire irrigatie, “water harvesting”, landbewerking en bemesting) en sociaal-economische kennis (farming systems, marktontwikkeling, credit-faciliteiten, etc.) vormen de grootste innovatieopgave.

4.4. Omgaan met overstromingen

De traditionele houding in Nederland is om maximale bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. Als gevolg hiervan vindt er in Nederland een substantiële bodemdaling plaats (door bemaling oxideert en klinkt de ondergrond) en groeit er tegelijkertijd een vals gevoel van veiligheid, die maakt dat de schade die optreedt als het systeem faalt van ongekende grootte is.

De recente hoogwaters hebben ertoe geleid dat een ander denken postvat in de Nederlandse samenleving.
Termen als “ruimte voor water”, “water als uitgangspunt voor ruimtelijke ordening” en “leven met water” zijn het gevolg van dat nieuwe denken. Dit heeft vergaande consequenties voor het waterbeheer, de technologie, de ruimtelijke ordening, de wet- en regelgeving en het bestuur.

Een en ander kan impliceren dat bepaalde gebieden worden aangewezen als “natte” gebieden, die vaker overstromen en waar de grondwaterstanden hoog worden gehouden om vervening en aanslibbing te bevorderen. Dit zal ons in staat stellen de “droge” gebieden een hogere graad van bescherming te geven. De “natte” gebieden zullen waarschijnlijk een natuurfunctie, een rurale woonfunctie en extensieve landbouwfunctie kunnen krijgen. De “droge” gebieden zullen een urbane en industriële functie kunnen krijgen. De “natte” gebieden van nu zullen door vervening en aanslibbing de droge gebieden kunnen worden van de verre toekomst. Dit
opent een groot aantal onderzoeksvragen op technisch, ecologisch, economisch en institutioneel terrein.

De sociaal-economische implicaties van deze ontwikkeling zijn slecht bekend. Wat zijn de kosten van het “business as usual scenario” en wat zijn de kosten en baten van een vernattingsstrategie? Het gaat hierbij tevens om een groter bewustzijn van het kosten-effectief voorkomen van overstromingen. Nationale maatregelen tegen overstromingen (bijvoorbeeld dijkverzwaring) dienen in relatie tot het gehele stroomgebied te worden beoordeeld. Het compenseren van de kosten van maatregelen in het stroomopwaarts gelegen buitenland kan kosteneffectiever zijn dan de maatregelen in het lager gelegen land.

Ook is het onduidelijk hoe zo’n beleid geïmplementeerd kan worden; waar de verantwoordelijkheden moeten liggen; of hoe schade kan worden voorkomen door technische aanpassingen en institutionele maatregelen. Het is daarom nodig om na te gaan hoe verantwoordelijkheden ingebed kunnen worden in wettelijke structuren zoals vergunningen, bouwvoorschriften, verzekeringen, verplichte voorlichting over risico’s en mogelijke preventieve maatregelen aan burgers die een huis kopen, etc.

4.5. Van peilbeheer naar voorradenbeheer

Er is een toenemend besef dat de ingrepen die wij in het verleden hebben gedaan om de dynamiek uit het hydrologisch systeem te halen, meer nadelen (verdroging, verlies aan biodiversiteit, etc.) heeft dan voordelen. In het verleden is vooral peilbeheer gepleegd, wat geleid heeft tot een zware infrastructuur van stuwen, sluizen en andere waterbouwkundige werken. Deze waren over het algemeen onvriendelijk voor de ecologie en bevorderden snelle afwatering in de winter en aanvulling met gebiedsvreemd water in de zomer. De overgang van peilbeheer naar voorradenbeheer, van drainage naar het creëren en handhaven van berging, en een hoge mate van controle naar meer dynamiek, vereist: aanpassing van de infrastructuur, ander beheer, maar vooral een cultuuromslag.

Een en ander kan impliceren dat polders, boezems en bergingsgebieden (IJsselmeer) grotere waterstandfluctuaties moeten krijgen; dat in polders en urbane gebieden (“water in de stad”) meer berging moet worden gecreëerd; en dat er in bepaalde gebieden een nat milieu terugkeert. De omslag van peilbeheer naar voorradenbeheer speelt op vele schalen, van stroomgebiedsschaal (vasthouden van water hoger in het stroomgebied) tot op polderschaal (welke delen van de polder worden aangewezen om gebiedseigen water op te slaan). Wat dit betekent, en kan betekenen, voor het waterbeheer in Nederland is allerminst duidelijk. Op de schaal van Nederland zal het IJsselmeer een geheel andere gedrag vertonen, wat invloed heeft op de functies in en om het meer. Er dient onderzocht te worden wat dit betekent voor de waterschappen die erop afwateren en die er water uit betrekken, in een brede sociaal-economische context.

4.6. Van lozingscriteria tot ketenbeheer

Traditioneel wordt er in het kwaliteitsbeheer gewerkt met toelaatbare lozingen. Zolang het ontvangende water een waterkwaliteit heeft die aan de standaard voldoet is lozing toegestaan. Hiervoor worden veelal onafhankelijke criteria gebruikt voor verschillende stoffen, zonder dat naar het totaaleffect op het ecosysteem of op afzonderlijke organismen wordt gelet. Controle wordt gedaan door het nemen van monsters die in laboratoria worden geanalyseerd. Dit blijkt geen efficiënte methode om effecten van vervuiling op ecosystemen te meten, en om regelgeving te handhaven. Het nieuwe denken richt zich op het gebruik van bio-indicatoren, die beter in staat zijn overtredingen te detecteren, en die relevanter zijn voor de gezondheid van het systeem.

 

Het huidige systeem van het hanteren van lozingsstandaarden nodigt uit tot verdunning, vermenging en transport over grote afstanden, waarbij de totale load hetzelfde blijft. Verdunning en vermenging maakt zuivering alleen maar complexer. Efficiënte behandeling is mogelijk als stoffen aan de bron worden gescheiden en behandeld zodat zij elders in het productiesysteem gebruikt kunnen worden ("waste is a resource out of place"). Het ligt voor de hand dat het waterkwaliteitsbeheer zich zal ontwikkelen in de richting van volledig gesloten systemen, waarbij puntlozingen niet meer zullen worden toegestaan, maar geëist zal worden dat stoffen volledig worden verwerkt tot nieuwe grondstoffen (volledige recycling, "zero tolerance towards pollution"). Dit betekent dat methoden voor grondstoffen-boekhouding (resource accounting and auditing) ontwikkeld moeten worden voor industrieën, alsmede technologie voor gesloten productiesystemen.

Wat de baten en kosten zijn van gesloten ketenbeheer, en op welke schaal ketens gesloten moeten worden is een belangrijk terrein van onderzoek. Wat zijn de brede maatschappelijke baten en kosten van lokale behandeling versus “end of pipe” behandeling? Momenteel zijn de kosten van kleine proceseenheden nog relatief duur, maar als kleinschalige behandeling op grote schaal zal worden ingevoerd kunnen de kosten van lokale behandeling aanzienlijk dalen.

4.7. De tweede sanitaire revolutie

Met het voorgaande hangt samen dat de traditionele manier van sanitatie, die uit de vorige eeuw dateert, hard toe is aan modernisering. De moderne manier van sanitatie is scheiding van urine en faeces. Urine is vrijwel direct te gebruiken als grondstof voor landbouw en bevat bovendien stoffen die men uit het milieu wil houden (hormonen, medicijnen, etc.). Faeces, mits droog, is snel en eenvoudig te composteren. Met name in de dichtbevolkte gebieden van de wereld (b.v. India) is de in het westen normale manier van met water doortrekken en vermenging van menselijke afvalstoffen en huishoudelijk afval niet houdbaar (door het watertekort en de hoge kosten van zuivering), maar ook in het westen is dit een inefficiënte manier van behandelen. Wij zijn eraan gewend om water (dat de kwaliteit heeft van bronwater) te gebruiken als transportmiddel van afval, om het elders weer te zuiveren. Een krankzinnige situatie die zal leiden tot een tweede sanitaire revolutie, waarbij wij overgaan van “water borne sanitation” naar “dry sanitation” en “ecological sanitation”, van gemengde systemen naar gescheiden systemen, waarbij er sprake zal zijn van schaalverkleining naar wijkniveau, gebouwencomplex of behandeling per wooneenheid.

Het is duidelijk dat dit vraagt om substantiële technologische vernieuwing. In Zweden is men hier reeds ver mee gevorderd. Als Nederland zijn reputatie op het gebied van drinkwater en sanitatie hoog wil houden zal dit vragen om een substantiële aanpassing van de onderzoeksagenda. Wederom is het allerminst duidelijk wat de maatschappelijke kosten en baten zijn en welke schaal de aantrekkelijkste is voor behandeling (huishouden, gebouw, buurt of wijk).

5. De rol van wetenschap en technologie in Nederland

In het voorgaande zijn een aantal internationale ontwikkelingen geschetst waar Nederland niet buiten kan blijven staan. Als Nederland mondiaal een rol wil blijven spelen in het waterbeheer, dan zal er in de komende jaren een substantiële aanpassing moeten komen van de onderzoeksagenda. Het is voor Nederland cruciaal dat het internationaal toonaangevend is op het gebied van water, om meerdere redenen. Onze waterhuishouding is volledig afhankelijk van wat er in bovenstroomse landen gebeurt (de Maas begint niet bij Maastricht). Wij moeten de processen van deze niet-Nederlandse omstandigheden minstens zo goed kennen als de mensen die bovenstrooms van ons leven; anders manoeuvreren wij ons in een situatie van volledige afhankelijkheid. Daarnaast zijn onze specialisten pas geloofwaardig als zij mee kunnen denken en mee kunnen praten over niet typisch Nederlandse omstandigheden. Een te intern gerichte houding zou ertoe leiden dat wij de mogelijkheden kwijtraken om onze kennis te exporteren en dat Nederlandse deskundigen kansen missen om buiten een Nederlandse context inzetbaar te zijn. Tenslotte draagt kennis van andere omstandigheden bij tot een meer onbevangen en bredere blik op de problematiek; iets wat in de huidige wereld waar randvoorwaarden continu blijken te veranderen, essentieel is. Wij zullen ons blikveld moeten verruimen. De onderstaande terreinen zijn hierbij cruciaal.

 

5.1. De waarde van water

Er is een dringende behoefte de sociaal-economische waarde van water te bepalen, als functie van de plaats,
de tijd, het voorkomen (regenwater, bodemwater, grondwater, oppervlaktewater), en de kwaliteit. Het meest ingewikkeld is wellicht dat hetzelfde water gedurende een hydrologische cyclus in meerdere gedaantes voorkomt, overgaat van de ene staat in de ander, en meerdere malen voor verschillende functies wordt gebruikt. Dit maakt dat een waterdeeltje aan het begin van de cyclus (bovenstrooms) een grotere waarde heeft, want het kan nog op vele verschillende manieren in de cyclus benut worden, dan het waterdeeltje dat zich aan het eind van de cyclus bevindt.

Waarde kan niet los gezien worden van potentieel gebruik; consumptief, maar vooral ook non-consumptief gebruik, zoals in aquatische ecosystemen. De waarde hangt af van het maatschappelijk nut (sociaal-economisch, cultureel, ecologisch en geestelijk) dat met het water behaald kan worden. Als de waarde van het systeem als geheel bepaald kan worden, is men ook in staat om de effecten van ingrepen in het systeem integraal door te rekenen. Dit zou ons in staat stellen de kosten en opbrengsten van bepaalde ingrepen duidelijk te maken en mogelijk te verdisconteren.

Het ontwikkelen van methodieken voor de waardering van water is wellicht een van de grootste bijdrage die de wetenschap aan integraal waterbeheer kan leveren, maar het is ook een van de meest complexe. Ook internationaal is er veel aandacht voor “the valuation of water”. Helaas wordt dit dikwijls, vooral door de anglo-saksische school, vanuit een louter financiële invalshoek benaderd. Hierbij ligt er voor Nederland een interessante niche.

Het bij integraal waterbeheer afwegen van maatschappelijke belangen bij het gebruik van water vraagt om het inzicht hebben in de verschillende functies die water kan vervullen. Door deze functies te waarderen kan de waarde van water worden benaderd. In dit verband is de verdere ontwikkeling van de kosten/baten-analyses voor het evalueren van ingrepen in het hydrologische landschap (zoals meren en stroomgebieden) van groot belang.
In toenemende mate worden vanuit ecologisch perspectief opbrengsten van water bekeken waardoor de fysieke en economische gevolgen van waterbouwkundige projecten in kaart worden gebracht. Zo kan een ecosysteem ondermeer bescherming bieden tegen overstromingen,
een rol spelen in watervoorziening en een bepaalde hoeveelheid effluent verwerken. Deze functies vertegenwoordigen ook een economische waarde, waardoor ingrepen in het ecosysteem zich eveneens kunnen uiten in een economische waardering.

Op velerlei deelterreinen (omgaan met overstromingen, voorradenbeheer, ketenbeheer) is er behoefte aan de waardering van water. Dit zal vaak plaatsvinden in het kader van een kosten/baten-analyse (KBA). Door het geven van een prominente plaats aan het ecologisch perspectief van integraal waterbeheer is er sterke behoefte aan het verbreden van deze kosten/baten-analyses, waarin de kosten en baten van milieufuncties afdoende worden meegewogen (de ecosysteem georiënteerde kosten/baten-analyses). Daarnaast is het met het oog op duurzame ontwikkeling van groot belang dat ecologische baten op lange termijn voldoende aandacht krijgen in afwegingsprocessen. Als gevolg van de in de financiële wereld gehanteerde “discount rate”, hebben baten in de verre toekomst in huidige afwegingsprocessen nauwelijks waarde. Dit vraagt om nieuwe methoden voor kosten/baten-analyse, die lange-termijn effecten nadrukkelijk meewegen. Een dergelijke “ecologisering van de economie” is een vrijwel maagdelijk onderzoeksterrein. Voor het adequaat kunnen toepassen van de ecosysteem georiënteerde kosten/baten-analyses is nader onderzoek wenselijk. Zo dienen de “ecologische baten” in een ecosysteem KBA verder onderbouwd te worden. Deze batenpost bij een ecosysteem georiënteerde KBA onderscheidt de ecosysteem georiënteerde KBA van de maatschappelijke KBA zoals die uit de welvaartseconomie bekend is. In deze post zijn de opbrengsten van een ecosysteem opgenomen die bij de traditionele uitvoering van een KBA niet als baten worden opgevoerd.

Deze aanvullende baten worden geïdentificeerd door een breder en vollediger kijk op de onderliggende fysische processen van de economische processen van een ecosysteem. Door rekening te houden met de complexe relaties binnen een ecosysteem wordt rekening gehouden met lange termijn effecten die anders buiten beschouwing zouden zijn gebleven. Deze effecten hebben daarbij betrekking op economische waardevorming die niet direct gerelateerd is aan de oppervlakte van het ecosysteem waarop de KBA betrekking heeft. Aanvullend onderzoek is nodig voor het modelleren van deze relaties en de waardering van ecologische opbrengsten in relatie tot toekomstige ingrepen.

De relaties tussen de onderscheiden functies van water dient helder te zijn. Bij het fundamentele sociaal-economische onderzoek naar de waarde van water is derhalve een sterke wisselwerking met onderzoek op hydrologisch en ecologisch gebied. Aansluitend op het inzicht in de relaties binnen en tussen ecosystemen dienen de ecologische functies aan economische waarden te worden gekoppeld. Hierbij is het van belang dat de economische waarden wederzijds uitsluitend zijn zodat een optelling van de waarden zonder dubbeltellingen mogelijk wordt. Een ander onderscheid is dat tussen waarderingen van functies die theoretisch noodzakelijk zouden zijn en de waarderingen die praktisch uitgewerkt kunnen worden. Met name de laatste zijn van belang voor beleid. Het belang van de eerste voor de economische theorie is echter ook zeker aanwezig, gezien de relatie van economische functies met welvaart. Ook zal door kennistoename op ecologisch gebied de waardering van ecologische functies en ecosystemen waarschijnlijk steeds makkelijker worden.

Steeds dienen de aan de waarde van water onderliggende functies van een ecosysteem en de hieraan gerelateerde economische processen niet geheel uit het zicht te geraken door de introductie van een getal dat de totale monetaire waarde weerspiegelt. Een breed scala aan verschillende prestatie-indicatoren van een ecosysteem blijft vaak noodzakelijk voor het op strategisch en operationeel niveau invulling geven aan integraal waterbeheer.

Daarbij dient er gewaakt te worden voor een verdere ontwikkeling van methoden en technieken voor het ondersteunen van het afwegingsproces tussen de verschillende functies van een ecosysteem bij integraal waterbeheer. Naast het meer fundamentele onderzoek bij de waardebepaling van water is toegepast onderzoek noodzakelijk. Immers de ontwikkelde waardeconcepten van water en afwegingsmethodieken dienen aan te sluiten bij de feitelijke besluitvormingsprocessen over waterbouwkundige projecten en integraal waterbeheer in de praktijk. Bij de actoren in integraal waterbeheer dient er draagvlak te zijn voor de ontwikkelde waardebepalingsconcepten en methodieken. Voor het inzicht in de besluitvorming van waterbouwkundige projecten, dient de feitelijke besluitvormingsprocessen te worden bestuurd. Welke rol heeft een KBA in deze besluitvorming?

5.2. Regenafhankelijke landbouw

Wat kan er gedaan worden om de regenafhankelijke landbouw in de tropen succesvoller te maken. Een eerste conditie is dat in de natte tijd droge perioden kunnen worden overbrugd. Dit kan door ‘rainwater harvesting’, bodemverbetering, supplementaire irrigatie, landbewerking, etc. Minstens zo belangrijk is de toegang tot markten en een afweging tussen “food self-sufficiency” en “food security”. Het is duidelijk dat geheel Afrika bezuiden de Sahara afhankelijk is van regenafhankelijke landbouw en dat deze landbouw niet erg productief is. Voorwaar een enorme uitdaging om deze landbouwproductie te verveelvoudigen. Hiermee wordt tevens de armoede in de rurale gebieden aangepakt. Indien door verbeteringen in de rurale landbouw de “poverty trap” doorbroken kan worden, levert dit tevens een belangrijke bijdrage aan sociaal-economische doelstellingen.

In deze context is het noodzakelijk dat een samenwerking wordt gevonden tussen experts op het terrein van “farming systems”, hydrologen en waterbeheerders.

 

5.3. Environmental accounting

Voor het sturen en afwegen van de verschillende functies van water dient continue dan wel periodiek in de tijd de prestaties van de afzonderlijke functies van een ecosysteem te worden gevolgd. Dit is van belang omdat de mate waarin een afzonderlijke functie presteert in verloop van de tijd fluctueert. Bovendien kan de economische waardering van deze functies als gevolg van maatschappelijke veranderingen aanzienlijk veranderen (bijvoorbeeld door veranderingen in de preferenties). Juiste beslissingen in het kader van integraal waterbeheer van vandaag, zijn niet ten alle tijde de juiste beslissingen voor de toekomst. Het koppelen van ecologische monteringssystemen aan het meten en informeren over de economische waardeveranderingen van water zal voor het integreren van het waarde concept van water in integraal waterbeheer van groot belang worden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de specifieke informatiebehoeften van de verschillende actoren in integraal waterbeheer. Het kunnen volgen en beheren van de prestaties van watersystemen vraagt om een verdere ontwikkeling van accountingsystemen op het niveau van stroomgebieden en deelsystemen van een lager niveau.

5.4. Institutionele arrangementen van integraal waterbeheer

Bovenstaande onderzoeksterreinen zijn nauw verbonden met de institutionele context waarbinnen de waarde aan water kan worden bepaald en integraal waterbeheer vorm wordt gegeven. Onderzoek is noodzakelijk naar de gewenste modaliteiten voor het beheer van internationale stroomgebieden en ontwikkelen van adequate besluitvormingsstructuren. Daarbij dient met name rekening te worden gehouden met de vertegenwoordiging van belangen, compensatiemogelijkheden voor kosteneffectief waterbeheer en verdeling van eigendomsrechten.
De institutionele context is bepalend voor de wijze waarop de functies die water kan vervullen, worden aangestuurd vanuit adequate waarde concepten van water. Daarbij kan aansturing zowel via directe regulering als via financiële instrumenten worden gereguleerd. Rekening te worden gehouden dat de organisatie van bijvoorbeeld watervoorziening bepalend is voor de prijsbepaling van water. Een vraag die daarbij opkomt is of het huidige institutionele arrangement wel sociaal-economisch optimaal is. In relatie tot de prijsbepaling van water zal de vraag naar de eigendomsrechten van water in kaart dienen te worden gebracht. Daarbij is het van belang de vraag van het eigendomsrecht te beantwoorden vanuit het concept van integraal ketenbeheer van water (van winning tot en met de afvalfase).

6. Consequenties voor de kennisinfrastructuur

6.1. Strategisch onderzoek in interdisciplinaire samenwerking

Nederland is om velerlei redenen verkokerd. De bovengeschetste terreinen vereisen inter-disciplinaire activiteiten, waarbij meerdere Nederlandse en niet-Nederlandse instituten betrokken zijn. Het is nodig om deze instituten te stimuleren om samen te werken. Er is sterke behoefte aan een onderzoeksfonds dat strategisch onderzoek stimuleert. Een strategisch onderzoeksprogramma zou zich in de vraagstelling dienen te richten op problemen, dilemma’s, en blinde vlekken die zich manifesteren in de praktijk, maatschappij, en het beleid. Een aanzet tot het formuleren van dergelijke problemen is in de voorgaande hoofdstukken gegeven. Naar methode dient een dergelijk programma zich te richten op fundamenteel onderzoek dat, gegeven de maatschappelijke vraagstelling, de basis legt voor het beleidsonderzoek en toegepast onderzoek dat op middellange termijn (5-10 jaar) uitgevoerd zal worden op de vragen die zich dan stellen.

De sleutelvragen houden zich zelden aan één discipline en worden zelden uitsluitend in Nederland gesteld.
Daarom is het van belang eisen te stellen aan interdisciplinaire samenwerking en internationale oriëntatie van strategisch onderzoek. Hierbij moet vermeden worden dat middels financiële sharing arrangementen en eisen voor
co-financiering de flexibiliteit uit de samenwerking wordt gehaald. Deelfinanciering maakt het maken van goede onderzoeksvoorstellen zeer ingewikkeld. En dat niet alleen, deelfinanciering leidt er vaak toe dat voorgesteld ‘nieuw’ onderzoek in feite een uitbreiding is van al lopend of gepland onderzoek. Voor nieuw, innovatief onderzoek is dan nauwelijks sprake, terwijl - zeker bij universitaire onderzoeksgroepen - een bias naar monodisciplinair onderzoek ingebouwd is.

Interdisciplinair onderzoek wordt zelden op haar merites gewaardeerd. Hoewel men het er in brede lagen van de onderzoekswereld over eens is dat interdisciplinair onderzoek nodig is, is men het vaak zeer oneens over wat goed interdisciplinair onderzoek is. In de praktijk wordt interdisciplinair onderzoek geëvalueerd naar maatstaven die voor disciplinair onderzoek weliswaar relevant zijn, maar die bij interdisciplinair onderzoek niets zeggen over de mate van integratie die is bereikt. Veelal wordt interdisciplinair onderzoek gemeten naar een combinatie van disciplinaire criteria, en meestal door een verzameling specialisten met verschillende disciplinaire achtergronden. Deze evaluatoren meten het resultaat naar hun eigen maatstaven, waarna het totaalonderzoek een soort van optelsom is van disciplinaire beoordelingen die vanuit de disciplinaire invalshoek veelal beneden gemiddeld zijn.
Dat is geen goede zaak. Er is een noodzaak tot het ontwikkelen van goede beoordelingscriteria voor interdisciplinair onderzoek, uiteraard nadat er een definitie is gegeven van wat goed interdisciplinair onderzoek is.

Het is een goede zaak, rondom het onderwerp "de waarde van water" een onderzoeksprogramma op te zetten, wellicht met als casus de stroomgebieden van Rijn en Schelde, waaromheen deze concepten verder worden uitgewerkt.

Het is van belang dat alle kenniscentra die onderzoek verrichten in zo’n programma kunnen deelnemen. Bij de organisatie en bestuurlijke locatie, van het programma dient hiermee terdege rekening gehouden te worden. Strategische relevantie en interdisciplinariteit kunnen gestimuleerd worden door onderzoeksvoorstellen te vragen van (niet al te grote) coalities van onderzoeksaanbieders en -vragers. De les van eerdere thematische, strategische onderzoeksprogramma’s, zoals het NOP-Klimaat, Milieu en Economie is dat het van belang is dat de programmacommissie niet al te sturend moet willen zijn in de inhoud van het uit te voeren onderzoek en dat de programmacommissie onafhankelijk, neutraal en transparant dient te zijn. Dat betekent ondermeer dat de leden, en hun onderzoeksgroepen, niet zelf voorstellen indienen. De gegroeide Nederlandse praktijk dat leden de zaal verlaten bij bespreking van hun eigen voorstel is niet afdoende voor het bereiken van een neutraliteit die ook buiten de commissie erkend wordt.

6.2. Faciliteren fundamenteel lange termijn onderzoek

Naast toegepast onderzoek is er een grote behoefte aan fundamenteel onderzoek op dit terrein. Hier zal een eis tot co-financiering uit de markt of regulier onderzoek deze doelstelling doorkruisen. Financiers uit de sector zijn geïnteresseerd in direct meetbare outputs of instrumenten die onmiddellijk resultaat boeken. Het is de taak van de overheid om te investeren in lange termijn strategieën. Lange termijn en fundamenteel onderzoek moet niet gefrustreerd worden door te eisen dat de markt hierin participeert. Daarom stellen wij voor om naast het strategisch onderzoeksprogramma uit de vorige paragraaf een fundamenteel, lange termijn onderzoeksprogramma te starten. Dit laatste dient evenzeer interdisciplinair te zijn, maar zou een sterke analogie kunnen hebben met de thematische aandachtsprogramma die de laatste jaren in NWO-verband zijn uitgevoerd.

 

 

 

Naar een Waterrijk Nederland

 

 

Drs. H. Goosen, IVM

Prof.dr.ir. P. Vellinga, IVM

Dr. S.P. Tjallingii, Alterra Research Instituut

 

Inhoud

1. Inleiding 53

2. Waarom een waterrijk Nederland? 53

2.1. Veranderingen in het natuurlijke systeem 53

2.2. Veranderingen in de maatschappij 54

2.3. Kansen voor water 54

3. De stand van zaken 55

3.1. Water en Natuur 55

3.1.1. De Nieuwe Venen 55

3.1.2. Het Vechtplassengebied 56

3.1.3. De Wieden (Overijssel) 56

3.2. Water en Stedelijke ontwikkeling 57

3.2.1. Stedelijk waterbeheer: Breda Zaartpark, Nijmegen Waalsprong, Amstelveen Stadswateren 57

3.2.2. Water in regionale ontwikkeling: De Groen-Blauwe Slinger en ‘Chaining Waters’ 57

3.3. Water en Recreatie 57

3.3.1. Project ‘Het Blauwe Netwerk’ 57

3.3.2. Delftse Hout en ‘t Twiske 58

3.4. Water en regionale plattelandsontwikkeling 58

3.5. Waterberging in stedelijke regio’s 58

4. Analyse van succes- en faalfactoren 59

5. Hoe nu verder? 60

6. Samenvatting 61

7. Literatuur 62

 

 

 

1. Inleiding

Het waterbeheer in Nederland staat voor een belangrijke uitdaging. De watersystemen zijn in de loop der jaren steeds verder gereguleerd waardoor grote gebieden kwetsbaarder zijn worden voor veranderingen zoals zeespiegelstijging, veranderende regenvalpatronen en toenemende rivierafvoer. Tevens blijft de bodem dalen. Tegelijkertijd leiden maatschappelijke trends tot de noodzaak ons water- en ruimtebeheer te herzien. Door bevolkingsgroei en sociaal-economische veranderingen (meer geld, meer vrije tijd) stijgt de behoefte aan recreatie en natuur maar ook de vraag naar ruimte voor infrastructuur, woningbouw en bedrijfsterreinen zal verder toenemen.

Hoewel technische ingrepen de veiligheid ook in de volgende eeuw kunnen waarborgen, neemt het besef inmiddels toe dat deze traditionele technische benadering op termijn geen aantrekkelijke weg is. Meer ruimte geven aan water en versterking van zelfregulerende systemen lijkt aantrekkelijker, met name voor de lange termijn. Dit brengt met zich mee dat het beheer van water zal moeten worden beschouwd als integraal onderdeel van de ruimtelijke ordening. Er worden reeds vele plannen in deze richting ontwikkeld. De vraag is nu op welke wijze de watergerelateerde kennisinfrastructuur in Nederland deze vernieuwingen in het waterbeheer kan ondersteunen. Deze vraag was aanleiding voor de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT), de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) en de Raad voor het Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO) om gezamenlijk een verkenning "Kennis voor Integraal Waterbeheer" te starten.

In het kader van deze verkenning is een korte studie uitgevoerd gericht op het concept ‘ruimte voor water’. Doel van de studie is het blootleggen van de grote opgaven die er liggen op dit terrein, waarbij de aandacht gericht is op enerzijds de rol van wetenschap en technologie en anderzijds de bestuurlijke initiatieven die
in dit kader wenselijk worden geacht.

Hiertoe is allereerst een inventarisatie uitgevoerd van plannen en projecten op het gebied van de zogenaamde ‘vernatting’. Door deze ervaringen in de praktijk te peilen, is getracht te achterhalen in hoeverre het concept Waterrijk Nederland in de praktijk handen en voeten wordt gegeven en op welke wijze de initiatieven kunnen worden versterkt.

2. Waarom een waterrijk Nederland?

2.1. Veranderingen in het natuurlijke systeem

Een aantal trends vergroot de druk op de watersystemen in Nederland. De zeespiegelstijging in de komende eeuw en daarna zal groter zijn dan de huidige 18 cm per eeuw.
De schattingen lopen uiteen tussen 20 en 100 cm stijging in het jaar 2100. De extra stijging komt door de klimaatverwarming die wordt verwacht als gevolg van het versterkte broeikaseffect (KNMI, 1999). De versterking van het broeikaseffect kan tevens leiden tot vergroting van de afvoer van grote rivieren en toename van regenval en maximum regenintensiteiten. De maatgevende piekafvoer (eens per 1250 jaar) van de Rijn zal naar verwachting met 5% stijgen, terwijl voor de Maas de verwachte toename zo’n 10% bedraagt. Deze schattingen zijn echter nog erg onzeker. Het kan meer zijn maar ook minder. De stijging van de zeespiegel en de verandering van neerslagpatronen leiden er toe dat de hoeveelheid water die in of via Nederland moet worden afgevoerd toeneemt terwijl tegelijkertijd het spuien van overtollig water wordt bemoeilijkt door de hogere zeespiegel.

Terwijl het zeeniveau stijgt daalt het land in grote delen van Nederland. Vooral door ontwatering ten behoeve van de landbouw klinken klei- en veengronden in, waardoor de bodem daalt met respectievelijk een snelheid van wel 70 tot 100 cm per eeuw (WL Delft & Bureau Stroming, 1998; Raad voor het Landelijk gebied, 1998).

Van nature zou het land in staat zijn geweest om zich door veengroei en sedimentatie aan te passen aan dergelijke veranderingen, echter heeft het land dit zelfregulerend vermogen grotendeels verloren. Land en water zijn sterk gereguleerd en van natuurlijke veerkracht is nauwelijks sprake meer. Onder andere in de WNF visie ‘Meegroeien met de Zee’ wordt gepleit voor het herstel van natuurlijke veerkracht en zelfregulatie (Helmer, et al., 1996). Ook in de 4e nota Waterhuishouding wordt het belang hiervan onderkend.

2.2. Veranderingen in de maatschappij

Naast deze veranderingen in het natuurlijk systeem wordt de druk op de ruimte verder vergroot door een aantal maatschappelijke trends. Door sociale en economische ontwikkeling stijgt de vraag naar ruimte voor woningbouw (vooral wonen in het groen is populair), infrastructuur en recreatie. De welvaart neemt toe en mensen krijgen meer vrije tijd. Deze trends vergroten de druk op de groene ruimte waardoor het gevaar bestaat dat de maatschappij nog meer veerkracht en flexibiliteit verliest.

Er zal ook ruimte vrijkomen. Nederland heeft zich de laatste decennia ontwikkeld van een agrarische naar een stedelijke samenleving. De landbouw is als gevolg van de internationale marktwerking efficiënter gaan produceren. Daarnaast maken recente ontwikkelingen (vermindering van EU subsidies en aanpak van de overbemesting) de toekomst voor de landbouw onzeker. De komende jaren zal de rol van de landbouw als hoofdgebruiker van de ruimte veranderen.

De veranderende rol van de landbouw biedt nieuwe mogelijkheden voor het beheer en de ontwikkeling van een water- en natuurrijk Nederland. Anderzijds vormen stedelijke ontwikkeling, aanleg van nieuwe infrastructuur en bedrijfsterreinen een bedreiging voor de groene en blauwe ruimte.

2.3. Kansen voor water

Door de geschetste veranderingen van zee- en landniveau zijn ingrijpende maatregelen gewenst. Globaal kunnen deze maatregelen gericht zijn op het vergroten van de bemalingscapaciteit en het versterken van de dijken (‘keren’), of door de ontwikkeling van een veerkrachtig systeem waar de waterberging wordt vergroot door bredere, natuurlijke rivieren en gebieden waar water kan worden vastgehouden of worden ingelaten ten tijde van wateroverlast (‘beheren’).

De traditionele civiel-technische benadering heeft de afgelopen jaren snel terrein verloren. In toenemende mate wordt gepleit voor het vergroten van de veerkracht, zo blijkt onder andere uit de 4e nota waterhuishouding: "Het aansluiten bij natuurlijke processen en het herstellen van de veerkracht van watersystemen is een belangrijke leidraad voor het toekomstig waterbeheer" (Ministerie van V&W, 1998). In het waterbeheer is dus een verschuiving opgetreden van keren naar beheren.

Een integratie van deze ideeën in het beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening is essentieel.
Het waterprobleem staat immers niet op zichzelf en grijpt in op verschillende sectoren en kan bovendien niet lokaal worden opgelost. Er moet worden gestreefd naar een balans tussen enerzijds concentraties van kapitaalintensieve functies (steden, industrie, landbouw, transport) en anderzijds gebieden die voorzien in de behoefte aan natuur, recreatie en voldoen aan de nieuwe eisen vanuit het waterbeheer. Door water te gebruiken als structurerend element kunnen waterrijke metropolen ontstaan. Ideeën hiervoor zijn ook in ander verband naar voren gekomen (o.a. ‘De waterrijke metropool’ in Meegroeien met de Zee (Helmer et al., 1996); De Deltametropool (prof. Frieling) en het plan ‘Chaining Waters’, een inzending op een E.O. Wijers-prijsvraag).

Water als leidend principe in de ruimtelijke inrichting van Nederland spreekt om meerdere redenen tot de verbeelding. Allereerst kan meer ruimte voor water de identiteit van Nederland versterken. Het waterrijke karakter van Nederland is uniek en herkenbaar. Nederland zou zich beter kunnen profileren als ‘waterland’ door water een prominentere plaats te geven in de inrichting van de ruimte.

Water kan een belangrijke rol vervullen als structurerend element bij verstedelijking van de ruimte. Grote waterrijke gebieden vormen een buffer voor verstedelijking en deze functie zal gezien de veranderende rol van de landbouw als belangrijke drager van de groene open ruimte steeds belangrijker worden. Tevens zal een waterrijk land nieuwe mogelijkheden bieden voor de natuur. Waterrijke gebieden hebben over het algemeen hoge natuurwaarden. Moerassen (wetlands) vervullen tal van ecologische functies en worden dan ook via internationale verdragen (Ramsar-verdrag) beschermd. Verder heeft de natuur in Nederland vooral te lijden van een slechte waterkwaliteit en een tekort aan water. Verdroging en eutrofiëring zijn de belangrijkste oorzaak van de achteruitgang van de ecologische kwaliteit van Nederland. Het langer vasthouden van grond- en regenwater zal leiden tot verbetering van waterkwaliteit en natuur.

Ook voor recreatie bieden waterrijke gebieden nieuwe mogelijkheden. De behoefte aan recreatiemogelijkheden zal de komende jaren sterk groeien doordat meer mensen over meer vrije tijd en geld zullen gaan beschikken. Vooral in sterk verstedelijkte gebieden als de Randstad is veel behoefte aan recreatiegebieden ook om de kwetsbare duinen te kunnen ontlasten. Relatief schone gebieden met gebiedseigen water kunnen worden gecombineerd met extensieve, natuurgerichte vormen van recreatie (wandelen, fietsen; natuurgerichte recreatie) terwijl voedselrijkere gebieden in bijvoorbeeld diepere droogmakerijen, naast extensieve recreatie ook geschikt kunnen zijn voor intensievere recreatievormen (waterrecreatie).

Binnen het stedelijk waterbeheer zijn de overstorten van gemengde rioolstelsels een bedreiging voor de waterkwaliteit. Meer regenwater vasthouden (bijvoorbeeld op daken, in parken en plantsoenen) betekent minder regenwater naar het riool en dat leidt weer tot minder overstorten. Tevens leidt meer water vasthouden in de stad tot minder inlaat van boezem- en rivierwater. Hiermee worden kansen geschapen voor een grotere rol van gebiedseigen, niet geëutrofieerd water.

Tenslotte bieden water- en natuurrijke gebieden aantrekkelijke woonmilieus. Wonen aan het water wint aan populariteit. Aandacht voor recreatiemogelijkheden dicht bij huis is interessant vanuit het oogpunt van mobiliteit, maar kan ook bijdragen aan het ontlasten van kwetsbare natuurgebieden zoals de duinen.

In het licht van de grote maatschappelijke veranderingen en de kansen die kunnen worden benut, is de ontwikkeling van waterrijke gebieden een levensvatbaar en noodzakelijk alternatief geworden voor landbouw als ‘economische drager’ van de groene ruimte. Deze ideeën vinden weerklank in vele beleidsnota’s. Maar de indruk bestaat dat de implementatie van plannen en ideeën stagneert. Om dat beter na te gaan is een korte inventarisatie uitgevoerd.

3. De stand van zaken

Dit hoofdstuk geeft een indruk van de huidige stand van zaken op het gebied van ‘vernatting’. In het voorgaande hoofdstuk is verduidelijkt hoe een waterrijk Nederland aantrekkelijk kan zijn voor meerdere functies. In de praktijk worden projecten echter vaak vanuit een bepaalde hoek (sector) gestimuleerd. Zo kan onderscheid worden gemaakt tussen primair natuurprojecten, stedelijke ontwikkelingsprojecten, recreatieprojecten, economische ontwikkelingsprojecten en waterbergingsprojecten. Voor deze sectoren wordt een aantal watergerelateerde projecten kort beschreven en geëvalueerd.

3.1. Water en Natuur

3.1.1. De Nieuwe Venen

De Nieuwe Venen is een omvangrijk plan dat in 1992 door Natuurmonumenten is geïnitieerd voor het gebied tussen Botshol en de Nieuwkoopse Plassen. Het doel is om door natuur te ontwikkelen, een verbinding te realiseren tussen reeds bestaande natuurterreinen om zo een groot aaneengesloten natuurgebied te vormen. Hiervoor moet ongeveer 6000 ha landbouwgrond worden aangekocht en dat is een tijdrovend proces. Bij de Nieuwkoopse Plassen komt een waterbekken voor de opslag van schoon water voor de drogere maanden. Enkele pilotprojecten in het gebied zijn reeds uitgevoerd maar verder verloopt de uitvoering van het project zeer moeizaam. Hiervoor zijn een aantal redenen aan te geven. In de eerste plaats leek sprake te zijn van te weinig participatie bij de planontwikkeling. Bij te veel deelbelangen is onvoldoende aandacht geschonken aan compensatie en/of de economische kansen. Ook blijkt bij de belanghebbenden onvoldoende eenduidigheid te bestaan over de wenselijkheid van de natuurontwikkeling. Het gaat om ontwikkeling van moerasnatuur ten koste van cultuurnatuur en zelfs binnen de natuurbeweging bestaat hierover soms verdeeldheid. Dit veroorzaakt aarzeling bij beleidsmakers en politici.

Vanuit de streek kwam vervolgens een duidelijk signaal dat de bevolking zich niet gehoord voelde. Daarom gebeurt alle besluitvorming nu volgens een communicatiemethode (DIALOOG) waarbij streekbewoners worden uitgenodigd om in groepen hun wensen, ideeën en knelpunten uit te spreken. Zo worden eerst alle mogelijke problemen geïnventariseerd. Vervolgens worden deze problemen geanalyseerd en gestructureerd en worden door de commissies en de groepen oplossingen bedacht in gesprekken en workshops. Het plan wordt nu verder uitgewerkt door vier gebiedscommissies die bestaan uit vertegenwoordigers van alle betrokken partijen.

Figuur 3.1: Schets van plan De Nieuwe Venen,

Natuurmonumenten.

3.1.2. Het Vechtplassengebied

Het Vechtplassengebied omvat globaal het gebied tussen de rivier de Vecht en de Utrechtse heuvelrug, van de stad Utrecht in het zuiden en het IJmeer in het noorden. Op twee locaties zijn de grondwaterpeilen verhoogd: langs de randen van het Naardermeer en in de Horstermeerpolder. Doel van de peilverhogingen is het tegengaan van de wegzijging van water uit natuurgebieden, die wordt veroorzaakt door het droogmalen van de diepgelegen polders. Verder wordt de toestroom van kwelwater naar de Vechtplassen sterk verminderd door grondwaterwinning en verstedelijking in het Gooi. Daarom moet in de zomer water uit de Vecht en het IJmeer worden ingelaten waardoor ecosystemen die afhankelijk zijn van opkwellend voedselarm grondwater sterk aangetast worden.

Om de gewenste peilverhogingen te realiseren is veel strijd geleverd. Het aankopen van grond heeft veel tijd en geld gekost en de waterschappen en boeren zijn zeer terughoudend wanneer het gaat om het verhogen van de waterpeilen. In de toekomst zal meer aandacht moeten worden geschonken aan de sociaal-economische betekenis (kosten en baten) van de natte natuur voor de regio.
Nu wekken de plannen een beeld op van waardevermindering van het gebied. Een goede communicatie en betrokkenheid van belangenorganisaties is hierbij essentieel, ook om zo de angst voor overlast door water en muggen weg te kunnen nemen.

3.1.3. De Wieden (Overijssel)

Natuurmonumenten heeft sinds kort een strook voormalig cultuurland aan de rand van de Wieden tot waterbuffer voor het ruilverkavelingsgebied Giethoorn-Wanneperveen gevormd. Er wordt hier kalkrijk water opgepompt waardoor het gebied 0-80 cm (gem. 40cm) onder water is komen te staan. In 1989-1990 werd de eerste fase voltrokken waarin 40 ha. tot waterbuffer werd gevormd. De tweede fase vond in 1994 plaats en besloeg 80 ha. Dit project is een groot succes. Purperreigers, roerdompen en vele rallen vestigen zich hier. Verder ontwikkelen water- en moerasplanten zich voorspoedig, mede door aanwezigheid van zaadbronnen in de omgeving.

Op basis van evaluatie van de hierboven beschreven drie projecten kan worden geconcludeerd dat projecten die binnen de sector spelen en waarbij niet echt sprake is van functieverandering (zoals bij de Wieden) vrij goed lopen. Echter, grotere projecten die het sectorale belang overstijgen verlopen moeizaam of stagneren. Grote projecten vergen een zorgvuldige voorbereiding en vereisen betrokkenheid van alle betrokken partijen. Vooral het gebrek aan aandacht voor sociaal-economische en maatschappelijke kosten en baten van de projecten leidt tot stagnatie.

3.2. Water en Stedelijke ontwikkeling

3.2.1. Stedelijk waterbeheer: Breda Zaartpark, Nijmegen Waalsprong, Amstelveen Stadswateren

Breda Zaartpark is een waterrijk park met een rol voor natuurontwikkeling en recreatie en met esthetische betekenis voor de stad aan de zuidrand van Breda.
De Zaart is een kleine beek die uit het stedelijk gebied regenwater afvoert. Dit water is schoner dan dat van de Aa of de Weerijs waarin de Zaart op deze plaats uitmondt. Het park houdt het schone water langer vast. Het park is aangelegd en ontwikkelt zich naar wens.

In het plan voor de VINEX woningbouwlocatie Waalsprong speelt waterberging een grote rol. Regenwater en kwelwater worden zo lang mogelijk vastgehouden en om dat mogelijk te maken is meer oppervlaktewater in het plan opgenomen dan in woonwijken gebruikelijk is.
Het waterplan is opgenomen in het structuurplan en de doorwerking van het uitvoeringsplan is op dit moment in volle gang.

Voor het beheer van de stadswateren in Amstelveen is een plan gemaakt waarbij regenwater wordt opgevangen op en om gebouwen en aan de rand van de stad. De opzet is om minder regenwater naar het riool te voeren en om regenwater langer vast te houden in het stedelijk systeem. Het plan is een antwoord op kwaliteitsproblemen die samenhangen met riool overstorten en met de inlaat van voedselrijk boezemwater. Een circulatiesysteem zorgt er voor dat water aan de rand van de stad in vijvers wordt opgevangen en daarna weer wordt teruggevoerd.
Het plan wordt nog verder uitgewerkt.

Dergelijke relatief kleinschalige projecten zoals hierboven beschreven blijken succesvol te zijn. Er is sprake van een duidelijke regisseur (vaak gemeente(n)) en de doelstellingen zijn helder en goed te overzien.

3.2.2. Water in regionale ontwikkeling:
De Groen-Blauwe Slinger en
‘Chaining Waters’

De Groenblauwe Slinger is het S-vormige open gebied dat Midden-Delfland, via Oost-Delfland, verbindt met het Groene Hart. Het grote waterrijke gebied moet tegenwicht bieden aan de verstedelijking en verglazing (tuinbouw kassen) van de zuidvleugel van de Randstad. Het 600 hectare grote nieuwe watersysteem is nodig voor het integraal waterbeheer van de gehele Slinger, teneinde zo de kwaliteit en kwantiteit van het oppervlaktewater te verbeteren (voor natuur, landbouw, recreatie en stad).

Het plan stuit op de nodige weerstand en verloopt dan ook moeizaam. Wederom spelen tegenstrijdige natuurvisies het project parten. Er is sprake van conflicterende natuurdoelstellingen: het belang van het bestaande gebied voor de weidevogels versus de toekomstige betekenis als moerasgebied. Ook de landbouw is tegen het plan. Een sterke regie op het niveau van de planvorming ontbreekt.

‘Chaining waters’ is een plan voor een waterrijke zone om de rand van Randstad en Groene hart, gemaakt in het kader van de E.O. Wijers prijsvraag ‘Inside Randstad Holland’. Naast regenwaterberging voor stedelijke gebieden (zoals het project Amstelveen) kan drinkwatervoorziening van de Randstad een belangrijke functie zijn voor deze waterrijke zone. Voor de ruimtelijke ordening is interessant dat er een duidelijke en kwalitatief rijke rand ontstaat tussen Randstad en groene Hart. Chaining waters is een visie die vraagt om nadere uitwerking in deelprojecten. Het zal echter zeer veel moeite kosten om dit project in de implementatiefase te brengen.

3.3. Water en Recreatie

3.3.1. Project ‘Het Blauwe Netwerk’

Dit project heeft als doel om verbindingen te verbeteren voor pleziervaart tussen het open Groene Hart en de omringende Randstadsteden. Het Blauwe Netwerk is een deelprogramma van het ROM-gebied Groene Hart.
Het plan is ontstaan uit vrees voor de oprukkende verstedelijking. Het project moet resulteren in een web
van aantrekkelijke vaarroutes dat de schakel vormt tussen toeristisch Zeeland, het IJsselmeer en de Friese meren.
Het plan is nu opgenomen in het ontwikkelingsplan Recreatieve Netwerken in het Groene Hart. Elektrisch varen moet voorkomen dat het Groene Hart wordt overspoeld met lawaaiige motorboten.

De uitvoering verloopt echter traag doordat er geen financiering is voor het project. Deelprojecten moeten meeliften met andere initiatieven, zoals natuurprojecten en baggerwerkzaamheden. Dit meeliften met andere initiatieven vormt een te smalle basis. Op het schaalniveau dat nodig is om het project uit te kunnen voeren is er geen adequate regie.

3.3.2. Delftse Hout en ‘t Twiske

Het Delftse Hout en ‘t Twiske zijn weliswaar geen recente, maar wel goede voorbeelden van combinaties van natuur, water en recreatie. Het Delftse Hout is een in de jaren ‘70 ontwikkeld recreatiegebied vlakbij de stad Delft. Doordat het meer geheel door regenwater wordt gevoed is de waterkwaliteit goed waardoor het gebied zich uitstekend leent voor recreatie. ‘t Twiske is ook een voorbeeld van een gecombineerd natuur en recreatiegebied, in de jaren ‘70 aangelegd om de recreatiedruk vanuit Amsterdam en omgeving op te kunnen vangen. Door zonering is een relatief druk en een relatief rustig ontstaan waardoor intensieve en extensieve recreatie van elkaar wordt gescheiden. Deze projecten kenden een heldere hoofddoelstelling: het opvangen van recreanten. In het geval van ‘t Twiske kon de uitvoering ervan worden gekoppeld aan zandwinning.

Geconcludeerd kan worden dat lokale projecten met een duidelijk herkenbare belanghebbende gemeente tot succes kunnen leiden. Projecten op regionale schaal met vele deelbelangen komen veel moeilijker van de grond.

3.4. Water en regionale plattelandsontwikkeling

De Blauwe Stad

De Blauwe Stad is een project dat is bedoeld om Groningen (meer specifiek het gebied Midwolda, Oostwold, Finsterwolde en Beerta) een kwaliteitsimpuls te geven.
De regio heeft te kampen met werkloosheid, bevolkingsverlies, vergrijzing, afnemend voorzieningen niveau en dalende koopkracht. Het plan de Blauwe Stad is vernieuwend en ziet water als een bondgenoot in de
strijd tegen de sociaal economische achteruitgang.

De ‘go’ beslissing is reeds in 1997 genomen, en naar verwachting wordt het project in het jaar 2000 gestart. Centraal in het ontwerp staat de doelstelling dat iedereen (huidige inwoners èn nieuwe bewoners èn bezoekers) van de nieuwe omgeving moeten kunnen profiteren. Beeldbepalend is de ontmoeting die overal in het plan plaatsvindt tussen water, natuur, infrastructuur en woningbouw. Er wordt voorzien in een groot watergebied dat zal bestaan uit een ring van natuurgebieden met onder meer ondiepe plassen en natte weiden, een grote open recreatieve vaarplas en een besloten bevaarbaar meer. Het plan voorziet tevens in de bouw van 1200 tot 1800 nieuwe woningen. De schiereilanden en eilanden vormen aantrekkelijke nieuwe woongebieden. Binnen dat woon-watermilieu ontstaat een grote variatie aan eilanden en tussenliggende wateren, vaarten, kanaaltjes en kleine plasjes (zie verder: eindrapport Stichting de Blauwe Stad, 1997). Het plan stamt uit 1994. Dit plan illustreert dat een zorgvuldige voorbereiding een belangrijke conditie is voor succes. Deze zorgvuldige voorbereiding is uiteraard te danken aan geld en goede politieke wil.

3.5. Waterberging in stedelijke regio’s

Levende Berging

In Noord Holland is voor het watersysteem van Hollands Noorderkwartier onderzocht hoe meer waterberging kan bijdragen aan het verkleinen van de kans op overstromingen van de boezem (WL Delft en Stroming BV, 1998). De conclusies wijzen erop dat vooral inlaatgebieden (inlaat van boezemwater in diepe polders) effectief bij zullen dragen aan de vergroting van de veiligheid. Het langer vasthouden van water in de polders kan hier ook toe bijdragen en heeft tevens een meerwaarde voor andere gebruiksfuncties. Wel zal dit op een grotere schaal moeten plaatsvinden om significant te kunnen bijdragen aan de veiligheid.

De studie Levende Berging noemt een aantal voorbeeldprojecten aan de hand waarvan praktijkervaring kan worden opgedaan met het vergroten van de bergingscapaciteit. Het vergroten van de bergingscapaciteit is duurder dan de optie meer bemalen, maar berging biedt tevens goede mogelijkheden voor de voorziene uitbreiding van de ecologische hoofdstructuur in het gebied.

Aanvankelijk stagneerde het proces door het ontbreken van consensus over de waarde van het plan. Voor de agrarische sector heeft het vergroten van het waterbergend oppervlak logischerwijs consequenties, maar ook bepaalde voordelen (meer mogelijkheden om water te spuien in tijden van hoog water). Ook voor de natuur heeft meer waterberging consequenties doordat een klein deel van het veenweidegebied zal van karakter veranderen waarbij weidevogels plaats zullen moeten maken voor watervogels. Dit laatste stuit op bezwaren bij de op behoud gerichte natuurbeheerders en leidt tot verwarring bij bestuurders.

Inmiddels lijkt er voortgang te zijn in de besluitvorming om in ieder geval een polder in te zetten als overlooppolder.

4. Analyse van succes- en faalfactoren

In het voorgaande is aangegeven dat de praktische uitvoering van projecten gericht op een waterrijk Nederland niet zonder problemen verloopt. Binnen projecten is de maatschappelijke weerstand vaak groot, bijvoorbeeld door angst voor overlast door water en muggen. Daarnaast moet de ruimte voor de ontwikkeling van natte natuurgebieden worden gezocht in gebieden met een agrarische bestemming en grond moet dus worden onteigend. Dit is een moeizaam maar vooral tijdrovend proces. In dit hoofdstuk volgt een nadere uiteenzetting van de faal- en succesfactoren bij de uitvoering van projecten en bij het invulling geven aan
een waterrijk Nederland in de praktijk.

Succesvol zijn vooral relatief kleine, lokale op één hoofdfunctie gerichte projecten. De daadwerkelijk gerealiseerde projecten zijn zonder uitzondering op lokale schaal en gericht op de versterking van één bepaalde hoofdfunctie (vooral stedelijk waterbeheer en natuurontwikkeling). Integrale projecten waarbij meerdere belangen en functies in het geding zijn komen zeer moeizaam of niet van de grond. Echter wanneer we willen werken aan een langetermijn systeemaanpassing en aan concepten als Waterrijk Nederland dan zijn juist de boven- lokale projecten essentieel.

Het blijkt niet eenvoudig om een concept als Waterrijk Nederland in de praktijk gestalte te geven. De volgende oorzaken liggen hieraan ten grondslag:

1) De directe urgentie ontbreekt: meer ruimte voor water is een langetermijnoplossing voor een aantal verschillende problemen. De problematiek wordt onvoldoende als urgent gezien om voor een ingrijpende aanpak te kiezen. Voor deelproblemen die wel urgent blijken te zijn, zijn (bv. overstromingen, riooloverstorten) wordt veelal gekozen voor een traditionele kortetermijnoplossing (dijkverzwaring, vergroten van de bemalingscapaciteit).

2) Een centrale regisseur ontbreekt: zoals eerder aangegeven gaat het bij ruimte voor water om verschillende deelbelangen (natuur, recreatie, waterbeheer, stedelijke ontwikkeling) die elk afzonderlijk zijn georganiseerd en vanuit verschillende hoek worden aangestuurd. Er is geen departement, provincie of andere instantie die het voortouw neemt en de verantwoordelijkheid op zich neemt. Hierdoor ontbreken bestuurlijke en financiële instrumenten om een waterrijk Nederland vorm te kunnen geven.

3) Kennis schiet nog te kort:
• Kennis omtrent ecologie op landschaps-/systeemniveau schiet te kort, inclusief kennis over ruimtelijke interacties tussen verschillende functies van watersystemen. Belangrijke vragen zijn in hoeverre de deelfuncties natuur, recreatie, waterbeheer en stedelijke ontwikkeling zijn te verenigen (dosis/effect-relaties); hoe liggen de ruimtelijke relaties: schakelen van gebieden van schoon naar vuil; ruimtelijke zonering of verweving, ecologische successen van vernatte polders.
• Bestuurlijke kennis (ook samenhangend met het voorgaande punt); welke zijn de belangrijke partijen en wat zijn hun belangen en machtsposities; hoe kan het besluitvormingsproces beter worden vormgegeven en wat is hierbij het belang van participatie en communicatie.
• Kennis over de maatschappelijke kosten en baten van waterprojecten: integratie van alpha, bèta en gamma kennis.

4) Ontbreken van een duidelijke visie ten aanzien van natuur en ruimtegebruik. Vooral ten aanzien van natuur is nog te weinig sprake van een gedeelde visie; veelal conflicteren verschillende natuurbeelden, bv. nieuwe waterrijke natuur en veenweide-natuur. Voor de verschillende regio’s moeten gedeelde natuurvisies worden ontwikkeld zodat het duidelijk wordt welke natuurtypen wenselijk en realistisch zijn.

Voortkomend uit deze succes- en faalfactoren worden in het volgende hoofdstuk een aantal ideeën geopperd die kunnen bijdragen aan de realisatie van een waterrijk Nederland.

5. Hoe nu verder?

In planvormingsprocessen zou meer dan nu gebruikelijk is, aandacht moeten zijn voor kennisontwikkeling en kennisoverdracht. In veel van de eerder geïnventariseerde projecten speelt kennisontwikkeling geen rol van betekenis meer. Kennis lijkt vooral een signalerende en initiërende rol te spelen. Juist bij de uitvoering van projecten komen echter belangrijke nieuwe kennisvragen naar voren. Veel van deze vereiste kennis is dan ook locatie-specifiek, zoals bijvoorbeeld het verwachte ecologisch succes van ingrepen, de te verwachte hinder van muggen en eventuele wateroverlast en de gevolgen voor de hydrologie in het plangebied. Hiernaast liggen nog er een aantal belangrijke kennisvragen op het raakvlak van economie en ecologie, zoals bijvoorbeeld kennis over de sociaal-economische kosten en baten van natte natuur, de verenigbaarheid van gebruiksfuncties met natuurfuncties en de ruimtelijke relaties tussen functies. Over het algemeen mag worden geconcludeerd dat Nederland ver ontwikkeld is wanneer het gaat op specialistische, veelal natuurwetenschappelijke en civiel technische kennis op het gebied van water, en lijkt toch vooral behoefte te zijn aan de ondersteuning van sociaal-maatschappelijke analyses van inrichtingsplannen en aan ondersteuning bij de organisatie van planvormingsprocessen.

Naast kennisontwikkeling moet ook de communicatie van kennis een belangrijke plaats krijgen. Communicatie is noodzakelijk om de draagkracht voor het project te vergroten. Communicatie alleen is echter niet voldoende. Om verschillende op het eerste gezicht tegenstrijdige partijen toch mee te krijgen in het proces zullen zij moeten worden betrokken in het ontwerp stadium zodat zij actief kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een plan. De participatie in dit stadium bewerkstelligt eveneens een grotere betrokkenheid en verantwoordelijkheid bij het welslagen van het project.

Kennisontwikkeling, communicatie en participatie zijn echter geen losstaande zaken, zeker niet wanneer het gaat om ruimtelijke planvorming en implementatie. Wij pleiten derhalve voor het opstarten van een aantal concrete innovatieve praktijkprojecten op watersysteemniveau (regionale schaal), met een stevige kenniscomponent. De projecten hebben een eigen projectgroep bestaande uit nationale, regionale en lokale overheid, waterschappen, maatschappelijke organisaties en projectontwikkelaars en hebben een eigen budget (orde fl. 50 mln. per project als stimulering vanuit de gezamenlijke departementen LNV, VROM, V&W en EZ). De regie is in handen van een overkoepelende overheid zoals de provincie. De projecten zouden moeten worden geselecteerd uit een aantal concurrerende voorstellen en worden beoordeeld op aandacht voor kennisontwikkeling, participatie en communicatie. De projecten zijn grootschalig (regionale schaal) en zijn gericht op het combineren van waterrijke gebieden met natuur-, recreatie- en woonfuncties en waterbeheer. Kandidaatprojecten voor zo’n aanpak zijn bijvoorbeeld een kwaliteitsimpuls voor het Groene Hart (ideeën voor een waterrijke metropool), waterberging in Noord Holland, natuur en recreatie in de Vechtstreek of grondwaterstandsverhoging in Brabant.

6. Samenvatting

In de lange traditie van het beheer van de watersystemen treedt een paradigma-verandering op, van keren naar beheren. Daarmee worden interesseveld en mogelijkheden verbreed. Water is niet langer een puur waterstaat-aangelegenheid, maar een zaak van alle ruimtegebruikers. Integraal waterbeheer wordt integraal beheer van ruimte en water.

Hierbij wordt het beeld opgeroepen van een water- en natuurrijk Nederland. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke inrichting van ons land is het echter moeilijk om dit beeld vorm te geven. Individuele projecten stagneren door maatschappelijke weerstand, lange grondverwervingsprocedures en een gebrek aan financiële middelen. Slechts een beperkt aantal relatief kleine en monofunctionele projecten wordt daadwerkelijk in uitvoering genomen. Terwijl grootschalige regionale projecten juist nodig zijn. Juist deze komen moeilijk van de grond vanwege:

1. Het ontbreken van directe urgentie: Het gaat om vele deelproblemen en deelbelangen die geen van alle voldoende belang hebben bij een langetermijnoplossing. Voor urgente deelproblemen (overstromingen) wordt veelal gekozen voor korte termijn oplossingen (dijkverzwaring en vergroten bemalingscapaciteit).

2. Het ontbreken van een centrale regisseur: de nieuwe rol van water overstijgt de gevestigde beleidsterreinen van de ministeries en andere overheden met als gevolg dat niemand het voortouw neemt.

3. Het ontbreken van de juiste kennis: de kennis is vanuit verschillende tradities gericht op deelproblemen en onvoldoende geëquipeerd om discipline overstijgende complexe problemen te ondersteunen. Het gaat hierbij zowel om natuurwetenschappelijke als om maatschappijwetenschappelijke kennis.

4. Het ontbreken van consensus over een duidelijke visie ten aanzien van natuur waarbij het gaat om keuzen tussen conserverend natuurbeheer en op ontwikkeling gericht natuurbeheer.

Aan de hand van praktijkprojecten, gekoppeld aan kennisontwikkeling (‘learning-by-doing’) kan ingespeeld worden op de belangrijke innovatiebehoeften. Belangrijke kennisvragen bevinden zich op het gebied van de landschaps- of systeemecologie (succes van inrichtingsmaatregelen, verenigbaarheid van functies en hun ruimtelijke relaties), bestuurlijke kennis (welke partijen, wat zijn hun belangen en machtsposities; hoe kan het besluitvormingsproces beter worden vormgegeven), en kennis over de maatschappelijke kosten en baten van waterprojecten.

Onder regie van bijvoorbeeld de provincie en met financiering van de verantwoordelijke departementen (LNV, VROM, V&W en EZ) zouden verschillende actoren moeten worden uitgedaagd om concurrerende regionale projecten te formuleren. Voor het welslagen ervan is het nodig aan deze projecten een stevige kenniscomponent te koppelen. De projecten zijn grootschalig (regionale schaal) en zijn gericht op het combineren van waterrijke gebieden met natuur-, recreatie- en woonfuncties en waterbeheer omdat gebleken is dat juist deze projecten in de praktijk moeilijk van de grond komen. De projecten hebben een eigen projectgroep bestaande uit nationale, regionale en lokale overheid, waterschappen, maatschappelijke organisaties en projectontwikkelaars en hebben een eigen budget (orde fl. 50 mln. gezamenlijke subsidie van de ministeries LNV, VROM, V&W en EZ). Stimuleringssubsidies kunnen worden toegekend op basis van competitieve inschrijving. Kandidaatprojecten voor zo’n aanpak zijn bijvoorbeeld een kwaliteitsimpuls voor het Groene Hart (ideeën voor een waterrijke metropool), waterberging in Noord Holland, natuur en recreatie in de Vechtstreek of grondwaterstandsverhoging in Brabant. Zo’n gerichte stimulering is absoluut nodig om te komen van de huidige ‘postzegeltjes’ aanpak naar een waarlijk water- en natuurrijk Nederland.

 

7. Literatuur

• Helmer, W., P. Vellinga, G. Litjens, H. Goosen, W. Overmars, E.C.M. Ruijgrok, 1996.
Meegroeien met de Zee - naar een veerkrachtige kustzone. Wereld Natuur Fonds, Zeist.

• Können, G.P. (red.), 1999. De toestand van het klimaat in Nederland 1999. KNMI, De Bilt.

• Ministerie van LNV, 1999. Water voor een vitaal platteland. Studie naar de ontwikkelings-perspectieven in het landelijk gebied bij een duurzaam waterbeheer. Concept.

• Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998. Waterkader, 4e Nota Waterhuishouding Regeringsbeslissing. Den Haag.

• Raad voor het Landelijk Gebied, 1998. Overvloed en schaarste: water als geld. Advies over de gevolgen van klimaatverandering, zeespiegelrijzing en bodemdaling voor het landelijk gebied.

• Stichting Blauwe Stad, 1997. Van idee naar werkelijkheid - eindrapport Stichting Blauwe Stad. Groningen.

• WL-Delft, Bureau Stroming, 1998. Levende Berging. Verkennende studie naar uitbreiding van berging in Noord Hollands Noorderkwartier.

 

 

Trendbreuk in Waterland

 

Dr. P.T.J.C. van Rooy, Accanto B.V.

Dr.ir. M.J. van der Vlist, RIZA

Ir. P.A.E. van Erkelens, WRD

Ir. K.J. Hoogsteen, NV WMD

 

Inhoud

 

1. Trends in de 21e eeuw 65

2. Opgaven voor waterbeheer 68

3. Rol van kennis: 8 stellingen 69

4. Literatuur 73

 

1. Trends in de 21e eeuw

Aanleiding

In de startnotitie (AWT, NRLO, RMNO; 24.6.99) wordt het thema beheer van waterkringlopen geplaatst in de wisselwerking tussen systeem en bestuur. Waterkringlopen worden in de notitie breed opgevat en als overkoepelend begrip gebruikt voor zowel waterketen (een grotendeels technologisch beheerste kringloop) als watersysteem (een grotendeels natuurlijke kringloop), waarbij nog een onderverdeling gemaakt kan worden tussen grondwaterbeheer en oppervlaktewaterbeheer (kwaliteit & kwantiteit). In dit essay staat het beheer van waterketen en watersysteem centraal.

Trend 1: Water krijgt zijn prijs

Wat is er aan de hand in waterland. De waterwereld is in bestuurlijk opzicht danig in de weer en danig in verandering. Dit geldt zowel voor de watersystemen als voor de waterketen. Met betrekking tot de watersystemen hebben de hoogwaters en de wateroverlast duidelijk gemaakt dat de waterhuishouding en het beheer daarvan een herijking behoeven. De mate waarin staat evenwel ter discussie. Ook de ontwikkelingen in de waterketen, het rioolbeheer, de zuivering en de drinkwaterproductie laten grote activiteiten zien. Nieuwe actoren betreden het veld, nieuwe coalities tussen bestaande partijen ontstaan en vreemd kapitaal dringt de sector binnen.

Het valt te voorzien dat beide ontwikkelingen, dus zowel die met betrekking tot watersystemen als de waterketen tot eenzelfde consequentie leidt: namelijk de beprijzing van water.

De hoogwaters en wateroverlast hangen enerzijds samen met veranderingen in klimaat, de zeespiegelstijging en de toename van de neerslag en de verandering van de neerslagverdeling in de tijd, anderzijds met de hoeveelheid geïnvesteerd kapitaal in onroerend goed en de toegenomen bevolkingsdichtheid. Met andere woorden de kans op overstroming en wateroverlast neemt toe terwijl tegelijkertijd als gevolg van de intensivering van het grondgebruik de schade (economisch, slachtoffers) ook sterk toeneemt (vergelijk de Marsroutebenadering/Overstromingsrisicobenadering; TAW/DWW). Een bijkomende factor is dat het rijkswaterbeheer en regionaal waterbeheer bij het voorkomen van overstromingen en wateroverlast nauw met elkaar blijken samen te hangen. Het watersysteem gedraagt zich derhalve in toenemende mate als systeem, dat wil zeggen: de diverse elementen blijken ook daadwerkelijk samen te hangen.

Deze complexe samenhang tussen regionale en rijkswateren wint aan betekenis: te veel water is een grote schadepost, te weinig water maakt water in toenemende mate schaars. En schaarse goederen roepen verdelingsvraagstukken op en verdelingsvraagstukken leiden tot afweging en mogelijk ook tot prijsstelling. In positieve zin dat wil zeggen als schaarste: water wordt een commercieel product.

In negatieve zin dat wil zeggen als overvloed: bescherming tegen overlast is vooralsnog een collectieve zaak, die behartigd wordt door de overheid. Of de overheid alle risico’s wil blijven dragen is echter maar zeer de vraag. Een deel van het risico zal via de bedrijfstakken of via particuliere verzekering moeten worden afgedekt. Ook waterovervloed leidt derhalve tot beprijzing van het risico op schade.

De watersector laveert derhalve tussen overvloed en schaarste. Maar beide uitersten leiden in onze samenleving met een zeer intensief ruimtegebruik tot beprijzing; als product en als te verzekeren of te weren risico.

Trend 2: Opschaling van processen: de bredere context van het waterbeheer in de 21e eeuw

De beprijzing van water moet tegen de achtergrond van twee verschillende ontwikkelingen worden geplaatst. We leven in een tijd waarin de woorden globalisering, internationalisering, regionalisering en individualisering over elkaar heen buitelen. Heel verschillende ontwikkelingen en tegengestelde tendensen lijken achter deze begrippen schuil te gaan. Waar gaat het om.

We maken hier een onderscheid tussen twee assen namelijk die van globalisering/internationalisering en individualisering enerzijds en federatievorming en regionalisering anderzijds. Met de eerste as is een maatschappelijke ontwikkeling aangegeven waarin twee uitersten te onderkennen zijn: globalisering en individualisering. Met de tweede as wordt geduid op staatsvormingsprocessen, waarin ook twee uitersten zijn te onderscheiden: de opschaling in de vorm van de federatievorming (eenwording van Europa) en de regionalisering van de besluitvorming (maatwerk).

Trend 3: Globalisering en individualisering

Met globalisering en internationalisering wordt geduid op een ontwikkeling waarin economische processen van handel en productie op steeds grotere schaal plaatsvinden. Bedrijven, banken, verzekeringsmaatschappijen opereren op wereldschaal. Nationale grenzen lijken daarbij van steeds minder betekenis. De ontwikkeling van de informatietechnologie speelt hierin een cruciale rol. De hypotheek-aanbiedingen van de Bank of Scotland op Internet zijn hiervan een sprekend voorbeeld. In deze processen spelen vraag en aanbod een belangrijke rol. De markt vormt een belangrijk coördinatiemechanisme.

Individualisering duidt op de afname van territoriaal gebonden collectieve verbanden zoals dorpen, streken. Ieder heeft een specifiek levenspad en loopbaanplanning of wooncarrière. Het reizen naar de zon, het reizen naar werk, e.d. staan centraal. Bereikbaarheid en mobiliteit zijn belangrijke dragers voor de individualisering. Volgens sommigen gaat het zelfs om een grondrecht, zoals de VVD onlangs betoogde. De VROMraad (onder meer Hafkamp) meent dat we de automobiliteit moeten appreciëren.

Trend 4: Federatievorming en regionalisering

Met Europeanisering wordt geduid op het verschijnsel van federatievorming zoals dat al enige tijd binnen Europa aan de orde is. Met Europeanisering wordt geduid op een opschaling in de staatsvormingsprocessen. We worden burgers van Europa. Vele bevoegdheden van de nationale overheden worden overgedragen aan Europa en de inwoners van Europa worden in toenemende mate Europees burger. Deze staatsvorming kent twee kanten; burgers binnen de Europese Unie krijgen dezelfde rechten, mogen vrij reizen e.d. Daarnaast kunnen bedrijven zich overal vestigen en is er sprake van vrije mededinging binnen de Europese Unie.

Wat betreft wet- en regelgeving met betrekking tot de fysieke omgeving zien we een ontwikkeling waarin de Europese Unie enerzijds normen voorschrijft voor drinkwater, nitraatrichtlijn e.d. anderzijds richtlijnen formuleert waarin kaders voor regionale besluitvorming worden aangegeven.

Regionalisering duidt op de ontwikkeling dat besluitvorming over de kwaliteit van de leefomgeving op een steeds lager schaalniveau plaatsvindt in regionale en lokale planvormingsprocessen. Het op maat snijden van beleid, van opleidingen e.d. hangt hier ten nauwste mee samen. Het proces van regionalisering van de besluitvorming hangt nauw samen met waarden. Is binnen de federatievorming een sterke gerichtheid op normen en normstelling waar te nemen; in regionalisering en planvorming is juist de normdifferentiatie gekoppeld aan waarden van groot belang. Het Europa van de regio’s behoort bij dit proces.

De genoemde processen staan niet los van elkaar. De globalisering en internationalisering van de wereldhandel gecombineerd met de informatietechnologie, leiden er toe dat de productie van goederen steeds meer footloose wordt. Het maakt niet zo veel uit waar iets geproduceerd wordt als de logistiek van de afzet en aanvoer van goederen en de informatie over markten maar binnen handbereik is. Als gevolg van dit footloose worden, wordt de fysieke omgeving in de zin van visitekaartje, een steeds belangrijker gegeven bij de vestiging van bedrijven. Het imago van het bedrijf hangt mede samen met de kwaliteit van de locatie voor het bedrijf zelf en voor de (hogere categorieën) werknemers met de kwaliteit van de leefomgeving. De kwaliteit van de leefomgeving wordt als vestigingsfactor een steeds belangrijker gegeven. Om mensen aan een bedrijf te binden moet er een goede leefomgeving zijn. De kwaliteit van die leefomgeving zowel in sociale als fysieke zin is in toenemende mate het onderwerp van de regionale en lokale planning; dit proces wordt wel regionalisering genoemd. De besluitvorming over die leefbaarheid hangt nauw samen met de waarden van de plaatselijke bevolking. Gebiedsgerichte processen zijn het voertuig van deze ontwikkeling.

Er is ook een interessante relatie tussen globalisering en individualisering. Als gevolg van de toegenomen verbindingsmogelijkheden (zowel wat reizen betreft als wat communicatie betreft) in combinatie met de toegenomen welvaart en vrije tijd hebben individuen de mogelijkheid om de wereld te verkennen, op vakanties te gaan in andere landen en andere wereld delen. De wereld ligt ook in die zin om de hoek. We surfen letterlijk en figuurlijk (virtueel) de wereld rond.

Het ‘Think global, act local’ principe als slogan gebezigd aan het begin van de jaren tachtig, is inmiddels een alledaagse werkelijkheid geworden zowel voor bedrijven en overheidsorganisaties als voor individuen.

Trend 5: Wat mogen we nu verwachten?

De eerste tendens van internationalisering en globalisering van de wereldeconomie en het streven naar vrije mededinging op een in geografische zin steeds
grotere markt laat de watersector niet onberoerd. Het product drinkwater wordt een product als alle andere. Koppelverkoop, aanscherping
van prijzen, het veroveren van marktaandelen behoren bij deze ontwikkeling. Juist de
waterketen lijkt gevoelig voor deze ontwikkeling. Efficiënte productie binnen de omgeving van de markt is hierbij het organiserend principe.

De tweede tendens van regionalisering en individualisering leidt tot een vergrote aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving opgevat als vestigingsklimaat, woonklimaat en als recreatie- of ontspanningsruimte. De eisen aan de omgeving die samenhangen met het imago of de site worden daarmee steeds belangrijker. De kwaliteit van een plek wordt bepaald door het criterium: a place to be.

Ook deze ontwikkeling laat de waterwereld niet
onberoerd. De meeste aangrijpingspunten liggen hier in het omgevingsbeleid. De waterwereld zal hierbij aan moeten sluiten als een van de kwaliteitsmakers. Internationalisering heeft hier niet de betekenis van schaalvergroting van markten, maar van het stellen van kaders voor grotere groepen van burgers in de bescherming van hun belangen bij een goed leefklimaat en een veilig leefklimaat. De Europese kaderrichtlijn water kan in dit licht worden geplaatst. De stroomgebiedsplannen moeten vooral ten aanzien van de waterkwaliteit leiden tot verbeteringen onder meer door meer samenhang aan te brengen tussen de diverse delen van en activiteiten in een stroomgebied. De relatie met de provinciale omgevingsplannen en lokale plannen gericht op de leefbaarheid is heel direct van belang, hoewel die relatie thans nog niet sterk gelegd wordt.

Hoewel de ontwikkelingen nog niet scherp aan te geven zijn, kunnen op grond van het voorgaande op basis van de gesignaleerde trends vier opties worden geconstrueerd.

Het waterbeheer zal verder uit elkaar worden getrokken. Het waterketenbeheer zal zich ontwikkelen in de sfeer van de globalisering en federatievorming: de schaal waarop wordt geopereerd wordt vergroot; de Europese Unie stelt kwaliteitseisen en voorziet in vrije mededinging. Het watersysteembeheer zal zich ontwikkelen in de richting van regionalisering van de besluitvorming, waarbij waarden omtrent de fysieke omgeving en de kwaliteit daarvan in relatie tot het grondgebruik doorslaggevend zullen zijn.

Opvallend is dat de genoemde trends tot tegengestelde reacties leiden in het beheer van de waterketen en het watersysteem.

Het eerste en derde kwadrant zijn niet ingevuld. De inhoud ervan is, gezien de hiervoor geschetste trends, ook niet goed voorstelbaar. Het gaat dan om commercieel te exploiteren watersystemen en in geval van het derde kwadrant gedetailleerde normstelling met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke omgeving.

2. Opgaven voor waterbeheer

In het voorgaande is het spanningsveld geschetst waarin het waterbeheer zich bevindt. De vermaatschappelijking van de waterwereld zal zich doorzetten. Het waterketenbeheer zal een bedrijfstak worden als alle andere (technologie en markt als driving forces) en het watersysteembeheer zal in toenemende mate onderhevig worden aan regionale besluitvormingsprocessen (maatwerk, gebiedsgericht, waardengericht). Is de waterwereld geëquipeerd om deze uitdagingen aan te gaan. Staat de waterwereld open voor deze veranderingen en heeft ze passende antwoorden of dreigt ze in een isolement te komen? Met integraal waterbeheer is de deur open gezet naar de wereld buiten het waterbeheer. Maar is het waterbeheer ook ontvankelijk voor de ontwikkelingen erbuiten?

Meestribbelen ombuigen naar uitstippelen

Zevenhonderd jaar met succes strijden tegen water heeft een schier onuitwisbaar stempel gedrukt op de cultuur van de waterwereld. Ging het aan het begin van het tweede millennium om de fysieke bescherming van duizenden terpen, aan het prille begin van het derde millennium gaat het om bescherming van verworven rechten door een kleine duizend koninkrijkjes. Overheden wel te verstaan, die in het verleden zijn ingesteld om een bepaalde taak in te vullen. Een deel ervan geeft nog steeds blijk van angst voor water en de meeste organisaties houden het liever bij het doen van een gezamenlijk project dan over te gaan tot het bundelen van krachten. Lange tijd is deze onuitgesproken strategie uitvoerbaar geweest. Mondialisering van de economie, Europeanisering van de landbouw en democratisering van kennis maken dat deze strategie niet meer houdbaar is. Buiten de waterwereld wordt harder gelopen voor het in praktijk brengen van een nieuwe kijk op water dan door de waterwereld zelf. Met de aanloop tot de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening wordt vanuit de ruimtelijke ordening water naar voren geschoven als leidend beginsel bij de verdere inrichting van Nederland, het aankomende streekplan voor Noord-Brabant gaat beduidend verder met de vermaatschappelijking van waterbeheer dan het waterhuishoudingsplan, een grote bouwcombinatie (Dura Vermeer Groep) komt met een concept voor een drijvende stad, het naar de beurs lonkende NUON ontwikkelt zich tegen alle dromen over waterketens in tot een multi-utility company met gas, stroom én water in het pakket, Amerikaanse ondernemingen kopen meerderheidsbelangen in Nederlandse rwzi’s, het Wereldnatuurfonds is de aanjager geweest voor programma’s als Ruimte voor de Rivier en de Consumentenbond staat klaar om het nieuwe financieringsstelsel voor waterbeheer te kritiseren als een nieuwe jas voor de gedateerde trits belang-betaling-zeggenschap. De waterwereld blijft achter de feiten aanlopen, ook als het over water gaat en gaat daarmee het ene verlies na het andere tegemoet.

Dé opgave ligt in het doorbreken van de cultuur van angst, van consolidatie van eerdere verworvenheden en van bogen op het verleden. Daarmee ligt de opgave in pro-activiteit en het ombuigen van een mentaliteit van meestribbelen in uitstippelen. Alleen daarmee kan kennis uit zeven eeuwen achter ons ten goede komen aan zeven eeuwen die voor ons liggen.

Meer kleur in het personeelsbestand

Een belangrijke verklaring in het dreigend maatschappelijk isolement van de waterwereld ligt in de samenstelling van het personeel. Veruit de meeste medewerkers zijn technisch geschoold en het management van organisaties heeft relatief vaak een juridische achtergrond. Deze combinatie biedt voldoende garantie voor een oplossingsgerichte en normengestuurde doe-cultuur. Het is een cultuur waar alfa, gamma en laat staan delta-kennis slecht gedijen. Als gevolg hiervan zijn grote delen van organisaties nagenoeg blind voor emoties rondom water, esthetiek van watersystemen en het ervaren van water en zijn waterorganisaties nauwelijks in staat op strategisch beleidsniveau lijnen uit te zetten. De opgave ligt in dit verband in het ontwikkelen van een maatschappelijk toekomstbeeld van de waterwereld en het uitstippelen van een zeer doordacht personeelsbeleid. Immers, elke nieuwe medewerker bij een waterorganisatie kan voor dertig jaar een plaats bezet houden en als dat een ongewenste bezetting is betekent het een rem voor de gewenste ontwikkeling.

Inzicht in functioneren van eigen waterwereld

Ondanks de vele organisaties die watertaken uitvoeren en de vele personen die werkzaam zijn binnen de waterwereld is het inzicht in het functioneren van de waterwereld dun gezaaid. Dat er bijvoorbeeld een duidelijk onderscheid te maken is tussen de waterketen en het watersysteem is voor velen nog onontgonnen terrein. Laat staan het inzicht dat waterketens en milieu bij elkaar horen vanwege de normgerichte oriëntatie en dat watersystemen en ruimtelijke ordening bij elkaar horen om reden van de ruimtelijke component van watersystemen. Velen zien weinig verband tussen deze ontwikkelingen. Zij ervaren de vele notities als een bombardement van luchtballonnen die met een beetje wind overwaait. De opgave voor de waterwereld ligt in het inzichtelijk maken van het functioneren van het eigen werkterrein. Gezien de snelheid waarmee maatschappelijke ontwikkelingen zich voltrekken is daar haast bij. De tijd dat 15 jaar kon worden uitgetrokken om het gedachtengoed achter integraal waterbeheer te verspreiden is er niet meer. De waterwereld zal beduidend assertiever moeten opereren dan in het recente verleden. Zo konden deelnemers van themadagen op een uiterst veilige manier kennismaken met natuurvriendelijke oevers, actief biologisch beheer, vismigratie, waterbodemverontreiniging, verdroging, beekherstel, helofytenfilters, iba’s, wadi’s, infiltratie, marktwerking en modellen op maat. En zo wiegden zij elkaar naar een denkbeeldige, technisch gedefinieerde toekomst, terwijl onderwijl de NUONs een beursnotering aan het voorbereiden waren.

3. Rol van kennis:
8 stellingen

Stelling 1: Cultuur van de waterwereld

Vrijwel alle voor duurzaam waterbeheer noodzakelijke kennis is aanwezig binnen een of meerdere organisaties of onderzoeksinstellingen. Dit geldt zowel voor de alfa-, bèta- en gamma-kennisvelden. De waterwereld is echter sterk gericht op de bèta-kennis. De inzet van kennis is dus veel minder afhankelijk van de beschikbaarheid ervan, dan van de cultuur van de waterwereld.

Toelichting

De waterwereld is vanouds een bolwerk van technisch opgeleide specialisten met een top bestaande uit relatief veel juridisch geschoolden. De combinatie van beide disciplines is een bekende succesformule voor het uitvoeren van concrete operationele opdrachten. Reeds jarenlang bestaan er hechte relaties tussen enkele universiteiten (met name TU-Delft), de publieke waterwereld en de private wereld van de ingenieursbureaus. Afgestudeerden ontmoeten elkaar vanuit uiteenlopende rollen en konden dertig jaar lang werken vanuit eenzelfde kennisperspectief aan rioolwaterzuiveringsinrichtingen, dijken, dammen en grote waterbouwprojecten. Dit beeld is weliswaar aan slijtage onderhevig, maar het dominante kennisperspectief vormt nog steeds een vast onderdeel van de cultuur van deze beroepsgroep. Alfa- en gamma-kennis wordt slechts mondjesmaat toegelaten. Het bewustzijn van het belang van integrerende en strategische delta-kennis wordt in toenemende mate onderkend maar de ontwikkeling ervan staat nog in de kinderschoenen. De meeste organisaties binnen de waterwereld ervaren alfa en gamma kennis en de dragers ervan als een ‘Fremdkörper’. Een advies van bureau X of Y is vele malen veiliger, want vooraf grotendeels bekend.

 

Stelling 2: Personele samenstelling van de waterwereld

De bemensing van de waterwereld is bepaald geen afspiegeling van de maatschappij. Vergeleken met organisaties en diensten van rijk, provincie en gemeente werken er in de waterwereld vooral blanke mannen met een in politiek opzicht conservatieve achtergrond. In de waterwereld is van de bestuurders slechts 4% vrouw. Van de burgemeesters is 17% vrouw en in de Tweede Kamer bezetten vrouwen 36% van de zetels. Deze eenzijdigheid in samenstelling is niet bevorderlijk voor de introductie van nieuwe kennis en inzichten.

Toelichting

De waterwereld is grotendeels gesloten. Deze geslotenheid kan worden verklaard door de combinatie van twee factoren namelijk een maatschappelijk breed geaccepteerde oplossingsrichting en een specifieke beroepsgroep. De oplossingsrichting betreft de belofte dat met technische middelen de veiligheid gewaarborgd en de wateroverlast tot een minimum beperkt kan worden. Op de kenmerken van de beroepsgroep is in de toelichting op stelling 1 ingegaan. Met de genoemde combinatie van factoren was de noodzaak van de waterwereld om zich te oriënteren op de buitenwereld klein: de oplossingsrichting staat immers niet ter discussie. Tegelijkertijd toont de buitenwereld weinig interesse voor de waterwereld. De waterwereld is niet interessant voor vrouwen en andersdenkende mannen en het aandeel alfa en gamma kennis in de studierichtingen aan de universiteiten blijft marginaal. Binnen de waterwereld zijn concrete programma’s nodig om het personeelsbestand te verrijken. Het bewust aantrekken van vrouwen en meer op beleving gerichte mannen is geen doel maar een middel om de vermaatschappelijking van de waterwereld tot stand te brengen. Daarmee kan de waterwereld zich openen in een tijd waarin geen ruimte meer is voor gesloten organisaties. De waterwereld zal actief met zijn omgeving moeten communiceren. Wil de waterwereld de aansluiting met de buitenwereld niet missen en dus gelegitimeerd blijven worden, dan zal de vermaatschappelijking van de waterorganisaties gelijke tred moeten houden met de vermaatschappelijking van de watervraagstukken.

Stelling 3: Afweging kosten en baten

Het waterbeleid heeft zich ontwikkeld van sectorbeleid naar facetbeleid. Deze ontwikkeling vergt een anders omgaan met kosten en baten dan tot nu toe het geval is geweest. De kosten van het waterbeheer worden/werden direct gekoppeld aan de baten van het ruimtegebruik van land en water op locale schaal. Watersysteembeheer vergt daarentegen een integrale analyse en afweging van kosten en baten op regionale schaal.

Toelichting

Het waterbeheer in grote delen van Nederland is gericht op het beantwoorden van de vraag naar water vanuit - bijvoorbeeld - de landbouw. De kosten van specifieke eisen aan het waterbeheer, zoals drooglegging en het handhaven van een bepaald zoutgehalte, worden niet in verband gebracht met de baten van het ruimtegebruik. Tien jaar geleden is een eerste poging gedaan om een integrale kosten/baten-analyse te maken van de uienteelt in Zeeland. Hieruit bleek dat tegenover elke kilo uien een gulden aan waterkwaliteitsbeheer staat. Door deze kosten van het watersysteembeheer expliciet te betrekken bij de kosten van het ruimtegebruik kan in meerdere opzichten winst worden behaald. Te denken valt aan de vermaatschappelijking van watersysteembeheer, verhoging van de kwaliteit van de politieke besluitvorming (waterkwantiteitskosten bleven buiten beeld in geval van IJburg), tegengaan van irreversibele en ongunstige ruimtelijke ingrepen (zoals de Waalsprong) en een eerlijker afweging van de baten van natuur (namelijk het ontbreken van kosten).

Stelling 4: Oriëntatie op normen en waarden

In Nederland is water het beleidsveld binnen het omgevingsbeleid met de oudste rechten. Het ging achtereenvolgens om droge voeten, drinkwaterwinning, riolering, waterzuivering, peilbeheer, integraal (bèta-gericht) waterbeheer, en ruimte voor water. Eeuwenlang speelden normen en normstelling een centrale rol in het waterbeheer. Met de toenemende afstemming tussen waterbeheer en ruimtelijke ordening (functietoekenning, water als ordenend principe e.d.) neemt de betekenis van waarden in het watersysteembeheer toe. Het waterketenbeheer maakt een andere ontwikkeling door; in toenemende mate doen vormen van marktwerking hun intrede. Het waterbeheer laat zich derhalve steeds minder door een en dezelfde bril bezien. Watersysteembeheer en waterketenbeheer verdienen het expliciet met een andere bril bekeken te worden. Een waterbril voldoet niet meer.

Toelichting

De waterwereld is sterk gericht op het voldoen aan normen. Het juridisch geschoolde bestuur of management geeft de denkbeeldige eindstreep aan en de technisch geschoolden kunnen recht op hun doel afgaan. Voor de waterketen (de trits waterwinning, bereiding drinkwater, distributie, riolering, waterzuivering, lozing) is dit normgerichte denken en doen grotendeels toereikend. Voor peilbeheer, als onderdeel van het watersysteembeheer, zijn normen eveneens van groot belang. Dit alleen al vanwege de helderheid voor de ruimtelijke ordenaars. Voor watersysteembeheer in de zin van beheer, in plaats van (water-)beheersing, zijn waarden van veel groter belang. Bij de strategische discussie over de verdeling van het schaarse water (naar tijd en ruimte) en de schaarse ruimte spelen waarden een centrale rol. In waarden georiënteerde discussies kan worden bepleit dat water een ordenende rol dient te vervullen in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Om adequaat te kunnen inspelen op het toenemend belang van waarden in het watersysteembeheer is het zaak dat mensen die hiervoor belangstelling tonen en er talent voor hebben niet worden afgestraft voor ‘hun vaag gepraat’. Het waterketenbeheer en het watersysteembeheer ontwikkelen zich in een verschillende richting. Bij het watersysteembeheer is het streven gericht op leefbaarheid op regionaal, terwijl bij het waterketenbeheer het streven voor gericht is op doelmatigheid van winning, productie, distributie, inzameling en zuivering op bovenregionaal c.q. Europees niveau.

Stelling 5: Waterketen en kennisontwikkeling

De kwaliteit van het drinkwater in Nederland is vergeleken met andere landen zeer goed. Er is veel technische kennis beschikbaar. De verdere kennisontwikkeling ter verbetering van het waterketenbeheer kan het beste worden aangestuurd door partijen die direct belang hebben bij het functioneren van de waterketen.

Toelichting

Als de rijksoverheid, al dan niet onder druk van de EU, besluit tot het verlenen van concessies voor de exploitatie van de waterketen binnen een bepaald gebied, dan kan de kennisontwikkeling het beste worden overgelaten aan de betreffende private partijen. Deze partijen zijn immers het meest gebaat bij een goed functionerend systeem. Voorwaarde is wel dat de rijksoverheid strikte regelgeving en de handhaving verzorgt. De bemoeienis van de overheid bij de ontwikkeling op de waterketen gerichte kennisontwikkeling kan dan beperkt blijven tot haar zorg tot controle en handhaving.

Stelling 6: Delta-Instituut en Delta-kennis

Sinds het begin van de 20e eeuw zijn er diverse onderzoekinstituten en universitaire opleidingen van de grond gekomen. De taakstelling was onder meer gericht op de drooglegging van gronden en de verbetering van de toen slechte waterkwaliteit van de oppervlaktewateren. In samenwerking met andere onderzoeksinstellingen en waterbeheerders is er sindsdien een enorme inspanning geleverd met als resultaat dat onder meer de waterkwaliteit aanzienlijk is verbeterd. Om een gamma georiënteerd watersysteembeheer te ontwikkelen is een kwalitatieve stap nodig. Een noodzakelijk element daarin is het instellen van een Delta-Instituut. Belangrijke taakstelling is het ontwikkelen van een gamma en waarden georiënteerd integraal deltabeheer.

Toelichting

De huidige situatie binnen de verkokerde waterwereld vraagt om een nieuw initiatief: een Delta Instituut voor alfa, bèta en gamma en vooral overkoepelende delta-kennis. Het doel van dit instituut is de ontkokering en ontschotting te vergemakkelijken en te versnellen. Daarnaast dient het Instituut ertoe om de internationale positie van Nederland als waterkennisland niet verder te laten verzwakken. De wording van een dergelijk instituut zal enige tijd vergen, maar kan wel in gang gezet worden door de start van een afdeling: namelijk strategie. Binnen die afdeling staat het delta denken centraal. De afdeling bestaat uit 25 medewerkers uit verschillende kennisvelden. Het gaat om toptalent, dat het als een eer beschouwt om te mogen werken in het Delta-Instituut. Zij krijgen een contract voor vier jaar. Het (begin van het) Delta-Instituut kent een stichtingsvorm met een bestuur met leden uit de private en de publieke sector. Jaarlijks legt de afdeling aan het bestuur van de stichting een uitvoeringsprogramma voor, gericht op het voorliggende jaar en een evaluatierapport van het achterliggende jaar. Het bestuur ziet er op toe dat in geestelijke vrijheid kan worden gewerkt en dat er niet in vrijblijvendheid aan hobby’s wordt gewerkt. Het Delta Instituut zou kunnen worden gefinancierd door de participanten (overheden, bureaus, belangenorganisaties) en uit bètaalde opdrachten. Te denken valt aan een verhouding van 1: 1. Met de spraakmakende producten van het Delta-Instituut kan Nederland haar internationale positie op de wereldwaterkaart versterken.

Stelling 7: Rondpompen van informatie

Er zijn veel te veel mensen werkzaam in de waterwereld in verhouding tot de kernactiviteiten. Met minder mensen neemt de kans toe dat kennis wordt ingezet waarvoor die bedoeld c.q. noodzakelijk is. Daarmee komt de kennis meer ten goede aan de vooruitgang in het waterbeheer.

Toelichting

De ontwikkeling van het waterbeheer heeft een toename van het aantal instituties laten zien die zich bezig houden met water. Eerst was er de zorg voor droge voeten (waterschappen en rijkswaterstaat), toen de drinkwaterwinning (drinkwaterbedrijven), de riolering (gemeenten), de afvalwaterzuivering (rijkswaterstaat en zuiveringschappen) en tot slot integraal waterbeheer (vele partijen). Deze partijen werken allemaal vanuit de gedachte van integraal waterbeheer en als gevolg daarvan ontstaat er in toenemende mate overlap. Informatie wordt steeds meer rondgepompt. Dit spel van actoren binnen de eerder genoemde geslotenheid van de waterwereld maakt de democratische legitimering niet eenvoudig. De besluitvorming en de financieringsstructuur zijn voor burgers ondoorzichtig. Ze betalen inkomstenbelasting voor de waterstaat en waterkeringszorg (rijk en provincies), ze betalen een prijs voor het drinkwater aan het drinkwaterbedrijf, ze betalen rioolheffing aan de gemeente, ze betalen een kwantiteitsomslag aan het waterschap en een zuiveringsheffing aan het waterschap. Veel van dat geld gaat zitten in arbeidskosten. In tijden van ernstige werkloosheid van hoger opgeleiden is het voorstelbaar dat een maatschappij hiervoor kiest in plaats van verhoging van het werkloosheidspercentage. In tijden van een grote en naar alle waarschijnlijkheid verder toenemende vraag naar hoger opgeleiden is het om twee redenen niet verantwoord de huidige situatie in stand te houden. Het frustreert vooruitgang in het waterbeheer en het remt op grotere schaal de democratisch bepaalde wil tot verdere maatschappelijke ontwikkeling van het deltabeheer.

Stelling 8: Beheer van stroomgebieden

Gezien de opschaling van het operationele waterbeheer, als gevolg van de fusies tussen waterbeheerders, en de opschaling van het strategisch waterbeheer als gevolg van de kaderrichtlijn water, overvleugelt het waterbeheer/ beleid in toenemende mate de schaal van provincies en gemeenten en ontstaat er een onevenwichtigheid tussen de planstelsels van ruimtelijke ordening, milieubeheer enerzijds en dat van de waterhuishouding anderzijds. Het water laat zich steeds minder goed voegen naar de lagen van het Nederlands openbaar bestuur. Het lijkt mede gezien het toenemende belang van water in de ruimtelijke ordening (veiligheid, wateroverlast, voorkomen afwenteling en ordening van functies zinvol om te overwegen het waterhuishoudkundig strategisch beleid volledig op te laten gaan in het ruimtelijk ordeningsbeleid op voorwaarde dat in dit water-ruimte beleid interprovinciale stroomgebieden duidelijk herkenbaar zijn. Het operationeel beheer zal moeten worden gericht op de relaties tussen stroomgebieden en deelstroomgebieden om de afwenteling van waterkwaliteitsproblemen en waterkwantiteitsproblemen te voorkomen dan wel tegen te gaan. Dit vergt een stringentere coördinatie tussen rijks- en regionaal waterbeheer.

Toelichting

Bij het ontwerp van het planstelsel van de waterhuishouding golden de planstelsels van ruimtelijke ordening en milieubeheer als voorbeeld. De gelaagdheid van het openbaar bestuur speelt daarbij een belangrijke rol. De Nota Waterhuishouding kreeg zijn plek, een provinciaal waterhuishoudingsplan werd in het leven geroepen en de waterbeheerders werden verplicht om een waterbeheersplan/beheersplan rijkswateren te maken. Aan dit ontwerp liggen twee veronderstellingen ten grondslag. De eerste veronderstelling betreft de relatie tussen problematiek en schaal van besluitvorming. Over water kan besloten worden in de lijn rijk-provincie-waterschap. De tweede veronderstelling betreft de relatie tussen ruimte en water. Water heeft geen ordenende positie ten opzichte van het ruimtegebruik maar creëert waterhuishoudkundige condities ten behoeve van het ruimtegebruik. Beide veronderstellingen staan onder druk. De opschaling van het operationeel waterbeheer en de Europese kaderrichtlijn water passen niet naadloos in het bestaande planstelsel, dan wel laat het planstelsel van de waterhuishouding uit de pas lopen met beide andere. De tweede veronderstelling heeft ook zijn beste tijd gehad. Water moet niet dienend zijn, maar moet ordenend zijn voor de ruimte. Doorgedacht naar de toekomst is het de vraag of een provinciaal waterhuishoudingsplan naast een provinciaal streekplan recht van bestaan heeft, dan wel dat beide plannen in elkaar geschoven zouden moeten worden. De eerder vermelde waarden georiënteerdheid van watersysteembeheer wijst in dezelfde richting. Dit betekent wel dat in de ordening van functies meer rekening gehouden moet worden met het voorkomen van afwenteling van waterkwaliteits- en waterkwantiteitsproblemen. Op dat punt zal de waterbeheerder zich sterk moeten maken. Dit betekent ook een anders omgaan met functietoekenning. Functietoekenning leidt in het huidige denken tot waterhuishoudkundige functie-eisen (kwaliteit, kwantiteit en inrichting). Wanneer afwenteling centraal wordt gezet betekent dat de functietoekenning een afgeleide is van de afwenteling en dat er om afwenteling te voorkomen een herordening van functies tot de mogelijkheden moet behoren. Een dergelijke gedachte kan aansluiting vinden bij de ruimtelijke ordening, Immers ook daar wordt afgestapt van een stringente functietoekenning en wordt meer gekeken naar het geleiden van ruimtelijke processen en investeringen.

4. Literatuur

• Hidding M.C. & M.J. van der Vlist, 1996. Naar een samenhangend omgevingsbeleid voor landelijke gebieden; gebiedsgerichte strategieën als brug tussen keten en groene ruimte. In: ruimtelijk milieu of milieu ordening; kansen voor vergaande samenwerking. Vijf essays ter voorbereiding van de Nota Milieu en Ruimte. RPD/DGM, Den Haag.

• Rathenau Instituut, 2000. Kansen en dilemma’s bij het streven naar een duurzame waterhuishouding in het stroomgebied van Kromme Rijn en Vecht. Den Haag.

• Rooy P.T.J.C. van, 1999. Het beleidsveld water. Het Waterschap 1999 nr. 1.

• Rooy P.T.J.C. van, H.A.T.M. van Wezel & M.R.A. Clewits, 1999. Duurzaam waterbeheer in de praktijk. Het Waterschap 1999 nr. 23/24.

• STOWA, 1997. Interactieve planvorming gericht op effectiviteit en acceptatie. Utrecht.

• STOWA, 2000. Visienotitie waterketens. Utrecht.

• TAW, 1998. Grondslagen voor waterkeren. Den Haag.

• Vlist M.J. van der, 1998. Duurzaamheid als planningsopgave; gebiedsgerichte afstemming tussen de ruimtelijke ordening, het milieubeleid en het waterhuishoudkundig beleid voor de landelijke gebieden. Landbouwuniversiteit Wageningen (dissertatie).

 

 

 

 

 

 

Betrokkenheid van burgers in het waterbeheer

 

Ir. G.D. Geldof, TAUW/UT

Dr. J. Grin, UvA

Prof.dr. M. Hajer, UvA

Prof.dr. C.M.J. van Woerkum, Wageningen UR

 

Inhoud

 

1. Inleiding 77

2. De illusie van het creëren van draagvlak 77

3. Trends 79

4. Het dilemma voorbij? 81

5. Hoe het kan: De Vliert in ‘s-Hertogenbosch 84

6. Kennisinfrastructuur 87

7. Referenties 88

 

 

 

 

1. Inleiding

Lange tijd hebben waterbeheerders zich ‘veilig’ kunnen bezig houden met hun taken. De waterbeheerders voerden het beheer over lijnvormige elementen - waterlopen en dijken - die zij voor een groot deel in hun bezit hadden.
Zij hadden hierover de volledige zeggenschap.

Dit is veranderd. Met de intrede van "integraal waterbeheer" zijn de waterbeheerders hun blikken gaan verbreden. Ze richten zich op meer dan alleen hun eigen beheersobjecten. Dit is ook noodzakelijk, want wat zich afspeelt in het oppervlaktewater hangt sterk af van de ontwikkelingen in de omgeving.

Het water is als het ware "buiten z’n oevers getreden",
en op die oevers staan, zo blijkt, mensen. Zonder medewerking van bij water betrokken actoren - en wie is dat niet? - is het onmogelijk voor de waterbeheerders de in de vierde Nota waterhuishouding (NW4) geformuleerde doelen te realiseren. Het bestrijden van de verdrogingsproblematiek lukt alleen als ruimtelijke ordening en watersysteembenadering beter op elkaar afgestemd worden en de belangrijkste spanningspunten tussen agrariërs en beheerders van natuurgebieden worden weggenomen. Diffuse bronnen kunnen uitsluitend worden gereduceerd als een groot veld van actoren wordt gemobiliseerd. De boodschap uit voorbeelden als deze is duidelijk: de waterbeheerders hebben tegenwoordig voor de verwezenlijking van hun doelen andere actoren nodig.
Hoe kunnen de waterbeheerders sturing geven aan sectorale processen die zij niet volledig beheersen?

In de bredere omgeving van het waterbeheer worden verschillendsoortige actoren aangetroffen. Naar Habermas (1989) kunnen hier drie arena’s worden onderscheiden. Vanuit het blikveld van de waterbeheerders kan de eerste arena worden gezien als de groep van waterbeheerders, die gezamenlijk vanuit hun taakvelden een bijdrage leveren aan goed waterbeheer. De tweede arena bestaat dan uit gemeenten, organisaties, belangenverenigingen, stichtingen en andere groepen. Deze groepen, voor wie water vaak slechts een klein onderdeel is, kunnen door de waterbeheerders goed worden gevonden en kunnen ook op professionele wijze worden aangesproken. Communicatiestromen binnen de tweede arena zijn minder helder dan bij de waterbeheerders onderling, echter in projectverband zijn ze goed in beeld te brengen.

De burger staat daarmee symbool voor wat Habermas aanduidt als "de derde arena met moeilijk grijpbare communicatiestromen". De derde arena is het meest omvangrijk en zeer diffuus. In diverse nota’s wordt gesproken over het belang van betrokkenheid van ‘burgers’. Zonder concrete voorbeelden op individueel niveau blijft "de burger" echter een leeg begrip. Kennelijk is bij de schrijvers van de nota’s waarin gewag wordt gemaakt van het belang van betrokkenheid van burgers weliswaar het besef aanwezig dat juist deze derde arena voor het realiseren van doelen van groot belang is, maar ontbreekt het aan concrete ideeën hoe deze nieuwe betrokkenheid vorm moet worden gegeven. De centrale vraag in dit essay is: "Hoe moet door waterbeheerders worden gestuurd, opdat ook de derde arena bijdraagt aan het realiseren van doelen op het gebied van het waterbeheer?".

2. De illusie van het creëren van draagvlak

Het besef dat betrokkenheid van burgers van belang is, heeft waterbeheerders op het spoor gezet van de communicatie. Er moet goed worden gecommuniceerd, zo is de gedachte, opdat burgers begrip krijgen voor het werk dat de waterbeheerder uitvoert. Bekendheid creëert legitimiteit. De waterbeheerder doet zijn werk per slot van rekening voor de burgers. Die burgers moeten droge voeten houden en hebben schoon water nodig. Dit is een ‘communiceerbare’ boodschap en dus worden er open dagen gehouden bij waterschappen, waarbij bewoners gemalen, rioolwaterzuiveringsinrichtingen en andere waterhuishoudkundige werken kunnen bekijken. Er worden onderwijspakketten samengesteld en via de strip van “Droppie Water” wordt gepoogd kinderen te interesseren. Voorlichtingsborden sieren antiverdrogingsprojecten en in samenwerking met gemeenten wordt uitwerking gegeven aan de “één loket” gedachte. Als mensen meer te weten komen over het belang van waterhuishoudkundige werken, ontstaat meer draagvlak, waardoor de politiek enthousiaster wordt en dus betere kansen ontstaan voor de realisering van noodzakelijke projecten.

In deze ‘handelingspraktijk’ van de waterbeheerders is de volgende redeneerlijn te herkennen. De overheid stelt doelen vast voor het waterbeheer en die doelen worden gezien als boven twijfel verheven. Om die doelen te realiseren is het de plicht van de waterbeheerders pakketten van maatregelen samen te stellen die optimaal zijn. Er moet maximaal effect worden bereikt tegen een minimale inspanning. Dat laatste is de waterbeheerder de belastingbetalers - de burgers - verplicht. Het maatregelenpakket is dan objectief het beste. Daarbij geldt evenwel dat niet alle maatregelen door de waterbeheerders zelf volledig kunnen worden uitgevoerd. Medewerking van anderen, waaronder burgers, is noodzakelijk. Er moet dus draagvlak worden gecreëerd. Goede communicatie zal er toe leiden dat bij burgers begrip, actieve steun en handelingsbereidheid ontstaan.

Deze redeneerlijn omvat vele begrijpelijke elementen. Goede voorlichting, bijvoorbeeld, blijft essentieel. Toch is de redenering tegelijkertijd ook enigszins naïef. De onderliggende veronderstelling is dat de burgers zich daadwerkelijk betrokken voelen bij waterbeheer als collectief belang, maar dit gaat voorbij aan de praktijk. Slechts een enkeling voelt zich echt nauw betrokken bij waterbeheer. De meeste mensen ervaren waterbeheer pas als de dakgoot lekt of bruin water uit de kraan komt als gevolg van het spuien van waterleidingen. In een gemiddelde week wordt op de betrokkenheid van een burger op tal van manieren een appèl gedaan: zwerfkinderen, criminaliteit, sociale segregatie, CARA-patiënten, verkeersveiligheid, alcoholmisbruik, opvoeding, hongersnoden en een toenemend aantal overspannen mensen ... allemaal onderwerpen van belang. Wat maakt water zo bijzonder dat juist daarmee mensen zich nauwer betrokken voelen?

De redeneerlijn is niet alleen kwetsbaar vanwege de complexe context waarin ‘water’ strijdt om betrokkenheid. Het gaat bovendien uit van communicatie in één richting. De burger moet begrip krijgen voor wat de waterbeheerders willen. Voorlichting is het devies. Het komt daarbij voor dat overheden en semi-overheden het concept van een "open planproces" gebruiken om voorgebakken plannen aan de man te brengen. In wezen is het gebruik van deze term voor dergelijk eenrichtingsverkeer een omstreden uitleg van wat een open planproces behelst. Het is bovendien op deze manier maar in zeer beperkte mate effectief. Het construeert namelijk geen vertrouwensrelatie en juist die moet aanwezig zijn tussen de burger enerzijds en de (semi-)overheid anderzijds. Vertrouwen vergt tweerichtingsverkeer.

Tevens geldt dat draagvlak op zichzelf al een geheel verkeerde suggestie in zich draagt, namelijk iets robuust, iets stevigs. De werkelijkheid is totaal anders. Hoe er over enige tijd tegen waterfenomenen wordt aangekeken is tenslotte in hoge mate onvoorspelbaar. De intransparantie van de samenleving, het feit dat water met van alles en nog wat samenhangt (‘water valt niet te kanaliseren’), maakt het tot een zeer complexe materie waarbij er van tijd tot tijd grote sociale en fysieke dynamiek kan optreden op allerlei onderdelen.

Het lijkt dan ook van belang om de geschetste redeneerlijn ter discussie te stellen. Het communicatieve eenrichtingsverkeer werpt in relatie tot de burger, zo blijkt, bovendien ook niet echt vruchten af. Waterbeheer leeft niet onder de burgers, ondanks de steeds professionelere manier waarop waterbeheerders aan voorlichting doen.

Dit laat echter de eerste observatie onverlet: bij de ontwikkeling naar toenemende integraliteit kan het waterbeheer niet zonder de burgers. Juist bij integrale beschouwingen leveren ‘brongerichte’ maatregelen vaak een gunstiger beeld op dan ‘effectgerichte’ maatregelen. Als waterbeheerders zich beperken tot hun eigen beheersobjecten, dan kunnen ze niets anders doen dan te accepteren wat
er aan ‘de bron’ gebeurt. Door middel van kunst- en vliegwerk zullen zij zoveel mogelijk dienen te proberen de effecten van negatieve beïnvloedingen te beperken.
De effecten van deze strategie zijn, ook wanneer alles optimaal wordt uitgevoerd, echter beperkt gegeven de uitdagingen waarvoor de waterbeheerders zich geplaatst zien (deze worden hier bekend verondersteld).

Wanneer waterbeheerders hun blik verbreden komen ook brongerichte maatregelen in beeld. Calculaties leren al gauw dat "voorkomen beter is dan genezen". Met name als het gaat om de bestrijding van verdroging en de problematiek van diffuse bronnen, zijn de mogelijkheden voor effectgerichte maatregelen nihil.

Hoe dit op te lossen? De opkomst bij waterschapsverkiezingen laten zien dat die oplossing langs de klassieke weg van centraal democratisch gelegitimeerd beheer weinig soelaas biedt. Er moet een benadering komen die beter aansluit bij de dynamiek van de werkelijkheid en waarbij minder vastgeklampt wordt aan het ideaalmodel van draagvlak creëren voor het vooraf bepaalde objectieve gelijk. Dit vereist een paradigmatische omslag. We zullen namelijk rekening moeten houden met enkele maatschappelijke trends die een wezenlijk andere manier van denken en doen impliceren.

3. Trends

Waterbeheer speelt zich af in een complexe besluitvorming over het beheer en de inrichting van de ruimte. In deze bredere context hebben zich de laatste jaren tal van buitengewoon belangrijke verschuivingen voorgedaan.

Allereerst is de overheid een aantal sturingsinstrumenten uit handen geslagen. Veranderingen in de netwerkstructuur in en rond het openbaar bestuur maken dat de communicatie binnen de eerste en tweede arena thans minder goed werkt dan voorheen. Het sturingsmodel is geërodeerd. Lange tijd was het overheidsbeleid sterk op interne afstemming gericht (zowel horizontaal als verticaal) en had zij daarnaast een vast circuit van adviseurs. Tot begin jaren zeventig gingen pacificatie-democratie en planning in wezen hand in hand: onder de elite bestond een breed gedeeld idee van de ‘goede inrichting’ van het land en deze kon in diverse gremia via nota’s met gezag worden uitgedragen. Met het verscheiden van de eenvoudige elitestructuur en het doorzetten van de emancipatie binnen het openbaar bestuur is dit model niet meer hanteerbaar. Lagere bestuurslagen zijn minder vanzelfsprekend geneigd om de beleidsdoelen van hogere bestuursorganen op te pakken, uit te werken en uit te voeren.

Bovendien krijgt het waterbeheer te maken met het meervoudig gebruik van de ruimte. Doordat de druk op de ruimte toeneemt, en individuele burgers een veel groter beslag leggen op de ruimte dan voorheen, staan de puur sectoraal beheerde waterwingebieden onder druk. Ook de volle agenda van de overheid draagt hier een steentje bij. Recreatie, woningbouw, infrastructuur en ecologische doeleinden leggen allemaal claims op gebieden die voor het waterbeheer van groot belang zijn. Maar de interne afstemming binnen de overheid is dit maal geen effectieve managementstrategie.

In plaats van de interne afstemming lijkt er veel nadrukkelijker dan voorheen te moeten worden gezocht naar ‘meekoppelende belangen’ (WRR 1998): de ecologie kan meekoppelen bij het vrijhouden van de uiterwaarden, de zeewering bij het vrijhouden van waterwingebieden. Maar in veel andere gevallen ligt het niet zo eenvoudig en moet de waterbeheerder harder knokken om de macht over de ‘sectorale’ ruimte van het water te behouden.

Ook buiten de eerste en tweede arena heeft de manager met een nieuwe werkelijkheid te maken gekregen. De emancipatie dringt zich ook op in de verhouding tot wat hierboven de derde arena werd genoemd. De emancipatie leidde tot een losmaking van allerlei vormen van betrokkenheid bij lang bestaande groepen (de vakbond, de kerk, de gemeente). Het streven naar meer integraliteit en een breed draagvlak in het waterbeheer moet rekening houden met deze trend van individualisering. Burgers richten zich niet zozeer op collectieve belangen, maar richten zich meer op het geven van invulling van hun eigen leven. Dit kan de vorm krijgen van een lidmaatschap van natuurmonumenten, in de aanschaf van een tweede huisje aan de rand van een waterwingebied, of in het oppakken van windsurfen op provinciale waterplassen als element van de eigen identiteit. Het collectieve belang bij waterbeheer kan zo tendentieel op gespannen voet komen te staan met aspecten uit het eigen dagelijks leven.

Het succes van de overheidsinterne ‘afstemmingsstrategie’ wreekt zich hier. Dat burgers steeds minder betrokken raken bij het waterbeheer, ligt namelijk ook aan de manier waarop waterbeheer is vertechnologiseerd en vertechnocratiseerd. Het water is niet meer van de mensen, maar van de deskundigen. Dat geldt voor het milieu in het algemeen. Achterhuis (1992) schrijft over de milieudeskundige: "Hij lijkt tenslotte de enige die ons kan vertellen hoe het met het milieu gesteld is. Daarbij verschuilt hij zich bij voorkeur achter de objectieve eisen die uit zijn studies voort heten te komen. Niet van hem, maar van ‘het milieu’ mogen we in de toekomst steeds minder. Onze eigen op zintuiglijke ervaring gebaseerde ervaring is volstrekt onvoldoende om uit te vinden hoe het er met het milieu voorstaat. Directe ervaring kunnen we afschrijven als het om het milieu gaat, op onze eigen zintuigen mogen we niet meer vertrouwen".

Een mogelijk aanknopingspunt in de individualisering is het feit dat veel mensen tegelijkertijd zoeken naar zelfherkenning. Lange tijd hebben de mensen gedaan wat hen door de maatschappij - en met name door de overheid en vanuit hun zuil - gevraagd werd. Mensen handelen nu in veel sterkere mate overeenkomstig hun eigen criteria van goed en slecht. Het maatschappelijk resultaat is een grotere diversiteit. Diversiteit wordt bovendien sociaal meer gewaardeerd, vooral in stedelijke gebieden. De begrippen rechtvaardigheid en gelijkvormigheid zijn ontkoppeld. Politiek-bestuurlijk gezien wordt de samenleving hiermee tegelijkertijd een stuk minder overzichtelijk: de collectieve actor is de overheid ontnomen. Waren vroeger de leiders van bepaalde zuilen nog een legitiem aanspreekpunt, thans keert de burger terug in de politiek en moeten overheden en bedrijven zich op een andere manier van maatschappelijke steun verzekeren.

Burgers groeien mee in de dynamiek van de samenleving, waarbij de suggestie is dat alles steeds sneller gaat (Gleick, 1999). Waarden die lange tijd gelijk zijn gebleven, veranderen in korte tijd. Waterschappen ervaren dat bijvoorbeeld op dramatische wijze, want op vele manieren wordt hun speciale status van functiegericht bestuur bedreigd. Naar Engels model proberen nutsbedrijven gehele waterketens onder hun hoede te nemen. De burger ontgaan deze trends grotendeels. Bovendien is deze ontwikkeling omgeven door de suggestie van efficiency besparing wat alles voor de burger goedkoper zou maken wat ook geen tegenwerking oproept. Hierbij komt ook de internationalisering die nieuwe beheersconstructies in beeld brengt.

Steeds vaker stelt de overheid condities, waarbinnen burgers en bedrijven op autonome wijze kunnen handelen. Dit levert de ene verandering na de andere verandering op. De informatisering helpt daarbij. Alles, zo lijkt het, kan sneller en completer. Internet ontsluit informatie waar eerste weinigen over konden beschikken. Het draagt bij aan een nog grotere mondigheid van de burger.

Waterbeheerders proberen mee te komen in de huidige dynamiek. Ze komen echter niet los van het klassieke paradigma: ze wijzen op het collectieve belang van water en op de noodzaak dat allerlei taken des overheids blijven. Waar ze versnellen, doen ze dat binnen de eerder geformuleerde redeneerlijn. Doelen moeten sneller worden gehaald. Een schoolvoorbeeld hiervan is de behandeling van de vierde Nota waterhuishouding (NW4) in de Tweede Kamer op 14 juni 1999. Tijdens de behandeling is gesproken over waterkwaliteit. Daarbij is gekeken naar NMP3 waar streefwaarden worden geformuleerd voor het oppervlaktewater. In NMP3 is aangegeven dat de streefwaarden gehaald moeten worden in het jaar 2010. In motie nr. 8 is aangegeven dat de in NW4 gehanteerde doelen gelijk moeten zijn aan die in NMP3. Ook voor NW4 moet dus gelden dat de streefwaarden in het jaar 2010 gehaald moeten worden.

Nu reeds is bekend dat de streefwaarden voor de waterkwaliteit in 2010 niet gehaald zullen worden. Men mag blij zijn als dan overal de MTR-waarden zijn bereikt
(= Maximaal Toelaatbaar Risico). Deze liggen aanzienlijk lager. De meeste verontreinigingen zijn diffuus van aard. De aanpak hiervan begint nu pas op gang te komen. Het is zeer waarschijnlijk dat door het onder druk zetten van het waterkwaliteitsbeleid de voortgang wordt gefrustreerd. Door geforceerd de oude redeneerlijn te volgen wordt het principe verkregen dat door Engelsen wordt aangeduid als "more haste, less speed". Er treedt een soort verkramping op, waardoor successen nog langer uitblijven.

Brongerichte maatregelen hebben vaak meer tijd nodig dan effectgerichte maatregelen. Om tijd te besparen kan het zijn dat waterbeheerders met name hun toevlucht zoeken bij effectgerichte maatregelen. Daarvoor is betrokkenheid van burgers nauwelijks noodzakelijk.

Naast de dynamiek van de maatschappij neemt ook de dynamiek van de waterhuishouding zelf toe. Door de snelle veranderingen in ruimtegebruik - en het feit dat water lange tijd voornamelijk als last is beschouwd - komt water sneller tot afvoer, met piekafvoeren tot gevolg, en ontstaat sneller watertekort. De verschillen tussen te veel en te weinig water nemen toe. De noodzaak om water op de agenda te krijgen van vele maatschappelijke organisaties wordt groter. Klimaatverandering en zeespiegelstijging doen daar nog een schepje bovenop.

Interessant in dit kader is het risico dat de burgers percipiëren als er iets verkeerd gaat in het waterbeheer. Er zijn de afgelopen jaren voldoende incidenten geweest om de gevoeligheid voor waterproblemen te verhogen. Daarbij is een parallel te trekken met het voedselvraagstuk. Ook hier zijn veiligheidsproblemen (BSE, salmonella, hormonen, etc.) en wat waargenomen wordt is een daling van het systeemvertrouwen, het vertrouwen dat het in het voedselsysteem allemaal wel goed geregeld is en dat ieders belangen gewaarborgd worden. De parallel kan verder worden doorgetrokken. Voedsel wordt iets waarmee steeds meer mensen zich onderscheiden. Mensen eten bewuster, geven er meer geld aan uit en er is een eetcultuur gegroeid, in Nederland. Ook water is "in". Mensen willen aan het water wonen, waterrecreatie is bijzonder populair, het Wereldnatuurfonds zet in op Nederland als waterland en - met een brug naar voedsel - bronwater wordt meer gedronken dan ooit. Aan de ene kant kan worden waargenomen dat juist door de incidenten bij burgers een grotere gevoeligheid is voor waterproblematiek. Aan de andere kant is er een groeiend besef over de onwetendheid over hoe het systeem precies functioneert, wat erachter schuilgaat, hoe het technologisch en institutioneel in elkaar zit. Op dit punt is dan ook een groeiend wantrouwen van de burgers te verwachten, ingegeven door de incidenten die ook in de toekomst niet zullen uitblijven.

Samenvattend: de complexiteit van de samenleving neemt toe. De diversiteit en de dynamiek worden groter en daardoor ontstaan meer onzekerheden. Oude en vertrouwde institutionele arrangementen zijn niet ingesteld op het voortdurend opnieuw (re-)produceren van vertrouwen en worden hierdoor geconfronteerd met afnemende legitimiteit (waarbij dient te worden aangetekend dat dit natuurlijk helemaal niets zegt over de de facto kwaliteit van het institutionele beheer: Dit kan in functionele zin uitstekend zijn maar toch geconfronteerd worden met een verlies aan maatschappelijke legitimiteit). Voor waterbeheerders wordt het daardoor steeds lastiger om binnen die complexiteit te sturen en doelen te realiseren. De geschetste redeneerlijn lijkt niet meer te voldoen en werkt contraproductief, vooral in versnelde vorm. De betrokkenheid van burgers neemt eerder af dan toe. Dat geldt ook voor het systeemvertrouwen. Een andere opstelling is gewenst. Duidelijk is dat alledrie de bovengenoemde arena’s hierin moeten worden betrokken.

4. Het dilemma voorbij?

Het belangrijkste dilemma van de waterbeheerders in relatie tot betrokkenheid van de burgers betreft de mate waarin doelen ter discussie worden gesteld. Wordt strak vastgehouden aan tevoren geformuleerde doelen, dan is het moeilijk draagvlak te creëren, gezien het feit dat burgers zich ook bij vele andere onderwerpen betrokken moeten voelen. Dit draagvlak is nodig, tenzij het gedachtengoed van integraal waterbeheer te grabbel wordt gegooid. Bij strak vasthouden aan doelen veroordelen waterbeheerders zich tot het handelen in de marge aan de rand van de maatschappelijke dynamiek, met als risico in de schaduw gezet te worden van waterketenbedrijven. Daarentegen, als men teveel meebeweegt met de dynamiek van de samenleving, kunnen problemen onopgelost blijven en laat men grote onzekerheden toe. Gebrek aan ruggegraat kan dan worden verweten. Het bestaansrecht van waterschappen kan dan nog meer onder druk komen te staan.

De uitdaging is om een goede verhouding te vinden tussen vasthouden en meebewegen. Wij menen dat waterbeheerders bij het aangaan van deze uitdaging er verstandig aan doen om enerzijds aan twee veronderstellingen vast te houden:

1. Waterbeheerders zijn goed gepositioneerd om de waterhuishoudkundige dimensie van een problematiek goed te omschrijven;

2. Waterbeheerders mogen van anderen verlangen dat die het belang van een oplossing langs die dimensie onderschrijven.

Anderzijds moeten ze meebewegen in die zin, dat ze onderkennen dat - zeker in de ogen van andere actoren - de problematiek ook andere dimensies heeft, en dat juist bij het stellen van doelen ook aan die dimensies recht moet worden gedaan. Waterbeheerders hebben dus geen monopolie op het vaststellen van doelen, maar doen dat in interactie met de actoren uit de overige twee arena’s. Ze zijn gehouden om dat te doen in een proces van openheid en wederkerigheid, en moeten de keuzen die ze maken uiteindelijk tenminste kunnen verantwoorden ten opzichte van al diegenen die erdoor geraakt worden (vgl. Gutmann & Thompson, 1997).

Waterbeheerders die op deze wijze de discussie met anderen aangaan zullen merken dat die uitwisseling soms een ander licht werpt op de waterhuishoudkundige dimensie. Verstandige waterbeheerders staan open voor een dergelijke verrijking, zonder hun bevoegdheid en competentie op te geven om uiteindelijk de waterhuishoudkundige dimensies van problemen te definiëren en om doelen te toetsen in termen van hun bijdrage aan het oplossen daarvan. Hun bestaansrecht ontlenen ze eraan om openheid, wederkerigheid en rekenschap aldus te combineren met het waarborgen van veiligheid, gezondheid en milieukwaliteit. Op deze manier krijgt integraal waterbeheer een nieuwe dimensie.

Het op deze wijze vaststellen van doelen veronderstelt dat contextualiteit wordt benadrukt. Dat wil zeggen dat niet een generieke definitie van ‘integraal waterbeheer’ maar een specifieke ‘gesitueerde’ problematiek het onderwerp van discussie is, en dat wordt gezocht naar doelen die voor de verschillende betrokkenen bij die problematiek zowel aanvaardbaar als haalbaar zijn. Meer precies: de doelen (en de bijpassende middelen) moeten aanvaardbaar zijn voor de ‘betroffenen’ (de ‘stakeholders’): diegenen die de positieve of negatieve gevolgen ervan zullen ondervinden. En ‘haalbaar’ wil zeggen dat de actief betrokkenen, dus die als co-producent een bepaalde medewerking moeten verlenen, daadwerkelijk tot die medewerking bereid en in staat zijn. Zij brengen elk hun eigen, disciplinaire of lokale kennis in; het interactieve karakter van het proces moet helpen om deze kennis aan te wenden voor problemen die door hun integraliteit een multidisciplinaire aanpak veronderstellen.

In zo’n proces kunnen ‘aanvaardbaarheid’ en ‘haalbaarheid’ elkaar bemiddelen. De haalbaarheid van bepaalde oplossingselementen kan als scheidsrechter fungeren in discussies omtrent wat de meest aanvaardbare oplossing is. Omgekeerd kunnen opvattingen over wat haalbaar is soms verschuiven (bijvoorbeeld door onderzoek en ontwikkeling of infrastructurele aanpassingen te instigeren) als gevolg van sterke opvattingen omtrent wat een aanvaardbare oplossing is.

Juist het benadrukken van de contextualiteit van de oordeelsvorming kan helpen om in die dialectiek tot een eenduidige vaststelling van doelen te komen: het gaat niet om een generieke waarheid, maar om doel-middel ketens die in die specifieke context een handelingsperspectief bieden.

Nu zou men met enig recht kunnen tegenwerpen dat ook een dergelijk voorstel voor een interactieve aanpak zal stuiten op het feit dat de betrokkenheid van burgers bij de waterproblematiek gering is. We menen dat juist om die reden de legitimiteit van zulke interactieve exercities niet afhankelijk moet worden gemaakt van het aantal deelnemers of van hun kwantitatieve representativiteit. Dat hoeft echter ook niet, indien we een aantal uitgangspunten benadrukken. (Grin et al., 1997; Hajer & Kesselring, 1999) .

• Het meest centrale uitgangspunt is dat het proces een constructief karakter moet hebben. Immers, het gaat niet zozeer om het kiezen tussen gegeven alternatieven, maar om het ontwerpen van een of meer oplossingen.

• Dan draait het, in de tweede plaats, dus ook niet zozeer om grote aantallen deelnemers of om of getrouwe afspiegeling van de maatschappelijke verhoudingen. Eerder gaat erom, te streven naar variëteit tussen en binnen maatschappelijke posities. Dat wil zeggen dat de verschillende betroffenen en co-producenten aan het proces deelnemen, en dat daarbij de verschillende gezichtspunten die binnen deze groepen tot uitdrukking komen. Een open discussie tussen een zo groot mogelijke variëteit aan betrokken gezichtspunten schept optimale kansen voor creatieve oplossingen die zowel haalbaar als aanvaardbaar zijn.

• In de derde plaats wordt dan duidelijk, en dit is een fundamenteel punt, dat we niet per se hoeven kiezen voor één oplossing. Oplossingen bij interactieve planprocessen omvatten vaak een aantal verschillende interventies (elk gericht op een of meer gepercipieerde problemen). Zolang deze oplossingen elkaar principieel of praktisch niet uitsluiten kunnen ze co-existeren. Verschillende betrokkenen krijgen dan min of meer iets van hun gading c.q. kunnen als co-producent kiezen aan welke oplossing ze meewerken.

• Representativiteit in de zin van een getrouwe afspiegeling van de maatschappelijke verhoudingen is, tenslotte, alleen noodzakelijk voor zover keuzen onvermijdelijk zijn. Dan zal men moeten terugvallen op institutionele arrangementen waarin die keuzen legitiem kunnen worden gemaakt.

Kortom: Om recht te doen aan de potentie van interactieve praktijken verdient het aanbeveling te spreken van participanten in plaats van representanten; over representatie van ideeën en inzichten in plaats van de representatie van achterbannen; en dient de focus te liggen bij argumentatie in plaats van bij belangenbehartiging. Interactieve processen zoals we die hier voorstellen zijn eerst en vooral deliberatieve ontwerpprocessen en in die zin voor hun legitimiteit niet afhankelijk van kwantitatieve representatie. Het verdient aanbeveling om door het sterk benadrukken van contextualiteit en variëteit die afhankelijkheid zo klein mogelijk te maken. Alleen waar dat laatste niet meer goed mogelijk is, zal een beroep moeten worden gedaan op institutionele arrangementen waarin kwantitatieve representatie de doorslag geeft - getrapt of ongetrapt verkozen waterschappen, een referendum of wat dan ook.

Bovenstaande biedt uiteraard nog geen pasklare oplossingen. Ook met deliberatieve ontwerpprocessen is het beleid nog niet automatisch van legitimatie- en implementatieproblemen gevrijwaard. Ook in deze context zal verder moeten worden nagedacht over sturingsinstrumenten. Het blijkt (Grin & Van de Graaf, 1998) dat een goed gekozen ‘instrumentenmix’ doelgroepen tot leren kan stimuleren.

De kwaliteit van de planning is een functie van het kwaliteitsbesef en dat komt op gang door nuancering en wederzijdse correctie. Hier kunnen de hierboven geschetste deliberatieve ontwerpprocessen een waardevolle rol gaan spelen. In die processen moet ook gerekend, getekend en geargumenteerd worden. Gerekend om het effect bepaalde maatregelen in te kunnen schatten; getekend om te kunnen zien hoe ambities vorm kunnen krijgen met behoud van meervoudig gebruik van de ruimte. Zorgvuldig geargumenteerd tenslotte, opdat het beste argument zegeviert, niet het verhaal dat in een opgetuigd ‘proces’ een meerderheid achter zich weet te scharen.

Gebodsbepalingen zijn een ander sturingsinstrument.
Hier horen we weinig over. Wie de Nederlandse discussie over het ruimtelijk beleid met de discussies in omringende landen vergelijkt, constateert dat we in Nederland meer dan elders geneigd zijn om de macht van de overheid te relativeren. Zeker in het waterbeheer kan de vraag worden gesteld of we niet meer
kunnen verbieden of niet meer willen verbieden. Dat zijn twee verschillende posities die in Nederland door elkaar heen lopen. Hoe het ook zij, gebod lijkt ‘uit’ als sturingsinstrument. Wellicht ten onrechte.

Ook prijzen zijn een bekend sturingsmiddel waar waterbeheer mee uit de voeten kan. Sturing door financiële prikkels individualiseert echter een keuze terwijl wij hier betogen dat de grote winst op systeemniveau moet worden geboekt.

5. Hoe het kan: De Vliert in ’s-Hertogenbosch

Een illustratie van het hiervoor geschetste deliberatieve ontwerpproces wordt aangetroffen in ’s-Hertogenbosch, in de wijk De Vliert, een woonwijk met circa 5000 inwoners, grotendeels gebouwd in de jaren ’30. Het betreft hier een voorbeeld van hoe doelen voor stedelijk waterbeheer kunnen worden gerealiseerd in bestaand gebied.
De gemeente is hier de initiatiefnemer geweest, tezamen met waterschap De Maaskant.

Bij het waterschap was door de toegenomen integraliteit het besef gegroeid dat men zou moeten leren optreden in veel bredere discussies dan men gewend is. Het gaat niet meer alleen om het verdedigen van het waterbelang.
Om interessant gevonden te worden moet ‘water’ worden geplaatst in een veel bredere problematiek waarin ook andere dimensies van belang worden geacht: woongenot, omgevingskwaliteit, recreatieplezier, etc. Goede waterdeskundigen moeten dus hun kennis kunnen synthetiseren met kennis over andere zaken dan het water zelf. Velen in waterland bevroeden dat hier nog een lange weg te gaan is. Deze nieuwe benadering moet - interactief - geleerd worden. Daarvoor moeten waterdeskundigen de deur uit en meepraten op heel andere plekken dan waar ze vertrouwd mee zijn. Het proces in De Vliert tekende zich voor het waterschap af als een kans die gegrepen moest worden.

De belangrijkste aanleiding om een project te starten in
De Vliert was de noodzaak tot rioolrenovatie. Het rioolstelsel onder de woonwijk moest worden vervangen. Normaal gesproken worden daarbij de straten opengebroken en worden de rioolbuizen vervangen. Vervolgens worden de straten weer gedicht en herstraat. Voor de bewoners betekent een dergelijk project veel overlast en achteraf geen zichtbare verbetering.

De gemeente vond dat als er op een dergelijke ingrijpende manier werkzaamheden plaatsvinden, dat er bij voltooiing sprake moet zijn van een daadwerkelijke verbetering voor de bewoners zelf. Tevens moeten de kansen worden benut om het functioneren van het watersysteem te verbeteren.

Gemeente en waterschap zijn begonnen met een visie op te stellen over wat gewenste verbeteringen zouden zijn voor het watersysteem. Dat past bij hun bevoegdheid en competentie. Deze visie is verankerd in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Er is gekozen voor een brongerichte benadering, waarbij regenwater zoveel mogelijk benut wordt in en rond de woning of wordt geïnfiltreerd in de bodem. Regenwater en afvalwater worden dan niet meer gezamenlijk ingezameld en getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Het afvalwater gaat naar de rwzi, het regenwater blijft grotendeels in de wijk. Dit heeft tot gevolg dat emissies vanuit het rioolstelsel worden gereduceerd, er minder gauw sprake is van vochttekort, piekafvoeren worden afgevlakt en de kwaliteit van effluent op de rwzi wordt verbeterd. Door toepassing van duurzame materialen en door een grotere bewustwording bij de bewoners, kan het aandeel van diffuse bronnen in het oppervlaktewater worden teruggebracht.

Het inzicht was duidelijk aanwezig dat een dergelijke visie uitsluitend reëel is, als een proces wordt doorlopen dat zich kenmerkt door openheid en wederkerigheid. Het is niet mogelijk bewoners te dwingen hun regenpijpen door te zagen en het regenwater op het eigen erf te infiltreren. Bewoners moeten er zelf ook baat bij hebben.

Wat ook duidelijk beseft werd, was dat het (systeem)vertrouwen bij de bewoners laag is. In het verleden is de gemeente lang niet altijd zorgvuldig omgegaan met wensen en opmerkingen van bewoners en het opeens op positieve manier betrekken van mensen kan argwaan wekken. Het vertrouwen moest worden hersteld. Ervaringen met andere waterplannen hadden geleerd dat door het geringe systeemvertrouwen bewoners vatbaar zijn voor wat wel aangeduid wordt perifere prikkels, boodschappen en signalen van allerlei bronnen die niet altijd heel genuanceerd zijn en vaak een emotionele component hebben, waardoor de publieke opinie zwaar en heftig kan reageren. In de Biezenstraat te Nijmegen bijvoorbeeld is in sterke mate bij bewoners het idee ontstaan dat door infiltratie van regenwater kelders en kruipruimten onder water komen te staan. Dit idee is ontstaan door foutieve informatie in een lokale krant.
Het was voor de gemeente niet mogelijk via een imagocampagne het vertrouwen weer op peil te brengen.

Dit soort ervaringen hebben gemeente en waterschap bij De Vliert op het spoor gezet echt werk te maken van de openheid en wederkerigheid, zodat er een vertrouwensrelatie kan worden opgebouwd. Tevens was men zich bewust van de mogelijke verrijking van het uiteindelijke ontwerp die hierdoor ontstaat.

Het proces in de wijk De Vliert is in september 1997 begonnen met een voorlichtingsavond in buurthuis
"De Slinger". Ondanks het feit dat Ajax die avond voetbalde was de opkomst groot. Ruim honderd bewoners waren in het buurthuis aanwezig, met een lichte oververtegenwoordiging van vrouwen. Op die avond is door
de gemeente - het waterschap was aanwezig maar had geen actieve rol - de visie weergegeven en zijn ideeën aangedragen. Er is nadrukkelijk geen plan gepresenteerd. Er was ook geen plan. Bewoners werd gevraagd zelf een ontwerp te maken. Ze konden zich inschrijven voor een wandeling door de wijk - anderhalve week later, op een zaterdagmiddag gevolgd door een workshop, waar ze zelf een ontwerp konden maken. Op de voorlichtingsavond was bij de discussie in eerste instantie sprake van veel scepsis. Opmerkingen werden gemaakt als "De gemeente heeft toch al een eigen plan!" en "Waar kan ik een klachtenformulier halen als het fout gaat?". Niettemin vond op een bepaald moment een ware omslag plaats in de richting van een positieve houding, vrij plotseling, ongeveer na een half uur discussie. Het leek alsof negatieve reacties van de ‘notoire zeikers’ andere buurtbewoners triggerde extra positief te reageren. Vele bewoners voelden aan dat de betreffende ambtenaren het
echt meenden en stoorden zich aan bewoners die probeerden de ideeën van de gemeente op goedkope wijze belachelijk te maken. Uiteindelijk heeft een groep van ongeveer
25 bewoners zich aangemeld voor de wandeling en de workshop. Dit was het door de gemeente aangegeven maximale aantal.

Het blijkt dat een begrip als ‘integraal waterbeheer’ pas echt gaat leven bij bewoners als ze het plaatsen binnen de context van hun eigen leefomgeving. Tijdens de workshop zijn via het principe van rekenen, tekenen en argumenteren ontwerpen gemaakt voor vier buurten. Over algemene principes kon men het erg oneens zijn, echter als een vertaling moest worden gemaakt naar een praktische situatie, was vaak sprake van verbazingwekkend veel consensus. Er zijn ontwerpen gemaakt die waterhuishoudkundig gezien niet volledig optimaal zijn, maar goed aansluiten bij de wensen van bewoners over parkeren, het tegengaan van sluipverkeer, de kwaliteit van groenvoorzieningen, de mogelijkheden voor kinderen om te spelen en zelfs het ouderenbeleid. Er werd echt integraal gedacht. Tevens ontstonden er ideeën voor een waterkunstwerk, waarbij een met regenwater gevulde waterkolom centraal staat. Deze waterkolom staat dit water langzaam af aan een molentje. Heeft het net geregend, dan draait het molentje vrij snel. Hoe langer het droog is, hoe langzamer het molentje gaat draaien. Na veertien dagen staat hij helemaal stil. Een dergelijke waterkunstwerk heeft ‘geen’ milieurendement, echter heeft voor de bewoners - in dit geval - toch zeer veel waarde.

In eerste instantie maakte men zich bij de organisatie zorgen om de representativiteit van de betrokken bewoners. Ze bleken niet gelijkmatig verspreid uit de wijk te komen - sommige straten waren duidelijk oververtegenwoordigd - en van de huurders in de wijk was niemand aanwezig. Achteraf bleek dit geen echt bezwaar te zijn. Het is primair van belang dat de bewoners die zich in het begin melden echt enthousiast zijn. Dit enthousiasme wordt later overgedragen op andere bewoners, ook de huurders. De variëteit in de groep bewoners was ondanks de oververtegenwoordiging van bepaalde straten toch zeer groot. De door de groep aangedragen ideeën getuigden van grote inleving in andere bewoners. De actie “een ton voor elk balkon” is hier een voorbeeld van.

In het ontwerpproces hebben de bewoners basisideeën aangeleverd voor een ontwerpatlas. In een latere fase zijn deze ideeën in samenspraak met professionals verspreid over de wijk toegepast. Daarbij verschillen de gekozen oplossingen en technieken vaak per straat. In één straat, bijvoorbeeld, ontwikkelden bewoners weerstand tegen een infiltratiegreppel (wadi) die in een groenstrook tussen de straat en het trottoir was gedacht. Het zou tot mogelijke overlast kunnen leiden bij het in- en uitstappen van een geparkeerde auto. Infiltratiegreppels waren daar niet aanvaardbaar. Andere - duurdere oplossingen - waren niet haalbaar, althans zo leek het. In deze impasse is men gezamenlijk op zoek gegaan naar andere mogelijkheden en uiteindelijk is men gestuit op nieuwe materialen die het mogelijk maakten een ondergrondse infiltratievoorziening aan te leggen. Deze oplossing was aanvaardbaar en haalbaar, zij het dat hier niet meer voldaan kon worden aan de wens waterstromen zo lang mogelijk zichtbaar te houden. Juist de spanning tussen het haalbare en het aanvaardbare heeft hier geresulteerd in een creatieve oplossing.

Met name in het begin verliep het proces zeer soepel.
Het bleek dat water een goede wegvoorbereider is voor meer gevoelige onderwerpen, zoals parkeren en verkeersdrempels. Water is relatief onschuldig en daardoor erg geschikt om in de beginfase de partijen tot elkaar te brengen en het onderhandelingsproces over het aanvaardbare en haalbare te laten plaatsvinden. Er werd dan ook gesteld: "Begin met water, de rest komt later."

Op het moment dat het proces het punt van de detaillering naderde, verhardden de standpunten en moest alles op alles worden gezet om de inbreng van bewoners te continueren. Zo waren er enige verkeersdeskundigen die hun professionele inbreng aanzienlijk waardevoller vonden dan de inbreng van de bewoners. Een zorgvuldig opgebouwd vertrouwen werd in korte tijd afgebroken. Ook waren er enige financiële tegenvallers, waardoor bepaalde toezeggingen moesten worden teruggedraaid. Achteraf is de volgende indeling in drie fasen aangebracht:

1. Ongeïnformeerd optimisme.

2. Geïnformeerd pessimisme.

3. Geïnformeerd optimisme.

De tweede fase heeft nog vrij lang geduurd. De organisatie bij de gemeente ‘s-Hertogenbosch had echter veel ruggengraat en wist uiteindelijk fase 3 te bereiken, met steun van het waterschap. Het plan bevindt zich nu in de uitvoeringsfase. Wellicht was de grootste verrassing dat tegen de verwachting van de gemeente in de bewoners in een evaluatie van het proces lovend waren.

Het proces in de wijk De Vliert kenmerkt zich primair door de communicatieve sturing. Een hoogtepunt daarbij was de opening van het waterinfocentrum op 5 juni 1999, op een centrale plaats in de wijk, met vele wateractiviteiten. Het bleek dat ongeveer eens per twee maanden een moment moest zijn waarop iets getoond of afgerond moest worden, waarbij vele bewoners aanwezig mochten zijn.
Bij een lagere frequentie erodeerde het enthousiasme merkbaar en bij een al te hoge frequentie ontstond zelfs enige irritatie.

Van financiële sturing was ook sprake. Bewoners kregen een tegemoetkoming bij werkzaamheden die ze zelf uitvoeren. Tevens stelde de gemeente oude wijnvaten ter beschikking, te gebruiken als regentonnen. Juridische sturing, het instellen van gebodsbepalingen, is niet nodig geweest.

 

6. Kennisinfrastructuur

Een proces zoals dat in De Vliert is doorlopen, is nu nog eerder uitzondering dan regel. Er zal nog heel wat water door de Maas stromen voor een aanpak als die uit
‘s-Hertogenbosch ook naar elders is gediffundeerd. Het is bovendien duidelijk dat zulke processen op verschillende plaatsen een verschillende vorm en een verschillend verloop zullen hebben. Immers, men moet inspelen op de aard van de betrokken groepen, op het specifieke type problematiek, op de mate van aanwezig systeemvertrouwen, enzovoorts. Het is van belang om de komende jaren te werken aan een methodische catalogus: een combinatie van methodologische richtlijnen met een min of meer generieke geldigheid enerzijds, en een repertoire aan methoden en technieken om daaraan contextueel invulling te geven anderzijds.

Is de huidige kennisinfrastructuur ingericht op het genereren van een dergelijke methodische catalogus?
Wij menen van niet! De manier waarop kennis is georganiseerd in Nederland - en ook in andere landen - werkt met betrekking tot het vraagstuk van betrokkenheid van burgers in het waterbeheer contraproductief. Het waterbeheer is van oudsher een technische aangelegenheid en nog steeds domineren technici het werkveld. In het verleden waren de belangrijkste vraagstukken ook voornamelijk technisch van aard. Activiteiten beperkten zich tot de eerste en tweede arena en daardoor kon worden volstaan met een vrij ‘lineaire’ benadering van watervraagstukken, waarbij interventies kon worden gebaseerd op heldere causale verbanden. Het gedrag van de burgers werd als een min of meer vaststaand gegeven geaccepteerd. Rond de verschillende causale verbanden in water als technisch vakgebied ontstonden disciplines en daarbinnen paradigma’s. Daarom heen organiseerde zich de kennisinfrastructuur. De structuur vertoonde de logica van die stand van zaken.

Juist door de verbreding van het waterbeheer en de wil om problemen als verdroging en diffuse verontreiniging aan te pakken is met betrekking tot beide genoemde kenmerken een verandering opgetreden. Nu maatschappelijke processen niet meer gegeven zijn, maar aan herdefinitie onderhevig, is sprake van een ‘niet-lineaire’ dynamiek van zowel het ‘watersysteem’ in de enge zin als daaraan rakende maatschappelijke deelsystemen. Het watersysteem kan dus niet langer geïsoleerd worden beschouwd, waarbij maatschappelijke processen als gegeven worden genomen. Derhalve kan niet meer worden volstaan met een lineaire benadering en ontstaat bij waterbeheerders behoefte handvatten aangereikt te krijgen voor het betrekken van burgers, of ruimer: de derde arena. Het blijkt dat de waterbeheerders hier slecht bediend worden. Als weerspiegeling van de ‘oude’ logica is de benodigde kennis gefragmenteerd aanwezig en vormt nog niet één geheel. Uiteraard zal het altijd zo blijven dat de benodigde geïntegreerde kennis bij verschillende instituten en bedrijven is ondergebracht. Echter, de manier waarop scheidingen nu zijn aangebracht is erg ongelukkig. De scheidingen lopen juist door verbindingen die voor een integrale benadering van cruciaal belang zijn.

Hoe kunnen we een begin maken met het herzien van de bestaande kennisinfrastructuur? Om te beginnen moet een onderscheid worden opgeheven dat in dit opzicht meer kwaad dan goed doet. Vele betrokkenen in het waterbeheer maken - bewust of onbewust - onderscheid naar ‘harde’ en ‘zachte’ benaderingen, waarbij technische disciplines de harde benadering vertegenwoordigen en
de sociale disciplines de zachte. Om daadwerkelijk burgers
te betrekken in het waterbeheer is deze scheiding ongewenst. De huidige kennisinfrastructuur werkt echter bevestigend ten opzichte van dit onderscheid. De rijkdom van de verbinding tussen beide ‘werelden’ komt hierdoor onvoldoende in beeld.

Voorliggend essay is opgesteld door vertegenwoordigers van drie verschillende disciplines. Rond het thema van de betrokkenheid van burgers bleek echter dat de opvattingen verrassend consistent waren. Er is een kern van kennis, ervaring en inzicht aanwezig die bij ons allen
grote herkenning oproept. Binnen de huidige kennisinfrastructuur is geen logische plek aanwezig waar deze kern kan uitkristalliseren.

Hoe ziet die kern eruit? De kern heeft te maken met andere opvattingen over systeemdynamica. Er vallen begrippen onder als niet-lineaire dynamiek, systeemvertrouwen, chaos, perifere prikkels, verrassing, complexiteit, onzekerheden, openheid, contextualiteit en het elkaar kunnen bemiddelen van haalbaarheid en aanvaardbaarheid. Indeling in hard en zacht is hierbij niet relevant. De reikwijdte gaat veel verder dan open planprocessen of interactieve planvorming.

Deze kern kan worden gezien als een interdisciplinair werkveld, echter ook als een nieuwe discipline. Samenwerking tussen de verschillende disciplines, zoals hier tussen Tauw & UT, UvA en LUW, draagt bij aan het ontwikkelen van de benodigde kennis, echter deels zal het ook vragen om een het herdefiniëren van de waterkennisinfrastructuur. De ervaring leert dat de acceptatie van ideeën rond de kern gering is en vaak worden bestempeld als "vlees noch vis". Veel projectvoorstellen in deze richting worden op aanwijzing van beoordelaars in het keurslijf geperst van een bestaande discipline of een bestaand paradigma. Een push is gewenst.

We menen dat het niet goed mogelijk is om de contouren van de nieuw kennisinfrastructuur te schetsen over de band van algemene, abstracte beschouwingen. Juist gegeven de nadruk die we in het voorgaande legden op contextualiteit ligt het meer voor de hand om deze verkenning aan te vangen via concrete, onderling verschillende casus, om dan vervolgens lessen te trekken omtrent de inrichting van de kennisinfrastructuur.

De inhoud van ons betoog maakt duidelijk betrokkenheid van burgers in het waterbeheer van belang is. Voor de waterbeheerder als zelfstandige actor is het zelfs van levensbelang. Als de aansluiting met de maatschappelijke dynamiek wordt gemist, komt het voortbestaan van waterschappen - nog verder - onder druk te staan. Daarbij mag men bewust zijn van het feit dat water in de omgevingsvraagstukken een zeer positieve rol kan spelen. Ervaringen zoals opgedaan in De Vliert leren dat water bij uitstek geschikt is de viscositeit van integrale processen te verlagen: "Begin met water, de rest komt later". Water is een voorbeeldige sector voor andere soorten van kennis. Als het lukt binnen de waterkennisinfrastructuur de rijkdom van de maatschappelijke dynamiek zichtbaar te maken en handvatten aan te reiken hier op goede wijze mee om te gaan, is een waardevolle stap gezet, ook voor andere vakgebieden. De auteurs van dit essay willen hier graag een bijdrage aan leveren.

7. Referenties

• Achterhuis, H. (1992). De illusie van groen. Over milieucrisis en de fixatie op techniek. Uitgeverij De Balie, Amsterdam.

• Gleick, J. (1999). Faster. The acceleration of just about everything. Pantheon Books, New York.

• Grin, John & Henk van de Graaf (1998). ‘Het beleid van bovenaf, van onderaf bezien,’ (p. 205 - 220) in: Rob Hoppe & Aat Peterse (red.), Bouwstenen voor een argumentatieve beleidsanalyse. Den Haag: VUGA

• Grin, John, Henk van de Graaf & Rob Hoppe. (1997). Met een bijdrage van Peter Groenewegen, Interactieve Technology Assessment. Een eerste gids voor wie het wagen wil. Den Haag: Rathenau Instituut; W57.

• Gutmann, A. & D. Thompson (1996). Democracy and disagreement. Why moral conflict cannot be avoided in politics, and what should be done about it. Cambridge, MA & London: The Belknap Press of Harvard University Press.

• Habermas, J. (1989). De nieuwe onoverzichtelijkheid en andere opstellen. Uitgeverij Boom, Meppel.

• Hajer, Maarten & Sven Kesselring (1999). ‘Democracy in the risk society? Learning from the New Politics of Mobility in Munich, Environmental Politics, vol. 8, no. 3, p. 1-23.

• Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), (1998) Ruimtelijke ontwikkelingspolitiek, Den Haag: SDU Uitgevers.

 

 

 

 

Deel 2:

Inventarisatie Kennisinfrastructuur Integraal Waterbeheer

 

 

 

Inventarisatie Kennisinfrastructuur Integraal Waterbeheer

 

Dr.ir. J. Wisserhof, KUN

 

Inhoud

Samenvatting 93

1. Inleiding 94

1.1. Inhoud 94

1.2. Kader 94

1.3. Doelen 94

2. Aanpak 95

2.1. Stappen 95

2.2. Methoden 95

2.3. Classificaties 96

3. Kenniscentra 97

3.1. Grote kenniscentra 97

3.2. Centrale kennisthema’s 98

3.3. Vergelijking met prioritaire thema’s 99

4. Kennisnetwerken 101

4.1. Intrasectorale samenwerking 101

4.2. Intersectorale samenwerking 103

4.3. Internationale samenwerking 105

5. Breder Kennispotentieel 106

5.1. Potentieel in de kern 106

5.2. Potentieel in de rand 107

5.3. Potentieel in de omgeving 109

6. Conclusies 110

Literatuur 112

Bijlagen 113

 

Samenvatting

Deze inventarisatie is onderdeel van de Verkenning Kennis voor Integraal Waterbeheer "Over Stromen" van NRLO, AWT en RMNO. De kennisinfrastructuur voor integraal waterbeheer (het geheel van organisaties en samenwerkingsverbanden betrokken bij kennisontwikkeling) is globaal in kaart gebracht en doorgelicht. Hiervoor is hoofdzakelijk gebruik gemaakt van elektronische databanken en Internet. Het verkregen overzicht is getoetst bij een aantal sleutelpersonen.

De inventarisatie geeft een groot aantal kenniscentra en kennisnetwerken van uiteenlopende aard te zien: de kennisinfrastructuur is omvangrijk en kent een hoge organisatiegraad.

Inhoudelijk is de kennisontwikkeling sterk gefocust op het fysieke watersysteem (ca. 60%) en op de effecten van beheersmaatregelen (ca. 25%). Sociale en bestuurlijke aspecten krijgen relatief weinig aandacht.

Belangrijke trends in maatschappij en beleid vragen om verbreding van de kennisontwikkeling. Waterbeheer staat niet op zichzelf maar is steeds nauwer gerelateerd aan ruimtelijke ordening en stedebouw, aan andere nutssectoren en aan recreatie en toerisme. Issues die in dit licht meer aandacht vragen, zijn:

(1) beleving van water;

(2) sociaal-economische betekenis van water;

(3) "vernatting" van de ruimtelijke inrichting;

(4) integraal beheer van waterkringlopen;

(5) betrokkenheid van burgers; en

(6) rol van de markt.

Vooral de thema’s 1, 2 en 5 zijn onderbelicht. Voor het substantieel oppakken van deze thema’s moet sociaal-psychologische, milieu-economische en technisch-bestuurskundige expertise bij de kennisontwikkeling worden betrokken. Voor de thema’s 3, 4 en 6 is additionele ruimtelijk-ontwerpende en/of juridisch-bestuurlijke expertise benodigd; de thans beschikbare kennis voor deze thema’s is vooral natuur- en technisch-wetenschappelijk van aard.

De vrij smalle inhoudelijke oriëntatie van de kennisinfrastructuur hangt samen met een verkokering in de kennisontwikkeling naar sectoren (water, landbouw, natuur, milieu, ruimte) en naar branches (watersysteem, drinkwater, afvalwater, riolering). Er zijn weinig structurele sectoroverstijgende samenwerkingsverbanden.

Een belangrijk vereiste voor meer structurele samenwerking is doorbreking van de bestuurlijke verkokering van de watersector en aanpalende sectoren, die via de aansturing van onderzoek doorwerkt in de kennisinfrastructuur: afzonderlijke programmering en financiering vanuit V&W, LNV, VROM, VEWIN/KIWA, Stichting RIONED en STOWA.

"Vernatting" van de ruimtelijke inrichting vraagt om sterkere interdepartementale coördinatie van onderzoeksprogrammering en -financiering, en integraal beheer van waterkringlopen vergt nauwere afstemming van de kennisontwikkeling voor watersysteem en waterketen.

Ook internationaal is nauwere samenwerking gewenst.
Op de internationale markt vertoont de Nederlandse kennisinfrastructuur een gefragmenteerd beeld. De eerste stappen naar een sterkere integratie zijn inmiddels gezet.

Tenslotte is er niet veel structurele samenwerking tussen fundamentele kennisontwikkeling en de integrale waterbeheerspraktijk. Dit bemoeilijkt de praktische benutting van fundamentele kennis, terwijl wetenschappelijke verdieping van praktische kennis en ervaringen weinig plaatsvindt.

 

1. Inleiding

1.1. Inhoud

Dit rapport bevat een globaal overzicht en ruwe analyse van de Nederlandse kennisinfrastructuur voor integraal waterbeheer. De kennisinfrastructuur, ook wel aangeduid als kennissysteem [De Lange, 1998], is het geheel van organisaties en samenwerkingsverbanden dat betrokken is bij kennisontwikkeling (kennisgeneratie, -transformatie en -applicatie) op dit gebied. Daaronder vallen niet alleen onderzoeksinstituten als kennisaanbieders maar ook beleidsvoerende en waterbeherende instanties als gebruikers van kennis en onderzoeksprogrammerende en financierende instellingen.

Integraal waterbeheer is breed opgevat. Het gaat niet alleen om de integratie van oppervlaktewater en grondwater, van waterkwantiteit en waterkwaliteit e.d. (m.a.w. een integrale benadering van het fysieke watersysteem) maar ook om integratie c.q. meeweging van alle bij water betrokken maatschappelijke activiteiten en belangen, en om de implicaties van die integratie voor bestuur en organisatie van het integrale waterbeheer. In deze brede benadering zijn er geen scherpe grenzen tussen waterbeheer, milieubeheer, natuurbeheer en ruimtelijke ordening. Waterbeheer is een van de sectoren die een bijdrage levert aan de kwaliteit van leven en leefomgeving voor diverse groepen gebruikers.

1.2. Kader

De inventarisatie van de kennisinfrastructuur is uitgevoerd in het kader van de Verkenning Kennis voor Integraal Waterbeheer “Over Stromen”, een gezamenlijk initiatief van de NRLO (Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek), de AWT (Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid) en de RMNO (Raad voor het Milieu- en Natuuronderzoek). Doelen van deze bredere verkenning zijn:

1. De identificatie van prioritaire kennisthema’s en innovatieopgaven voor integraal waterbeheer; met andere woorden waar liggen de grote vraagstukken nu en in de toekomst en welke rol zou het onderzoek moeten spelen om deze issues verder te brengen?

2. De ontwikkeling van voorstellen voor noodzakelijke veranderingen in de kennisinfrastructuur op het gebied van water en daaraan gerelateerde vraagstukken; m.a.w. hoe zou het onderzoek georganiseerd moeten zijn en hoe verhoudt zich dat tot de huidige situatie?

Deze verkenning onderscheidt zich van andere activiteiten, zoals die van de Commissie Waterbeheer
21e eeuw (WB21) en het project Duurzaam Waterbeheer
in de Praktijk van het Rathenau Instituut, door de focus
op kennisontwikkeling voor de langere termijn. De verkenning is niet direct beleidsgericht (zoals de Commissie WB21) en ook niet zozeer gericht op de politieke agendering van watervraagstukken (het Rathenau-project), maar beoogt een
kennisagenda op hoofdlijnen voor de komende 5 à 10 jaar op te stellen. Daarbij gaat het er vooral om de strategische issues te belichten die nog relatief onderbelicht zijn in de kennisontwikkeling.

Beantwoording van de gestelde vragen c.q. het bereiken van de doelstellingen van de verkenning vergt het in kaart brengen van de huidige kennisinfrastructuur en ontwikkelingen daarin, zowel inhoudelijk (kennisthema’s) als organisatorisch (instituten).

1.3 Doelen

Het hoofddoel van de inventarisatie is het in kaart brengen van de bestaande kennisinfrastructuur voor integraal waterbeheer in Nederland, met aandacht voor:

• centrale kennisthema’s;

• omvang van de kennisontwikkeling;

• samenwerkingsverbanden; en

• internationale inbedding.

In tweede instantie beoogt de inventarisatie een vergelijking van de kennisontwikkeling met de prioritaire kennisthema’s zoals die voorlopig zijn geïdentificeerd in de verkenning.

Een derde doelstelling is het traceren van instanties die zouden kunnen bijdragen aan de aanpak van de geïdentificeerde prioritaire kennisthema’s.

2. Aanpak

2.1 Stappen

De inventarisatie is in vijf stappen uitgevoerd:

1. verkenning van de kern van de watergerelateerde kennisinfrastructuur (grote kenniscentra en centrale kennisthema’s);

2. vergelijking van de centrale kennisthema’s met de prioritaire kennisthema’s;

3. verkenning van de mate van samenwerking in de kennisinfrastructuur, ook internationaal (kennisnetwerken);

4. scanning van de bredere kennisinfrastructuur op de prioritaire kennisthema’s (relevante kenniscentra);

5. toetsing van het verkregen overzicht.

2.2 Methoden

Er zijn diverse onderzoeksmethoden toegepast:

1. raadpleging van elektronische databanken;

2. literatuurstudie en documentanalyse;

3. Internet-search; en

4. interviews.

Raadpleging databanken

In eerste instantie is geraadpleegd de Nederlandse Onderzoeksdatabank (NOD), beheerd door het Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke Informatiediensten (NIWI). De NOD biedt een redelijk volledig overzicht van het lopende en recent afgeronde onderzoek in Nederland. Op basis van een reeks zoektermen [zie bijlage 1] zijn in totaal ca. 1250 projecten met betrekking tot integraal waterbeheer gevonden. Deze lijst projecten is gehanteerd als onderzoeksmateriaal voor de bovengenoemde stappen 1 en 4.

Daarnaast is gezocht in de STOWABASE, een databank met informatie over onderzoek dat de deelnemers in de STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) in eigen beheer (laten) uitvoeren. In de STOWA participeren waterbeherende instanties, waaronder waterschappen, zuiveringschappen, provincies en Rijkswaterstaat, in totaal ca. 80 organisaties. Veel van de projecten in de STOWABASE bleken ook te zijn opgenomen in de NOD, zowel projecten onder supervisie van de STOWA als projecten van de afzonderlijke leden.

Literatuurstudie en documentanalyse

Er zijn reeds diverse inventarisaties van (delen van) de relevante kennisinfrastructuur gedaan, sommige direct watergericht [Grijns & Wisserhof, 1992; Westendorp & Röling, 1993; Boland et al., 1998], andere gericht op verwante kennisvelden, zoals ‘groene ruimte’ [Enzing & Chebab, 1998], ‘natuur’ [De Lange, 1998; Joordens et al., 1998; Arts et al., in druk] en ‘meervoudig ruimtegebruik’ [Lagendijk & Wisserhof, 1999]. De informatie uit deze inventarisaties is vooral gebruikt voor de stappen 5 (tussentijdse zelftoetsing) en 3 (verkenning kennisnetwerken).

Naast deze algemene literatuur zijn specifieke documenten geanalyseerd: jaarverslagen, onderzoeksprogramma’s, lijsten onderzoeksprojecten e.d. van relevante kenniscentra en kennisnetwerken. De informatie uit deze documenten is gebruikt voor stap 3 en als aanvulling op de informatie verkregen uit de NOD voor stap 1. De NOD-projectgegevens bieden immers geen zicht op in gang zijnde ontwikkelingen in de kennisinfrastructuur. Daarvoor zijn de genoemde documenten geraadpleegd.

Internet-search

De websites van diverse instanties zijn geraadpleegd, eveneens in aanvulling op de NOD-search voor stap 1. Enkele kenniscentra, die blijkens de eerdere inventarisaties wel een prominente positie innemen in de kennisinfrastructuur, leveren hun projectgegevens kennelijk onvolledig toe aan het NIWI. Naast private kenniscentra (advies- en ingenieursbureaus) betreft het ook een aantal publieke of semi-publieke instituten: DWW, RIKZ en WL-Delft Hydraulics. Van deze instellingen mag worden verwacht dat zij meer openheid van zaken betrachten en hun projecten wél structureel laten opnemen in de NOD.

De internet-search is echter vooral gebruikt voor stap 3 (verkenning kennisnetwerken). Een belangrijke website in dit verband is, "de wereld van het water op Internet", waarop meer dan 100 organisaties van uiteenlopende aard zijn aangesloten: kenniscentra, kennisnetwerken, overheden, non-gouvernementele organisaties, adviescommissies, internationale overlegcommissies enz. Voor het in kaart brengen van relevante onderzoekscholen is gebruik gemaakt van de website van de NWO.

Interviews

Het verkregen overzicht is getoetst (stap 5) in een aantal interviews met sleutelpersonen in de kennisinfrastructuur. Er is gesproken met vertegenwoordigers van de volgende financierende en programmerende instellingen voor watergerelateerde kennisontwikkeling: CIW, LWI, NWO, Stichting RIONED, STOWA en V&W (RWS-HW; RIZA).
Een lijst van namen van de geraadpleegde personen is opgenomen als bijlage 5. De genoemde personen is gevraagd naar de herkenbaarheid van de gerapporteerde feitelijkheden omtrent de kennisinfrastructuur. De getrokken conclusies zijn niet voor hun rekening.

2.3. Classificaties

Inventarisatie van de kennisinfrastructuur vergt een inhoudelijke en organisatorische classificatie van respectievelijk kennisthema’s en kenniscentra.

Voor de classificatie van kenniscentra is een gangbare indeling gehanteerd:

• rijksinstituten;

• waterschappen (incl. zuiveringschappen);

• universiteiten;

• para-universitaire instituten (waaronder KNAW-instituten);

• TNO-instituten en GTI’s; en

• bureaus, onderverdeeld in semi-publieke onderzoeks- en adviesbureaus en private advies- en ingenieursbureaus.

Voor de inhoudelijke classificatie van de kennisontwikkeling is het schema van figuur 1 gehanteerd. Dit schema visualiseert de eerder gegeven omschrijving van integraal waterbeheer [zie 1.1.]. Het schema geeft de drie aldaar genoemde elementen van integraal waterbeheer weer: de maatschappij (watergebruikers), het fysieke (water)systeem en (water)bestuur en organisatie, waarmee idealiter wordt gepoogd de waterwensen van mensen en de potenties van watersystemen in samenhang op elkaar af te stemmen.

Figuur 1: Elementen van integraal waterbeheer

Projecten en programma’s die zich expliciet richten op de maatschappij zijn geclassificeerd als A, projecten expliciet gericht op het fysieke systeem als B en projecten gericht op bestuur en organisatie als C. Interessant uit een oogpunt van integraal waterbeheer zijn projecten waarin meerdere componenten worden betrokken: de maatschappij in relatie tot het fysieke systeem (code A-B), bestuur en organisatie in relatie tot het fysieke systeem (code B-C) en bestuur en organisatie in relatie tot de maatschappij (code A-C). Het meest integraal zijn projecten die betrekking hebben op alle drie de elementen van integraal waterbeheer (code A-B-C). De aldus verkregen coderingen zijn ook geverbaliseerd om een indruk te geven van de specifieke kennisthema’s. Bij de classificatie van de
NOD-projecten is overigens niet alleen afgegaan op de titel van het project maar ook op de samenvatting van de projectinhoud in de databank.

 

3. Kenniscentra

3.1. Grote kenniscentra

Een kenniscentrum is aangemerkt als “groot” wanneer het minimaal 10 watergerelateerde kennisprojecten trekt, zoals opgenomen in de NOD [zie 2.2]. Op basis van dit criterium komen 35 instituten als grote kenniscentra naar voren. Deze instituten zijn van uiteenlopende aard [zie bijlage 2]:

• 8 rijksinstituten;

• 8 waterschappen;

• 5 universiteiten;

• 3 para-universitaire instituten;

• 2 TNO-instituten en 1 GTI;

• 8 bureaus (2 onderzoeks- en adviesbureaus en 6 advies- en ingenieursbureaus).

Samen nemen deze kenniscentra meer dan 60% van de geïnventariseerde kennisontwikkeling voor hun rekening (ca. 800 projecten). De instituten verschillen onderling nog sterk qua aantal projecten, variërend van 10 (MD, TUD-CTG, UT-TM, DHV Water, Grontmij, Haskoning) tot 114 (KIWA). Het bestaan van 35 grote kenniscentra is indicatief voor de omvang en diversiteit van het beschikbare kennispotentieel. Anderzijds duidt het ook op een zekere versnippering van de kennisontwikkeling. Deze laatste conclusie dient in zoverre te worden genuanceerd, dat bij verhoging van de ondergrens van “groot” naar minimaal 15 projecten reeds 19 kenniscentra afvallen; resteren nog altijd 16 grotere kenniscentra. Verhoging van de ondergrens naar minimaal 20 projecten verkleint deze groep niet sterk meer: er resteren dan 13 grootste publieke kenniscentra, te weten:

• rijksinstituten: DWW, RIVM, RIZA, RIKZ, SC-DLO/Alterra;

• waterschappen: HWB;

• universiteiten: LUW, VU;

• para-universitaire instituten: NIOO-CEMO, NIOZ;

• TNO-instituten en GTI’s: NITG-TNO, WL-Delft Hydraulics;

• bureaus: KIWA Onderzoek en Advies.

De grootste van deze centra die volledig watergericht zijn (RIKZ, RIZA, WL) beschikken over 400 à 450 medewerkers, van wie 60-70% wetenschappelijke staf.

De keuze voor aantallen projecten als maat voor de omvang van kennisontwikkeling is vooral ingegeven door onderzoekspraktische overwegingen. Over projecten zijn namelijk tamelijk uniforme gegevens beschikbaar. Weliswaar leveren niet alle instituten hun projectgegevens in dezelfde mate van volledigheid aan [zie 2.2] maar dit steekt nog gunstig af bij de beschikbaarheid van gegevens in kf of fte’s als maten voor de omvang van kennisontwikkeling.

Een eerdere kennisinventarisatie [Arts et al., in druk] leerde dat gegevens in kf maar voor een beperkt aantal kenniscentra beschikbaar zijn en dat deze gegevens bovendien betrekking hebben op programmaniveau, niet op projectniveau. Zij geven dus een veel globaler beeld van de kennisontwikkeling dan projectgegevens. En fte’s lijken voornamelijk in de universitaire wereld een geëigende maat voor de omvang van projecten.3

Niettemin dienen de projectgegevens met een onzekerheidsmarge te worden gehanteerd. Zij geven niet meer dan een indicatie van de omvang van kennisontwikkeling.

Figuur 2 geeft een beeld van de verdeling van de kennisontwikkeling bij de 35 grote kenniscentra over de verschillende typen instituten.

Figuur 2: Institutionele verdeling kennisontwikkeling

Bedacht moet worden dat figuur 2 slechts het relatieve aandeel van de grote kenniscentra weergeeft. Wanneer de verdeling over alle watergerelateerde kenniscentra (naar schatting ca. 250; de NOD-search geeft 225 instituten) zou worden gegeven, komen de verhoudingen anders te liggen. Met name het aandeel van de bureaus maar ook dat van de waterschappen en de universiteiten zal dan groter uitvallen, omdat er veel kleinere kenniscentra in deze categorieën vallen [zie 5.2.].

3.2. Centrale kennisthema’s

De projecten van de grote kenniscentra zijn geclassificeerd volgens het schema weergegeven in figuur 1 [zie 2.3.]. Bijlage 2 geeft per kenniscentrum een globale aanduiding van belangrijke expertisevelden. Figuur 3 biedt een totaalbeeld van de inhoudelijke verdeling van de kennisontwikkeling bij de 35 grote kenniscentra.

Figuur 3: Inhoudelijke verdeling kennisontwikkeling

In figuur 4 is het totaalbeeld uitgesplitst naar de verschillende typen instituten.

 

 

Figuur 4: Inhoudelijke oriëntatie kenniscentra

Figuur 4 toont interessante verschillen in inhoudelijke oriëntatie. De para-universitaire instituten (PUI’s) en ook
de universiteiten vertonen een sterke concentratie op het fysieke systeem (B). Aan deze instellingen wordt overwegend fundamenteel of strategisch natuur- en technisch-wetenschappelijk onderzoek gedaan. De waterschappen daarentegen zijn sterk gericht op praktische beheersvragen (B-C), met name de fysieke effecten van beheersmaatregelen en de monitoring daarvan. De rijksinstituten vertonen de sterkste inhoudelijke mix, met nog altijd meer dan 50% onderzoek aan het fysieke systeem.

Opvallend is dat integrale kennisontwikkeling, waarin zowel onderzoeksaandacht is voor de maatschappij, het fysieke systeem als voor bestuur en organisatie (A-B-C), nog maar weinig plaatsvindt: ongeveer 5% in totaal [zie figuur 3]. Koploper op dit vlak zijn de bureaus, met name de ingenieursbureaus, die voor meer dan 10% integraal onderzoek en advies bieden [zie figuur 4]. Bij deze bureaus wordt de link tussen waterbeheer en RO --op instigatie van hun opdrachtgevers (voornamelijk waterschappen, provincies en gemeenten; rijkswaterstaat in mindere mate)-- sterker gelegd dan bij de andere kenniscentra. Integraal waterbeheer blijft er niet beperkt tot de waterkolom en de interacties binnen het watersysteem. De universiteiten en para-universitaire instituten maar ook de rijksinstituten, TNO-instituten en GTI’s staan minder dicht bij de praktijk dan de ingenieursbureaus, waardoor de kennisontwikkeling er meer specialistisch is.

Treffend is verder dat kennisontwikkeling die expliciet is gericht op de maatschappij (A) eigenlijk niet plaatsvindt. Voorzover maatschappelijke ontwikkelingen worden onderzocht, zijn zij direct gerelateerd aan het fysieke systeem. Het onderzoek richt zich op de vraag naar water, de milieudruk, de visstand enz.; kortom, het watergebruik (A-B). Ook onderzoek naar de maatschappelijke inbedding van waterbeheer, zowel politiek-bestuurlijk als financieel-economisch (A-C), ontbreekt vrijwel. Onderzoek naar de bestuurlijke organisatie als zodanig (C) komt daarentegen wel voor, zij het op beperkte schaal. Het betreft onder meer onderzoek naar (aanpassing van) waterwetgeving.

3.3. Vergelijking met prioritaire thema’s

De Verkenning Kennis voor Integraal Waterbeheer [zie 1.2] heeft tot doel prioritaire kennisthema’s en innovatieopgaven voor integraal waterbeheer te identificeren. Het voorgaande overzicht biedt de mogelijkheid de centrale kennisthema’s binnen de kennisinfrastructuur te vergelijken met de prioritaire kennisthema’s.

Op basis van twee oriënterende interviewrondes, de ene onder de breed samengestelde klankbordgroep voor de verkenning (onder voorzitterschap van Ir. J. van der Vlist van het Hoogheemraadschap Uitwaterende Sluizen Hollands Noorderkwartier), de andere onder organisaties van watergebruikers (ANWB, CDA, LTO Nederland, Shell, Unilever, Stichting Reinwater, Stichting Waterpakt, VEWIN, WNF), zijn de volgende thema’s als prioritair geïdentificeerd:

beleving van water
Het groeiende belang dat mensen hechten aan de identiteit van hun leefomgeving en de toenemende vrije tijd en mogelijkheden tot vrijetijdsbesteding (waaronder watersport) nopen tot herkenning van de uiteenlopende belevingswerelden van verschillende groepen watergebruikers en tot erkenning van deze belevingen in integraal waterbeheer. Zo kan het waterbeheer veelzijdiger worden, doordat het steeds meer functies vervult, en meer gaan "leven" voor de burgers, die het uiteindelijk betalen. Waterbeheer komt meer in de maatschappij te staan. Op dit moment is veel waterkennis nog eenzijdig technisch van aard.

sociaal-economische betekenis van water
Voldoende water van goede kwaliteit wordt wereldwijd schaarser. Daarmee stijgt de waarde van water. Deze waarde is meervoudig: naast de functionele gebruikswaarde is er een belevingswaarde (de waarde van wonen of recreëren aan of op het water) en een ecologische waarde (de waarde van een gezond functionerend watersysteem). De huidige prijs van water weerspiegelt niet deze drievoudige waarde. Ook in kosten/ baten-analyses van waterstaatkundige investeringen wordt vaak nog slechts rekening gehouden met de gebruikswaarde van een watersysteem, hetgeen kan leiden tot kostbaar vermogensverlies in termen van beleving en ecologie. Nieuwe berekeningsmethoden zijn nodig.

"vernatting" van de ruimtelijke inrichting
Klimaatverandering en zeespiegelstijging, gecombineerd met bodemdaling, vergroten de druk van het water op het land. De sterk gereguleerde Nederlandse watersystemen zijn niet goed ingericht om deze druk te geleiden. De behoefte aan een flexibeler, natuurlijker inrichting en beheer wordt breed onderkend maar er zijn ook twijfels en kennisvragen. "Vernatting" omvat verder de uitdaging om de voortgaande verstedelijking van Nederland beter te geleiden, bijvoorbeeld door goed gekozen waterpartijen als ordenend element te gebruiken in stedelijke uitbreidingen of bij de herinrichting van bestaand stedelijk gebied.

integraal beheer van waterkringlopen
Het beheer van de kleine, stedelijke waterkringloop
staat bloot aan vrijwel tegengestelde maatschappelijke en politieke krachten als het beheer van de grote, natuurlijke kringloop. In het eerste geval is er internationale druk tot privatisering, meer marktwerking
en internationalisering. Het beheer van de waterhuishouding daarentegen tendeert, mede onder invloed
van EU-regelgeving (Kaderrichtlijn Water) naar
regionalisering op de schaal van stroomgebieden en naar het publieke domein. De vraag is hoe het beheer van beide kringlopen adequaat op elkaar af te stemmen en welke vormen van publiek-private samenwerking in dezen mogelijk en wenselijk zijn.

betrokkenheid van burgers
Buitenstaanders, waaronder ook watergebruikers, ervaren de waterwereld als relatief gesloten. Waar openingen naar de "buitenwereld" worden gecreëerd, blijkt vaak een heel creatieve en effectieve omgang met water mogelijk, bijvoorbeeld bij de (her)inrichting van stadswijken. Water roept bij burgers overwegend positieve associaties op, in tegenstelling tot bijvoorbeeld verkeer. De uitdaging is om de veelstemmigheid van de bij water betrokken belangen te laten doorklinken in het uiteindelijke waterbeheer. Er moeten strategieën worden ontwikkeld om gerichte betrokkenheid van burgers bij integraal waterbeheer te organiseren.

rol van de markt
Privatisering van water(keten)beheer is een internationale tendens. Waterleidingbedrijven maar ook waterbeheerders en rioolbeheerders staan onder druk efficiënter te werken. Er is bepaald geen consensus over de voors en tegens en de voorwaarden van privatisering van (delen van) het totale waterbeheer. Daarbij is ook de vraag aan de orde hoe waterbeheer zich verhoudt tot andere nutssectoren. Kennisontwikkeling op dit punt is nodig, mede gebruik makend van ervaringen in het buitenland.

Het is niet zo dat deze thema’s in het geheel geen aandacht krijgen in de kennisontwikkeling. Het feit dat zij als prioritair zijn aangemerkt, wil zeggen dat zij in het licht van ontwikkelingen in maatschappij en beleid (nog) meer aandacht vereisen. Er is thans onvoldoende kennis over beschikbaar.

Kenmerkend voor de prioritaire thema’s is dat zij liggen op raakvlakken van de onderscheiden elementen van integraal waterbeheer [zie figuur 5].

Figuur 5: Voorlopige prioritaire thema’s

De centrale kennisthema’s [zie 3.2.] vertonen een sterke focus op het fysieke systeem (ca. 60%; zie figuur 3) en hebben veel minder betrekking op relaties tussen de elementen van integraal waterbeheer. Alleen de relatie tussen bestuur en fysiek systeem wordt substantieel onderzocht (ca. 25%; zie figuur 3), echter vooral op het fysieke aspect (effecten van beheersmaatregelen).

De prioritaire kennisthema’s zijn (nog) niet opgenomen in de “main stream” van de kennisontwikkeling; zij vormen kennislacunes. Deze lacunes lijken vooralsnog ook niet te worden gedekt door toekomstgerichte kennisprogramma’s als die van Delft Cluster, KING of NIDO. De agenda’s van deze instanties zijn weliswaar nog niet uitgewerkt maar staan niet specifiek in het perspectief van integraal waterbeheer. Zo wil het Delft Cluster "de kennis ontwikkelen die de actoren in de grond-, weg- en waterbouw nodig hebben om het rendement van investeringen in de infrastructuur van deltagebieden te verhogen" [www.delft-cluster.nl]. In dit bouwkundige perspectief zullen andersoortige kennisthema’s prioritair zijn dan de hiervoor genoemde zes.

Met deze constatering is de "main stream" van de kennisontwikkeling allerminst gediskwalificeerd. Integraal waterbeheer vraagt zeker om grondige kennis van het te beheren fysieke object en om technologie. Kennisontwikkeling op dit punt blijft dus van belang.
De ontwikkelingen in maatschappij en beleid vragen echter om een verbreding van de kennisontwikkeling. Waterbeheer staat niet meer op zichzelf maar wordt in toenemende mate gerelateerd aan ruimtelijke ordening en stedenbouw, aan andere nutssectoren en aan recreatie en toerisme. De prioritaire kennisthema’s zijn ingegeven door deze ontwikkelingen.

De conclusie die kan worden getrokken is dat de prioritaire kennisthema’s nog niet zijn opgenomen in de hoofdstroom van de kennisontwikkeling. Er is wel relevante expertise [zie 5.1] maar deze is nog marginaal. De kern van de kennisinfrastructuur kent een andere oriëntatie, met een accent op de waterkolom en het fysieke watersysteem.
Dit is niet alleen een zaak van de kenniscentra maar ook van onderzoeksprogrammerende en -financierende instellingen. De vrij smalle inhoudelijke oriëntatie van ook de beleidsgerichte kennisontwikkeling hangt samen met een zekere bestuurlijke verkokering van de watersector en aanpalende sectoren, waarover meer in het volgende hoofdstuk.

4. Kennisnetwerken

4.1. Intrasectorale samenwerking

De watersector als geheel is onder te verdelen in een aantal branches met een eigen bestuurlijke organisatie, te groeperen in:

watersysteembeheer: beheer van de grote, natuurlijke waterkringloop: rijkswateren (RWS), regionale wateren (waterschappen) en grondwater (provincies);

waterketenbeheer: beheer van de kleine, stedelijke waterkringloop: drinkwatervoorziening (waterleidingbedrijven), rioolbeheer (gemeenten) en afvalwaterbehandeling (zuiveringschappen en all-in waterschappen).

Elk van deze branches kent een specifieke kennisinfrastructuur, niet alleen op het niveau van de uitvoering (kenniscentra) maar ook op het niveau van de aansturing van de kennisontwikkeling (onderzoeksprogrammerende en -financierende instellingen).

Watersysteembeheer

In het watersysteembeheer werden twee dominante clusters van kenniscentra getraceerd, waarbinnen vrij intensieve samenwerking plaatsvindt:

• RWS-instituten; en

• waterinstituten.

RWS-instituten Binnen de Rijkswaterstaat vindt samenwerking plaats tussen de vier specialistische diensten (DWW, MD, RIKZ, RIZA). Het onderzoek van deze kenniscentra wordt in belangrijke mate aangestuurd door het Hoofdkantoor van de Waterstaat (HW) en is gebundeld in WONS (Werkstructuur Onderzoek Natte Sector). WONS omvat het beleidsvoorbereidende en beleidsevaluerende onderzoek, alsmede het uitvoerende onderzoek voor het landelijke waterbeleid (waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterkering).4 WONS is vooral een structuur voor productgerichte onderzoeksprogrammering, een afsprakenkader tussen HW en de specialistische diensten. Het WONS-programma kent twee onderdelen (Water beheren en Water keren) met samen een kleine vijftien thema’s [documentatie uit 1998]:

• Water beheren: preventie, eutrofiëring, toxische stoffen, waterbodems, inrichting, verdroging en grondwater, watersysteemverkenningen, modellen, organisatie en instrumentarium;

• Water keren: veiligheid, kust, rivieren, "open oog- en oorfunctie" (evalueren en stimuleren van ontwikkelingen) en advisering.

De prioritaire thema’s [zie 3.3.] keren niet expliciet terug in het WONS-programma. De WONS-thema’s lijken voort te bouwen op beschikbare expertise binnen de specialistische diensten. Het oppakken van nieuwe thema’s met bestaande onderzoekscapaciteit vergt tijd.

Voor beide WONS-onderdelen, ‘water beheren’ en ‘water keren’, is ca. Mƒ 33 per jaar beschikbaar; in totaal financiert RWS-HW voor ca. Mƒ 65 per jaar aan beleidsgericht wateronderzoek. Dit onderzoek wordt niet volledig verricht door de specialistische diensten zelf; meer dan de helft besteden zij uit aan andere kenniscentra, met name universiteiten, GTI’s en ingenieursbureaus.

Waterinstituten Een ander cluster staat bekend als de "waterinstituten". Het gaat om zeven van de grootste publieke waterkenniscentra: RIZA/RIKZ/DWW, RIVM, SC-DLO/Alterra, NITG-TNO en WL-Delft Hydraulics. Deze zeven instituten streven onderling naar een groeiende samenwerking; er is periodiek directeurenoverleg. De instituten hebben de instelling van de eerder genoemde Commissie WB21, door V&W en de Unie van Waterschappen, aangegrepen om de samenwerking een nieuwe impuls te geven. Zij spelen in wisselende samenstellingen een belangrijke rol in het onderzoeksplan van de Commissie, zowel in de voorbereiding (workshop over onderzoeksonderwerpen) als in de uitvoering (onderzoeksthema’s en case-studies). Sommige instituten kennen elkaar uit voorgaande grootschalige projecten (met name RIZA/RIKZ en WL uit de WSV en de beleidsanalyses voor NW3) maar het betrekken van andere, niet primair watergerichte instituten bij het wateronderzoek is van recente datum. De samenwerking is nog in een beginstadium. In kennisnetwerken als NCK en NCR [zie bijlage 3.1] neemt de samenwerking al meer structurele vormen aan, zij het nog louter op initiatief van de participerende kenniscentra. Er is nog geen programmering of financiering door opdrachtgevers.

Waterketenbeheer

Het waterketenbeheer omvat drie branches:

• de drinkwatervoorziening, gedomineerd door waterleidingbedrijven;

• het rioolbeheer, gedomineerd door gemeenten; en

• de afvalwaterbehandeling, gedomineerd door zuiveringschappen en all-in waterschappen.

De Internet-search [zie 2.2.] geeft voor elke branche een specifieke kennisinfrastructuur te zien.

Drinkwatervoorziening

Binnen de drinkwatersector werden weinig samenwerkingsrelaties tussen kenniscentra getraceerd. Het KIWA neemt thans een monopoliepositie in als het centrale en toonaangevende kenniscentrum voor de sector. Hierin kan wel verandering komen. Per 1-1-2000 is de collectieve programmering en financiering van KIWA Onderzoek en Advies5 door de waterleidingbedrijven via de VEWIN (voor ca. Mƒ 15 per jaar) namelijk niet langer gekoppeld aan het lidmaatschap van de VEWIN. Waterleidingbedrijven kunnen bilateraal een 5-jarig onderzoekscontract afsluiten met het KIWA maar zijn vrij om met een concurrerend instituut in zee te gaan. Er komt dus geleidelijk meer marktwerking in de kennisontwikkeling op drinkwatergebied. Ook buiten de kennisinfrastructuur in strikte zin kent de drinkwatersector een intensieve samenwerking: tussen de waterleidingbedrijven in de VEWIN en tussen personen werkzaam in de sector in de VWN [zie bijlage 3.5].

Samenwerking met kenniscentra op het gebied van het watersysteembeheer komt niet veelvuldig voor. Toch richt het KIWA zich mede op het watersysteem (bijv. waterkwaliteit, verdroging) maar hiervoor lijken in de regel nog geen sectoroverstijgende samenwerkingsrelaties te worden aangegaan. Anderzijds richten systeembeheerders zich mede op de waterketen (bijv. emissies, afvalwaterzuivering), ook weer vooral binnen de eigen branche. Dit geeft een overlap in de kennisontwikkeling en verzwakt de beslissingsondersteuning voor een integraal beheer van watersysteem en waterketen, een van de prioritaire kennisthema’s [zie 3.3.].

Wel is een geleidelijke verknoping van kennisnetwerken gaande. Zo participeren de VEWIN en de VWN sinds 1994 met de NVA in de Stichting Wateropleidingen, "het opleidingscentrum voor de waterketen en het watersysteem" [www.waterland.net/wateropleidingen]. Een ander teken van verknoping is de projectgroep Water in de stad van de CIW [zie bijlage 3.3], die onderzoek doet naar de organisatiestructuur in de waterketen, en waarin naast de CIW-partners de VEWIN is vertegenwoordigd in de klankbordgroep.

Integraal beheer van waterkringlopen vraagt om verdere doorzetting van deze verknoping. De kennisnetwerken waarborgen al wel een zekere samenhang maar zeker voor buitenstaanders, waaronder ook politici, is de kennisinfrastructuur bepaald onoverzichtelijk en --mede vanwege het technische karakter-- ook tamelijk ontoegankelijk. Bijlage 3 bevat een overzicht van bestaande kennisnetwerken. De bijlage geeft een groot aantal (ruim 30) en een grote diversiteit aan kennisnetwerken te zien: van onderzoekscholen, adviescommissies en overlegorganen tot verenigingen. Het bestaan van zoveel kennisnetwerken van zo velerlei aard toont de hoge organisatiegraad in de watersector en de ver voortgeschreden netwerkbenadering. Daar staat tegenover dat de veelheid aan organisaties de transparantie van de sector niet ten goede komt. Ook kan het grote aantal samenwerkingsstructuren verstarrend werken; de sector moet wel kunnen inspelen op maatschappelijke dynamiek.

Rioolbeheer en afvalwaterbehandeling

In de branches van het rioolbeheer en de afvalwaterbehandeling werd eveneens vrij weinig samenwerking tussen kenniscentra geconstateerd. Dit valt onder meer te verklaren uit bestuurlijke barrières tussen waterleidingbedrijven, waterschappen en gemeenten. Deze barrières liggen voor een deel in de uiteenlopende werk- en denkniveaus van de regionaal opererende waterleidingbedrijven en waterschappen en de lokaal werkende en denkende (kleinere) gemeenten. Verder is de concurrentie tussen kenniscentra hier heviger dan in het (publieke) watersysteembeheer en de (semi-publieke) drinkwatervoorziening. De (private) adviesbureaus zijn namelijk overwegend gericht op rioolbeheer en afvalwaterbehandeling en op stedelijk waterbeheer in bredere zin [zie bijlage 2.7].

Voor rioolbeheer bestaat wel een specifieke netwerkorganisatie: de Stichting RIONED, zij het met een beperkt budget (ca. Mƒ 1,5 per jaar; vanwege de bestuurlijke barrières?), waarin naast kenniscentra ook overheden en marktpartijen participeren [zie bijlage 3.4]. Vanuit de Stichting RIONED vindt samenwerking plaats met
watersysteembeheerders. Zo kent de stichting een vertegenwoordiging van onder meer de Unie van Waterschappen in het bestuur en werkt zij in diverse projectgroepen samen met onder andere de STOWA.

Voor afvalwaterbehandeling bestaat geen afzonderlijke netwerkorganisatie maar er zijn enkele netwerken die zich zowel richten op afvalwaterbehandeling als op watersysteembeheer, zoals de CIW, de NVA en de STOWA. Met name de laatste organisatie is expliciet gericht op kennisontwikkeling en beschikt over een wat ruimer budget (ca. Mƒ 8 per jaar). De STOWA stelt een 4 à 5-jaarlijks onderzoeksplan op, op basis van een inventarisatie van kennisvragen onder de leden waterbeheerders. Dit plan heeft evenzeer betrekking op het watersysteem als op het afvalwatersysteem.6 Deze koppeling wordt bevorderd door het samengaan van watersysteembeheer en afvalwaterbehandeling op het bestuurlijke vlak, in de inmiddels diverse all-in waterschappen met zowel een waterbeheers- als een waterzuiveringstaak. Water(kwantiteits)beheer en waterzuivering geven dus de sterkste intrasectorale samenwerking te zien, ook in de kennisinfrastructuur.

Al met al geeft de kennisinfrastructuur in de watersector een zekere verkokering te zien. De samenwerking tussen de verschillende branches op het gebied van kennisontwikkeling is nog nauwelijks structureel maar afhankelijk van contacten op individuele basis. Een belangrijk vereiste voor meer structurele samenwerking is doorbreking van de bestuurlijke verkokering van de watersector, die via de aansturing van onderzoek doorwerkt in de kennisinfrastructuur (de afzonderlijke programmering en financiering vanuit V&W, VEWIN/KIWA, Stichting RIONED en STOWA). Nauwere bestuurlijke samenwerking is ook uit een oogpunt van kennisontwikkeling van belang. Het watersysteembeheer is hierin verder dan het waterketenbeheer, getuige het bestaan van de CIW. Het Waterpact Twente laat echter zien dat ook in de waterketen nauwere samenwerking mogelijk is, waarbij ook watersysteembeheerders zijn betrokken. Dergelijke samenwerkings- verbanden kunnen een belangrijke impuls geven aan integrale kennisontwikkeling voor een samenhangend beheer van waterkringlopen.

Integrale aansturing van kennisontwikkeling wordt ook bemoeilijkt door de eigen dynamiek van de kennisinfrastructuur en de beleidsarena. Beleidsvoerders zijn vaak moeilijk te betrekken bij kennisontwikkeling. Het specificeren van "de kennisvraag", zeker op de langere termijn, vergt een intensieve dialoog tussen kennisvragers en kennisaanbieders, vaak op initiatief van de laatsten.

4.2. Intersectorale samenwerking

In het kader van integraal waterbeheer [zie 1.1] zijn behalve de watersector ook andere sectoren relevant. Naast economische sectoren als de landbouw, de industrie, de scheepvaart, de visserij en de watersport gaat het vooral om de ruimtelijke ordening, het milieubeheer en het natuurbeheer.

Een belangrijk cluster van kenniscentra tussen deze sectoren vormen de rijksinstituten. Deze instituten werken in diverse projecten samen. Het gaat vooral om samenwerking tussen SC-DLO/Alterra, RIVM en RIZA.
De projecten getrokken door SC-DLO/Alterra betreffen vaak de relatie tussen landgebruik en water(kwaliteit).
Dit onderzoek vindt onder meer plaats in opdracht van de RPD ten behoeve van de voorbereiding van het RO-beleid, echter op relatief kleine schaal. Een belangrijk onderzoeksissue op dit vlak is de koppeling van de diverse modellen van de verschillende instituten (bijv. emissiemodellen,
af- en uitspoelingsmodellen, stromingsmodellen) tot een “consensusinstrumentarium” voor land- en waterbeheer. De compatibiliteit van de betreffende modellen laat namelijk vaak te wensen over. Veelzeggend in dit verband is een project over concepten in de hydrologie (Bijdrage Hydroframe, 1999-2001), gericht op het ontwikkelen van consensus tussen de drie genoemde instituten over de interpretatie van een aantal hydrologische begrippen. Kennelijk moeten eerst nog bepaalde taalbarrières worden overwonnen, een teken dat de samenwerking nog in de kinderschoenen staat. Andere projecten hebben betrekking op bijvoorbeeld natte natuur (eveneens getrokken door
SC-DLO/Alterra) of milieunormstelling (getrokken door RIVM). In voorkomende gevallen participeren ook andere rijksinstituten in de projecten, zoals CBS, IBN-DLO/Alterra, LEI-DLO en IKC-Natuurbeheer.

Kenmerkend voor de samenwerkingsprojecten is dat zij de strikte grenzen van het waterbeheer te buiten gaan; zij liggen op de bredere terreinen van ‘ruimte’, ‘natuur’ of ‘milieu’. Met name het RIVM neemt op deze terreinen een sleutelpositie in. Dit instituut vervult in nauwe samenwerking met andere rijksinstituten zowel de Milieuplanbureaufunctie (jaarlijkse Milieubalans en vierjaarlijkse Milieuverkenning) als de Natuurplanbureaufunctie (jaarlijkse Natuurbalans en vierjaarlijkse Natuurverkenning), ter ondersteuning van interdepartementaal beleid op deze terreinen. Beide planbureaufuncties zijn wettelijk verankerd, de eerste in de Wet Milieubeheer in opdracht van de minister van VROM, de tweede in de Natuurbeschermingswet in opdracht van de minister van LNV. Een dergelijke krachtige aansturing van intersectorale samenwerking door financiers van onderzoek bevordert integrale kennisontwikkeling en verdient navolging voor waterbeheer in relatie tot RO
(een regisserende waterplanbureaufunctie van bijvoorbeeld het RIZA?).

De “vernatting” van de ruimtelijke inrichting, een prioritair kennisthema [zie 3.3.], vraagt ook om intersectorale samenwerking vanuit de watersector. Thans bestaat de neiging in de kennisinfrastructuur om, in het verlengde van NW4, de relatie water - RO zelfstandig op te pakken, zonder intensief contact met ruimtelijk georiënteerde kenniscentra. Deze versnippering van activiteiten is weinig efficiënt en effectief. Versterking van personele en organisatorische netwerken “over de (water)grenzen” is geboden.

De financiële impuls tot intersectorale projecten komt ook niet primair vanuit de watersector. Financiers zijn voornamelijk VROM en LNV. De betreffende geldstromen vanuit deze ministeries zijn minder omvangrijk dan die vanuit V&W. VROM (DGM-DWL) besteed ongeveer Mƒ 2,5 per jaar aan wateronderzoek, in 1999 ca. Mƒ 0,3 aan normstelling en de monitoring van oppervlaktewater en ca. Mƒ 2,1 aan drinkwater, de waterketen, water internationaal en afvalwater.7 De financiering vanuit LNV (DWK) geschiedt op basis van het DLO-Onderzoekplan. In 1999 was Mƒ 5,2 gereserveerd voor het programma ‘Waterbeheer voor landbouw en natuur’ (1999-2002; trekker:
SC-DLO/Alterra) en Mƒ 4,8 voor ‘Aquatische ecosystemen’ (1998-2001; trekker: IBN-DLO/Alterra), in totaal ca. Mƒ 10 over 3 jaar. Deze geldstroom gaat geheel richting DLO-instituten en het landbouwkundig Praktijkonderzoek; er is nauwelijks een relatie met de twintigvoudige(!) WONS-financiering door RWS-HW [zie 4.1.]. Slechts op onderdelen vindt “matching” plaats, zoals in de hierboven genoemde projecten en op wat grotere schaal rond het thema verdroging (het onlangs afgeronde Nationaal Onderzoeksprogramma Verdroging). De programmering en financiering van wateronderzoek geeft dus een verkokering te zien: een waterkolom, een RO/milieukolom en een landbouw/natuurkolom.

Al met al is intersectorale samenwerking voor integraal waterbeheer “in statu nascendi”. Er zijn diverse initiatieven tot nauwere samenwerking tussen de rijksinstituten maar de samenwerking “over de (water)grenzen”, in het bijzonder met de RO, staat nog in de kinderschoenen.
De instituten zelf moeten elkaar op de werkvloer nog beter leren kennen en ook de aansturing vanuit de respectievelijke departementen kan meer op elkaar worden afgestemd.

Tenslotte vraagt de relatie tussen beleidspraktijk en wetenschap de aandacht. Verschillende netwerken van kenniscentra combineren fundamentele kennisgeneratie (universitair of para-universitair) en beleids- of marktgerichte kennisapplicatie [zie bijlage 3.1]. In de meeste gevallen blijft de kennisapplicatie echter beperkt tot rijksinstituten en TNO-instituten of GTI’s. Waterbeherende instellingen, zoals waterschappen, provincies en regionale RWS-directies, of marktpartijen, waaronder investeerders, zijn minder sterk vertegenwoordigd. Alleen in de TAW participeren ook waterbeheerders naast vertegenwoordigers van de universitaire wereld, echter op een zeer specifiek onderwerp. Intensiever contact tussen de wetenschappelijke kenniscentra en de praktijk is wenselijk. Er moet voor worden gewaakt dat de fundamentele kennisgeneratie in disciplines als hydraulica, geologie, ecologie en toxicologie zich niet los van de beheerspraktijk en marktvragen ontwikkelt. Veelzeggend in dit verband is het bestaan van de Werkgroep Ecologisch Waterbeheer [zie bijlage 3.5], die zich expliciet ten doel stelt “optimale benutting van ecologische kennis ten behoeve van het waterbeheer in Nederland”. Kennelijk is deze benutting nog niet optimaal; een nauwere relatie tussen wetenschap en praktijk is gewenst. Hier ligt een belangrijke taak voor rijksinstituten, die meer zouden kunnen optreden als regisseurs van kennisontwikkeling, en voor financiers van fundamenteel onderzoek, zoals OCenW en NWO. Het leggen van de link tussen kennisontwikkeling en marktpartijen ligt vooral op de weg van netwerkorganisaties als CUR, LWI, Stichting RIONED en PAC Waterbouw i.o.

4.3. Internationale samenwerking

Een overzicht van de buitenlandse kennisinfrastructuur voor integraal waterbeheer valt buiten het bestek van deze inventarisatie [zie voor een overzicht van relevante grote Europese kenniscentra: Grijns & Wisserhof (1992), pp. 139-143]. Ook de watergerelateerde activiteiten van Nederlandse kenniscentra in het buitenland zijn al geïnventariseerd [zie: Boland et al. (1998), pp. 37-44], overigens met de kritische conclusies dat het Nederlandse internationale wateronderzoek “in zijn totaliteit sterk versnipperd en deels overlappend is en onvoldoende is afgestemd op vigerende beleidskaders (...). Daarnaast wordt nog relatief weinig toegepast beleidsgericht onderzoek gedaan naar nieuwe ontwikkelingen inzake integrale benaderingen (...).
De onderzoeksresultaten op dit gebied vinden nog weinig weerklank in de beleidsinzet” [pp. viii-ix].

De NOD-search bevestigt het positieve beeld dat óók uit laatstgenoemde inventarisatie naar voren komt, namelijk dat Nederland beschikt over een “internationaal watergerelateerd kennis- en onderzoekspotentieel”: veel Nederlandse kenniscentra zijn actief in het buitenland.
Er werden veel internationale projecten gevonden, vooral van universiteiten en para-universitaire instituten (m.n. LUW, VU, NIOO-CEMO en NIOZ). Maar ook rijksinstituten participeren in internationale projecten (o.a. RIZA en
SC-DLO/Alterra) en zeker ook WL-Delft Hydraulics als GTI. Mede gezien het bestaan van internationale kennisnetwerken met Nederlandse participatie [zie bijlage 3.6], mag worden geconcludeerd dat de Nederlandse kennisinfrastructuur internationaal samenwerkt.

Op het internationale vlak wreekt zich echter de eerder geconstateerde nog onvolgroeide samenwerking binnen de Nederlandse kennisinfrastructuur. Dit mag althans blijken uit de oprichting van Netherlands Water Partnership [zie bijlage 3.1]. Deze stichting heeft als belangrijkste doelen “het harmoniseren van de activiteiten en initiatieven van de Nederlandse watersector in het buitenland en het wereldwijd promoten van de Nederlandse deskundigheid inzake water” [www.nwp.nl]. Kennelijk vertoont de Nederlandse kennisinfrastructuur (ook) in het buitenland een gefragmenteerd beeld. De meeste instituten hebben wel bilaterale samenwerkingsrelaties met buitenlandse kenniscentra maar de internationale samenwerking onderling zou intensiever kunnen. Het is eerder “ieder voor zich” dan “samen sterk in waterwerk” (het motto van NWP). Hierdoor wordt de Nederlandse waterexpertise internationaal niet optimaal benut en is ook de vertegenwoordiging in internationale fora en de internationale concurrentiekracht van de kennisinfrastructuur sub-optimaal. De oprichting van NWP duidt erop dat het stadium van bewustwording binnen de watersector hieromtrent is aangebroken.

Ook andere initiatieven getuigen van internationale fragmentatie van de Nederlandse waterexpertise. Zo heeft het WNF recent gepleit voor de oprichting van een (meer ecologisch georiënteerd) Water Centre in Nederland (in
het rapport ‘Water maken’, aangeboden aan de staatssecretaris van V&W), dat de Nederlandse krachten en ervaringen op het terrein van integraal waterbeheer bundelt. Verder heeft de staatssecretaris onlangs het programma ‘Partners voor Water’ aangeboden aan de Tweede Kamer, in het verlengde van NW4. Deze nota biedt een nieuw, interdepartementaal actieprogramma “voor een krachtige, gebundelde buitenlandse waterinzet”. Kennismanagement is daarbij één van de actiepunten: “deskundigheidsbevordering” c.q. “capacity building”.

Internationaal is de Nederlandse kennisinfrastructuur dus eveneens in beweging en worden de eerste stappen naar een sterkere integratie gezet.

5. Breder Kennispotentieel

5.1. Potentieel in de kern

De kern van de kennisinfrastructuur omvat de in de vorige hoofdstukken in kaart gebrachte grote kenniscentra en kennisnetwerken. Verbreding van de kennisontwikkeling zal zich in het kader van de Verkenning Kennis voor Integraal Waterbeheer moeten richten op de eerder genoemde prioritaire kennisthema’s [zie 3.3]:

1. beleving van water;

2. sociaal-economische betekenis van water;

3. “vernatting” van de ruimtelijke inrichting;

4. integraal beheer van waterkringlopen;

5. betrokkenheid van burgers; en

6. rol van de markt.

In de voorgaande hoofdstukken werd geconcludeerd dat deze prioritaire kennisthema’s nog niet zijn opgenomen in de hoofdstroom van de kennisontwikkeling. Wel lopen er bij diverse instellingen relevante projecten. Tabel 1 geeft een globaal beeld van de kenniscentra en kennisnetwerken die bijdragen aan de genoemde thema’s zouden kunnen leveren. De tabel bevat tevens een aanduiding van de aard van deze bijdragen.

Tabel 1 biedt niet meer dan een indicatie van relevante expertise, die zeker niet volledig is. Niettemin wordt een patroon zichtbaar. Ten aanzien van de thema’s 3 (“vernatting”) en 4 (waterkringlopen) is de nodige expertise beschikbaar of in ontwikkeling. De andere thema’s worden minder goed gedekt. Deze thema’s staan alle in relatie tot de maatschappij (code A in figuur 1).

De kern van de kennisinfrastructuur beschikt dus over weinig expertise ten aanzien van de maatschappelijke inbedding van waterbeheer, een constatering die spoort met eerdere bevindingen [zie 3.3].

Verder valt op dat de universiteiten en vooral de para-universitaire instituten slecht vertegenwoordigd zijn, op enkele onderzoekscholen na (CERES en SENSE). Het niet zelden microscopische, fundamentele onderzoek bij deze instellingen [zie bijlage 2.4] is niet direct te relateren aan de prioritaire kennisthema’s, die zijn ingegeven door macro-ontwikkelingen in maatschappij en beleid. Dit sluit niet uit dat de betreffende kennis op termijn nuttig blijkt voor de prioritaire kennisthema’s maar hiervoor zullen nog de nodige operationaliserings- en opschalingsslagen moeten worden gemaakt.

5.2. Potentieel in de rand

In de “rand” van de kennisinfrastructuur bevinden zich de kenniscentra voor wie integraal waterbeheer geen ‘core business’ is. Hieronder vallen de instituten die minder dan 10 waterprojecten trekken [vergelijk 3.1]. Tabel 2 geeft een overzicht van de kenniscentra die zouden kunnen bijdragen aan de prioritaire kennisthema’s [zie bijlage 4 voor nadere informatie over deze centra].

Ook deze tabel is onvolledig en biedt niet meer dan een indicatie.

 

Onder de genoemde kenniscentra zijn opvallend veel universitaire onderzoeksgroepen, vooral juridisch-bestuurlijk en milieu-economisch georiënteerd. Ook provinciale diensten nemen een belangrijke plaats in. De laatste categorie ontbrak geheel in de kern van de kennisinfrastructuur maar het is niet verwonderlijk dat zij voor de verbreding van waterbeheer relevante expertise in huis hebben, juist ten aanzien van thema 3 (“vernatting”), waarin de relatie water - RO centraal staat. Strikt genomen zijn provincies geen kenniscentra maar bestuursorganen (evenals overigens de waterschappen, die echter geen organen van algemeen maar van functioneel bestuur zijn). Aangezien het provinciaal apparaat wel over relevante expertise beschikt, moeten de provinciale diensten hier echter toch worden genoemd.

Opvallend is verder de zwakke vertegenwoordiging van private kenniscentra: de adviesbureaus. Toch is bekend dat veel adviesbureaus zich op watergebied begeven, niet alleen ingenieursbureaus (naast de genoemde in bijlage 2.7 o.a. ook BKH, IWACO, Oranjewoud), maar in toenemende mate ook organisatieadviesbureaus (o.a. Arthur D. Little, Cap Gemini, Price Waterhouse, Twijnstra Gudde, K+V) en ontwerpbureaus (o.a. BOOM, H+N+S, RBOI, Bureau Stroming, Bureau Wissing).

In inhoudelijk opzicht wordt met name thema 3 (‘vernatting’) over het geheel genomen goed gedekt. De “rand” voegt in dit opzicht weinig toe aan de kern van de kennisinfrastructuur. Wat ontbreekt in zowel de kern als de rand, voor zover geïnventariseerd, zijn ontwerpbureaus als de zojuist genoemde. Deze zijn van groot belang voor dit thema. Zij spelen reeds een onmisbare rol in diverse stadsontwikkelingsprojecten waarbij water als ordenend principe geldt (bijv. de “watermachine” in Breda-Teteringen). De ontwerpbureaus moeten nauw betrokken zijn bij de uitwerking van de “vernatting” van Nederland.

Ten aanzien van thema 4 (‘waterkringlopen’) biedt de “rand” wél meerwaarde. Dit thema was in tabel 1 ook sterk vertegenwoordigd maar de expertise van de kern-kennisinfrastructuur was vooral natuur- en technisch-wetenschappelijk van aard. In de “rand” overheerst juridisch-bestuurlijke expertise die het integraal beheer van waterkringlopen ten nutte kan zijn.

Verder wordt met name thema 6 (rol van de markt) beduidend beter gedekt dan in tabel 1. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de meeste projecten op dit vlak niet expliciet betrekking hebben op de rol van de markt maar op de financiering van water(systeem)beheer in bredere zin. Aangezien hierbij ook de institutionele verhoudingen worden betrokken, raakt deze focus echter zeer dicht aan het prioritaire kennisthema. De betreffende instituten zouden dus een rol kunnen spelen in de nadere uitwerking van de rol van de markt in het waterbeheer. Daarbij zouden ook organisatieadviesbureaus als de bovengenoemde kunnen worden betrokken; zij zijn beter ingevoerd in de organisatie- en financieringsproblematiek van de waterketen.

Minder sterk staan de thema’s 1, 2 en 5 (resp. beleving, socio-economie en betrokkenheid burgers). Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat "de mens" (burgers onder thema 5 en watergebruikers onder thema 1) buiten beeld blijft. Het thema ‘beleving’ geeft weliswaar twee kenniscentra te zien in tabel 2 maar de betreffende projecten zijn gericht op het buitenland (India, Middellandse Zeegebied), evenals de projecten van CERES in tabel 1.

De sociaal-economische betekenis van water (thema 2) geeft slechts twee kenniscentra te zien, waarbij het IVM (tabel 2) bovendien nog onderdeel is van SENSE (tabel 1), en daarom niet echt meeweegt.

Thema 5 (betrokkenheid burgers) wordt in het geheel niet gedekt door de gevonden kenniscentra. Dit is verwonderlijk gezien de ruime aandacht voor open planvorming, interactieve beleidsvorming en participatieve besluitvorming, niet in de laatste plaats door V&W (de methode Infralab). De aandacht richt zich echter vooral op grote infrastructuurprojecten en die komen momenteel meer voor rekening van het beleidsterrein verkeer en vervoer dan van het beleidsterrein water. De expertise van LWI op dit punt (tabel 1) is eveneens meer "droog" dan "nat". Toch vragen ook vernattingsprojecten om grootschalige ruimtelijke ingrepen, waarbij de kennis en ervaringen uit de "droge sector" ten nutte zouden kunnen worden gemaakt.

Al met al kunnen niet alle prioritaire kennisthema’s door de waterkennisinfrastructuur als zodanig ("kern" en "rand" tezamen) worden opgepakt. Voor een aantal thema’s is expertise uit de omgeving benodigd.

5.3. Potentieel in de omgeving

Een breder kennispotentieel in de omgeving is vooral opportuun voor de prioritaire kennisthema’s 1 (beleving),
2 (socio-economie) en 5 (betrokkenheid burgers).
Het verkennen van de relevante kennisinfrastructuur voor deze thema’s valt buiten het bestek van de inventarisatie. Deze paragraaf bevat dan ook niet meer dan enkele vingerwijzingen.

Beleving van water: dit prioritaire kennisthema vraagt om ontwikkeling en gebruik van relevante sociaal-psychologische kennis. Deze kan worden aangetroffen in de vrijetijdswetenschappen. Enkele kenniscentra in dit veld zijn KUB-FSW en LUW-RPV. Ook de grotere van de vele belangenorganisaties voor recreanten beschikken over relevante expertise, te beginnen bij de ANWB. Een belangrijk kennisnetwerk is de Stichting Recreatie/Kennis- en Innovatiecentrum te Den Haag [www.kicrecreatie.agro.nl].

Sociaal-economische betekenis van water: dit thema vraagt vooral om milieu-economische expertise. Deze is behalve aan de VU (tabel 2) ook te vinden aan de EUR (FSW). Andere relevante kenniscentra zijn het CPB en het NEI, die onlangs op initiatief van V&W een handvest voor kosten/baten-analyse voor grote infrastructuurprojecten hebben opgesteld, en LEI-DLO/Alterra, dat zich ook op watergebied wil profileren is [zie: Hellegers & Van Staalduinen, 1998].

Betrokkenheid van burgers bij waterbeheer: voor dit thema is zoals gezegd de technisch-bestuurskundige expertise relevant die is ontwikkeld in de "droge" V&W-sector. Behalve binnen V&W zelf (AVV) is expertise op dit vlak aanwezig in de onderzoekschool TRAIL, waarin onder andere participeren EUR-FR, EUR-FSW en TUD-TBM [zie bijlage 4.2]. Ook andere departementen beschikken over relevante ervaring, bijvoorbeeld VROM, waar de RPD onder meer in het project Nederland 2030 leerervaringen heeft opgedaan met betrekking tot interactieve planvorming. Tenslotte hebben diverse organisatieadviesbureaus [zie 5.2] praktijkervaring in huis.

Al met al liggen in de omgeving van de direct watergerichte kennisinfrastructuur potenties voor het oppakken van de prioritaire kennisthema’s voor integraal waterbeheer. De genoemde instellingen kunnen dienen als eerste aanspreekpunten bij de programmering van kennisontwikkeling voor de betreffende thema’s.

6. Conclusies

Het totaalbeeld dat uit de inventarisatie naar voren komt is dat van een omvangrijke en sterk georganiseerde kennisinfrastructuur voor integraal waterbeheer. Nederland beschikt over een groot kennispotentieel, dat ook internationaal van betekenis is.

In het licht van ontwikkelingen in maatschappij en beleid met betrekking tot integraal waterbeheer zijn echter ook kritische conclusies te trekken. Vanwege de strategische functie van deze inventarisatie ligt daarop hieronder het accent. Aanbevelingen zijn niet opgenomen; deze worden uitgewerkt in de bredere verkenning, in overleg met betrokkenen. In dat licht zijn de conclusies samen te vatten in drie hoofdpunten:

Engheid in verscheidenheid
Er is een grote diversiteit aan kenniscentra en kennisnetwerken actief op het gebied van integraal waterbeheer. Voor "buitenstaanders", waaronder ook politici, is de kennisinfrastructuur niet erg transparant en -mede vanwege het technische karakter- ook moeilijk toegankelijk.
Inhoudelijk is de kennisontwikkeling vrij smal in de zin dat ca. 60% ervan is gericht op het fysieke watersysteem en ca. 25% op (fysieke effecten van) beheersmaatregelen. Integrale kennisontwikkeling, waarbij naast het watersysteem ook de maatschappij (watergebruikers) en bestuur en organisatie worden betrokken, beslaat slechts ongeveer 5% van het totaal en vindt meer plaats bij de ingenieursbureaus dan bij de publieke kenniscentra.
Een aantal belangrijke issues voor het Nederlandse waterbeheer op de (middel)lange termijn krijgt nog relatief weinig onderzoeksaandacht. Het gaat om:
1. beleving van water;
2. sociaal-economische betekenis van water;
3. "vernatting" van de ruimtelijke inrichting;
4. integraal beheer van waterkringlopen;
5. betrokkenheid van burgers; en
6. rol van de markt.

 

Verkokering
De vrij smalle inhoudelijke oriëntatie van ook de beleidsgerichte kennisontwikkeling hangt samen met een zekere verkokering van de kennisinfrastructuur, zowel op het niveau van kenniscentra als op het niveau van onderzoeksprogrammerende en financierende instellingen.
De watersector valt uiteen in watersysteembeheer en waterketenbeheer. Gezamenlijke kennisnetwerken voor deze twee branches werden weinig aangetroffen, hoewel beiden zich wel op elkaars terrein begeven. Dit geeft een overlap in de kennisontwikkeling en onderbenutting van gezamenlijke capaciteit.
Voor het watersysteembeheer vindt kennisontwikkeling behalve in de waterkolom (met name V&W en STOWA) plaats in de landbouw/natuurkolom (LNV) en in de RO/milieukolom (VROM). De omvang van de betreffende kennisontwikkeling in elk van de laatstgenoemde sectoren is overigens niet groter dan 5% van die in de watersector. De aansturing van het onderzoek in de drie sectoren geschiedt vrijwel onafhankelijk van elkaar. Vernatting van de ruimtelijke inrichting, "RO op waterbasis", vraagt om betere coördinatie van de onderzoeksprogrammering
en -financiering vanuit de drie sectoren. Thans bestaat de neiging in de waterkennisinfrastructuur om de relatie water - RO zelfstandig op te pakken, zonder intensieve samenwerking "over de (water)grenzen".
Binnen het
waterketenbeheer bestaan drie branches: de drinkwatervoorziening, het rioolbeheer en de afvalwaterbehandeling. Ook hier is vrij weinig structurele samenwerking in de kennisontwikkeling. In de drinkwatersector neemt het KIWA (nog) een monopoliepositie in en in het rioolbeheer en de afvalwaterbehandeling wordt gezamenlijke kennisontwikkeling bemoeilijkt door bestuurlijke barrières tussen waterleidingbedrijven, waterschappen en gemeenten en door concurrentie tussen de (private) kenniscentra op deze terreinen.
Integraal beheer van waterkringlopen vergt nauwere afstemming van de onderzoeksprogrammering en -financiering voor watersysteem en waterketen (door V&W, LNV, VROM, VEWIN/KIWA, Stichting RIONED en STOWA). Intensievere bestuurlijke samenwerking, zoals in de CIW voor het watersysteembeheer, kan een belangrijke impuls geven aan integrale kennisontwikkeling. Integrale aansturing van kennisontwikkeling wordt echter ook bemoeilijkt door de vaak grote afstand tussen kennisontwikkeling en de beleidsarena, zeker wanneer het gaat om kennis voor de langere termijn.
Tenslotte ontwikkelt de fundamentele kennisontwikkeling zich overwegend los van de integrale beheerspraktijk. Er zijn weinig structurele samenwerkingsverbanden waarin beide domeinen zijn vertegenwoordigd. Dit bemoeilijkt de praktische vertaling en benutting van wetenschappelijke vindingen, terwijl praktische kennis en ervaring niet fundamenteel worden uitgediept.

Verbreding
Het bovenstaande is een momentopname: de kennisinfrastructuur is in beweging. Op diverse fronten (in opleidingen, in besturen, in projecten) werd toenadering tussen de genoemde sectoren en branches geconstateerd, al staat samenwerking "over de (water)grenzen" nog in de kinderschoenen. Internationaal streeft de kennisinfrastructuur naar bundeling en gezamenlijke profilering van de Nederlandse waterexpertise, maar ook hier is nauwere samenwerking nog "in statu nascendi". Inhoudelijk zijn er eveneens aanzetten tot verbreding van de kennisontwikkeling, zij het marginaal ten opzichte van de hoofdstroom. Zo is voor de "vernatting" van de ruimtelijke inrichting en voor het integraal beheer van waterkringlopen relevante expertise in ontwikkeling. Bij de grote kenniscentra is deze expertise overwegend natuur- en technisch-wetenschappelijk van aard. Ruimtelijk-ontwerpende en juridisch-bestuurlijke expertise zijn minder sterk ontwikkeld. Er zijn echter diverse kenniscentra in de "rand" van de kennisinfrastructuur die juridisch-bestuurlijke expertise voor deze thema’s kunnen leveren. Dit laatste geldt ook voor het thema ‘rol van de markt in het waterbeheer’.
Minder capaciteit is er voor de prioritaire thema’s
‘beleving van water’, ‘sociaal-economische betekenis van water’ en ‘betrokkenheid van burgers bij waterbeheer’. Een beperkt aantal kenniscentra en kennisnetwerken beschikt wel over relevante expertise maar voor het substantieel oppakken van deze thema’s moeten sociaal-psychologisch, milieu-economisch en technisch-bestuurskundig georiënteerde instituten bij de kennisontwikkeling op watergebied worden betrokken.

 

 

7. Literatuur

• Arts, B., A. Lagendijk & J. Wisserhof (2000) Inventarisatie Natuuronderzoek Nederland, NRLO-rapport nr. 2000/2 en RMNO nr. 144

• Boland, M. et al. (1998) Nederlandse activiteiten op internationaal watergebied: Inventarisatie en analyse, Amsterdam: AIDEnvironment

• Enzing, C.M. & N. Chehab (1998) Kennisaanbod groene ruimte: Een overzicht, Den Haag: NRLO-rapport nr. 98/22

• Grijns, L.C. & J. Wisserhof (1992) Ontwikkelingen in integraal waterbeheer: Verkenning van beleid, beheer en onderzoek, Delft University Press: Delft Studies in Integrated Water Management, Vol. 1

• Hellegers, P.J.G.J. & L.C. van Staalduinen (1998) Waterverkenningen LEI-DLO, Landbouw-Economisch Instituut

• Joordens, J. et al. (1998) An exploration of international nature management research in the Netherlands, Amsterdam: AIDEnvironment

• Lagendijk, A. & J. Wisserhof (1999) Geef ruimte de kennis, geef kennis de ruimte: Verkenning van de kennisinfrastructuur voor meervoudig ruimtegebruik, RMNO-Rapport aan de Raad nr. 136

• Lange, O. de (red.) (1998) Nadere analyse natuurkennissysteem, Wageningen: Werkdocument IKC Natuurbeheer nr. W-164

• Westendorp, J. & N.G. Röling (1993) Natuurgericht waterkwantiteitsbeheer: Een verkenning van de bijdragen van kennis en communicatie, Wageningen: Rapport IKC-NBLF nr. 1

 

 

 

 

Bijlage 1: Lijst van zoektermen

De NOD (http://nod.niwi.knaw.nl) en de STOWABASE (http://www.waterland.net/stowa) zijn bevraagd op de volgende zoektermen en samenstellingen daarvan:

afvalwater

beekbedding

beekbreedte

beekdal

drinkwater

grondwater

hoogwater

kust

oever

oppervlaktewater

riolering

riool

rivier

waterbedrijf

waterbedrijven

waterbeheer

waterbeleid

waterbodem

watergebruik

waterhuishouding

waterketen

waterkwaliteit

waterland

waterleiding

wateroverlast

waterschaarste

waterschap

watersector

waterstaat

watersysteem

watersystemen

waterverontreiniging

watervervuiling

waterzuivering

zeebodem

zeedijk

zeegebied

Bijlage 2: Lijst van grote kenniscentra

2.1. Rijksinstituten

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise- Thema’s (uit NOD)

code (fig. 1) DGM-VROM Directoraat-Generaal Postbus 30945 Tel.: 070 339 48 75 B-C Normstelling (o.a. ,

Milieubeheer 2500 GX Den Haag Fax: 070 339 13 05 bodem, sediment), riolering (o.a. Leidraad)

DWW-RWS Dienst Weg- en Postbus 5044 Tel.: 015 256 93 07 B, B-C Waterkeringen,

Waterbouwkunde 2600 GA Delft Fax: 015 251 85 55 vervuilde waterbodems,

baggerproblematiek, natuurvriendelijke oevers

MD-RWS Meetkundige Dienst Postbus 5023 Tel.: 015 269 14 62 B Monitoring, remote

2600 GA Delft Fax: 015 213 54 56 sensing, GIS

RIKZ-RWS Rijksinstituut voor Postbus 20907 Tel.: 070 311 43 11 B, B-C Estuaria, kusten en

Kust en Zee 2500 EX Fax: 070 311 43 21 zeeën; beleidsvoor Den Haag bereiding, monitoring RIVM Rijksinstituut voor Postbus 1 Tel.: 030 274 91 11 B, A-B, B-C Ecotoxicologie, emissies,

Volksgezondheid en 3720 BA Bilthoven Fax: 030 274 29 71 bodem en grondwater,

Milieu drinkwater, gezondheid, normstelling, ICT (databanken, modellering, BOS)

RIVO-DLO Rijksinstituut voor Postbus 68 Tel.: 0255 56 46 46 B, A-B Visstand, visserij;

Visserijonderzoek 1970 AB IJmuiden Fax: 0255 56 46 44 monitoring

RIZA-RWS Rijksinstituut voor Postbus 17 Tel.: 0320 29 84 11 B, B-C Watersystemen (rivieren,

Integraal Zoetwaterbeheer 8200 AA Lelystad Fax: 0320 24 92 18 grondwater, waterbodems;

en Afvalwaterbehandeling waterbeweging, -kwaliteit,

morfologie, eco(toxico)logie);

modellering, beleidsvoorbe- reiding

SC-DLO Research Instituut voor Postbus 125 Tel.: 0317 47 42 00 B, B-C, A-B, Grondwater, kleine wateren, (per 1/1/2000 de Groene Ruimte 6700 AC Wageningen Fax: 0317 42 48 12 A-B-C af- en uitspoeling, landbouw fusie met - waterkwaliteit; modellering; IBN-DLO tot landgebruik, inrichting

ALTERRA) (natte natuur, water - RO)

2.2. Waterschappen1

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise- Thema’s (uit NOD)

code (fig. 1)

AW-ZVW Adviesdienst Waterbeheer Postbus 1107 Tel.: 0115 63 04 90 B-C Monitoring effecten

Zeeuws-Vlaamse 4530 GC Terneuzen Fax: 0115 63 04 40 beheersmaatregelen

Waterschappen (eutrofiëringsbestrijding,

verdrogingsbestrijding, natuurontwikkeling,

waterconservering)

HUSHN Hoogheemraadschap van Postbus 15 Tel.: 0299 39 13 91 B, B-C Monitoring waterkwaliteit,

Uitwaterende Sluizen in 1135 ZH Edam Fax: 0299 39 11 80 afvalwaterzuivering,

Hollands Noorderkwartier vegetatiebeheer

HWB Hoogheemraadschap van Postbus 2212 Tel.: 076 565 20 85 B-C, B Monitoring ecologische en

West-Brabant 4800 CE Breda Fax: 076 565 20 82 waterkwaliteitseffecten

beheersmaatregelen,

waterconservering

WF Wetterskip Fryslân Postbus 36 Tel.: 058 233 99 33 B-C, B, A-B Waterkeringen,

8900 AA Leeuwarden Fax: 058 233 99 66 waterbodems, waterkwaliteit

- landbouw, beheerseffecten

van zeespiegelstijging

WGS Waterschap Groot Salland Postbus 60 Tel.: 038 455 72 00 B-C, B Monitoring ecologische en

8000 AB Zwolle Fax: 038 453 01 11 waterkwaliteitseffecten

beheersmaatregelen, Actief

Biologisch Beheer/visstand- beheer

WWW Waterschap Wold en Postbus 396 Tel.: 0521 51 15 05 B-C Peilbeheer,

Wieden 8330 AJ Steenwijk Fax: 0521 51 82 42 verdrogingsbestrijding,

meettechniek

ZHEW Zuiveringsschap Hollandse Postbus 469 Tel.: 078 639 71 00 A-B, B-C Waterkwaliteit - landbouw

Eilanden en Waarden 3300 AL Dordrecht Fax: 078 631 18 71 (m.n. bestrijdingsmiddelen),

eutrofiëringsbestrijding

ZL Zuiveringschap Limburg Postbus 314 Tel.: 0475 39 44 44 B-C Waterkwaliteit, afvalwater-

6040 AH Roermond Fax: 0475 31 16 05 zuivering, ecologisch herstel

beken en vennen

 

 

 

2.3. Universiteiten

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise- Thema’s (uit NOD)

code (fig. 1)

LUW-Whh Sectie Waterhuishouding Postbus 9101 Tel.: 0317 48 27 78 B Distributie van stoffen

(incl. Leerstoelgroep 6700 HB Wageningen Fax: 0317 48 48 85 (nutriënten), dynamiek

Aquatische Ecologie en levensgemeenschappen

Waterkwaliteitsbeheer) (plankton), heterogeniteit

bodem en water,

hydrologische modellering

TUD-CTG Faculteit Civiele Techniek Postbus 5048 Tel.: 015 278 50 74 B-C, B Riolering / stedelijke af- en

en Geowetenschappen 2600 GA Delft Fax: 015 278 59 15 ontwatering, drinkwater-

(Secties Land- en zuivering (membraanfiltratie,

Waterbeheer, ultrafiltratie), stoftransport

Gezondheidstechniek &

Hydrologie en Ecologie)

UT-T&M Faculteit Technologie & Postbus 217 Tel.: 053 489 35 46 B, B-C Modellering riviermorfologie,

Management(Cluster 7500 AE Enschede Fax: 053 489 40 40 onzekerheidsanalyses

Civiele Techniek)

UU-FRW Faculteit Ruimtelijke Postbus 80115 Tel.: 030 253 27 49 B (Eco)hydrologische

Wetenschappen 3508 TC Utrecht Fax: 030 253 11 45 modellering, geomorfologie

(Disciplinegroepen van rivieren en kwelders

Proceskunde;

Landschapskunde,

GIS, Hydrologie;

Geomorfologie en Klimaat)

VU-FAW Faculteit der De Boelelaan 1085 Tel.: 020 444 73 68 B Grondwaterstroming en

Aardwetenschappen 1081 HV Amsterdam Fax: 020 646 24 57 grondwaterverontreiniging,

(Afdeling Kwartairgeologie geomorfologie van rivier-

en Geomorfologie) systemen en kustgebieden

 

2.4. Para-universitaire instituten (incl. KNAW-instituten)

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise- Thema’s (uit NOD)

code (fig. 1)

NIOO-CEMO Nederlands Instituut voor Postbus 140 Tel.: 0113 57 73 00 B Stofkringlopen in estuariene

Oecologisch Onderzoek, 4400 AC Yerseke Fax: 0113 57 36 16 en mariene sedimenten;

Centrum voor Estuariene beïnvloeding benthos door

en Mariene Oecologie voedsel, lichtklimaat, temperatuur

NIOO-CL Nederlands Instituut voor Postbus 1299 Tel.: 0294 23 93 00 B Stofkringlopen in zoetwater-

Oecologisch Onderzoek, 3600 BG Maarssen Fax: 0294 23 22 24 sedimenten, structuur en

Centrum voor Limnologie dynamiek van populaties

micro-organismen en plantaardig plankton

NIOZ Nederlands Instituut voor Postbus 59 Tel.: 0222 36 93 00 B Stofkringlopen in mariene

Onderzoek der Zee 1790 AB Fax: 0222 31 96 74 sedimenten, structuur en

‘t Horntje - Texel functioneren van mariene en

benthische ecosystemen, remote sensing kustwateren

 

2.5. TNO-instituten en GTI’s

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise- Thema’s (uit NOD)

code (fig. 1)

MEP-TNO TNO Milieu, Energie en Postbus 342 Tel.: 055 549 34 93 B-C, B Milieutechnologie (incl.

Procesinnovatie 7300 AH Apeldoorn Fax: 055 549 32 01 waterzuivering),

milieurisico’s, stedelijke afvalwaterkringlopen

NITG-TNO Nederlands Instituut voor Postbus 6012 Tel.: 015 269 69 00 B, B-C Meetnetten, -methoden en

Toegepaste 2600 JA Delft Fax: 015 256 48 00 modellering grondwater

Geowetenschappen (peilen, kwaliteit; stroming,

stoftransport), kartering ondergrond, beslissingsonder- steuning

WL-Delft Waterloopkundig Postbus 177 Tel.: 015 285 85 85 B, B-C Modellering watersystemen

Hydraulics Laboratorium 2600 MH Delft Fax: 015 285 85 82 (rivieren, regio’s, zeeën,

estuaria, kustgebieden; veiligheid, kwaliteit,

inrichting), BOS

2.6. Onderzoeks- en adviesbureaus

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise- Thema’s (uit NOD)

code (fig. 1)

KEMA Keuringsinstituut voor Postbus 9035 Tel.: 026 356 91 11 B Afvalwaterzuivering rookgas-

Nederland Elektrotechnische Materialen 6800 ET Arnhem Fax: 026 351 56 06 ontzwavelings- en

B.V en Artikelen kolenvergassingsinstallaties

(o.a. biologisch, membraan- filtratie), biofouling, visafleiding

KIWA N.V. KeuringsInstituut voor Postbus 1072 Tel.: 030 606 95 11 B, B-C, Drinkwaterzuivering, beheer

Onderzoek WaterleidingArtikelen 3430 BB Nieuwegein Fax: 030 606 11 65 A-B-C waterleidingnetten, "ander

en Advies water" (kosten, milieu-

rendement), verdroging

(milieueffecten,

monetarisering);

meetmethoden, monitoring, LCA drinkwatervoorziening

 

 

2.7. Advies- en ingenieursbureaus

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise- Thema’s (uit NOD en code (fig. 1) Internet1)

Arcadis ARCADIS Heidemij Advies Postbus 264 Tel.: 026 377 88 99 B, B-C, Stedelijk waterbeheer,

6800 AG Arnhem Fax: 026 351 52 35 A-B-C waterzuivering, water- kwaliteitsbeheer,

baggerproblematiek, ecologie en waterconservering

DHV Advies- en Postbus 484 Tel.: 033 468 22 00 B-C, Waterzuivering, riolering

Water B.V. ingenieursbureau 3800 AL Amersfoort Fax: 033 468 23 01 A-B-C (Leidraad), optimaal / totaal

waterbeheer (systeem - keten), stadsplanning (water - milieu - RO)

Grontmij N.V. Advies- en ingenieursbureau Postbus 203 Tel.: 030 220 79 11 B-C, Waterzuivering, water-

3730 AE De Bilt Fax: 030 276 02 94 A-B-C systeemanalyses (gebruik,

ecologie, beheersmaat-

regelen), water - RO (waterkansenkaart)

Haskoning B.V. Advies- en ingenieursbureau Postbus 151 Tel.: 024 328 42 84 B, B-C, Waterkwaliteitsbeheer,

6500 AD Nijmegen Fax: 024 323 93 46 A-B-C afvalwaterzuivering, water -

RO, integraal kustbeheer, rivierkunde, irrigatie en drainage

TAUW Advies- en ingenieursbureau Postbus 133 Tel.: 0570 699 911 B-C, Watersysteemanalyses

Milieu B.V. 7400 AC Deventer Fax: 0570 699 666 A-B-C (evaluatie beheersmaat regelen), riolering (o.a. Leidraad), duurzaam stedelijk waterbeheer

W+B Witteveen + Bos Postbus 233 Tel.: 0570 697 911 B, B-C Waterzuivering,

Raadgevende Ingenieurs 7400 AE Deventer Fax: 0570 697 344 watersysteemanalyses (ecologische beoordeling)

 

 

 

 

Bijlage 3: Lijst van kennisnetwerken

3.1. Netwerken van kenniscentra

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise Participanten

(codes; thema’s)

AKWA Advies- en p/a DWW Tel.: 015 251 84 79 B-C Waterbodem- RWS-diensten:

Kenniscentrum Postbus 5044 berging en verwerking Bouwdienst en Dir. Waterbodems 2600 GA Delft van sanering, Noordzee (uitvoering);

baggerspecie DWW, RIKZ en

RIZA (onderzoek)

DC Delft Cluster p/a GeoDelft Tel.: 015 269 37 93 B, B-C GD, IHE, TNO, TUD,

Postbus 69 Fax: 015 269 37 99 o.a. Integraal waterbeheer: WL-Delft Hydraulics

2600 AB Delft “beschikbaarheid van

voldoende water van

goede kwaliteit op de

juiste plaatsen; water als

ordenend element in de

ruimtelijke inrichting”

NCK Nederlands Centrum p/a WL-Delft Tel.: 015 285 85 77 B NITG-TNO, RIKZ,

voor Kustonderzoek Hydraulics Fax: 015 285 85 82 “de kustzone TUD-CTG, UT-T&M,

Postbus 177 als fysisch systeem” UU-IMAU, WL-Delft

2600 MH Delft Hydraulics

NCR Nederlands p/a WL-Delft Tel.: 015 285 85 77 B, B-C, A-B IBN-DLO, ICG, IHE,

Centrum Hydraulics Fax: 015 285 85 82 Stroomgebiedbeheer; KUN, RIZA, SC-DLO,

voor Rivierkunde Postbus 177 Inrichting rivier; TUD-CTG, UT-T&M,

2600 MH Delft Inrichting uiterwaard UU-FRW, WL-Delft Hydraulics

NODC Nationale p/a NIOZ Tel.: 0222 369 452 B Dienst Hydrografie

Oceanografische Postbus 59 Uitwisseling van Marine, KNMI,

Data Commissie 1709 AB Den Burg oceanografische NIOO-CEMO, NIOZ,

gegevens en informatie; NITG-TNO, RIKZ,

Oceanografisch RWS-DNZ, RWS-ZL, WL- data management Delft Hydraulics

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise Participanten

(codes; thema’s)

NWP Netherlands Water p/a IHE Tel.: 015 215 17 28 B, B-C, A-B, A-B-C Bestuur: IHE, LUW, Partnership Postbus 3015 Fax: 015 215 17 59 bestaande Nederlandse RIZA, WL-Delft

2601 DA Delft capaciteit in de watersector" Hydraulics; BuZa,

EZ, V&W, VROM, UvW; Arcadis, NEDECO, VEWIN, Waterbedrijf Gelderland, WNF; FME-CWM, Rabobank, Nationale Investeringsbank

TAW Technische p/a DWW Tel: 015 269 94 36 B, B-C 3 RWS-diensten,

Adviescommissie voor Postbus 5044 Fax: 015 261 13 61 Waterkeringen: 3 prov. diensten,

de Waterkeringen 2600 GA Delft toetsing veiligheid; 3 waterschappen,

kunstwerken; TUD (3 hoogleraren),

inundatierisico; 2 GTI’s,

beleidsadvisering; voorzitter (onafh.),

beheer en onderhoud secretaris (V&W)

 

3.2. Netwerken van kenniscentra: onderzoekscholen (interuniversitair)

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise Participanten1

(codes; thema’s)

CERES Centre for Resource p/a UU-FSW Tel.: 030 253 48 15 A, A-B, B-C KUN, LUW, UU,

Studies for Postbus 80140 Fax: 030 253 74 82 “the processes and UvA, VU, ISS

Development 3508 TC Utrecht principles underlying

perception, access,

control and management of

resources in developing

countries, and their

implications for

development”

ICG Interuniversitair p/a UvA-FRW Tel.: 020 525 74 25 B KUL, RUG, UU,

Centrum voor Nieuwe Fax: 020 525 74 31 Dynamics and evolution of UvA, VU

Geo-ecologisch Prinsengracht 130 river and coastal systems;

Onderzoek 1018 VZ Amsterdam Processes and changes in

geomorphological

systems; Analytical techniques,

data analysis and modelling

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise Participanten

(codes; thema’s)

JMBC J.M. Burgers Centre p/a TUD-OCP Tel.: 015 278 32 16 B RUG (1x), TUD (6x),

for Fluid Dynamics Rotterdamseweg 145 Fax: 015 278 29 79 Single phase flow and TUE (3x),

2628 AL Delft turbulence; Multiphase flow UT (4x)1

and rheology; Mathematical

analysis and numerical

simulation of flow

M&T Graduate School for p/a LUW Tel.: 0317 484 813 B KUN (3x), LUW (9x),

Environmental Postbus 8000 Fax: 0317 484 141 Speciation, transport and UU (2x)

Chemistry and 6700 EA availability of substances

Toxicology Wageningen in the environment;

Biotransformation;

Mechanisms of toxicity;

Effect and risk evaluation

NSG Netherlands Research p/a VU-FAW Tel.: 020 444 73 75 B RUL (1x), UU (4x),

School of De Boelelaan 1085 Fax: 020 646 24 57 Sedimentary basins and the VU (5x)

Sedimentary Geology 1081 HV Amsterdam underlying lithosphere;

Paleo-environments and earth

system history

OSW Onderzoekschool p/a TUD-CTG Tel.: 015 278 28 11 B, B-C TUD (5x),

Waterbouw Postbus 5048 Fax: 015 278 51 24 Water resources management UT (1x),

2600 GA Delft and decision support; UU (1x)

Design, construction and IHE

management of water systems

and hydraulic structures;

Physics of soil and water

SENSE Socio-Economic and p/a VU-IVM Tel.: 020 444 95 55 A-B, B, B-C LUW-Wimek, RUL-CML,

Natural Sciences of De Boelelaan 1115 Fax: 020 444 95 53 Socio-economic and UU-STS, UvA-IVAM,

the Environment 1081 HV Amsterdam technological causes and UvA-ARISE,

remedies in the cycle of VU-ACES, VU-IVM,

substances and materials; -FB, -FAW

Sources, distribution and

transformation of substances;

Ecological effects

3.3. Netwerken van beheersinstanties: overlegorganen1

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise Partici-panten

(codes; thema’s)

CIW Commissie p/a RWS-HW Tel.: 070 351 80 38 B, C, B-C, A-B, Waterschappen,

Integraal Postbus 20906 A-C, A-B-C provincies, gemeenten,

Waterbeheer 2500 EX Den Haag Bestuur en recht; Rijk

Herstel en inrichting;

Technologische aspecten van

heffing en handhaving;

Grondwater en verdroging;

Water(bodem)kwaliteit en

-kwantiteit;

Emissies en diffuse bronnen;

Informatievoorziening en

rapportage;

Internationale aspecten;

Strategie en visievorming;

Water in de stad

WOCB Werkgroep Olie- en p/a RWS-NH Tel.: 023 530 15 60 B, B-C RIZA en RIKZ, regionale

Chemicaliën- G. v.d. Burg Fax: 023 530 12 87 Registratie, voorkomen RWS-directies, RWS-HW,

bestrijding Postbus 3119 (preventie) en aanpak V&W-DCC

2001 DC Haarlem (preparatie en repressie)

van verontreinigingen

3.4. Netwerkorganisaties

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise Financiers

(codes; thema’s)

CUR Civieltechnisch Postbus 420 Tel.: 0182 540 600 B o.a. DWW

Centrum Uitvoering 2800 AK Gouda Fax: 0182 540 601 Natuurvriendelijke oevers Budget: ca. Mƒ 0,4/j.

Research en over 1987-19991

Regelgeving

LWI Land Water Postbus 420 Tel.: 0182 540 670 B-C, A-C o.a. ICES

Milieu Informatie- 2800 AK Gouda Fax: 0182 540 661 Estuaria en kusten, Budget: ca. Mƒ 14/j.

technologie Rivieren en zoetwaterbeheer, over 1994-19992

Informatie- en

communicatietechnologie,

Interactieve planvorming

 

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise Financiers

(codes; thema’s)

NIM Nederlands Instituut Zeestraat 100 Tel.: 070 345 51 65 A, A-B EZ

voor Maritiem 2518 JS Den Haag Fax: 070 345 56 09 Maritiem onderzoek: technische, (ca. Mƒ 5/j.), maritieme

onderzoek bedrijfseconomische, bedrijven (minimaal

organisatorische 50%/project)

en marktaspecten

NWO Nederlandse Postbus 93138 Tel.: 070 344 06 40 B, B-C, A-B OCenW

Organisatie voor 2509 AC Den Haag Fax: 070 385 09 71 Duurzaam gebruik en Budget NWO-totaal:

Wetenschappelijk bescherming van mariene ca. Mƒ 640/j.

Onderzoek levende hulpbronnen;

Duurzaamheid en milieukwaliteit;

Remote sensing;

Systeemgericht ecotoxicologisch

onderzoek; Kust- en

Noordzeeonderzoek;

Rivieren en kustzones in Z

uidoost-Azië;

Milieutechnologie;

Slibverwerking en opslag;

Waterbeweging in theorie en

praktijk

RIONED Stichting Platform Postbus 133 Tel.: 0318 631 111 B, C, B-C Gemeenten (ca. 450),

Buitenriolering 6710 BC Ede Fax: 0318 633 337 Samenwerking binnen de provincies, UvW,

Nederland waterketen; ONRI-advies-bureaus

Samenwerking door GWWO, FKS,

ondergrondse VPB Budget: ca. Mƒ 1,5/j.

infrastructuurbeheerders;

Samenwerking binnen de

gemeentelijke organisatie;

Samenwerking internationaal

en inzake opleidingen

STOWA Stichting Toegepast Postbus 8090 Tel.: 030 232 11 99 B, B-C RWS, provincies,

Onderzoek 3503 RB Utrecht Fax: 030 232 17 66 Kwantiteit en grondwater; waterschappen en

Waterbeheer Kwaliteit en waterbodem; zuiveringschappen

Afvalwatersystemen; Budget: ca. Mƒ 8/j.

Waterkeringen

3.5. Netwerken van personen

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise Participanten

(codes; thema’s)

Baggernet SKB-project p/a MEP-TNO Tel.: 055 549 39 27 B-C "mensen in het werkveld

Postbus 342 Fax: 055 549 32 31 Omgang met verontreinigde (ca. 750)

7300 AH waterbodems en baggerspecie Apeldoorn

KIvI, Koninklijk Instituut Postbus 30424 Tel.: 070 391 99 00 B, B-C, A-B KIvI-leden

Afdeling van Ingenieurs 2500 GK Den Haag Fax: 070 391 98 40 "het geheel van bestuur, (ca. 700 van ca. 18.000)

voor techniek en onderzoek m.b.t.

Water- zowel het grondwater

beheer als het oppervlaktewater"

NGvA Nederlands Postbus 219 E-mail: A-B "praktiserende viskwekers,

Genootschap voor 6700 AE ngva@waterland.net Aquacultuur mensen uit het onderwijs

Aquacultuur Wageningen en onderzoek, toeleve- ranciers en anderszins
geïnteresseerden in aquacultuur” (ca. 500)

NHV Nederlandse G. Remmelts Tel.: 015 269 74 85 B Leden “die in hun werk

Hydrologische NITG-TNO Hydrologie of studie in aanraking

Vereniging Postbus 6012 komen met hydrologie in

2600 JA Delft de ruime betekenis van

het woord” (ca. 750)

NVA Nederlandse p/a VEWIN1 Tel.: 070 414 47 77 B, B-C Leden “werkzaam op het

Vereniging voor Postbus 70 Fax: 070 414 44 20 Integraal waterbeheer, gebied van de riolering,

Waterbeheer 2280 AB Rijswijk de inzameling, het transport afvalwaterbehandeling,

en de behandeling van waterkwantiteits- en

afvalwater waterkwaliteitsbeheer”

(ca. 3000)

VWN Vereniging voor p/a VEWIN1 Tel.: 070 414 47 50 B, B-C, A-B, A-B-C Leden “voornamelijk

Waterleiding- Postbus 70 Fax: 070 414 44 20 Beleid, bestuur en werkzaam bij water-

belangen in 2280 AB Rijswijk beheer m.b.t. de leidingbedrijven”

Nederland watervoorziening (ca. 1300)

WEW Werkgroep D. de Vries Tel.: 050 316 46 02 B, B-C Leden “werkzaam bij

Ecologisch Walstraat 8 Fax: 050 316 46 33 Benutting van ecologische waterschappen,

Waterbeheer 8011 NT Zwolle kennis in het waterbeheer onderzoekinstellingen,

universiteiten en hogescholen, advies- bureaus of particulier” (ca. 250)

3.6. Internationale netwerken1

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise Participanten

(codes; thema’s)

EUCC European Union for P.O. Box 11232 Tel.: 071 512 29 00 B, B-C 350 coastal institutes,

Coastal Conservation 2301 EE Leiden Fax: 071 512 40 69 "integrity and natural 80 NGO’s,

diversity of the coastal 70 government agencies,

heritage and ecologically 50 conservation site

sustainable development" manager

IRC2 Internationale Postfach 309 E-mail: B, B-C, A-B Rijnoeverstaten

Rijncommissie D-56003 iksr@rz-online..de Bescherming van de Rijn: Zwitserland

Koblenz waterkwaliteit, ecologie, Frankrijk, Luxemburg,

emissies Duitsland, Nederland; EU

Bijlage 4: Lijst van kleinere kenniscentra8

4.1. Universiteiten: milieu-economisch

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise- Thema’s (uit NOD)

code (fig. 1)

EUR-FBij Faculteit der Bedrijfskunde Postbus 1738 Tel.: 010 408 19 79 A-C Wisselwerking overheid -

(Vakgroep Organisatie- en 3000 DR Rotterdam Fax: 010 408 90 15 bedrijfsleven in waterbeheer

Personeelswetenschappen) (o.a. aquacultuur in
kustgebieden)

KUB-FEW Faculteit der Economische Postbus 90153 Tel.: 013 466 24 26 B-C Invloed duurzaamheid-

Wetenschappen 5000 LE Tilburg Fax: 013 466 28 75 percepties besluitvormers en

(Vakgroep Bedrijfseconomie) hun actorennetwerk op

milieustrategieën
waterleidingbedrijven

VU-FE Faculteit der Economische De Boelelaan 1105 Tel.: 020 444 60 90 A-B-C Ruimtelijk-economische

Wetenschappen en 1081 HV Amsterdam beslissingsondersteuning

Econometrie (Afdeling beheer kustgebieden en

Ruimtelijke Economie) estuaria

VU-IVM Instituut voor De Boelelaan 1115 Tel.: 020 444 95 55 A-B Percepties van

Milieuvraagstukken 1081 HV Amsterdam Fax: 020 444 95 53 waterverontreiniging,

economische instrumenten voor grensoverschrijdend stroomgebiedbeheer,
BOS kustbeheer

 

4.2. Universiteiten: juridisch-bestuurlijk

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise- Thema’s (uit NOD)

code (fig. 1)

EUR-FR Faculteit der Postbus 1738 Tel.: 010 408 26 61 B-C Juridische aspecten beheer en

Rechtsgeleerdheid 3000 DR Rotterdam Fax: 010 408 91 88 gebruik land en water,

(diverse groepen) drinkwater, afval en waterverontreiniging;
rechtsposities betrokkenen

EUR-FSW Faculteit der Sociale Postbus 1738 Tel.: 010 408 20 50 B-C Bestuurlijk-juridische

Wetenschappen 3000 DR Rotterdam Fax: 010 212 08 34 voorwaarden duurzaam

(Vakgroep Milieukunde) waterbeheer (internationale stroomgebieden, grondwater), interactief waterbeheer

KUB-FR Faculteit der Rechtsgeleerd- Postbus 90153 Tel.: 013 466 23 02 B-C Wettelijke instrumenten voor

heid (Vakgroep Staatsrecht 5000 LE Tilburg Fax: 013 466 83 47 duurzaam grondwaterbeheer

en Bestuursrecht)

KUN-FBW Faculteit der Beleids- Postbus 9108 Tel.: 024 361 20 44 C, A-C Beleidsnetwerken

wetenschappen 6500 HK Nijmegen Fax: 024 361 62 20 waterbeheer, organisatie

(Leerstoelgroep water management UK - NL

Bestuurskunde)

RUL-FR Faculteit der Rechts- Postbus 9555 Tel.: 071 527 38 88 C Sociaal kapitaal

geleerdheid (Departement 2300 RB Leiden waterschappen

Publiekrecht en

Bestuurskunde)

UM-FR Faculteit der Rechtsgeleerd- Postbus 616 Tel.: 043 388 32 31 C Juridische aspecten

heid (Capaciteitsgroep 6200 MD Maastricht drinkwatervoorziening

Publiekrecht)

UU-FR Faculteit der Rechtsgeleerd- Achter Sint Pieter 200 Tel.: 030 253 72 50 B-C Regelgeving m.b.t.

heid (Disciplinegroep Staats- 3512 HT Utrecht Fax: 030 253 72 26 financiering waterbeheersing

en Bestuursrecht) en waterkering

(waterschapslasten)

TUD-TBM Faculteit Techniek, Postbus 5015 Tel.: 015 278 31 22 B-C Invloed institutionele

Bestuur en Management 2600 GA Delft Fax: 015 278 64 39 structuren op financiering

(Subfaculteit Technische infrastructuur (integrale

Bestuurskunde) afweging allocatie financiën)

UT-FBu Faculteit der Bestuurskunde Postbus 217 Tel.: 053 489 32 70 C Knelpunten financiering

(Staat en Politiek) 7500 AE Enschede waterbeheer; verdeling kosten en baten, herverdeling taken en bevoegdheden

4.3. Provincies en waterschappen1

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise- Thema’s (uit NOD)

code (fig.1)

Provincie Productgroep Ruimte Postbus 122 Tel.: 0592 365 555 A-C Commerciële exploitatie

Drenthe en Water 9400 AC Assen Fax: 0592 365 490 individuele systemen voor zuivering spoelwater (IBA- wacht)

Provincie Dienst Milieuplanvorming Postbus 55 Tel.: 0320 265 425 B-C Vernatting bosgebieden

Flevoland 8200 AB Lelystad Fax: 0320 265 260 (productiebossen)

Provincie Dienst Waterhuishouding Postbus 20120 Tel.: 058 292 59 25 B-C, A-B Effecten vernatting veen-

Fryslân 8900 HM Fax: 058 292 51 23 gebieden (nat- en droogte-

Leeuwarden schade landbouw, verandering natuurwaarden)

Provincie Dienst Water en Postbus 5700 Tel.: 043 389 75 96 B-C Herstel natuurlijke rivier-

Limburg Ontgrondingen 6202 MA Maastricht Fax: 043 389 76 43 dynamiek in (grensover-

schrijdende) beekdalen (inundaties en kwel, migratie, half-open beekdallandschap)

Provincie Dienst Waterstaat, Postbus 90151 Tel.: 073 680 80 52 B-C Ecologische consequentie-

Noord-Brabant Milieu en Vervoer 5200 MC Fax: 073 612 35 65 analyses van beleid voor

‘s-Hertogenbosch kleinere stroomgebieden; water als ordenend principe: problemen,

oorzaken, mogelijke

oplossingen

WD Waterschap De Dongestroom Postbus 6 Tel.: 0162 372 255 B-C Waterkansenkaart: kansen

5109 ZG Fax: 0162 372 244 en bedreigingen voor

‘s-Gravenmoer verschillende grondge- bruikfuncties bezien vanuit de waterhuishouding

WGG Waterschap Postbus 180 Tel.: 072 576 43 00 B-C Vergroting waterberging in

Groot-Geestmerambacht 1700 AD Fax: 072 576 43 99 polders in combinatie met

Heerhugowaard natuurontwikkeling

 

 

4.4. Overige instituten

Afkorting Naam/ toelichting Postadres Contactgegevens Expertise- Thema’s (uit NOD)

code (fig.1)

IBN-DLO Instituut voor Bos- en Postbus 23 Tel.: 0317 477 770 B Effecten vernatting,

(1/1/2000 Natuuronderzoek 6700 AA Wageningen Fax: 0317 424 988 verdroging en klimaat-

fusie met verandering (zeespiegel-

SC-DLO: rijzing) op vegetatie

ALTERRA)

Natour Natuurtoerisme Meijersweg 29 Tel.: 074 250 82 50 A-B Toeristische beleving en

Stichting 7553 AX Hengelo Fax: 074 250 65 72 monetair-toeristische waarde waterfauna (zeeschildpadden, monniksrobben e.d.)

N.V. PWN Provinciaal Van Oldenbarneveld- Tel.: 0251 662 911 B-C Gevolgen verminderde

Waterleidingbedrijf van weg 40 Fax: 0251 662 239 grondwaterwinning voor

Noord-Holland 1901 KC Castricum flora en fauna Noordhollands duinreservaat

 

Bijlage 5: Lijst van geraadpleegde personen

CIW (Commissie Integraal Waterbeheer)

Ir. G. Verwolf / Ir. J. Coppoolse (RWS-HW, Directie Water)

LWI (Land Water Milieu Informatietechnologie)

Ir. P. Holdert

NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek)

Dr. J. Marks / Dr. H. de Boois (Gebiedsbestuur Aard- en Levenswetenschappen)

RIONED (Stichting Platform Buitenriolering Nederland)

Jhr. Ir. A.J.H. de Beaufort

RIZA (Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling)

Ir. A.R. van Bennekom (voorzitter directeurenoverleg waterinstituten)

STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer)

Ir. J.M.J. Leenen, Ir. P.C. Stamperius

V&W (Ministerie van Verkeer en Waterstaat)

Ir. A.B. van Luin (RWS-HW, Directie Kennis)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deel 3:

Verslagen

 

 

 

 

 

Verslagen van interviews

 

Inhoud

Prof.dr.ir. P. Vellinga, IVM 139

Prof.dr.ir. J.L.A. Jansen, DTO/KOV en Prof.ir. H. Molenaar, EUR 141

Dr.ir. M.C.H. Wagemans, Ministerie LNV-Directie Zuid en Ir. G.C. van Wijnbergen, Zuiveringschap Limburg 143

Dr. A.N. van der Zande, Alterra Research Instituut 146

Prof.dr. A.G.J. Dietvorst, Wageningen UR 148

Ir. H.W. Kamphuis, Ministerie VROM/RPD 149

B.J. Krouwel en Dr. J.P.R.A. Sweerts, Rabobank Nederland 151

J.J. Feenstra, lid Tweede Kamer PvdA 153

Prof.dr. P. Glasbergen, UU-Milieukunde 155

Ir. A.B. van Luin, Ministerie V&W-RWS, Directie Kennis 157

Prof.dr.ir. C. van den Akker, TUD-Hydrologie en Waterbeheer 159

Mr. C.N. de Boer, Natuurmonumenten 161

Ir. J. Faber, Arcadis Heidemij Advies 163

Prof.dr. A.J.M. Smits, RWS-Oost/KUN-Natuurbeheer 164

Prof.mr. A. van Hall, Waterschap Eemszijlvest, UU 166

Ing. W.H. Streekstra, LTO Nederland 168

A. Finkers, ANWB 171

Dr. C.H. Smit, Shell Global Solutions 173

Dr. C. Dutilh, Unilever 176

Ir. R.H.F. Kreutz, VEWIN 178

Ir. J. de Wit, Stichting Waterpakt 180

Ir. M.L. de Rooij, Stichting Reinwater 182

Dr. L. de Jong, Wereld Natuur Fonds 184

 

Prof.dr.ir. P. Vellinga - Instituut voor Milieuvraagstukken

1. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer? Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt Nederland zich op dit vlak in internationaal verband?

Integraal waterbeheer zou niet beperkt moeten blijven tot water. Het gaat om de planning van water en ruimte in hun gezamenlijkheid, om nieuwe combinaties van ruimtelijke planvorming en water-planvorming; we moeten ruimtelijk anders omgaan met water. Voorbeelden: "Meegroeien met de zee", open zeearmen (geen scherpe zout-zoet scheiding), waterbuffers, lokale waterzuivering en waterwinning. Water en ruimte zijn niet meer los van elkaar te zien. Het waterbeheer wordt te zeer gedomineerd door technici; de "zachte sector" ontbreekt.

Specifiek voor Nederland is de schaarste aan ruimte en de hoge waterspiegel. Elke infrastructurele ingreep beïnvloedt de waterhuishouding en elke waterhuishoudkundige ingreep heeft consequenties voor de infrastructuur.

2. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de water-gerelateerde kennisontwikkeling? In welke mate gebeurt dit momenteel?

Kennisontwikkeling op het gebied van water zou meer geïntegreerd moeten plaatsvinden en in ieder geval periodiek geijkt moeten worden aan 1) veranderende maatschappelijke preferenties en 2) kennisontwikkeling in andere relevante kennisgebieden. Dit gebeurt nu onvoldoende. De kennisinfrastructuur is verkokerd volgens de departementale scheidsmuren en competenties: LNV - groen, V&W - water en VROM - RO/milieu. Ieder heeft ook zijn eigen cultuur en doelgroepen: LNV de boeren, V&W de bouwers en VROM de stedelijke planologen. In het algemeen is de kennisinfrastructuur te technisch gedomineerd.

Wat nu gebeurt, is dat ieder zijn eigen kennisinstellingen laat uitdijen: LNV naar groene ruimte, V&W van 1D (dijken) naar 2D (landschap), VROM/RPD naar integrale toekomstvisies (Nederland 2030 e.d.). Dit is een lofwaardig streven maar het lukt niet goed, ten eerste omdat ze geen van alle de benodigde additionele expertise in huis hebben; die zit elders, ten tweede omdat de betreffende ministeries ieder voor zich het leiderschap opeisen. Integrale kennisontwikkeling komt daardoor niet goed tot stand.

In deze setting moeten vernieuwende ideeën van relatief kleine bureautjes komen, zoals Bureau Stroming i.s.m. IVM en WNF voor "Meegroeien met de zee" (in opdracht van RIKZ - Bijlsma; bij de overheid moet dus wel iemand zitten met een brede visie als opdrachtgever). De kennisinfrastructuur is vervolgens echter ook niet goed toegesneden op de implementatie van dergelijke integrerende visies (vgl. Plan Ooievaar, "Veters los" e.d.). Het gebrek aan creatieve uitwerking van ideeën is een belangrijke bottleneck; niet het ontbreken van ideeën. Laat kennisinstituten maar eens aan "creatieve concurrentie" (Teisman) doen (vgl. PMR): laat elk een reëel en aansprekend alternatief uitwerken.

3. Welke thema’s in het integraal waterbeheer vragen naar uw mening om toekomstgerichte kennisontwikkeling en innovatie?

 

In zijn algemeenheid is het waterbeleid nog niet goed genoeg doordacht: hoezo "zuinig met water"?, hoezo "waterspoor"?

Fundamentele disciplinaire kennis (hydrologie, chemie, morfologie e.d.) is over het algemeen voldoende ontwikkeld. Alleen op het raakvlak van biologische/ecologische kennis en abiotische systemen liggen nog wel kennislacunes.

Thema’s:

• juridische en economische aspecten van waterbeheer;

• “land & resource economics”: de economische efficiency van waterbeheer; in de VS is dit thema veel verder ontwikkeld; in Nederland wordt veel gehandeld vanuit bestemmingsplannen, zonder economische ratio

• stedelijke ontwikkeling (water als drager van de stedelijke structuur; groen en water in stedelijk gebied);

• waterspoor (in de waterketen nagaan welke besparingen mogelijk zijn en kosten/ baten-analyses maken;

• vernatting van Nederland;

• verzilting: creatiever mee omgaan, d.w.z. ook toestaan in plaats van alleen vermijden en bijv. ook teelten daarop aanpassen;

• vergroting zoetwaterbuffers.

In de kern gaat het om gecombineerd ruimte- en waterbeheer.

De problematiek van klimaatverandering en zeespiegelstijging vraagt niet direct om innovatie; het is meer een kwestie van het robuuster maken van het huidige waterbeheer, meer veerkracht inbouwen en dit laatste is toch al nodig gezien de huidige problematiek. Klimaatverandering zal vooral leiden tot een grotere variatie in neerslag, afvoeren, stormen, waterbehoefte etc.

4. Worden de kennisbehoeften binnen deze thema’s gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur?
Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Belangrijk knelpunt is de verkokering van de bestaande kennisinfrastructuur. Er wordt te weinig gedaan aan integrale kennisontwikkeling.

Ook de interface tussen beleid en kennis is slecht ontwikkeld; probleemgestuurde samenwerking wordt te weinig of te slecht georganiseerd. Geïntegreerde, mathematische modellen zijn geen oplossing: de relatie tussen de kennisvragen en de modellen is wel eens zoek. Er valt meer te verwachten van stakeholdersanalyses, policy scenario’s e.d.: het organiseren van een proces waar kennisdragers bij elkaar komen in plaats van het door experts laten bouwen van meer gedetailleerde modellen.

5. Welke veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch) zijn naar uw mening gewenst met het oog op integraal waterbeheer?

Mogelijke oplossingsrichtingen:

• een koepelinstituut voor gebruik van kennis van ruimte en water. Mogelijk zou voortgebouwd kunnen worden op de CUR maar die is wel erg technisch georiënteerd;

• een ruimtelijk planbureau: het RIVM? (vgl. de ‘ruimteplanner’, ‘natuurplanbureau’); de DLO? Culturen en de koppeling met departementale opdrachtgevers zijn waarschijnlijk te diep ingesneden;

• een nieuw cluster van instituten?: ook geen perspectiefrijke optie;

• een aantal grote regionale water-ruimte projecten identificeren vanuit de top van de ministeries met alle stakeholders. Deze optie is nog het meest aantrekkelijk. Vgl. in het verleden de Deltawerken, waaruit een expertisecentrum als het WL een sterke impuls heeft gekregen.

Het is van belang de kennisontwikkeling te laten aansluiten op een reële, regionale problematiek. Het kan gaan om lopende projecten maar je kunt ook 10 jaar "voor de muziek uitlopen". Definieer bijvoorbeeld eens een project rond het peilbeheer van het IJsselmeer. Of zet eens alle ruimtelijke plannen in Nederland op een rijtje en stel je ten doel daar 10-20% van te verwezenlijken. Wie moeten dat dan gaan doen? Hoe dat te organiseren? etc.

Er zouden fondsen moeten komen om dergelijke regionale projecten te stimuleren. Het geld moet bij de problemen komen, niet bij de instituten. Binnen LWI bijvoorbeeld domineren de instituten en adviesbureaus teveel. Naast geld voor de ontwikkeling van grote regionale projecten zou ca. 10% van het budget gereserveerd moeten worden voor fundamentele ideeën- en kennisgeneratie (door "intellectuele wolkenridders"), zodat (generieke) kennis ook op andere plekken kan neerslaan dan in de projectuitvoering. Daarnaast misschien nog 20% voor de planvorming en dan is de rest voor de implementatie.

Cruciaal voor het slagen van de projecten is het vinden van goede (ervaren, multi-disciplinaire) projectleiders voor de integrale natuur-water-ruimte projecten. Er is een tekort aan dit soort mensen; het Rijk is veelal te verkokerd om ze te leveren. Bovendien valt met onderzoek departementaal niet te scoren. Als het geld eenmaal binnen is, is de interdepartementale strijd gestreden en wordt de verdeling overgelaten aan een "ambtenaar 3e klas" (omdat het vaak om relatief kleine bedragen gaat: enkele tientallen miljoenen guldens). Op dat moment, als het alleen nog maar gaat om verdeling van knikkers, is de slag uit een oogpunt van kennisontwikkeling echter verloren. Een evaluatie van missers in kennisontwikkeling zal dan ook hoogstwaarschijnlijk wijzen in de richting van departementale projectleiders als "zwarte Pieten".

De genoemde regionale projecten moeten niet getrokken worden vanuit de departementen maar vanuit een onafhankelijk bureau op enige afstand van de overheid. Geen nieuwe onderzoeksinstituten! De bestaande instituten evolueren en integreren ook: zie de DLO, zie RIKZ en RIZA etc. Op termijn zou een expertisecentrum voor water- en ruimtebeheer kunnen ontstaan. Verdere ontwikkeling en op afstand plaatsen van de RPD biedt misschien kansen? De RPD is niet sectorgebonden; breng natuur- en waterexpertise in en maak er een ruimtelijk planning agency van à la NOVEM. Van belang is wel dat er kennis-kernen dichtbij de overheid blijven, die de goede vragen formuleren. Laat de concurrentie op de markt dan verder het werk maar doen. De minister van VROM is wellicht ook het meest aangewezen als bestuurlijk verantwoordelijke voor het expertisecentrum.

 

 

Prof.dr.ir. J.L.A. Jansen - Duurzame Technologische Ontwikkeling/ Kennisoverdracht

Prof.ir. H. Molenaar - Erasmus Universiteit Rotterdam/Rotterdams Havenbedrijf

Integraal waterbeheer is niet de zaak van Verkeer en Waterstaat (= “Wat er staat”), al claimen die het wel. V&W had al lang in een crisis moeten zitten, net als LNV destijds. V&W is net zo technocratisch: maatschappelijke problemen worden vertaald in technische oplossingen met bijbehorende kostenplaatjes. Het ontbreekt aan maatschappelijk invoelingsvermogen. De standaardreactie van V&W op een nieuw probleem is het creëren van een nieuwe afdeling, die het probleem maar moet zien te tackelen. Als er grotere maatschappelijke druk komt, moet die afdeling maar meer geld krijgen. V&W beoordeelt alles naar de eigen maatstaven. Bijv. 1:10 000 = 1:10 000; er is geen sprake van democratische besluitvorming. RWS dateert ook nog uit de Franse tijd; het is in feite een militaire organisatie waar de “pet” c.q. het vak belangrijker is dan de mens. Zo’n organisatie kan per definitie niet met netwerken omgaan, waarin uitkomsten onvoorspelbaar zijn.

V&W is echter (in tegenstelling tot bijv. LNV) een departement met “sex appeal”. Bovendien hebben ze zich wel enigszins aangepast na de maatschappelijke commotie rond de Oosterschelde: de variëteit aan maatschappelijke problemen werd opgevangen met een variëteit aan technische alternatieven. Verder is hun maatschappelijk speelveld zeer overzichtelijk; er is maar één klant: de minister (in tegenstelling tot bijv. EZ met de grote bedrijven als even zoveel klanten) en er wordt minder een beroep gedaan op innovatievermogen.

Waterschappen zijn interessante bestuursorganen voor integratie. Ze vertegenwoordigen de oudste vorm van democratie (ca. 900 jaar), al was het dan democratie uit eigenbelang. In het verleden is al een tendens tot schaalvergroting ingezet, vanwege schaalvoordelen, en met de komst van de WVO ook de verbreding met waterkwaliteitsbeheer. Momenteel speelt de integratie van drinkwater en afvalwater. Uit een oogpunt van kringlopen horen die bij elkaar maar het zijn nog twee gescheiden werelden, ook qua technologie. Deze integratieve ontwikkelingen komen van binnen uit; het Rijk kanaliseert hoogstens: het regelt een procedure maar is in wezen reactief. Als iets niet leeft in de regio’s kan het Rijk het ook niet op gang brengen en houden. Wel moet gezegd worden dat de waterschappen zich wat te eenzijdig op het waterbeheer hebben gericht; de provincies zijn breder georiënteerd.

Integrale problemen (bijv. de slibproblematiek) worden ook door regionale stakeholders opgepakt (m.n. het Havenbedrijf Rotterdam en de waterschappen); dat is een kwestie van afruilen in plaats van afwegen. Het Rijk is dan afwezig. Het Rijk is te verkokerd; elke minister heeft een eigen verantwoordelijkheid, vaak gebaseerd op een onaantastbaar belang en ingegeven door een “no-regret” filosofie. Zo stond ook V&W in het geval van slib voor een bepaald belang, vastgelegd in wetgeving (geen vervuild slib erbij); het strikt daaraan vasthouden staat integrale oplossingen in de weg.

Problemen leven op regionaal niveau. De regio heeft een geografische en culturele eigenheid. Vgl. “Waterpact Twente” of “Meervoudig Duurzaam Landgebruik Winterswijk”; dat soort samenwerkingsovereenkomsten kunnen op regionaal niveau tot stand komen en niet op provinciaal niveau (het rivierengebied bijv. is weer heel anders), laat staan op nationaal niveau. De vraag is steeds: welke groepen zien kans om met elkaar tot afspraken te komen?

De instituties op nationaal niveau zijn niet geschikt voor integraal beheer; ze zijn “te klein voor tafellaken en te groot voor servet”. Op nationaal niveau is er een te grote (regionale) diversiteit aan problemen; daar kunnen geen eensluidende richtlijnen voor gelden. Naast de regio is Europa een goed integratieniveau; hier kunnen globale richtlijnen voor de regio’s geformuleerd worden, bijv. per stroomgebied.

De kennisinfrastructuur is verkokerd. Er komt steeds meer kennis van een beperkt aantal gebieden c.q. disciplines. Het kennisveld als geheel is eenzijdig (-gedomineerd, met een (-sausje er over heen. De grote vraag is hoe (-kennis in te brengen, een verschuiving naar geïntegreerde kennisontwikkeling op gang te brengen. Er gelden twee centrale eisen aan de kennisinfrastructuur: 1. verbreding (de specialismen moeten uit hun koker komen) en 2. flexibiliteit (de kennisinfrastructuur moet kunnen veranderen c.q. inspelen op nieuwe maatschappelijke vragen).

Er is behoefte aan transdisciplinaire kennis. Voor de ontwikkeling daarvan zijn regisseurs van netwerkstructuren nodig: mensen met een brede visie, die “meertalig” zijn (verschillende vakgebieden “verstaan” en de culturen kennen), die gezag in de vakwereld(en) hebben, en die creativiteit bij jongere mensen kunnen onderkennen en weten te activeren. De grote vraag is hoe aan dat soort mensen te komen. Alleen op basis van ervaring (60-plussers) of kunnen ze ook worden opgeleid? Minstens 90% van de hoger opgeleiden hoeft geen regisseur te zijn maar hoe kom je aan die 1-10%? Door een praktijkopleiding te koppelen aan een wetenschappelijke opleiding? Middels een werkstuk en het studeren/ werken in een interdisciplinair gezelschap? In ieder geval niet in een aparte faculteit! Vgl. de milieukunde: ook verworden tot specialismen. Er valt meer te verwachten van het invlechten van integraliteit in reguliere vakken, en dat op de werkvloer, dus in gesprek met de docenten. Dan komen we uit bij een echte (“universele”) universiteit.

De verkenning zou moeten aangeven welke thema’s nog steeds aandacht krijgen en toch maatschappelijk al ingehaald zijn en voor welke nieuwe thema’s nog geen kennisarsenaal beschikbaar is. Daarbij moet je ver vooruit denken: waterbeheer is een kwestie van eeuwen, zowel qua techniek (vgl. de kunstwerken) als organisatie (vgl. RWS 200 jaar). Verkennen = “ver kennen”; blijf niet te dicht op de huidige kennis. Beperk je ook niet tot “water-gerelateerde” kennis.

Stel je de vraag hoe het waterbeheer er over 50-100 jaar uitziet. Daarbij gaat het eerder om een oriëntatie dan om een visie. Wat zouden die 10-15 miljard mensen (dan) willen met water? Transport, drinken, vissen? Hoe kunnen ze allen aan hun eiwitten komen? Dat heeft met water te maken. En wat is integraal precies? Cultuur en techniek, meerdere sectoren, ...? Hoe gaan we om met macht (vgl. het water van de Jordaan) en nieuwe tegenstellingen (bijv. water als rustpunt en als bedreiging)? Daar ligt de kern van integraliteit. Zo is duurzaamheid volgens Brundtland een natuurwetenschappelijk vraagstuk, een verdelingsvraagstuk en een participatievraagstuk. Per component zijn verschillende uitkomsten mogelijk en de vraag bij integraliteit is hoe je daarmee omgaat.

Als thema-inleiders moet je mensen uit de praktijk benaderen. Zoek geen nieuwe deskundigheid; kom los van de huidige kaders. Focus op belevingswerelden (een “boer uit Bangladesh”, een “vent van de Mississippi”, een visser, een stadsbestuurder etc.). Ook interessant zijn mensen die boven de stof en bestaande structuren zijn uitgegroeid. Eventueel laat je twee uiteenlopende regio’s aan het woord (o.a. Zuidhollandse Eilanden en Waarden) of kijk gewoon eens hoe waterschappen reageren als je ze hiervoor benadert.

 

 

 

 

Dr.ir. M.C.H. Wagemans - Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Directie Zuid

Ir. G.C. van Wijnbergen - Zuiveringschap Limburg

Technisch weten we vrijwel alles van water; er zijn eigenlijk geen kennislacunes. De knellende kennisvragen liggen op het bestuurlijke vlak: hoe bereiken we dat burgers betrokken raken bij waterbeheer? dat voldoende maatschappelijke cohesie ontstaat in een gebied? hoe dat bestuurders hun verantwoordelijkheden nemen (waterschappen bijv. zijn nogal eens afwezig bij het maken van gebiedsgericht beleid)? hoe doorbreken we vastgeroeste situatie-definities (bijv. de tegenstelling watersysteem - waterketen tussen de oren van bestuurders)? hoe komen we tot centrale beheersing van de totale waterkringloop? e.d. Het ontbreken van bestuurlijke wil en bestuurlijke durf is het grootste probleem op dit moment; bestuurlijk zitten de zaken vast.

In feite zou ons hele bestuurlijk bestel eens ter discussie moet komen want dit bestel staat toe dat bestuurders en belangenvertegenwoordigers vrijblijvend deelnemen aan besluitvorming: ze worden niet afgerekend op wat ze feitelijk tot stand brengen maar meer op “mooie volzinnen”, het elkaar te vriend houden of het met oogkleppen op verdedigen van het eigen belang. Men wordt niet afgerekend op de consequenties van zijn handelen voor het gebied. Verder is de huidige besluitvorming teveel een circuit van “hotemetoten”: de burger is vaak afwezig. Ook leden van belangenorganisaties herkennen zich vaak niet in het standpunt van hun vertegenwoordigers. Het creëren van meer betrokkenheid op lokaal niveau is essentieel voor een goed beheer van de leefomgeving. Nu heeft de burger teveel het gevoel dat hij niet meetelt en dat hij interessantere dingen te doen heeft. Er is een gebrek aan maatschappelijke cohesie; een vervreemding van het bestuur van de maatschappij.

Beleidsprocessen moeten zodanig ontworpen worden, dat ontvankelijkheid voor andere situatie-definities is ingebouwd: alle betrokkenen en vooral de direct betrokkenen moeten een reële inbreng hebben; bestuurders moeten creatiever en in alternatieven gaan denken. Het leren omgaan met onzekerheden is een ander belangrijk element. Het huidige beleid en beheer zijn nog teveel gericht op zekerheid: er wordt pas actie ondernomen als vrijwel alle details bekend zijn, c.q. als het hele proces beheersbaar is. We moeten echter met een bepaalde mate van onzekerheid leren leven. Bouw vanuit het beleid een paar globale “checks” in en laat daarbinnen ontwerpruimte aan de uitvoerders.

Hier is een ander sturingsconcept voor nodig: stel als Rijk bepaalde doeleinden/randvoorwaarden hard en helder, flexibiliseer zaken die je minder essentieel vind; biedt instrumenten aan om het bereiken van de harde doelen te faciliteren en laat verder de maatschappelijke partners en uitvoerende instanties de vrije hand; maar zorg wel dat zij “in de benen komen”, dat zij zich committeren aan de doelstelling en dat ieder zijn verantwoordelijkheid neemt; en bouw sancties in op het niet nemen van die verantwoordelijkheid. Een dergelijk sturingsconcept past slecht in de Haagse bestuurscultuur. In Den Haag zitten geen “doeners”; men roept er meer problemen op dan dat men oplossingen aandraagt. Men durft geen antwoorden te geven, ook al omdat men uit is op zekerheid c.q. het iedereen te vriend houden. Als de politiek zich eenmaal met een probleem gaat bemoeien, wordt de zaak lam gelegd; zie de dijkverzwaring. Wel is er de laatste jaren een toenemende openheid binnen de overheid; men kan elkaar meer dan in het verleden “de maat nemen”: draagt het overheidsoptreden daadwerkelijk bij tot verbetering van de kwaliteit van een gebied?

Een belangrijke bottleneck in de kennisinfrastructuur is de geringe actiegerichtheid van onderzoek. Onderzoek is te weinig ingebed in een beleidscontext. Een betere positionering van de kennisontwikkeling is dringender dan het aangeven van nieuwe inhoudelijke kennisvragen. Onderzoek moet ertoe doen: wat gaan we anders doen dan voorheen op basis van de uitkomsten? Er kan bijvoorbeeld wel veel onderzoek worden gedaan naar natuurontwikkeling langs een beek maar dat onderzoeksgeld zou in de eerste plaats besteed moeten worden aan het inventariseren welke boeren in het gebied bereid zijn hun grond te verkopen of te ruilen; tegen welke prijs? tegen welke andere grond? e.d. Die praktische inbedding van onderzoek is een belangrijke verantwoordelijkheid voor opdrachtgevers: die moeten condities aangeven waaraan het onderzoek moet voldoen; en onderzoekers moeten kunnen aangeven tot de oplossing van welk probleem hun onderzoek een bijdrage levert. Nu doet teveel water-gerelateerd onderzoek er niet toe.

De laatste tijd geldt dit nog sterker nu (in navolging van de Prins) steeds meer instanties waaronder onderzoeksinstituten zich met waterbeheer gaan bemoeien, die vallen buiten de (vanouds strak geregelde) waterstaatsorganisatie (m.n. RWS en waterschappen); hun kennis wordt bijna per definitie niet gebruikt. De kennis uit die “schil” rondom de traditionele waterstaatsorganisatie staat ook te ver af van het waterbeheer in Nederland. Bijv. de problematiek van watertekorten, waar nu veel om te doen is (“water van de Jordaan” e.d.); die is helemaal niet aan de orde in Nederland. De hoofdvraag moet zijn: hoe gaan we in de toekomst om met water in Nederland? Hoe doen we dat goed en goedkoop? Veel modelmatig onderzoek vindt dan niet op de juiste schaal plaats (WL) of blijft steken in vragen uit het dagelijks beheer (RIZA). Ook wordt nog teveel technisch onderzoek gedaan (STOWA) en het bestuurlijke onderzoek blijft te conservatief (Unie van Waterschappen).

Nieuwe instituties zijn echter geen oplossing. Eigenlijk zouden er andere bestuurders moeten komen, mensen die onderzoek anders aansturen. Onderzoeksinstituten zouden gedwongen moeten worden tot samenwerking, tot coalitievorming; want uit zichzelf zullen ze dat niet doen. Bestuurders moeten hun verwachtingen uitspreken richting de onderzoeksinstituten en dat durven doorvertalen in de financiering.

Ook internationaal ligt er een sturingsprobleem. Nederland kan het buitenland veel ervaring bieden, omdat we hier in het landelijk gebied met onze zeer moderne landbouw het eerst met ons hoofd tegen de muur zijn gelopen (“einde van de moderniteit”). Die ervaringen zouden moeten worden gesystematiseerd en in producten vertaald. De Nederlandse kennisinfrastructuur is echter te zeer naar binnen gekeerd; Nederlanders maken eigenlijk alleen ontwerpen, ze voeren nauwelijks uit en beheren in het buitenland doen ze vrijwel helemaal niet, in tegenstelling tot de Engelsen en de Fransen. Terwijl m.n. in Oost-Europa veel vergelijkbare problemen leven. Nederland zou veel actiever kunnen meedenken met de Oost-Europeanen: vanuit de eigen ervaringen vragen identificeren, alternatieven aandragen, voor- en nadelen ervan aangeven e.d. Dit kan ook activerend werken op de passieve oud-communistische bestuurscultuur.

Een ander knelpunt is de beperkte doorwerking van kennis. Bestuurders hebben vaak een politiek doel met onderzoek: legitimatie van een reeds genomen besluit, vertraging van de besluitvorming, aanvechting van andermans beleid e.d. Kennis op zich is lastig voor bestuurders: die werpt hen op zichzelf terug, dan moeten ze gaan nadenken en dat zijn ze niet gewend.

Voor de langere termijn is er behoefte aan het doordenken van nieuwe concepten. Ga er bijvoorbeeld eens vanuit dat over 50 jaar het landelijk gebied niet meer grotendeels in bezit van de boeren is, wie neemt dan verantwoordelijkheid voor het beheer? op welk niveau leg je welke verantwoordelijkheden? welke organisatievormen horen daarbij? wie kun je daarvoor belasten? hoe sanctioneer je het niet nakomen van verantwoordelijkheden? e.d.

Een ander concept dat vraagt om doordenking is landbouw ten dienste van de grond (i.p.v. grond als dienend voor de landbouw: de traditionele opvatting). Welke implicaties heeft deze conceptuele verschuiving voor de landbouw? Hoe kan landbouw maximaal bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving?

Nog een voorbeeld: de relatie water - wonen. Er worden nogal wat woonwijken in polders en uiterwaarden gebouwd en minder in de hoger gelegen bosgebieden. Dat brengt hoge bouwkosten met zich mee (heien), terwijl mensen vaak liever in een bosrijke omgeving wonen, waar ze nu massaal gaan recreëren. De natte (veen)gebieden zijn vaak juist meer geschikt voor landbouw (veeteelt). Dit heeft ook met de economische efficiency van grondgebruik te maken. Er is nu nauwelijks een koppeling tussen de winst van het grondgebruik (landbouwopbrengst) en de rekening die daarvoor betaald wordt (inpoldering, bemaling, verdroging, verzilting e.d.). We zouden ook veel economischer kunnen omgaan met water; de economisering van watergebruik is een ander thema dat nader doordacht moet worden. E.e.a. heeft weer van alles met ketenbeheer te maken.

Misschien is water zelfs wel niet de juiste thematiek maar moeten we denken in termen van grondmobiliteit. Ligt daar niet de kern van het probleem? Welk licht werpt het centraal stellen van grondmobiliteit op water- en ruimtebeheer? Hoe kan de grondmobiliteit worden verhoogd?

Verder speelt de merkwaardige paradox dat Nederlanders beroemd zijn om hun omgang met water maar er in feite met hun rug naar toe staan. Er is behoefte aan anders omgaan met water, bijv. water als redder van de natuurwaarden in Nederland, water als ordenend principe/uitgangspunt in plaats van als een functie.

Ook rond de normstelling valt nog wel het een en ander uit te denken. Moeten we naar 0% risico, naar “maagdelijke” watersystemen? Of past in onze “cultuur-natuur” een hoger risiconiveau, en welk niveau dan? Hoe ziet een normstelling op basis van de gezondheid van planten en dieren in plaats van de gezondheid van de mens eruit? Hoe een pragmatische normstelling bestuurlijk te implementeren (bestuurders zijn nu veel te bang afgestraft te worden als ze risico’s accepteren)? e.d.

Dergelijke conceptuele verschuivingen vragen om fundamentele kennisgeneratie. Daarnaast liggen er ook op technisch gebied nog wel verder reikende vragen. Wat zijn bijvoorbeeld de mogelijkheden van membraan-filtratie? kan dat op termijn per huishouden? hebben we dan nog wel riolering nodig? En wat zijn de mogelijkheden voor waterbesparing (bijv. druppelbevloeiing)?

Thema-inleiders moet je vooral zoeken buiten het formele blikveld van de overheid, buiten de gevestigde instanties; daar zitten meer creativiteit en ontvankelijkheid voor nieuwe ideeën. Binnen het overheidsapparaat ligt het accent toch vooral op reproductie. Denk aan kunstenaars en filosofen, juist ook met het oog op de doordenking van nieuwe concepten.

Dr. A.N. van der Zande - ALTERRA Research Instituut voor de Groene Ruimte

1. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer? Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt Nederland zich op dit vlak in internationaal verband?

De kern is het watersysteemdenken; daarin ligt de offensieve invloed van het waterbeheer op R.O. en samenleving. Waterbeheer is vanouds serviel georiënteerd geweest maar nu wordt het grenzenstellend en sturend. Dat is pas iets van de laatste 2 jaar; NW4 werkt bijv. echt door in de Startnota Ruimtelijke Ordening, terwijl NW3 wel het watersysteemdenken beleed maar daarmee nog niet sturend was. Er zijn wel enkele bijna-rampen nodig geweest om het zover te krijgen maar met de wateroverlast en issues als klimaatverandering, bodemdaling e.d. is water nu toch een factor in het politieke krachtenveld.

Het is wel de vraag waar de grens van integraliteit ligt. Er is steeds weer een overtreffende trap. Eerst was het de integratie van kwantiteit en kwaliteit. Dat is nu te beperkt; nu is het het systeemdenken. Wat is de volgende stap?

De kracht van Nederland is juist dat het in systemen kan denken. We zijn hier wel verkokerd maar toch ook goed in staat om bruggen te slaan als het nodig is. Dat heeft te maken met onze geschiedenis en ligging in een Delta: we hebben hier zowel een "top-down" traditie (de strijd tegen de zee en de grote rivieren: RWS) als een "bottom-up" traditie (in de polders: de waterschappen). Andere landen hebben maar een van beide of zelfs bestuurlijke anarchie. Ze zijn over het algemeen minder ver in het streven naar integraliteit.

2. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de water-gerelateerde kennisontwikkeling? In welke mate gebeurt dit momenteel?

Kennisontwikkeling zou geïntegreerd moeten plaatsvinden. Dit gebeurt nu onvoldoende.
De water-gerelateerde kennisinfrastructuur is uitzonderlijk sterk verkokerd. De waterkwantiteitstak bestaat uit een cultuur-technische koker (Wageningen) en een civiel-technische koker (Delft), de waterkwaliteitstak uit een waterzuiveringskoker en een waterwinningskoker (KIWA) en dan heb je ook nog de ecologen en hydrologen. Elk van deze kokers wil in eigen huis integraliteit ontwikkelen. Dat leidt tot een harde kern van eigen expertise en amateurisme aan de randen ("schaamrandjes"). Men is niet bereid tot werkelijke samenwerking. Zo is de Onderzoeksschool Hydrologie er niet gekomen, het ICES-initiatef Water is geflopt, Netherlands Water Partnership is de volgende poging. Het is gewoon een "soap".

De beleidsdepartementen groeien sneller naar elkaar toe dan de onderzoeksinstituten. Het is ook alleen maatschappelijke druk die de instituten tot samenwerking kan brengen. Die druk groeit ook. Zo wil staatssecretaris De Vries een nota waarin de Nederlandse kennisinfrastructuur zich internationaal presenteert, gericht op export van de Nederlandse waterexpertise. Netherlands Water Partnership is ook vanuit de maatschappij gemotiveerd (2e Wereld Water Forum).

3. Welke thema’s in het integraal waterbeheer vragen naar uw mening om toekomstgerichte kennisontwikkeling en innovatie?

• ecologie en water, ruimte en water: water als ordenend principe, een stroomgebiedsbenadering, risicopercepties en risicoreducties (overstromingskansen);

• op dit vlak overheersen niet meer de technische vragen: we kennen de technische mogelijkheden; het gaat om de bestuurlijke implementatie: bijv. overdracht van bevoegdheden naar een transnationaal orgaan (bijv. de Internationale Rijncommissie), bovenstrooms maatregelen willen nemen ten behoeve van gebieden benedenstrooms e.d. ten aanzien van risico’s: risico = kans x effect; de effecten zijn nu zo groot, dat verdere (technische) reductie van de kans (vgl. de Mississippi: "dijken van 30 m") het risico nauwelijks nog verkleint; wel kan nog worden gewerkt aan informatietechnologie: hoogwaterinformatiesystemen

• water als schaars goed: waterbesparing (bijv. druppelbevloeiing, rendementsverhoging, hergebruik; ook hier kan informatietechnologie een rol spelen, bijv. bevloeiing "real-time" gekoppeld aan satellietwaarnemingen), zuivering (bijv. membranen ten behoeve van ontzilting) e.d.

• maatschappelijke inbedding: wie heeft er macht over water? hoe verhoudt de macht van instituties zich tot de logica van het watersysteem (van Rijn tot beekdal)?

4. Worden de kennisbehoeften binnen deze thema’s gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur?
Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Technische, monodisciplinaire kennis is vrij ver ontwikkeld. De maatschappijwetenschappelijke inbreng (bestuur, economie) is echter onder de maat, zowel in Nederland als internationaal, terwijl de (-inbreng juist de lead zou moeten nemen. Hier ligt een volumeprobleem. Een organisatieprobleem is de ontwikkeling van systeemkennis: het bij elkaar brengen en integreren van uiteenlopende expertises.

In Wageningen (WUR, Wetlands Institute, ILRI) wordt, nu de landelijke initiatieven (Onderzoeksschool Hydrologie en het ICES/KIS-voorstel) dus mislukt zijn, een poging ondernomen een programma Water van de grond te krijgen. De stuurgroep is inmiddels geformeerd. Voor (-expertise zijn Utrecht en Nijmegen in the picture maar het is de vraag of die samenwerking ook daadwerkelijk tot stand zal komen; ook in Wageningen heerst de hokjesgeest: alles liefst in eigen huis.

Een ander initiatief dat lijkt te slagen is het NCR (Nederlands Centrum voor Rivierbeheer). Maar het was nog maar net van de grond of een van de participanten kwam alweer met een eigen initiatief; ook hier dus een wrange bijsmaak.

5. Welke veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch) zijn naar uw mening gewenst met het oog op integraal waterbeheer?

Een grote bottleneck op dit moment is het Delfts Cluster. Integraal waterbeheer is een van de drie thema’s van deze club en nu trekken zij al het geld op dit terrein naar zich toe (35 mln. uit ICES-II). Ten onrechte, want het zijn in wezen waterbouwers. Ook zij werken weer niet echt samen met andere instituten.

Een ander knelpunt is dat de waterlobby in Nederland slecht georganiseerd is. Er is geen coalitie of krachtig persoon die het watervraagstuk politiek agendeert en profileert. Er zijn vele actiegroepen maar die werken onvoldoende samen; in tegenstelling tot bijv. in de groene ruimte en ten aanzien van het milieu, waar wel coalities zijn die vraagstukken agenderen. In deze situatie zijn er bijna-rampen nodig om water op de agenda te krijgen (zie boven).

Institutioneel staan de zaken er dus ronduit slecht voor. We moeten onze kracht echt zoeken in complementariteit en integraliteit. Om dat te bereiken is druk vanuit de politiek onmisbaar. Dat is deels een kwestie van leiderschap.

 

Prof.dr. A.G.J. Dietvorst - Wageningen UR, Ruimtelijke Planvorming

De emotionele component is onderbelicht in waterplannen; waterbeheer krijgt een eenzijdig technische invulling. Hoe beleven mensen het water eigenlijk? Hoe worden ze erdoor geprikkeld? Hoe kun je water gebruiken als drager van nieuwe contrasten in de leefomgeving, nu het oude onderscheid tussen stad en land vervaagt? Voor recreatie en toerisme is vooral die potentiële contrastwerking van water belangrijk. Mensen willen graag contrasten in hun leefomgeving. Water kan een venster openen op een "andere wereld" dan de dagelijkse leefwereld, een "contra-structuur". Mensen zijn op zoek naar dat soort vensters, naar een doorbreking van monotonie, naar ankerpunten in een wereld die steeds meer "footloose" wordt ("vertraging" versus "versnelling"). Gebruik water daarbij als leidraad, om dynamisch met de belevingswaarde van de omgeving om te gaan.

Een belangrijke rol in de profilering van de emotionele waarde van water is weggelegd voor ontwerpend en ontwerp-gericht onderzoek. Ontwerpers zouden water moeten gebruiken voor het creëren van nieuwe identiteiten van landschappen, voor het aandragen van oplossingen op het raakvlak van de "snelle wereld" en de "droomwereld" (vgl. Lefebvre’s "second" and "third space"). Een belangrijke voorwaarde daarvoor is conceptueel kunnen denken, buiten de gebaande paden durven treden. Conceptuele denkers/generalisten zijn ook nodig om op fundamenteel-wetenschappelijk niveau tot integratie te komen; zij kunnen doorsnijdende, integrerende thematieken uit een problematiek abstraheren.

Ontwerpend onderzoek dient plaats te vinden in een interactieve en participatieve setting. Er zijn nog maar weinig voorbeelden van een dergelijke aanpak. Een groep die al wel zo werkt is REGIO-Project met hun Keuningcongressen: daar presenteren ontwerpers hun ideeën aan een groot aantal betrokkenen (eventueel met behulp van 3D-simulaties, GDR e.d.), de reacties worden verwerkt en weer teruggekoppeld naar de streek etc.

Interessante kennisvragen liggen op het raakvlak van materiële en immateriële aspecten van de leefomgeving. Dit snijvlak is een kennislacune, ook internationaal. De Task Force Water binnen het WUR is (ook) vooral fysisch/materieel georiënteerd. Internationaal komt in de "cultural geography" de laatste tijd wel meer aandacht voor het genoemde raakvlak, ook vanuit de sociale theorie en de economie. De leefomgeving kan worden opgebouwd gedacht uit verschillende lagen: waterstaat, infrastructuur, landschap, maatschappelijke functies en --last but not least-- de "mindscapes" van mensen. Die "mindscapes" zijn van grote invloed op de invulling van de overige lagen; projectontwikkelaars bijv. spelen in op de mindscapes. De meest potentierijke plekken hebben ook de combinatie materieel-immaterieel in zich. Op de raakvlakken van de verschillende lagen kunnen nieuwe verbeeldingen ontstaan, nieuwe inrichtingsconcepten. Mensen leven ook altijd in meerdere lagen; dit komt goed tot uiting in het woonkeuzegedrag. De verkenning is dan ook pas geslaagd als aan het immateriële aspect voldoende aandacht is besteed.

 

 

Ir. H.W. Kamphuis - Rijksplanologische Dienst, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

1. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer? Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt Nederland zich op dit vlak in internationaal verband?

De kern is drieledig: water als systeem, de functies geïntegreerd en water in verband met zijn omgeving (relatie met de R.O.). Nieuw is de pretentie: van volgend naar anticiperend, van (water)techniek naar integrale oplossingen in ruimte en tijd. Onderscheidend ten opzichte van andere landen is de breedte van de benadering in Nederland. In Duitsland bijv. worden water en ruimte nog niet in relatie tot elkaar beschouwd ("dan krijgen we ruzie met de waterbeheerders"), in Denemarken is bijv. het zuinig omgaan met schoon grondwater c.q. het waterdenken nog geen beleid. De verkokering in Nederland tussen water, R.O. en groene ruimte, die wel degelijk bestaat, is dus relatief. Er is ook wel communicatie tussen V&W, VROM en LNV; men houdt elkaar op de hoogte en denkt ook in grote lijnen hetzelfde (accentverschil: RWS denkt vooral vanuit het hoofdwatersysteem en de RPD meer vanuit de internationale/bovenstroomse context, dus in termen van stroomgebieden).

2. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de water-gerelateerde kennisontwikkeling? In welke mate gebeurt dit momenteel?

Waterkennis zou goed ingebed moeten zijn in besluitvormingstrajecten. In de toepassingssfeer, op regionaal niveau, gebeurt al veel op dit punt (denk aan projecten als "Levende berging", "Waterhuishouding Friesland" etc.), maar in de modellensfeer, op nationaal niveau, nog te weinig. Modellen blijken moeilijk te koppelen, bijv. stromingsmodellen (RIZA) en grondgebruiksmodellen (RIVM). De impuls tot koppeling komt ook niet uit de modellenwereld zelf; die moet vanuit het beleid komen. En de opdrachtgever moet dan ook nog bovenop het project blijven zitten, anders gaat het al gauw alleen nog maar over modellen en niet meer over de (beleids)vragen die beantwoord moeten worden. Overigens valt vaak ook goed te werken met "best technical judgements" in plaats van modellen.

3. Welke thema’s in het integraal waterbeheer vragen naar uw mening om toekomstgerichte kennisontwikkeling en innovatie?

- regulatiefuncties in het natuurlijk systeem

In het kader van de voorbereiding van de 5de nota R.O. wordt de leefomgeving onderverdeeld in vier lagen: het natuurlijk systeem, de (transport)netwerken, de occupatie/het grondgebruik en de cultuur. De waterkringloop is een onderdeel van het natuurlijk systeem. De insteek voor de 5de nota is herstel van de regulatiefuncties van het natuurlijk systeem. De eerste vraag daarbij is wat moet worden gereguleerd: klimaat, ziekten en plagen, biodiversiteit etc. Water is hierin een belangrijk element: zelfreiniging, natuurlijke zuivering, waterberging e.d. Enkele kennisvragen zijn: hoe een watersysteem inrichten gericht op maximale natuurlijke zuivering? Hoe de bergingsfunctie vormgeven gericht op minimale wateroverlast en watertekorten? e.d.

Het bezien van water in deze bredere (regulatie)context kan discussie geven met V&W, die water liefst centraal zien staan. Overigens speelt water een rol in alle vier de lagen: in de transportnetwerken als waterwegen; in de occupatielaag ligt de relatie met de R.O. (een belangrijke vraag hier is wat het rendement is van R.O. op waterbasis); en water is ook diep verankerd in de Nederlandse cultuur. V&W moet uitkijken zich met haar technische denken niet te verkijken op die culturele laag (zie de heftige maatschappelijke reacties op de ontpolderingsplannen rond de Westerschelde). De culturele waardering voor water is wel aan het veranderen: van last (dijken, gemalen etc.) naar lust (o.a. wonen aan het water).

- klimaatverandering en bodemdaling

Wat komt er op ons af? Hoe daarop te anticiperen? Hoe gaan we om met onze veenweidegebieden? Laten we die nog verder zakken, maken we daar moerassen van of wat anders? e.d.

- integratiemethodieken, inhoudelijk en organisatorisch

In inhoudelijk opzicht speelt de problematiek zoals genoemd ten aanzien van modellen (zie boven). Neem als voorbeeld de infiltratiegebieden. Daarin kun je een geen-spijt beleid gaan voeren: een zero N/P-belasting maar er is waarschijnlijk ook veel mogelijk met bodembiologisch beheer. Wat is dan een beleid dat je met kracht van argumenten (onderzoeksresultaten/modelsimulaties) aan de boeren kunt verkopen? SC-DLO heeft wel veel kennis in huis over landelijke gebieden maar beschikt weer niet over goede stromingsmodellen.

Er ligt dus ook een organisatorische vraag: hoe de verschillende instituten (water, R.O., groene ruimte) meer te laten samenwerken c.q. hun modellen te laten koppelen?

4. Worden de kennisbehoeften binnen deze thema’s gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur?
Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Voor het formuleren van strategische beleidsopties, zoals in de 5de nota is voldoende kennis aanwezig. De kennisbehoeften vanuit het beleid zijn dus voldoende gedekt maar daarbuiten zullen er ongetwijfeld nog fundamentele kennisvragen liggen. Ook de operationalisering van het beleid zal nog het nodige onderzoek vergen. Een potentieel knelpunt is de "aaibaarheid" van water: op langere termijn is het wel slim om er strategisch mee om te gaan (bijv. R.O. op waterbasis) maar op korte termijn kost het vooral geld. Hier speelt de vraag naar het rendement weer op (zie boven).

5. Welke veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek zijn naar uw mening gewenst met het oog op integraal waterbeheer?

Een belangrijk manco van de waterwereld is het gesloten karakter ervan. Men spreekt een eigen taal en communiceert slecht naar buiten toe. Er is heel veel kennis maar deze is slecht ontsloten. Waar het aan mist zijn kennismakelaars. Onderzoek en beleid zijn gescheiden werelden. Een instantie als de RPD, die werkt op het raakvlak van beide (schrijven van beleidsnota’s enerzijds en uitbesteden van onderzoek anderzijds) valt binnen V&W niet te plaatsen; daar is men of met beleid of met onderzoek bezig. In NW4 vindt je dan ook maar weinig kennis terug, die toch in overvloed binnen het ministerie aanwezig is (RIZA, RIKZ). Er zit niets tussen het imposante kennisaanbod (zie de stapel rapporten t.b.v. NW4 met de magere overall-conclusie; dat is niet de manier) en de "eenvoudige kennisvragers".

Er moeten dus kennismakelaars komen die: (1) de beschikbare kennis ontsluiten, (2) de kennisinstellingen ontschotten en (3) kennisvraag en kennisaanbod matchen. Die makelaars zijn nodig op meerdere niveaus: degenen die de kennis ontsluiten (bijv. een afdeling Informatievoorziening) zitten dichter op het onderzoek dan degenen die kennisvraag en kennisaanbod proberen te matchen in het kader van een beleidsvormingsproces. De makelaars zouden er ook toe kunnen bijdragen dat verschillende overheidsinstellingen niet vergelijkbare vragen stellen aan de onderzoeksinstituten, zoals nu teveel gebeurt.

 

 

B.J. Krouwel en Dr. J.P.R.A. Sweerts - Rabobank Nederland

1. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer? Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt Nederland zich op dit vlak in internationaal verband?

De kern is de afweging van veel verschillende functies/gebruikersgroepen in relatie tot de mogelijkheden van het watersysteem. Nieuw is het gelijktijdig afwegen van alle relevante functies. Nederland onderscheidt zich internationaal door het iets beter in de vingers hebben van deze integrale afweging. Maar steeds meer landen komen op hetzelfde niveau, bijv. UK, F, DK. Nog wel uniek in internationaal verband is het poldermodel: het op interactieve wijze met alle betrokken partijen gezamenlijk een plan maken en ook uitvoeren.

2. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de water-gerelateerde kennisontwikkeling? In welke mate gebeurt dit momenteel?

De kennisontwikkeling moet multidisciplinair zijn: technisch, economisch, sociaal, juridisch etc. Samenwerking tussen vakgroepen is een goede zaak maar nog beter zou zijn een instituut dat alle expertises in huis heeft: multidisciplinariteit als core business.

Een manco in de huidige situatie is dat water-gerelateerde kennisontwikkeling vrijwel altijd geïnitieerd wordt vanuit de technische hoek (Delft of Wageningen). Die doen dan ook wel iets aan economie of management maar dat komt dan "uit een boekje"; dat staat te ver af van de bedrijfspraktijk. Laat het initiatief eens aan de business schools (bijv. Maastricht - School of Management, of Rotterdam - EUR): breng economie niet onder bij de techniek maar doe het eens andersom, dan breng je de studenten echte "entrepreneurship" bij. De EUR bijv. wil best wel maar de technische instituten (bijv. IHE Delft) willen er niet aan: "we hebben het toch al in huis" of "wij hebben toch meer verstand van water". Een nadeel is dat business schools duurder zijn dan technische instituten.

3. Welke thema’s in het integraal waterbeheer vragen naar uw mening om toekomstgerichte kennisontwikkeling en innovatie?

- bouwen met natuur, m.n. de lange-termijn consequenties (kans op Malaria?, blijft er voldoende komberging? etc.);

- socio-economische gevolgen van R.O. (bijv. natuurontwikkeling mag een gebied niet uitkleden; zorg dan ook voor economische activiteit er omheen);

- samenhang met globalisering handel en voedselproductie (heeft graan verbouwen in Nederland nog wel zin? biologische landbouw idem, gezien de potenties van Nieuw-Zeeland? wat zijn de consequenties van
EU-regelgeving, bijv. rond privatisering? etc.)

4. Worden de kennisbehoeften binnen deze thema’s gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur?
Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

In het algemeen onvoldoende. Het Centrum voor Kustontwikkeling is wel een stap in de goede richting maar de Delftse en Nijmeegse centra voor rivieronderzoek zijn weer monodisciplinair (resp. "rekenen" en "natuur").

5. Welke veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch) zijn naar uw mening gewenst met het oog op integraal waterbeheer?

Er is een veelheid aan water-gerelateerde onderzoeksinstituten en overheidsinstellingen met elk veel mensen; de waterwereld zou eens grondig gereorganiseerd moeten worden. Laat de onderzoeksinstituten eens voor het bedrijfsleven (bijv. waterleidingbedrijven, grote bedrijven) gaan werken in plaats van alleen maar voor de overheid. Laat de overheid bijvoorbeeld eens een target stellen: over 10 jaar 50% van de inkomsten uit het bedrijfsleven. MIT en ETH Zürich halen meer dan 90% van hun inkomsten uit het bedrijfsleven; die kant zou het in Nederland ook op moeten. Dat zou ook de internationale concurrentiepositie ten goede komen. Op het terrein van waterzuiveringstechnologie bijvoorbeeld wordt Nederland nu weggeconcurreerd door de Zwitsers en de Fransen, terwijl Nederland wel heel veel kennis in huis heeft. Laten onderzoeksinstituten combinaties vormen met bedrijven en die kennis gaan exporteren.

In feite moet de hele aansturing van onderzoek worden omgedraaid: van aanbodgestuurd naar vraaggestuurd. Nu worden eerst projectvoorstellen geschreven en dan wordt aan het eind bezien hoe die gefinancierd kunnen worden. Doe het andersom: ga bij bedrijven langs en vraag aan welke kennis en producten zij behoefte hebben, op welke manier ze die ontwikkeld willen hebben, en met welke doelen. Geef vervolgens aan welk kostenplaatje daaraan hangt en laat die bedrijven dat dan ook betalen. Het IVM is een van de weinige instituten die zo werken en dat groeit als kool. Ook in Netherlands Water Partnership werken overheden, bedrijven en kennisinstituten samen. In het buitenland lukt dat wel maar in Nederland tot nu toe niet.

In het algemeen zouden veel meer kongsies gevormd moeten worden: doe dingen niet bilateraal of in competitie maar in (publiek-private) samenwerking, op basis van convenanten. Breng partijen uit de hele keten bij elkaar rond een interessant idee voor een gebied. Neem bijv. de grootschalige omschakeling naar biologische varkenshouderij: 22 partijen (!) hebben daar nu hun handtekening onder gezet. Een goed idee gaat altijd rollen, daar worden partijen enthousiast voor. Je moet een vonk kunnen laten overspringen; dan komt ook de financiering rond en kan vervolgens een projectmanager worden aangetrokken om het convenant ook daadwerkelijk uit te voeren, zoals nu is gebeurd in het geval van de varkenshouderij. Laat de "chemie" tussen mensen zijn werk doen. Voorwaarde is wel dat je in verschillende netwerken zit. Dat is het mooie van het poldermodel: in Nederland praten partijen met elkaar; in gezamenlijk overleg valt veel te regelen. Maar maak vanaf het begin helder hoe een project gefinancierd en terugverdiend kan worden, dan wordt een project concreet en gaat het leven.

Een belangrijke vraag is wie het initiatief neemt tot publiek-private samenwerking. Zowel overheid als bedrijfsleven zijn vaak te afwachtend. Banken zouden hier best maatschappelijke verantwoordelijkheid mogen nemen. Ze beschikken over veel geld en daarmee over macht om ontwikkelingen op gang te brengen. Zij hebben ook de expertise om uit te zoeken hoe projecten gefinancierd c.q. gerealiseerd kunnen worden: welke onderdelen privaat en door wie, welke delen publiek-privaat etc.? In bijv. het Strategisch Groen Project de Ronde Venen doen de lokale Rabobanken dit nu. De financiële wereld is echter verdeeld over een initiërende rol. Traditioneel wil men geen risico’s lopen; dat kan niet met het spaargeld van de mensen, vinden velen. Maar die mensen willen vaak juist dat hun geld wordt gebruikt voor goede, "groene" ideeën. Er hangt veel geld boven die markt. De overheid hoeft dus niet altijd het initiatief te nemen, integendeel. De overheid moet uitdagen en faciliteren; maar laat het ondernemen en initiëren over aan maatschappelijke organisaties en marktpartijen. Die willen en durven dat nu te weinig. Het kost weliswaar veel tijd en energie maar dat betaalt zich dubbel en dwars terug.

Het zou mooi zijn als kennisinstituten konden meedenken met de banken in het uitwerken van creatieve ideeën. Zij weten wat technisch mogelijk is, monitoren wat de grote lijnen in de kennisontwikkeling zijn, die vertalen in oplossingen voor maatschappelijke problemen, en uitzoeken wat werkelijk duurzame oplossingen zijn. Een gescheiden waterleidingsysteem bijv. kan uit energetisch oogpunt wel eens ongewenst zijn (dubbel pompen); bovendien moeten bestaande leidingen vervangen worden (kleinere buizen) en kan de brandweer er niet mee werken (te lage druk). Banken hebben ook veel contacten met kennisinstituten, vooral met consultancies (de Rabo bijv. internationaal met Nedeco en in Nederland vooral met Arcadis). Zo blijf je op de hoogte van de technische mogelijkheden.

J.J. Feenstra - Lid Tweede Kamer PvdA

1. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer? Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt Nederland zich op dit vlak in internationaal verband?

Integraal waterbeheer omvat drie sporen (in volgorde van belangrijkheid):

1. een organisatorisch-bestuurlijk spoor: Wat wil je? en Wie doet wat (verdeling van verantwoordelijkheden)?

2. een instrumenteel spoor: toerusting;

3. techniek en kennis: uitvoering.

De kern van integraal waterbeheer is het gelijktijdig op gang brengen van processen gericht op gebiedsgerichte kwaliteitsverbetering. Het regionale kader is belangrijk: in Zeeland is de situatie geheel anders dan in de Waddenzee. “Integraal waterbeheer” is deels jargon: deden we het al niet? Kortom: wat is er echt nieuw aan?

De stroomgebiedbenadering moet de democratisch gelegitimeerde bestuurlijke indeling niet doorkruisen. Een waterschap van Basel tot hier zal de transparantie en kwaliteit van het beleid waarschijnlijk niet ten goede komen. Als de waterschappen willen overleven, moeten zij a) een smalle (functionele) taakopvatting houden en b) niet veel groter worden. Als hun taakopvatting sterk zou verbreden (“omgevingschappen”), worden ze organen van algemeen bestuur en daarmee uitvoeringsorganen van de provincies. En als de schaalvergroting zover zou doorslaan dat ze groter worden dan provincies, ontstaat een probleem want waterschappen zijn niet even democratisch gelegitimeerd als de provincies. Kortom: waterschappen, groei niet buiten je taken (waterkwantiteit, -kwaliteit en veiligheid) en je grenzen (“taken kun je laten verspringen, bij grenzen moet je dat niet willen”).

De integratieopgave ligt dan ook bij de provincies; die bestuurslaag is ook toegerust om de integratieslag te maken (m.n. planmatig: streekplan, milieubeleidsplan, waterhuishoudingsplan, en nu ook het verkeers- en vervoersplan). Zij moeten het brede kader neerzetten, waarbinnen waterschappen hun plannen kunnen opstellen.

De internationale component van integraal waterbeheer speelt vooral ten aanzien van veiligheid. Daarvoor is een goede relatie met bovenstroomse landen vereist; ter voorkoming van hoogwatergolven, een goed werkend meld- en alarmsysteem e.d. Maar ook ten aanzien van de waterkwaliteit is de internationale component van belang: de EU-normstelling, nu met name de Nitraat-richtlijn (voor grondwater).

2. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de water-gerelateerde kennisontwikkeling? In welke mate gebeurt dit momenteel?

Er zit enorm veel kennis bij de waterschappen maar de waterschapswereld is erg gesloten. Waterbeheer is nog te technocratisch. Van belang is een "-benadering": bestuur en organisatie gaan voor de techniek (zie boven: de drie sporen). Hier wordt weinig onderzoek naar gedaan. Er is veel technologische kennis maar veel minder over instrumentatie en bestuur en organisatie; hoe organiseren we integraal waterbeheer? De maatschappij is voortdurend in beweging en er is dan ook ruimte voor continue reflectie en denkcapacitiet ten aanzien van bestuur en organisatie. Het IPO doet wel eens wat bestuurskundig onderzoek maar welk kennisinstituut? Moet de WRR het gaan doen? Of de RARO? Dat zou een nieuw werkveld voor die raden zijn.

3. Welke thema’s in het integraal waterbeheer vragen naar uw mening om toekomstgerichte kennisontwikkeling en innovatie?

De diffuse bronnen van watervervuiling. De puntbronnen (m.n. industrieën) zijn redelijk onder controle; nu vormen de diffuse bronnen het grote probleem. Het zijn "anonieme vervuilers", die een geheel andere organisatiegraad hebben dan de "grote jongens". Je zult ze dus op een andere manier moeten aanpakken: niet alleen technisch maar ook administratief (financieel, fiscaal-juridisch, in convenanten e.d.). Daarvoor is een andere toerusting en instrumentatie vereist. Houdt daarbij wel de doelmatigheid in de gaten: niet alles wat kan, moet ook.

De benodigde kennis ligt grotendeels op het operationele vlak. De beleidsdoelen en de analyse van het probleem liggen er; het gaat nu om uitvoering en gedrag. In dit licht is het een goed teken dat er een maatschappelijk debat rond waterkwaliteit ontstaat, aangezwengeld door o.a. de melkveehouders en HAN (Heidelberg Appel Nederland). Hun protesten tegen de nitraat-doelstellingen geven aan dat het beleid bedreigend wordt, m.a.w.: in de uitvoeringsfase komt. Er kunnen ook best vraagtekens geplaatst worden bij de EU-normstelling want die is in zekere zin ook maar "trial and error" (tienmaal zo streng als de WHO-norm; maar waarom?). En bij de effectiviteit van de nationale beleidsmaatregelen, want die is ook niet hard. Een wetenschappelijk debat daarover is interessant. Het gaat dan vooral om -kennis: milieunormen en -effecten.

4. Worden de kennisbehoeften binnen deze thema’s gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur?
Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

De kennisbehoeften worden voldoende gedekt om politieke besluiten te kunnen nemen, op basis van "best practical judgements". Wetenschappers willen zekerheid maar in de politiek handel je per definitie in onzekerheden, op basis van taxaties. Wetenschappers willen het bewijs voor een besluit maar politici nemen een besluit om iets te bewijzen. Of dat dan altijd de wijste besluiten zijn, valt op het beslissingsmoment niet te zeggen. Neem de 4de traps waterzuivering. Daar is destijds toe besloten maar het blijkt nu dermate duur te zijn dat misschien beter in een brongericht beleid geïnvesteerd had kunnen worden. Maar het besluit is genomen op basis van de kennis die destijds beschikbaar was. Meer en andere kennis had misschien tot een ander besluit geleid; dat houdt je toch.


5. Welke veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek zijn naar uw mening gewenst met het oog
op integraal waterbeheer?

De grote vragen zijn wel opgelost maar nu moet de ontwikkelde kennis ook in de onderzoeksprogramma’s van instituten worden opgenomen. Het is van belang dat er een aantal denktanks op dit terrein is, dat geeft woord en tegenwoord.

De politiek wordt voldoende gevoed vanuit de kennisinfrastructuur. Zo zijn de ideeën van het WNF ("Ruimte voor de rivier", "Levende rivieren" e.d.) erg inspirerend; knap is ook de manier waarop zij hun inhoudelijke ideeën met beelden hebben ondersteund. Van de onderzoeksinstituten biedt bijv. het RIVM waardevolle beleidsdoorkijken op de langere termijn. Iets dichter bij de praktijk maakt o.a. Arcadis interessante plannen voor een gebiedsgerichte aanpak, incl. de financiering daarvan.

Prof.dr. P. Glasbergen - Milieukunde, Universiteit Utrecht

Is water wel een probleem in Nederland? Er zijn natuurlijk altijd wel vragen te bedenken maar de grote problemen zijn toch breder: biodiversiteit, klimaat, ecologische vernieuwing, ketenbeheer e.d. Het water is schoon, aan de verdroging wordt hard gewerkt, een commissie heeft zich gebogen over de toekomst van het waterschapsbestel (uitwerking van de waterketenbenadering) etc., dus wat zou er nog meer moeten gebeuren?

1. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer? Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt Nederland zich op dit vlak in internationaal verband?

Integraal waterbeheer kan worden benaderd vanuit drie invalshoeken:

- integratie van oppervlakte- en grondwater, en van waterkwantiteit en -kwaliteit;

- integratie van water en zijn fysieke omgeving (land en lucht); en

- integratie van water in de sociaal-economische ontwikkeling (als natuurlijke hulpbron en als fysieke omgeving).

De laatste invalshoek omvat de eerste twee en past in een duurzaamheidsperspectief: water wordt niet op zich beschouwd maar als bron of barrière voor maatschappelijke ontwikkelingen en ook in relatie tot andere milieufuncties. Integraal waterbeheer vanuit deze invalshoek kan worden gedefinieerd als "natuurbeheer ten behoeve van maatschappelijke ontwikkeling".

2. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de water-gerelateerde kennisontwikkeling? In welke mate gebeurt dit momenteel?

De integraliteit komt redelijk tot uitdrukking; in het algemeen integreert het waterbeheer goed.

 

3. Welke thema’s in het integraal waterbeheer vragen naar uw mening om toekomstgerichte kennisontwikkeling en innovatie?

Mik je op algemene kennisontwikkeling of hanteer je een gebiedsperspectief? Hoe ligt de verhouding tussen die twee? Daar zijn we nog niet uit in Nederland. Beperking tot een gebiedsperspectief (regionale projecten) zal waarschijnlijk geen principiële kennisvragen opleveren maar alleen de bekende thema’s.

Algemene, meer fundamentele kennisthema’s zijn:

• het functioneren van aquatische ecosystemen in hun omgeving (natuurwetenschappelijk vraagstuk);

• de sociaal-economische functie van water: welke rol kan water spelen in een duurzame ontwikkeling van Nederland? (wat is het economisch rendement van waterbeheer? is dat evt. te verbeteren? wat zijn de ruimtelijke consequenties? hoe efficiënt is het waterbeheer? e.d.);
Over de dienstbaarheid van water aan de sociaal-economische ontwikkeling is vrijwel niets bekend! Kan er in dit opzicht niet veel meer met water dan nu gebeurt? Voor het beantwoorden van vragen op dit vlak zijn beleidswetenschappers en milieu-economen nodig.

• beheer van waterkringlopen: waar wordt gestuurd, op welke onderdelen, met welke instrumenten, hoe krachtig, met welke effecten op andere onderdelen, hoe is meer samenhang te bewerkstelligen? etc.
Waterbeheer wordt nog teveel bedreven in het platte vlak (incl. grondwater). Beschouw water echter eens in de bredere context van zeeën, oceanen, de lucht e.d. en bezie dan de wijze waarop gestuurd wordt. Dat is pas een fundamentele benadering; niet echt ingegeven door een maatschappelijke behoefte maar wel wetenschappelijk interessant.

• de organisatie van besluitvormingsprocessen die duurzaam waterbeheer dichterbij brengen (interactieve planvorming);

• de institutionele randvoorwaarden (juridisch, administratief, financieel) voor duurzaam waterbeheer;
De oude discussie functioneel bestuur - algemeen bestuur zou een andere dimensie moeten krijgen in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen rond nutsfuncties, nl. verbreding naar de rol van de markt in het waterbeheer. Marktwerking blijft nu nog marginaal: waterzuivering, riolering e.d. In andere sectoren gaat deze veel verder, bijv. rond energie en afval. Wat zijn de mogelijkheden en consequenties in het waterbeheer? Hoe kunnen waterleidingbedrijven breder op de markt worden gepositioneerd? En wat is de betekenis van marktwerking voor functioneel bestuur? Hoe kunnen overheden zich in hun diverse rollen verhouden tot marktpartijen? e.d.
Ook rond het betrekken van burgers bij waterbeheer kunnen fundamentele vragen gesteld worden. De hoofdvraag is wellicht niet zozeer waarom mensen niet stemmen bij waterschapsverkiezingen (overigens een vraag die ook kan worden gesteld voor de verkiezing van het Europarlement) maar of waterbeheer nog wel politieke besluitvorming vergt! Politieke legitimatie is immers alleen nodig bij afwijkende visies en die zijn er niet echt in het waterbeheer. Zo gauw het wel politiek geladen wordt (zoals rond de Westerschelde), wordt de problematiek meteen naar het provinciale niveau getild. Is functioneel bestuur misschien iets van vorige eeuwen? Nopen nieuwe ontwikkelingen tot een andere institutionele vormgeving c.q. meer marktwerking in het waterbeheer? Ook hier weer ruimte voor doordenking, maar meer wetenschappelijk dan maatschappelijk interessant.

In de praktijk zijn er geen institutionele belemmeringen voor integraal waterbeheer; er kan heel veel binnen de huidige structuren. Zo laat een recent onderzoek van UU-Milieukunde zien dat natuurontwikkeling in Nederland overwegend op water en veel minder op land plaatsvindt. De waterschappen zijn al lang geen boerenrepublieken meer; ze zijn nu groot en professioneel, een prima partij voor provincies. Wat echter nog niet gebeurt, is het stellen van de institutionele randvoorwaarden vanuit een duurzaamheidsperspectief.

 

4. Worden de kennisbehoeften binnen deze thema’s gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur?
Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Het duurzaamheidsperspectief ontbreekt nog; fundamentele kennisvragen vanuit dat perspectief worden weinig gesteld.

5. Welke veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch) zijn naar uw mening gewenst met het oog op integraal waterbeheer?

Geen: er kan veel binnen de huidige structuren
(zie onder 3).

 

 

 

Ir. A.B. van Luin - Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Directie Kennis

1. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer? Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt Nederland zich op dit vlak in internationaal verband?

De kern is het omgaan met "veelstemmigheid": er is een veelheid aan zienswijzen, argumentaties, etc. Het gaat erom deze niet als tegensprekende en dus lastige meningen te beschouwen maar bewust te organiseren. Je kunt als overheid niet verwachten dat iedereen jouw verhaal omarmt; er zijn zoveel verschillende zienswijzen. Zo heeft de maatschappij zich ontwikkeld: burgers en belangengroepen zijn individualistischer geworden, stellen zich zelfstandiger op. De "waarheid" wordt niet meer ontdekt (door de overheid) maar gevormd (op basis van meerdere werkelijkheidsdefinities). Er zijn geen "onware verhalen". Als overheid moet je de verschillende belangen helpen zich te organiseren, hun argumentatie te laten onderbouwen. Het is uiteindelijk aan de politiek om de verschillende zienswijzen te verzoenen en een prudente middenweg te kiezen. In Nederland bestaat al een traditie op dit punt: de overheid subsidieert milieuorganisaties en andere instituties die het overheidsbeleid kritiseren. Dat moet je koesteren, daar wordt je als overheid rijker van. De sterke polarisatie van de zeventiger jaren is verdwenen. Daarvoor is in de plaats gekomen een verdere professionalisering en deskundigheid bij de partijen.

Internationaal onderscheidt Nederland zich door de lange traditie in waterbeheer. Die uit zich in een hoge organisatiegraad en een ver voortgeschreden denken in termen van netwerken. Zo is de relatie tussen kennis en beleid goed georganiseerd. Onderzoeksinstellingen die zowel onderzoek als beleidsvoorbereiding als uitvoering doen, zoals RIZA en RIKZ, kom je in het buitenland niet tegen. Zeker in Oost-Europa beperkt onderzoek zich vooral tot het verrichten van metingen; en dan maar afwachten of de beleidsmakers er ook iets mee doen... Daar staat tegenover een zekere mate van genoegzaamheid en vasthouden aan de bekende structuren en zienswijzen in Nederland.

2. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de water-gerelateerde kennisontwikkeling? In welke mate gebeurt dit momenteel?

Het is van belang dat innovatieve initiatieven van de grond komen en kunnen blijven voortbestaan. Het "weten" voor de langere termijn mag niet in de knel komen door het "doen" op de korte termijn. Een voorbeeld is het Aquest-project van Frans van de Ven binnen RIZA. Zo’n initiatief blijkt in de praktijk moeilijk te rechtvaardigen, omdat niet van te voren duidelijk is wat het zal opleveren; het is een zoektocht. De praktijk is primair gericht op de korte termijn. Bovendien is de waterwereld behoudend ingesteld. Dat is te begrijpen want beheren kan niet op basis van steeds veranderende ideeën. Maar het leidt er wel toe dat er een bottleneck zit in de toepassing van nieuwe ideeën. Het bedenken en uitwerken van creatieve ideeën lukt wel: er zijn altijd wel "een paar gekken" te vinden die mee willen in een zoektocht. Toepassing vindt echter niet of nauwelijks plaats. De oude traditie in waterbeheer in Nederland kan hier nadelig werken: vernieuwingen komen niet gemakkelijk van de grond.

3. Welke thema’s in het integraal waterbeheer vragen naar uw mening om toekomstgerichte kennisontwikkeling en innovatie?

Zie de Aquest-notitie. De onderhavige verkenning zal hier een verdiepingsslag aan moeten geven. In hoeverre zijn de gesignaleerde knelpunten kennisknelpunten? En wat zijn dan de implicaties voor kennisontwikkeling, inhoudelijk en organisatorisch? Daarbij moet het onderscheid gemaakt worden tussen kennis om het probleem te vatten (wat moeten we nog weten; de feiten, de cijfers, de ‘verhalen’) en kennis om processen tot stand te brengen.

Op een bijeenkomst van een aantal regionale directies en specialistische diensten van RWS over "waterbeheer in de volgende eeuw" kwamen de volgende drie aandachtsvelden naar voren:

- relatie water - R.O.

Vanwege de toenemende druk op de ruimte wordt R.O. belangrijk voor waterbeheerders. Hoe integraal om te gaan met die ruimtedruk? Meervoudig ruimtegebruik.

- interactieve besluitvorming

Dit is niet alleen een kwestie van draagvlak: het "verkopen" van een concept, nadat je het zelf hebt ontwikkeld. Het gaat erom anderen reeds te betrekken bij de vorming van het concept. De expertise van waterbeheerders zou meer gekoppeld moeten worden aan de beleving van mensen. Hoe ervaren mensen water eigenlijk? als bedreigend? als een lust? Hoe betrek je ze bij het waterbeheer? En als ze eenmaal betrokken zijn (zoals na de hoogwaters), hoe houdt je dan hun alertheid vast? Op dit punt moeten waterbeheerders nieuwe vaardigheden ontwikkelen: leren omgaan met veelstemmigheid, op basis van een meervoudig werkelijkheidsbesef (zie boven).

- kosten van beheer

De beheerskosten van waterhuishoudkundige ingrepen uit het verleden zijn vaak hoog (van de Haringvliet, bijvoorbeeld). Aangezien veel van die ingrepen irreversibel zijn en soms op grond van de huidige inzichten niet adequaat, is dit een voortdurende last voor waterbeheerders, die het doen van nieuwe investeringen belemmert. Bij nieuwe ingrepen zou, op basis van de inmiddels voortgeschreden kennis, gezocht moeten worden naar meer reversibele maatregelen, zodat de beheerskosten lager kunnen uitvallen. In de waterwereld is dit een gevoelig punt. Men wil niet toegeven dat in het verleden "verkeerde" maatregelen zijn genomen; dat tast de gevestigde reputatie aan. Vanuit het perspectief van de "lerende organisatie" zou dit echter toch moeten kunnen.

4. Worden de kennisbehoeften binnen deze thema’s gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur?
Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Het onderzoek zou krachtiger moeten inzetten op de langere termijn. Strategisch onderzoek is nu te versnipperd. Onderwerpen voor de langere termijn moeten worden geïdentificeerd en de partijen geadresseerd met wie die onderwerpen verder worden uitgewerkt. Denk daarbij nadrukkelijk ook aan private partijen: bedrijven, branche-organisaties e.d. Er is een veelheid aan lokale en regionale belanghebbenden, die nu onvoldoende bij het waterbeheer worden betrokken. De WSV, bijvoorbeeld, zijn primair nationaal en internationaal georiënteerd. De opgave is de partijen niet individueel bij het waterbeheer te betrekken maar in een netwerk met elkaar te verbinden. Zo kun je leerervaringen collectief maken en efficiënter werken.

5. Welke veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch) zijn naar uw mening gewenst met het oog op integraal waterbeheer?

In het algemeen is de relatie tussen kennis en beleid goed georganiseerd, zoals gezegd. RIZA en RIKZ zijn echte “kennismakelaars”: ze besteden onderzoek overwegend uit (aan ingenieursbureaus, WL e.d.) en toetsen zelf alleen de voortgang. De intensieve contacten tussen deze onderzoeksinstellingen en de beleidsdirecties van RWS kan een nadeel zijn, vanwege het ingebakken automatisme (in tegenstelling tot een zakelijke relatie met marktpartijen), maar het voordeel is de continuïteit in de beleids- en kennisontwikkeling.

De slag die nu moet worden gemaakt is dat de kennisinstituten zich ook verantwoordelijk gaan voelen voor de ontwikkeling van het kennisveld als geheel. Wat levert vanuit dat perspectief in een gegeven geval het meeste op: het onderzoek zelf doen of uitbesteden? De Hoofddirectie (directie Kennis) zal dit proces moeten aansturen. Er zou een soort koepel moeten komen, waarbinnen vraagstukken en beleidsontwikkeling worden geïdentificeerd en geadresseerd. Het gaat niet om een programmerend orgaan maar om een kennisnetwerk, waarin partijen met elkaar overleggen. Vanuit het bedrijfsleven (m.n. de waterbouw: baggerbedrijven e.d.) is hier ook behoefte aan. Bedrijven zijn ook bereid te investeren in toekomstgerichte kennisontwikkeling. Zij hebben het gevoel dat de samenhang tussen de overwegend regionale initiatieven (Delfts Cluster, Twente etc.) ontbreekt, dat daardoor wellicht wezenlijke zaken over het hoofd worden gezien, wat weer nadelig zou zijn voor de Nederlandse exportpositie. De kennisontwikkeling zou vanaf een hoger abstractieniveau, in een netwerk, moeten worden aangestuurd.

 

 

Prof.dr.ir. C. van den Akker - Hydrologie en Waterbeheer, Technische Universiteit Delft

De interactie tussen grond- en oppervlaktewater is op lange termijn zeer belangrijk. Het gaat daarbij zowel om waterkwaliteit als -kwantiteit. Bij recente wateroverlast zijn grote kennislacunes naar voren gekomen op deze punten. Ook de Commissie Ouwerkerk kon mede door onvoldoende kennis over de interactie tussen grond- en oppervlaktewater niet tot eenduidige conclusies komen. Als oorzaken voor problemen met de waterkwaliteit werd (ten onrechte) gedacht aan het lekken van stortplaatsen
en de vorming van koolstofdisulfide in wetlands.
De werkelijke oorzaken zijn niet bekend.

Voor deze processen (grondwater-oppervlaktewater, kwaliteit, kwantiteit) moet men kijken met een tijdshorizon van 50 tot 100 jaar. Verschillende scenario’s en factoren zijn dan interessant:

• "business as usual": is er bij handhaving van dezelfde gebruiksfuncties een duurzame landbouw mogelijk (denk aan de kwaliteit van oppervlaktewater nodig voor drenking van vee); wat zijn de consequenties van de riooloverstort problematiek; hoe staat het met de belasting van het oppervlaktewater met vreemde stoffen?

• introductie van nieuwe vormen van landgebruik (zoals natuurontwikkeling);

• toename van zoute kwel: wat betekent dit voor de landbouw?;

• bodemdaling: Nederland is gedaald van een niveau van juist boven de zeespiegel tot een niveau van 3-4 meter onder de zeespiegel. Bodemdaling is voor Nederland belangrijker dan zeespiegelrijzing. Dit zal ook de waterkwaliteit beïnvloeden (kwel). Levert dat een duurzame situatie op? Het watersysteem is inmiddels geheel opgesloten; het neerleggen van sediment, waaruit Nederland is ontstaan, is in de huidige situatie vrijwel uitgesloten. Moeten we veenvorming introduceren in droogmakerijen om de bodem te verhogen? Wat is de rol van het watersysteem daarbij?

De kennis is fragmentarisch aanwezig. Er is behoefte aan kennis op verschillende niveaus:

• fysische, chemische én biologische kennis. Het gaat immers om bodembiologische en grondwater-ecologische systemen;

• kennis van functies en hun interacties;

• kennis van plannen, ontwerpen en beheren (technisch en bestuurlijk).

In de toekomst zullen watersystemen meer ruimte moeten krijgen. Ook staan we voor keuzen tussen landbouw en natuur. De huidige functie van waterschappen (bestrijding van wateroverlast ten dienste van de landbouw) zal verschuiven. Gaan we naar omgevingschappen? Of naar bodemschappen? Voor bepaalde regio’s is dit denkbaar, bijv. in de Kempen, waar de bodem sterk is vervuild met cadmium en zink (over 140 km2). Dit vraagt een specifieke bestuurlijke aanpak, naast geavanceerde technische oplossingen (alternatieven voor saneren). Overigens is de visie op bodem en water sterk regio-afhankelijk: in natuurgebieden moet water als ecologisch systeem worden beschouwd, terwijl in stedelijke gebieden het waterbeheer op de mens gericht kan zijn.

Een grondwatersysteem heeft een eigen dynamiek. De problematiek moet worden geïnventariseerd. Vervolgens moeten vele disciplines op elkaar worden afgestemd: kennis van de relatie tussen grond- en oppervlaktewater (Utrecht), microbiologische kennis (Wageningen), hydrologische kennis (Delft) en bestuurlijke kennis (Nijmegen). Deze kennis kan toepasbaar zijn in vele gelijksoortige, delta-achtige gebieden in de wereld. Nederland kan de kennis op het gebied van bodemdaling, waterverontreiniging en -schaarste exporteren.

De rol van biologische systemen in de hydrologische cyclus vraagt aandacht. Dit is wel een benadering die pas op lange termijn vruchten zal afwerpen, maar we moeten dit nu in gang zetten. De Vakgroep Civiele Techniek probeert bij de studenten affiniteit te kweken met deze zienswijze. Ook op wetenschappelijke congressen krijgt de relatie tussen biologie en hydrologie steeds meer aandacht.
De volgende stap is samenwerking tussen onderzoeksgroepen op dit gebied. Over 10-15 jaar is er dan toepasbare kennis. Deze moet in het brede perspectief van het waterhuishoudkundige systeem worden geplaatst.

Personen met een inspirerende visie op het grondwater-ecologisch systeem zijn:

• Nooteboom (RIVM)

• Doelman (ingenieursbureau IWAKO)

Ook de werkgroep Grondwater van de Technische Commissie Bodembescherming (TCB) besteedt hieraan aandacht.

Overigens is de term integraal nietszeggend: wat wordt er geïntegreerd? Beter is het om te spreken van "geïntegreerd" waterbeheer en dan de aspecten te benoemen die in de integratie worden meegenomen.

De verkenning is voor Van den Akker geslaagd wanneer er:

• maatschappelijke draagvlak/erkenning is voor het onderzoek;

• een visie wordt ontwikkeld op technologische en bestuurlijke mogelijkheden, die nog niet vanuit de markt worden getrokken. De overheid zal een belangrijke rol moeten spelen bij het verwezenlijken van deze visie.

 

 

Mr. C.N. de Boer - Natuurmonumenten

De verkenning komt op een goed moment: in maart volgend jaar vindt een grote internationale waterconferentie plaats in Nederland. Er zijn tal van voorbereidende activiteiten. De denkwerelden van vele onderzoeksinstellingen en overheden binnen Nederland zijn bezig te convergeren. Integraal waterbeheer is een goede benadering, maar hoe verhoudt deze zich tot het buitenland? Wel wijst De Boer erop dat deze verkenning zich van de andere activiteiten zal moeten onderscheiden.

Vervolgens geeft De Boer een overzicht van de betrokkenheid van Natuurmonumenten bij de totstandkoming van beleidsdocumenten: de Vierde Nota Waterhuishouding, de Vijfde nota Ruimtelijke Ordening (in voorbereiding), de Evaluatie van het natuurbeleid en de Nota Om een Vitaal Platteland (in voorbereiding). Door de overheveling van beleidstaken naar provincies zijn de contacten met lagere overheden toegenomen. Ook is Natuurmonumenten betrokken bij de onderzoeksprogrammering van DLO. De Boer was wetgevingsjurist bij VROM en is nu directeur externe betrekkingen bij Natuurmonumenten. In deze hoedanigheid heeft hij veel leden van de klankbordgroep reeds ontmoet, maar zelden in deze brede samenstelling (meerdere ministeries, universiteiten, bankwereld). Dit spreekt hem aan.

1. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer? Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt Nederland zich op dit vlak in internationaal verband?

Vroeger ging men sterk uit van de maakbaarheid van de water-infrastructuur vanuit een defensieve benadering.
Nu is een omslag nodig naar het "judo-principe", d.w.z. meebuigen met het water, zoals ook een wilg meebuigt en zich weer opricht. Dit vraagt een nieuwe inrichting en nieuwe voorzieningen. Alleen waar dit meebuigen tot problemen leidt, moet een defensieve strategie worden gevolgd.

De ligging van Nederland in een delta heeft geleid tot een sterke nadruk op veiligheid. In andere landen is vaak het gebruik van water als drinkwater de primaire ingang.
In ontwikkelingsprojecten is deze klassieke manier van denken van de wateringenieurs geëxporteerd. Dit heeft o.a. geresulteerd in stuwdammen en irrigatiewerken.
Ook wanneer de Nederlandse kennis een verandering ondergaat, zal er in het buitenland vraag blijven naar deze kennis. In Delft zijn "verlichte geesten" aanwezig, die grenzen willen verleggen, maar veranderingen gaan langzaam. (De Boer zal nog namen doorgeven.)

Voorts is De Boer lid van een Europees forum van natuurorganisaties. Hem zijn geen landen of regio’s bekend waar het judo-principe van integraal waterbeheer reeds op grote schaal wordt toegepast.

2. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de water-gerelateerde kennisontwikkeling? In welke mate gebeurt dit momenteel?

Om tot integraliteit te komen moeten onderzoeksvragen in een bredere context worden geplaatst. Dit vraagt van onderzoekers dat zij zelf in de slag gaan met de opdrachtgever om de problematiek breder te analyseren. Dat wil zeggen, wanneer de opdrachtgever het probleem definieert in termen van waterkwantiteit (wat veel gebeurt), dan dient de onderzoeker te exploreren in hoeverre bijv. ook waterkwaliteitsaspecten relevant zijn voor de oplossing van het probleem. Daarbij dienen waar nodig onderzoekers uit andere disciplines te worden betrokken. Dit moet zowel bij de start, als op intermediaire momenten als bij de eindevaluatie plaatsvinden. Vanuit een brede probleemstelling moet het onderzoek op de cruciale aspecten worden gefocust. Nu vindt vaak het omgekeerde plaats: vanuit een (te) smalle probleemstelling wordt het onderzoek vaak opgetuigd met tal van vertakkingen, die voor de oplossing niet relevant zijn. De Boer hanteert een piramide als metafoor: de piramide moet worden omgedraaid: breed in de probleemdefintiefase en zo specifiek mogelijk in de onderzoeksfase.

 

Een voorbeeld van een brede aanpak is het gebeuren in Noord-Holland (Van der Vlist). Daar zijn zowel waterkwantiteit als waterkwaliteit aan de orde. Er zijn echte probleemanalyses nodig in plaats van sjablonen. Het gaat om het verleggen van accenten bij de aanpak van problemen, maar deze accentverschuivingen kunnen grote gevolgen hebben. Wetenschap moet niet worden beschouwd als een aparte laag; wetenschappers mixen steeds meer met beleidsmensen etc. Dit is een goede ontwikkeling. Beleidsmensen waren vroeger sterk afhankelijk van wat de wetenschap aanleverde; momenteel stellen zij steeds nadrukkelijker vragen, bijv. over veiligheid en de relatie tussen waterkwantiteit en -kwaliteit. Dit moet ook tot uitdrukking komen in de geldstromen; wanneer integrale problemen aan de orde zijn, moet de oplossing ervan financieel worden ondersteund.

3. Welke thema’s in het integraal waterbeheer vragen om toekomstgerichte kennisontwikkeling en innovatie?

Een eerste belangrijk thema is: Communicatie. Thema’s zoals verdroging zijn belangrijk, maar niet te communiceren naar het publiek. Het regent, er zijn overstromingen: waarom is er dan toch een probleem met verdroging? Ook de rol van de media dient in dit verband te worden bekeken. De media beïnvloeden de politiek en zo ook de inzet van overheidsmiddelen. Het blad Natuurbehoud bereikt 900.000 leden van Natuurmonumenten, maar niet de politiek.

Een tweede belangrijk thema is: Consequenties van een "watergestuurde" benadering. Indien water als leidend principe wordt gehanteerd, welke gevolgen heeft dit voor de inrichting; wat kost dat en welke baten staan daar tegenover voor verschillende partijen, in materiële en immateriële zin (zeggenschap e.d.); om welk deel van de waterinfrastructuur gaat het (10% of 40% of 80%?) en moeten beleidsnota’s worden herzien? Heeft dit gevolgen voor de ligging van de EHS? Moet deze anders gesitueerd worden, of groter worden? Is er naast een ecologische ook een hydrologische ruggegraat nodig? Moeten stroombedden van rivieren worden verbreed en overlaten worden gecreëerd? Wat dit laatste betreft heeft TAUW een interessante studie verricht naar het IJsselgebied. Is de Hoekse Waard nodig bij hoog water of kan dit gebied voor andere doeleinden worden bestemd? Het gaat dus om vele verschillende soorten consequenties (maatschappelijk, financieel, etc). Adviesraden zijn al bezig met deze thema’s.

4. Worden de kennisbehoeften binnen deze thema’s gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur?
Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Deze thema’s komen onvoldoende aan bod in het onderzoek. Er is een verdere ontschotting tussen beleid en wetenschap nodig.

5. Welke veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch) zijn gewenst met het oog op integraal waterbeheer?

De bestuurlijke structuur in de waterwereld zal de komende jaren niet veranderen. Organisaties zijn wel bezig met het ontwikkelen van nieuwe benaderingen. De procesmatige aanpak is sterk in opkomst. Er wordt meer rekening gehouden met krachtenvelden tussen stakeholders en maatschappelijke organisaties worden meer betrokken bij de beleidsontwikkeling, bijv. bij grote infrastructurele projecten, zoals Grensmaas, 2e Maasvlakte en Schiphol.

Er zijn veranderingen nodig in de kennisinfrastructuur om te komen tot een integrale benadering. Er is een sterke verkokering en ook een overlap binnen het onderzoek. Misschien is een centraal aanmeldingspunt voor water-onderzoek een idee?

 

Ir. J. Faber - Arcadis Heidemij Advies

Bij integraal waterbeheer gaat het om de totaliteit van de maatschappelijke wensen ten aanzien van water. Er zijn daarbij vele actoren en vele criteria. In het verleden stond veiligheid centraal, nu ook schoon drinkwater, milieu, natuur, etc. Dit wordt verwoord in de overheidsplannen, bijv. in de Vierde Nota Waterhuishouding. Deze plannen hebben geen strak financieel kader en geven ook geen inzicht in de mate waarin de verschillende invalshoeken te verenigen zijn. Het zijn meer verlangens dan prioriteiten.

Uit zijn rijke ervaring met ontwikkelingsprojecten in het buitenland (o.a. Peru, Laos, Cambodja, Vietnam) is Faber gewend om te werken met strakke financiële kaders en heldere doelstellingen vanuit de (lokale) opdrachtgevers. Water wordt in deze landen meer als een “resource” van werkgelegenheid en inkomen gezien, met een groot aantal functies: krachtbron (stuwdammen), vervoermiddel (scheepvaart), hulpbron voor de landbouw (irrigatie).
Tal van factoren spelen mee bij het optimaliseren van het watergebruik: veiligheid, milieu, natuur. Via multi-objective en multicriteria-analyses worden bij de planontwikkeling functies modelmatig op elkaar afgestemd binnen strakke kaders.

In de overheidsnota’s mist Faber deze internationale dimensie. In het buitenland worstelt men al langer met de problematiek van de integrale benadering van watergebruik en -beheer. Het UNDP heeft in de jaren tachtig de integrale benadering van stroomgebieden en de economisering van het watergebruik gelanceerd. Ook de Wereldbank heeft projecten op dit gebied geïnitieerd. In Nederland is Savenije (IHE) een kenner en inspirator van het modellenwerk (dwarsprofielen, rivierdoorsneden) met een grote internationale ervaring.

De wetenschappelijke kennis op watergebied in Nederland is internationaal vooraanstaand. De modellen zijn goed genoeg en ook de technische kennis is voldoende voorhanden. De beschikbaarheid van fundamentele kennis is dan ook geen probleem bij integraal waterbeheer, wel het gebrek aan een samenhangende aanpak. Dit wordt deels veroorzaakt door bestuurlijke verstoppingen doordat veel partijen betrokken zijn. Is er een alternatief voor het poldermodel? Kennis is vaak ook te weinig toegesneden op de lokale omstandigheden. Kosten/baten-analyses en multi-objective, multicriteria-studies worden niet of nauwelijks uitgevoerd. Zo is het voor bepaalde gebruiksfuncties (bijv. koeling, besproeien in de glastuinbouw) niet nodig om drinkwater te gebruiken. De mogelijkheden voor hergebruik van afvalwater in een regio moeten beter worden benut. Kennis uit onverwachte hoek kan soms een zeer verfrissende kijk opleveren. Als voorbeeld noemt Faber een bestuurskundig proefschrift over waterbeheer in de derde wereld.

In tegenstelling tot een aantal ontwikkelingslanden beschikt Nederland niet over een Ministerie van Planning, dat over ministeries heen prioriteiten stelt. Gelet op het grote belang van water voor Nederland en het feit dat vele ministeries hier op de een of andere manier mee te maken hebben, zou overwogen kunnen worden om een Coördinatiepunt Water in te stellen bij het Ministerie van Algemene Zaken. Dit zou de integrale benadering ten goede komen. Een dergelijke coördinatie is ook mogelijk op regionaal niveau.

Binnen de kennisinfrastructuur is ook meer coördinatie gewenst, bijv. in de vorm van een Raad van Toezicht/Advies over alle kennisinstellingen en departementen heen. Deze raad zou dan een coördinerende functie moeten hebben. Ook de Onderzoeksschool Water (welke organisaties nemen hierin deel?) zou hierin een rol kunnen spelen; daarnaast is er een samenwerkingsverband Liquid Gold (Wageningen UR, ILRI), gericht op ontwikkelingslanden.

Het werken met scenario’s om trade-offs tussen partijen zichtbaar te maken moet worden bevorderd. Het onderzoek moet hiervoor de kennisbasis leveren. Prof. Van Toorn (ITC-Twente) heeft goede ideeën op het gebied van “utility-based decision analysis”. Daarnaast is ook Prof. Van der Ploeg (Wageningen UR) inspirerend als het gaat om de regionale benadering.

Opgelegde oplossingen werken vaak niet. Praten met partijen (gouvernementeel en non-gouvernementeel) is nodig om draagvlak voor besluitvorming te creëren. Om de waterproblematiek te vermaatschappelijken zou een Teleac-cursus nuttig kunnen zijn. Een ander idee is een studiepakket voor burgemeesters om samenhang te brengen in de vaak zeer fragmentarische kennis bij lokale overheden. Water leeft niet. Het onderzoek moet een dienende rol vervullen bij het leiden van de vele partijen naar besluitvorming. Bij workshops moeten diverse partijen (industrie, scheepvaart, natuurorganisaties) worden betrokken. Terlouw, Commissaris van de Koningin in Gelderland, kan een inspirerende visie geven op de bestuurlijke aanpak.

 

Prof.dr. A.J.M. Smits - Rijkswaterstaat Oost, Natuurbeheer, Katholieke Universiteit Nijmegen

Integrale benadering van water en rivierbeheer (afstemming tussen de verschillende ruimtegebruiksfuncties) is in Nederland al jaren geleden ingeburgerd. Na de "bijna-rampen" van 1993 en 1995 is er naast "integraliteit" een nieuw inzicht bijgekomen. In het "klassieke" integrale waterbeheer probeerde men tussen de verschillende gebruiksfuncties een optimale afstemming te vinden. Voor natuur werden hier en daar wat overhoekjes gevonden (Oostvaardersplassen, Duurse Waarden, Grensmaas, etc.). Maar voor het gehele watersysteem zowel binnen- als buitendijks bleef de uitgangsredenering voor waterbeheer hetzelfde: van een dynamisch, onvoorspelbaar watersysteem werd met kunstgrepen zoveel mogelijk een statisch, voorspelbaar systeem gemaakt.

In het verleden werd het watersysteem aan de gebruiksfuncties aangepast i.p.v. andersom. Voorbeelden:

• scheepvaart; grote delen van de Rijn en Maas zijn genormaliseerd en gekanaliseerd ten behoeve van één type vrachtschip;

• landbouw; zomerkaden en grondwaterpeilen werden aangepast aan bepaalde typen agrarische producten;

• wonen en werken; Oorspronkelijke stroomvlakten werden ingedijkt en grondwaterpeilen kunstmatige verlaagd om meer ruimte te creëren voor bouwwerken en woningen met kelders te kunnen bouwen.

Na de bijna-rampen langs de Maas en de Rijn(takken) realiseerde men zich dat deze aanpak leidde tot een sterke vermindering van de hydrologische veerkracht. Verdroging en bijna-overstromingen wisselen elkaar in een snel tempo af. Daarbij kwam dat de beheerskosten van al deze waterstaatswerken de pan uit rezen. Alleen een compleet andere benadering van watersystemen zal het mogelijk maken om uit deze neerwaartse spiraal te ontsnappen. Vanaf nu moeten de water en rivierbeheerders hun technologie en intellect niet langer gebruiken om natuurlijke watersystemen aan te passen aan de voor de handen zijn (ruimte)gebruiksfuncties maar andersom!

Voorbeelden:

• scheepvaart; een type schip ontwikkelen dat minder diepgang heeft en de natuurlijke bochten van de rivier kan volgen (“riversnake”);

• landbouw; een ander rendabel gebruik van uiterwaarden en natte gronden ontwikkelen dan de traditionele landbouw, die bovendien voor een groot gedeelte aan het Europees subsidie-infuus hangt (bijv. Theetuin in de Millingerwaard);

• wonen en werken; multifunctioneel ruimtegebruik, compact bouwen en aangepast bouwen, huizen op palen en zonder kelders.

Internationaal gezien loopt Nederland voorop qua integratieniveau. Dat heeft te maken met de geschiedenis en ligging in een Delta: er is hier enerzijds een regionaal grensoverschrijdende benadering tot stand gekomen (RWS is nl. voortgekomen uit een behoefte bij de regionale bestuurseenheden); anderzijds is sprake van een lokale en regionale benadering/traditie (in de polders: de waterschappen).

Nederland loopt voorop met het integreren van lokale initiatieven en ideeën, zoals het “Groene polder model” en het (recente) streven naar PPS constructies. Landen met een voormalig communistisch regime of sterk centralistische sturing kunnen hier nog niet mee werken. Advisering hieromtrent (incl. DSS en open planning proces) en high-tech waterkwaliteit en kwantiteitsmonitoring/-voorspelling is onze “niche” op de internationale watermarkt.

Vanuit de nieuwe benadering van watersystemen kunnen de kennislacunes worden geïdentificeerd, geprioriteerd en gehonoreerd. De nieuwe benadering is: allereerst proberen om de gebruiksfuncties aan te passen aan de natuurlijkheid van watersystemen.

Deze nieuwe benadering heeft consequenties voor de drie fundamenten van integraal waterbeheer:

1) institutioneel en organisatorisch;

2) communicatie en educatie;

3) b-research (technisch/inhoudelijk) incl. pilotprojecten, met bijbehorende monitoring en evaluatie.

De onderzoeksvoorstellen, die uit deze drie categorieën naar voren komen moeten complementair zijn aan elkaar en in samenhang worden uitgevoerd. Nieuwe ontwikkelingen die GIS georiënteerd zijn zoals MIKE11 bieden goede mogelijkheden voor een koppeling tussen ruimtelijke ontwikkeling en water/rivierbeheer. De oprichting van het multidisciplinair samenwerkingsverband Nederlands Centrum voor Rivierkunde is een goede ontwikkeling. Het NCR bestaat uit SC/DLO, TUD, KUN, RIZA, RUU en Waterloopkundig Laboratorium. Alleen een -kennisinstituut ontbreekt nog. Dergelijke initiatieven zouden moeten worden gehonoreerd. Hier ligt een belangrijke taak voor de geld-donoren van onderzoek.
Zij hebben de macht om dit proces te sturen.

Naast deze financiële vorm van aansturing moet er ook iets veranderen in het beoordelings- en evaluatiesysteem van de universiteiten. Zolang er alleen "punten zijn te verdienen" met sectoraal onderzoek zijn multidisciplinaire promoties vrijwel onmogelijk. Het label "goed onderzoek" moet gegeven worden op basis van het grensverleggende of baanbrekende karakter van het werk en niet worden bepaald door het aantal "ANOVA-analyses".

Er zijn in Nederland alleen parttime hoogleraren die integraal water-, natuur- en rivierbeheer kunnen beoefenen. Het feit dat er vrijwel geen fulltime hoogleraren zijn te vinden zegt alles over de waardering van dit soort functies.

Smits zou de onderzoeksthema’s in eerste instantie onderbrengen in de categorieën b en g:

b-kennislacunes bijv.:

• alternatief vervoer over water, bijv. riversnake;

• landbouwkundig grondgebruik met verhoogd water retentievermogen;

• cost-effectiviness van "klassiek en modern" water/rivierbeheer;

• hydromorfologische, milieuhygiënische en ecologische perspectieven bij water en rivierbeheer toegesneden op vergroting van hydrologische veerkracht.

g-kennislacunes, bijv.:

• educatie (awareness kwetsbaarheid van watersystemen);

• beleving van water en watergebonden natuur;

• institutionele en organisatorische efficiëntie, geënt op nieuwe benadering van water systemen.

Bij het honoreren van onderzoeksprogramma’s is het van belang dat zowel g- als b- componenten in de voorstellen zijn meegenomen en dat de voorstellen complementair aan elkaar worden uitgevoerd.

Voor het vervolg verdient het aanbeveling uit te gaan van bovengenoemde indeling in g- en b-categorieën en een aantal "smaakmakers" laten brainstormen over de kennislacunes. Uitgangspunten voor beide categorieën is de nieuwe benadering van watersystemen.

 

Prof.mr. A. van Hall - Waterschap Eemszijlvest/UU

Waterbeheer kan niet los worden gezien van ontwikkelingen, zoals die zich op een breed vlak, nationaal en over de grenzen, voordoen. Vooral de eenwording van Europa heeft sterke effecten op de Nederlandse regelgeving. De helft van onze nationale regelgeving is het gevolg van Europese regelgeving. Op het terrein van waterbeheer werpt de komende (juni 2000) Europese Kaderrichtlijn Water zijn schaduwen vooruit. Omdat hierin uitgegaan wordt van waterbeheer via stroomgebieden, zullen staatkundige grenzen op dit punt vervagen. Nederland wordt geconfronteerd met stroomgebiedbeheer van Schelde, Maas, Rijn, Vecht en Eems-Dollard.

Grenzen vallen niet alleen fysiek weg maar ook virtueel. De informatie- en communicatietechnologie brengt mee dat overheid en burger niet per se in elkaars fysieke omgeving hoeven te zitten. De behoefte van burgers aan een goed en betaalbaar product van de overheid zal toenemen. Hoe zich zijn wens tot doelmatigheid van de overheid verhoudt tot de behoefte aan inspraak en medebeslissingsrecht, is nog moeilijk te overzien. Minder betrokkenheid van de burger lijkt twee kanten te hebben: hij is òf ontevreden òf -en dat mag niet uitgesloten worden- tevreden over de zorg die overheden aan zijn materiële en immateriële leefomgeving verlenen.

Een algemene trend is de versnelling in de samenleving. Het leeftempo loopt progressief op: er is een dominante haastfactor, en daarnaast vallen grenzen op continentaal en mondiaal vlak weg. Afstand bestaat niet meer, noch fysiek noch virtueel. De wereld is een ‘global village’; de mensen ontmoeten elkaar op verschillende terreinen. Overheden sturen minder, ze scheppen randvoorwaarden. Vraagpunt is wat des overheids is en moet blijven en wat de vrije markt kan betekenen. In ieder geval bepalen overheden de kaders waarbinnen private partijen mogen opereren. Aandacht zal moeten uitgaan naar zwakkeren en "oninteressante" burgers. De overheid is hoedster van eenieder: rijk-arm, sterk-zwak, staatsburger-gast.

Het proces van schaalvergroting gaat tegelijkertijd gepaard met de wens van mensen om ergens bij te horen. Waar organisaties uitdijen, wordt de mens (via de menselijke maat) meer centrum van zijn kleinschalige omgeving van huis en werk. Groot waar het moet, klein waar het kan. Dat geldt ook voor waterbeheer. Bewustwording van de waarden van water leidt tot meer betrokkenheid bij de menselijke leefomgeving (vgl. Natuurmonumenten: je wordt ‘eigenaar’ van een stukje Nederland voor 35 gulden).

Het probleem voor overheden en maatschappelijke organisaties is dat in deze fase van besturen (d.w.z. de overgang van het tamelijk overzichtelijke en voorspelbare beeld van de jaren zeventig en tachtig naar nog onvermoede ontwikkelingen binnen Europa over de eeuwwisseling heen) het tot stand brengen van een heldere visie niet eenvoudig is. Er ontbreekt regie, er is te weinig kennis en kunde, er is teveel versnippering tussen en binnen overheden.

Waterbeheer kent een aantal dimensies (techniek, financiën, bestuur en organisatie). Allesbepalend is echter wat in het politiek-bestuurlijke domein wordt besloten, welke richting aan het beleid wordt gegeven. Er is nog teveel ad -hocbeleid, gekoppeld aan de waan van de dag. Het veelgeprezen poldermodel heeft voordelen (consensus) maar het werkt evenzeer verlammend op het doen van principiële keuzen. Is een visie mogelijk vanuit het concept ‘Nederland-dienstenland’? Hoe wordt omgegaan met de corridor-gedachte, de infrastructuur, het vervangen van bulk door toegespitste en hoogwaardige kennis. Waarom geen West-Europese ruimtelijke ordening: wààr landbouw, wonen en werken, waar natuur? Nederland moet kennisland zijn en investeren in snelle verbindingen met het immense achterland. Kenniscentra, m.n. universiteiten, moeten broedplaatsen van nieuwe concepten zijn. Teveel derde-geldstroomonderzoek bedreigt hun onafhankelijkheid. Kenniscentra kunnen stimulerend werken op het doordenken van fundamentele vragen en -minstens zo belangrijk- de politieke vertaling ervan.

Belangrijke watervragen die voorliggen zijn:

• Zijn watersysteem en waterketen te scheiden?

• Blijft de waterkolom apart (naast het ‘groene’ en het ‘grijze’ milieu) of wordt ‘water’ onderdeel van ‘milieu’; en hoe in dit licht om te gaan met de relatie tussen water, bodem en lucht?

Om als overheid nog met enig gezag te kunnen opereren temidden van de genoemde macro-ontwikkelingen, zijn schaalvergroting en integratie onvermijdelijk. Er zouden in Nederland op nationaal niveau twee departementen moeten komen: één voor immateriële zaken (gezondheidszorg, onderwijs, wetenschap, cultuur etc.) en één voor materiële zaken, i.e. omgevingsbeleid. Op regionaal niveau zou het functionele (water)bestuur op lange termijn wellicht moeten ingroeien in één regionaal lichaam voor omgevingsbeheer. Evengoed kan het in de toekomst ook het waterschap als functionele organisatie zijn die sterk domineert in ruimtelijke beslissingen voorzover annex aan watersysteembeheer. Het beheer van water als deel van de leefomgeving moet wel een overheidstaak blijven, d.w.z. in handen van het volk. In de uitvoering kan echter veel aan de markt worden overgelaten want competitie verhoogt de efficiëntie. Maar de overheid stelt het beleid vast en kan marktpartijen sancties opleggen.

De omslag naar integraal waterbeheer heeft geïllustreerd dat het mogelijk is om schotten weg te nemen, tussen kwantiteit en kwaliteit, tussen zeeën en rivieren e.d. Maar het is nog teveel symptoombestrijding binnen overheden. Integraal waterbeheer wordt nog teveel vanuit oude bestuurlijke concepten bedreven en te weinig vanuit een maatschappelijke visie. Waterbeheerders zouden moeten inzetten op bewustwording van mensen, dat water een kostelijk goed is, hen de consequenties van hun eigen gedrag onder ogen brengen en ze positieve impulsen geven. Spreek niet in termen van risico’s -overstromingsrisico’s, bijvoorbeeld- maar van kansen. Enthousiasmeer mensen voor de kansen die een integrale benadering biedt, waar samen aan gewerkt kan worden. Mik daarbij op een inbreng van jongeren.

Een knelpunt binnen de kennisinfrastructuur is de zeer beperkte kennisuitwisseling. Elke politieke partij, bijvoorbeeld, heeft een eigen wetenschappelijk bureau. Kent men elkaars gegevens? Ook onderzoek naar water, bodem en lucht zijn nog teveel gescheiden. Er zou een centrale informatiebank moeten komen, waar iedereen kan aankloppen.

Het eindproduct van de Verkenning Kennis voor Integraal Waterbeheer moet dun en ‘to-the-point’ zijn; stop eventuele achtergrondinformatie in een apart boekje of een bijlage.

 

 

Ing. W.H. Streekstra - LTO Nederland

1. Hoe is uw organisatie betrokken bij waterbeheer? Is water een "issue" voor uw organisatie? Welke activiteiten ontplooit u op dit terrein? Met welke partijen voert u overleg? In welke initiatieven participeert u?

LTO Nederland is een koepelorganisatie gericht op agrarische belangenbehartiging richting de Haagse politiek, vergelijkbaar met VNO-NCW voor het bedrijfsleven. LTO Nederland kent vijf gewestelijke organisaties, waarvan de boeren feitelijk lid zijn: NLTO (Groningen, Friesland, Drenthe en Flevoland), GLTO (Overijssel, Gelderland en Utrecht), WLTO (Noord- en Zuid-Holland), ZLTO (Noord-Brabant, Zuid-Gelderland en Zeeland) en LLTB (Limburg).

Binnen LTO bestaat een Beleidsteam Water, met daarin een vertegenwoordiger van LTO Nederland (Streekstra), van de gewestelijke organisaties (Peter Prins - NLTO, Johan Scholten-Albers - GLTO, Joost Verburg - WLTO, Leo Vollebregt - ZLTO, Frits Thijssen - LLTB) en enkele agrarische waterschapsbestuurders. Dit team ontwikkelt een LTO-visie op water. Inmiddels is een discussienotitie geschreven, waarin enkele thema’s en stellingen m.b.t. water worden uiteengezet en geagendeerd. LTO wil pro-actief werken: meedenken met overheden en andere belangenbehartigers over waterproblemen en oplossingsrichtingen aandragen vanuit een landbouwoptiek. Er moeten keuzen gemaakt worden en als de landbouw zelf niet met voorstellen komt, maken anderen de keuzen, zonder landbouw-inbreng. De insteek van LTO n.a.v. de waterschade is eerst technische maatregelen te nemen (bijv. gemalen, spuimogelijkheden) en pas in tweede instantie ruimtelijke maatregelen (water als ordenend principe).

2. Wat zijn voor uw organisatie de belangrijkste water-vraagstukken op dit moment? En op de langere termijn?
In hoeverre kan/wil uw organisatie zelf bijdragen aan de aanpak van deze vraagstukken, ook financieel?

Water als ordenend principe is een centraal vraagstuk.

Dit zou meer tot uitdrukking moeten komen in de
RO-plannen, van provincies bijvoorbeeld. We moeten accepteren dat niet meer alles overal kan. De Wieringermeer, bijvoorbeeld, is te zout voor bollenteelt, maar de Provincie Noord-Holland wil bollentelers laten verhuizen vanuit de binnenduinrand naar de Wieringermeer. Er moet sowieso een discussie komen over de intensieve tuinbouw in het westen des lands (glastuinbouw, bollenteelt en vollegrondsgroententeelt), omdat deze een heel kritisch waterbeheer vergt:
een uitgekiend peilbeheer, geen verzilting, geen wateroverlast e.d. Ook boeren moeten leren dat niet meer alles overal kan maar anderzijds moeten waardevolle landbouwgronden behouden blijven. Een mogelijke oplossingsrichting is het telen van zoutresistente gewassen en grassoorten.

Wat nu in de discussies nog teveel door elkaar loopt is de noodzaak van waterberging en de wenselijkheid van natte natuur. Die twee zaken moet je gescheiden houden. Doelstelling is het waterbergend vermogen te vergroten. Natte natuur is meegenomen maar komt op de tweede plaats. Ontwikkeling van natte natuur kan het waterbergend vermogen juist verkleinen: het opzetten van peilen verkleint de buffercapaciteit. Het is dan ook uitkijken met het opzetten van het waterpeil in landelijke gebieden. Juist het landelijk gebied heeft nu een grote buffercapaciteit, veel groter dan de steden.

Er zouden regionale water-landbouwkaarten moeten komen voor gebieden ter grootte van max. een halve provincie, waarop de mogelijkheden en onmogelijkheden voor landbouw worden weergegeven. In Waterland, bijvoorbeeld, is op de keper beschouwd geen economisch rendabele landbouw meer mogelijk (alleen nog beheerslandbouw), in sommige delen van Hoog-Nederland zou je eigenlijk geen bieten moeten verbouwen (grote waterbehoefte) etc. Flevoland, Friesland en Zeeland daarentegen zijn aangewezen primaire productiegebieden.

Meer specifieke problemen zijn regionaal bepaald. De belangrijkste problemen in Laag Nederland zijn:

• natschade (ondervonden door bollentelers als gevolg van overgang Duinwaterbedrijf Zuid-Holland op diepe grondwaterwinning);

• de watertekorten in de zomer met als gevolg verzilting. LTO hecht veel waarde aan het Natte Hart systeem: de doorspoeling van Laag Nederland voor o.a. tuinbouw, waterkwaliteit en waterrecreatie. Hiervoor moet voldoende zoet water beschikbaar blijven; en

• de problematiek van de veenweidegebieden. Hier moet een fundamentele keuze gedaan worden: òf economisch rendabele veeteelt en dan oxydatie en inklink accepteren òf de boeren uitkopen. Een middenweg is er niet. Als die toch wordt gekozen (bijv. opzetten van het waterpeil van -60 naar -30, wat nu gebeurt), zit er over een aantal jaren geen boer meer in het gebied want dan rendeert landbouw er niet. En landbouw blijft nodig als economische poot onder het landelijk gebied!

Belangrijke problemen in Hoog Nederland zijn:

• verdroging. Het is zaak water meer vast te houden. Ruilverkaveling is een belangrijke oorzaak van de verdroging geweest. Dat moet nu teruggedraaid worden. Er zouden ‘landbouwontwikkelingsplannen’ moeten komen, waarin op gebiedsniveau integraal wordt bezien hoe het gebied het beste kan worden ingericht, tot en met de vraag wat waar geteeld wordt. Hier valt veel winst te halen maar het is wel een zaak van lange adem (ca. 20 jaar). Nu wordt te vaak gefocust op een enkel facet (bijv. MINAS). Verder groeit agrarisch natuurbeheer in populariteit onder de boeren, dus ook daar liggen mogelijkheden.

• vernatting. LTO is voorstander van een ‘water-ordenend bouwplan’ per agrarisch bedrijf: de teelt van gewassen afhankelijk van de ‘natuurlijke’ beschikbaarheid van water. DLV is al bezig met de introductie van het ‘bedrijfswaterplan’. Er lopen de nodige vernattingsprojecten. Pompen (‘de haspel’) is politiek uit de gratie. In Noord-Brabant krijgen boeren zelfs een pompverbod opgelegd als ze niet meewerken met vernattingsprojecten.

Een algemeen vraagstuk is de waterkwaliteit. Vanuit de landbouw gaat het hier vooral om bestrijdingsmiddelen. Enerzijds is er het probleem van de uitspoeling maar anderzijds is er behoefte aan een breder pakket bestrijdingsmiddelen. Dat bijt elkaar. Hier ligt ook een potentiële bron van conflicten binnen de landbouw, namelijk tussen de veeteelt en de tuin- en akkerbouw. LTO vindt dat koeien uit de sloot moeten kunnen drinken maar wanneer er bestrijdingsmiddel in koeiemelk zou worden gemeten, is de boot aan. Veel veeboeren drenken hun koeien daarom met drinkwater maar eigenlijk zou dat niet nodig moeten zijn.

Verder speelt de nitraat-discussie, in relatie tot drinkwaterwinning; een gevoelig onderwerp. Waar zijn welke maatregelen nodig? En hoe hard is de norm van 50 mg?

3. Ervaart u kennislacunes bij het aanpakken van deze vraagstukken? Worden de kennisbehoeften gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur? Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Een belangrijke vraag is of er in Nederland wel sprake is van een watertekort, ook bij klimaatverandering. Velen roepen het, maar als je in ogenschouw neemt dat maar 1,5% van het inkomende water (neerslag en rivieren) gebruikt wordt, kun je daar vraagtekens bij plaatsen. Ook in de droogste zomer van deze eeuw (1976) was er geen watertekort. Is het niet veel meer een kwestie van slim omgaan met water dan van een feitelijk watertekort? Dit zou eens goed uitgezocht moeten worden.

Verder zouden systemen voor duurzame wateropslag in de landbouw nader onderzocht en ontworpen moeten worden (bijv. diepe greppels, landbouw zonder beregening e.d.). Hierbij speelt ook het kwaliteitsvraagstuk. Duurzame landbouw voor LTO is landbouw met drinkwaterkwaliteit ‘end-of-pipe’, waar ook andere functies wat mee kunnen. Voor bestrijdingsmiddelen en mest zullen dan ook structurele oplossingen gezocht moeten worden. Ook de mogelijkheden tot (economisch rendabele!) drinkwaterbereiding door boeren als vorm van duurzame landbouw verdienen nader onderzoek.

4. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer?
Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt de situatie in Nederland zich in internationaal verband?

De kern is het afstemmen van alle facetten, het maken van werk met werk.

Nadeel van een integrale benadering is dat er meer partijen en disciplines voor nodig zijn, waardoor het proces langer duurt.

Voor boeren werkt een integrale benadering in het voordeel van hun beurs. Het integraal denken is al redelijk ingeburgerd maar voor wat betreft de integrale bedrijfssystemen is er nog een slag te maken.

5. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de kennisontwikkeling? Vraagt integraal waterbeheer om veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch)?

Kennisontwikkeling vindt niet alleen plaats bij onderzoeksinstituten als SC-DLO en LEI-DLO maar ook bij proefbedrijven, bijv. De Marke en Cranendonk. Hier worden landbouwsystemen integraal in praktijk gebracht. Daarbij is ook aandacht voor een integrale waterhuishouding, met name op De Marke.

Op detailniveau is heel veel kennis maar de slag naar het gebiedsniveau wordt nog niet altijd gemaakt. Zet alle detailkennis nu eens bij elkaar. Hoe met een heel gebied om te gaan? Van onderaf wordt hier al wel aan gewerkt, hier en daar. Nu zou het ook nog ‘van bovenaf’ (vanuit de wetenschap) moeten gebeuren. Er is behoefte aan nieuwe ideeën en concepten, aan ‘ontwerpende wetenschap’.

 

A. Finkers - ANWB

1. Hoe is uw organisatie betrokken bij waterbeheer? Is water een "issue" voor uw organisatie? Welke activiteiten ontplooit u op dit terrein? Met welke partijen voert u overleg? In welke initiatieven participeert u?

De ANWB is al vanaf de jaren 1960 actief op het terrein van waterbeheer. In die jaren heeft de bond een boekje uitgegeven over waterkwaliteit, mede naar aanleiding van de stankproblemen rond de aardappelzetmeelfabrieken in het Noorden. Dat boekje heeft tot in de jaren 1970 als lesmateriaal op scholen en universiteiten gediend. Belangrijk voor de ANWB was het zgn. Nieuwe Meer-arrest van 1984 (gericht op het tegenhouden van het storten van vervuilde bagger in het Nieuwe Meer), waarin werd bepaald dat belangenorganisaties kunnen optreden als partij in juridische processen.

De ANWB maakt zich vooral sterk voor de ‘spiegelfunctie’ van water: schoon, helder en reukloos water. Centraal aandachtspunt was lange tijd de zwemwaterrichtlijn, waarover de bond ook de meeste expertise bezat. In het algemeen zet de toeristenbond zich in voor de mogelijkheid tot ‘re-creatie’ van mensen. In dat kader staat de zorg voor milieu, landschap en cultuurhistorie, als recreatiebasisvoorwaarden, in de statutaire doelstellingen. De ANWB behartigt in principe alleen de belangen van zijn leden. Het betreft dus de belangen van de consumenten c.q. de vraagkant van de markt, niet de belangen van producenten c.q. de aanbiederskant van de markt. De belangen van de laatste worden door KvK’s, VVV’s en branche-organisaties als HISWA of RECRON behartigd. Het is goed te beseffen, dat de belangen van de consument en de producent lang niet altijd dezelfde zijn. Dit neemt niet weg, dat daar waar de belangen parallel lopen, de organisaties gezamenlijk kunnen optrekken.

Beleidsmatig zijn er drie medewerkers direct actief op het terrein van waterbeheer (binnen de Afdeling Algemeen Ledenbelang); voor watersport (Van Ginkel), voor waterkwaliteit en -kwantiteit (Finkers) en voor water algemeen (Engelsman vanuit regio Noord). Daarnaast houden diverse beleidsmedewerkers vanuit de invalshoek van hun specifieke deskundigheid (economie, planologie, etc.) of hun betrokkenheid bij een regioteam zich met waterbeheer bezig. Buiten de beleidsafdeling zijn er binnen de ANWB nog veel meer mensen betrokken bij het water, denk o.a. aan de Waterkampioen, het keuren van pleziervaartuigen, de uitgifte van vaarbewijzen, verkoop van kaarten, etc.

Op beleidsniveau is er overleg met tal van partijen: de Tweede Kamer - Vaste Commissie voor Verkeer en Waterstaat, provincies, gemeenten (zo heeft de ANWB de juridische belangenbehartiging via een cessie overgedragen aan de gemeente Rotterdam/Project Onderzoek Maas), waterschappen, Natuurmonumenten, de Stichting Natuur en Milieu; in het OOD (Overlegorgaan Oppervlakte Delfstoffen), in het OWN (Overlegorgaan Water en Noordzee-aangelegenheden), in de Commissie Integraal Waterbeheer - Werkgroep 5 (subwerkgroep zwemwater), in het Voordelta-overleg, in de Waddenadviesraad, etc. Een recent initiatief is de vervaardiging van een video over vermesting in samenwerking met de Stichting Waterpakt.

De ANWB heeft ca. 3,5 miljoen leden en behartigt daarmee belangen van een groot deel van de Nederlandse bevolking. Die belangen zijn wel eens tegenstrijdig (bijv. verkeer en vervoer versus recreatie); de ANWB is geen ‘one-issue’ organisatie. Toch brengt de ANWB in principe een eenduidig standpunt uit. Dit vraagt wel eens om harde afwegingen binnen de eigen organisatie. In moeilijke gevallen beslist de Bondsraad, die ook het beleid bepaalt.

Jaarlijks organiseert de bond steekproefsgewijs panels onder zijn leden, waarin hun mening wordt gevraagd over wisselende issues. Hiermee blijft de bond op de hoogte van de wensen van zijn leden. Richting andere partijen is dit een belangrijke ‘asset’ van de ANWB.

2. Wat zijn voor uw organisatie de belangrijkste water-vraagstukken op dit moment en op de langere termijn?
In hoeverre kan/wil uw organisatie zelf bijdragen aan de aanpak van deze vraagstukken, ook financieel?

Waterkwaliteit is een centraal vraagstuk voor de ANWB, in het verlengde van de ‘spiegelfunctie’ (zie boven), m.n. zwemwaterkwaliteit en recreatiewaterkwaliteit (zwemwater is een wettelijk erkende functie, incl. meetplicht; recreatiewater niet).

Maar ook de waterkwantiteit vraagt aandacht, met name waterpeilen ten behoeve van pleziervaart.

En inrichtingsvraagstukken, het opnieuw inrichten van gebieden, bijv. het rivierengebied in het kader van ‘Ruimte voor de rivier’. Daarbij doen zich wel eens conflicten voor. Zo is de ontwikkeling van natte natuur goed voor de waterkwaliteit en de veerkracht van watersystemen maar het leidt tevens tot verondieping, waardoor pleziervaart wordt bemoeilijkt. Er is dan ook geen ruimte voor jachthavens in ‘Ruimte voor de rivier’.

De bijdrage van de ANWB zit vooral in informatieverstrekking. Zo heeft de bond meegewerkt aan het verbod op tinhoudende antifaulings en is de bond betrokken bij het initiatief, getrokken door HISWA, om binnen 10 jaar te komen tot een nullozing van milieugevaarlijke stoffen uit antifaulings. In Europees verband verzorgt de ANWB de Blauwe Vlag Campagne in Nederland. De Blauwe Vlag is een pan-Europees milieukeurmerk voor jachthavens en stranden met hoge eisen aan milieu-educatie, waterkwaliteit, service en veiligheid en milieumanagement. In het kader van de campagne bereidt de ANWB inmiddels een strandbeheerscursus voor gemeenteambtenaren voor, mede op basis van eigen onderzoek naar bijvoorbeeld toiletgebruik op stranden.

3. Ervaart u kennislacunes bij het aanpakken van deze vraagstukken? Worden de kennisbehoeften gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur? Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Een belangrijke kennislacune is de morfologie, het transport van zand en slib. De effecten van een waterhuishoudkundige ingreep op de morfologie worden vaak veel te optimistisch ingeschat. Zo is het ontstaan van zandhonger voor de Oosterschelde nooit voorspeld en is ruwweg eenderde van de effecten van de afsluiting van de Zuiderzee nog niet bekend. Verschillende morfologen doen uiteenlopende uitspraken; er zijn geen eensluidende voorspellingen. Wat zijn de morfologische effecten van een luchthaven in zee, of --kleinschaliger-- de ontwikkeling van strandjes. Zullen er door het openstellen van de Haringvlietsluizen slibvlaktes voor het strand van Rockanje ontstaan, of zal op grote schaal aanzanding plaatsvinden, of juist erosie??

Verder zitten er hiaten in de ecologische basiskennis. Ten eerste ten aanzien van indicator-organismen: waarvoor zijn zij exact indicator en dekt de gevoeligheid van deze soort de gehele range in die mate dat alle organismen worden beschermd, wat is de wenselijke populatie-omvang van deze soorten, wat is nog wel en wat niet toegestaan. Wordt er alleen op eco-toxicologische gronden gekeken of ook op sociale, economische en politieke gronden? Maar ook en vooral daarbuiten: wat gebeurt er met andere, niet-indicator organismen? Welke andere organismen leven er eigenlijk?

Ook processturing vraagt extra aandacht. Waterbeheer is nog teveel een technische aangelegenheid. Er wordt te weinig gecommuniceerd. Waterbeheerders laten de maatschappij te weinig bij zich ‘in de keuken kijken’, leggen maatregelen niet of slecht uit aan burgers en kunnen niet met inspraak omgaan. Zo creëer je geen betrokkenheid. Juist voor integraal waterbeheer is communicatie met veel belangen en functies essentieel. Er zijn wel belangrijke stappen gezet in open planprocessen maar die werken nog niet altijd. Rond de Noordzee is het goed gegaan maar rond de WSV, bijvoorbeeld, niet. Er moet meer inzicht komen in de succes- en faalfactoren van interactieve planvorming.

Een algemeen probleem is dat kennis vaak wel aanwezig is maar slechts bij één persoon (‘tacit knowledge’). Kennis wordt te weinig gedeeld en/of op schrift gesteld (‘codified knowledge’). In een technische, weinig communicatieve cultuur als die van het waterbeheer speelt dit probleem des te sterker.

4. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer?
wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt de situatie in Nederland zich in internationaal verband?

Integraal waterbeheer omvat de weging c.q. koppeling van de belangen en wensen van de verschillende gebruiksfuncties van het water ten opzichte van elkaar, en de vertaling hiervan in voor het beheer relevante eisen op het gebied van ruimtelijke inrichting, waterkwaliteit en -kwantiteit, en draagvlakverwerving. Traditioneel waterbeheer was veel beperkter: "afvoeren en wegwezen" en "zuiveren tot je erbij neervalt".

Internationaal hangt het er maar vanaf op welk aspect je vergelijkt. Engeland, bijvoorbeeld, heeft rwzi’s ‘uit het jaar 0’ maar nog redelijk veel gave beek- en rivierlopen en daardoor ook meer kennis van ‘natuurlijke’ watersystemen. De Engelsen accepteren ook periodiek wateroverlast. Een en ander in tegenstelling tot Nederland, waar het watersysteem even geconditioneerd is als een laboratorium ("en o wee als het water uit het reageerbuisje schiet..."). Technisch loopt Nederland voorop maar ten aanzien van ‘natuurlijkheid’ en qua mentaliteit kunnen we nog veel leren van andere landen.

5. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de kennisontwikkeling? Vraagt integraal waterbeheer om veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch)?

Technische stukken zouden meer in bestuurs- en ‘gewone mensen’-taal vertaald moeten worden. "Wat betekent dit nu voor u?" ‘Jan met de pet’ kiest toch uiteindelijk voor of tegen IJburg, bijvoorbeeld. Technici kunnen wel mooie plannen bedenken maar planning is één, uitvoering wat anders. Onderzoek zou meer gevolgd moeten worden door opleiding van beheerders over hoe zij om moeten gaan met een ontwikkeld instrument, bijvoorbeeld.

Verder zou meer waterbeheersonderzoek moeten worden gedaan naar interacties en combinaties van functies. En ook meer intermenselijk actieonderzoek van veranderingsprocessen, bijv. rond ontpoldering, verzilting, ruimte voor rivieren e.d.

 

Dr. C.H. Smit - Shell Global Solutions

1. Hoe is uw organisatie betrokken bij waterbeheer? Is water een "issue" voor uw organisatie? Welke activiteiten ontplooit u op dit terrein? Met welke partijen voert u overleg? In welke initiatieven participeert u?

Shell Global Solutions (ShellGS) is binnen de Shell Groep een service verlenend bedrijf en fungeert als de centrale bron van technische expertise voor de Oil Products en Natural Gas businesses. De belangrijkste klanten zijn de Groeps raffinaderijen (zo’n 40 wereldwijd) en Gas fabrieken plus overige "operating companies" waarmee ShellGS een service contract heeft. Op specifieke onderdelen, waaronder water behandeling, wordt ook veel service verleend aan de Chemie sector en de Exploratie en Productie business. Sinds anderhalf jaar, heeft ShellGS besloten zijn kennis en diensten pakket ook commercieel te exploiteren naar derden; in principe aan allen die hiervoor interesse tonen. Als gevolg hiervan is het klanten bestand aanzienlijk uitgebreid en wordt met de ShellGS services ook organisaties en bedrijven buiten de Shell wereld bestreken.

Shell Global Solutions bestaat uit een (groot) aantal Business Groepen geografisch verspreid over een aantal locaties (Den Haag, Amsterdam, Engeland , Frankrijk, Duitsland en Singapore). Een van de business groepen is Health, Safety and Environment (HSE), met hoofdkantoren in de UK en in Den Haag. De afdeling Water Treatment and Sludge, gevestigd te Amsterdam, is een aparte business groep en werkt nauw samen met HSE. operating companies. Uitgangspunt is een minimale milieubelasting door de Shell. Per land/’site’ wordt daarbij een afweging gemaakt tussen de nationale milieuwetgeving (in Nederland in menig opzicht niet de strengste vergeleken bij andere landen), beschikbare technologieën en kosten. Shell mikt op een ‘water master plan’ per raffinaderij: een integraal plan gericht op een betrouwbaar proces dat tegen reële kosten voldoet aan de milieunormen. Kostenbeheersing is belangrijk want de olie-industrie staat onder enorme druk, maar is niet alleen bepalend; een verantwoord opereren vanuit het milieu standpunt staat voorop. Een masterplan kan dan ook vaak slechts gefaseerd worden uitgevoerd - een stapsgewijs investeringsplan hetgeen tevens leidt tot een veel beter uitgangspositie en waardoor een betere ontwerp basis verkregen wordt voor de vaak complexe en hoog technologische zuiveringsprocessen. En alleen ‘no-regret’ maatregelen komen in aanmerking.

Shell hecht aan haar milieu-imago, neemt de verantwoordelijkheden voor zijn operaties en zal daarbij geen discussies ontwijken. In tweede- en derde-wereldlanden vervult Shell vaak een voorbeeldfunctie, met de meest geavanceerde technologieën. Voor nieuwe raffinaderijen en grootte uitbreidingen wordt een ‘environmental assessment’ gedaan. In Nederland kennen we dat als de MER, welke meestal wordt uitgevoerd door een onafhankelijk instituut. Overheden zijn de belangrijke gesprekspartners van Shell met betrekking tot milieuzaken.

2. Wat zijn voor uw organisatie de belangrijkste water-vraagstukken op dit moment? en op de langere termijn?
In hoeverre kan/wil uw organisatie zelf bijdragen aan de aanpak van deze vraagstukken, ook financieel?

Raffinaderijen en Gasplants gebruiken water op ruwweg drie manieren:

- in het raffinage-proces (wassen van zouten uit de ruwe olie en verwijdering van H2S en NH3 uit de gas fase) ;

- voor het opwekken van stoom, als energie bron;

- voor koeling.

Vooral voor koeling is veel water nodig; het totale watergebruik van een raffinaderij kan daardoor oplopen tot 30 à 40.000 m3/uur (in dit geval veelal zoutwater ). Voor procesdoeleinden is veel minder water nodig ofschoon dit kan oplopen tot 500-1000 m3/hr. De technologie (minder vervuild water producerende processen en grote mate van intern hergebruik) maakt inmiddels watersystemen mogelijk met een inname van ‘slechts’ 50 à 200 m3/uur (alleen proceswater!! en uiteraard afhankelijk van de raffinaderij-configuratie). Voor wat betreft de koeling is er een tendens richting luchtkoeling hetgeen leidt tot aanzienlijke vermindering van water inname. Daarentegen geeft luchtkoeling wel een geluidsbelasting. In Pernis wordt derhalve wel degelijk een afweging gemaakt tussen de voordelen van koelwater en de nadelen van geluid. Voorts wordt de export van warmte (zgn. "low level heat") naar de gemeenschap bestudeerd - binnen Shell is deze symbiose tussen industrie en stadsverwarming gerealiseerd o.a. in Zweden (Gothenburg). Nadenken over integrale milieu-oplossingen is hierbij de boodschap.

Reductie van de waterinname en hergebruik van water is een centraal aandachtspunt voor Shell. Ideaal is een gesloten waterkringloop waarbij het behandelde afvalwater volledig hergebruikt wordt. Daarmee wordt de toenemende schaarste (en stijgende prijs) van fresh-water ondervangen en kan Shell onafhankelijk worden van de emissienormen van overheden voor water. De ‘drive’ voor hergebruik komt deels vanuit regelgeving (het behandelde water is vaak schoner dan ingenomen rivierwater), deels vanuit de eigen milieu-doelstelling (zie boven), en uiteraard vanuit de kosten van vers water en de toenemende schaarste aan water.

Verder blijven emissies van waterzuiveringsinstallaties een probleem, met name via de lucht. De concentraties zijn vaak zo laag, dat ze nauwelijks zijn te meten.

Een onderbelicht thema is het slib en afval van een raffinaderij. Water wordt continu geproduceerd en kan dus direct worden gemeten maar slib en afval geven altijd een rest product en gaan vaak niet direct de poort uit. De opslag en verwerking van slib en afval is een ingewikkelde problematiek. Hoe ga je ermee om? Verbranding, land farming, verwerking door derden, gecontroleerde stort...?

Een overkoepelend issue binnen de Shell-organisatie is veiligheid, en dat op alle niveaus: van de ‘plant’ tot de werkplek. Dit strekt zich ook uit tot de omgeving van de ‘plants’: de milieu-effecten. Risico’s moeten worden beheerst, zowel vanwege de veiligheid alswel vanwege een betrouwbaar opereren van de milieu processen. Voor het water houdt dit in dat bij voorkeur uitgeteste en commercieel bewezen systemen worden toegepast.


3. Ervaart u kennislacunes bij het aanpakken van deze vraagstukken? Worden de kennisbehoeften gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur? Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Er is een tendens richting toxiciteitsmetingen als aanvulling op onderzoek naar rest stoffen, vooral in de VS is dit al aanwezig. Op termijn zal dit waarschijnlijk ook in Europa doorwerken, omdat onderzoek naar rest stoffen moeilijk is (er komen meer stoffen en we benaderen de limieten van normale analyse apparatuur) en een betrouwbare bemonstering . Grote vraag bij toxiciteitsmetingen is welke indicator-organismen in aanmerking komen. Niet elk organisme is even gevoelig voor elke stof. Op dit punt liggen kennishiaten. Gepleit wordt voor een standaardisering. Verder ontbreekt vaak inzicht in de specifieke lokale (ecologische) situatie op een ‘site’. Dat inzicht is essentieel om de veiligheid te waarborgen en risico’s te verkleinen.

Binnen de kennisinfrastructuur werkt Shell vooral samen met IHE, Wageningen UR, TNO en ook wel met RIZA (vooral m.b.t. Pernis). Kernvraag daarbij is veelal waar de emissies blijven. Met name inzicht in de accumulatie van chemicaliën in voedselketens heeft veel aandacht in de studies.

4. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer?
Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt de situatie in Nederland zich in internationaal verband?

Voor Shell omvat integraal waterbeheer vaak ook de maatschappij rond een raffinaderij. Het gaat dan niet alleen om de industriële optimalisering van het watergebruik maar ook om het betrekken van de ‘local community’ bij de bouw en het beheer van een plant.
In sommige locaties bijvoorbeeld zijn de water zuiveringsinstallaties geïntegreerd met de ‘local community’. Die lokale betrokkenheid is in het buitenland vaak veel sterker dan in Nederland.


5. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de kennisontwikkeling? Vraagt integraal waterbeheer om veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch)?

Complexe studies naar nieuwe technologieën in waterzuivering doet Shell meestal in samenwerking met andere oliemaatschappijen, in het kader van Joint Industrial Projects (JIPs), het PERF (Petrol Environmental Resources Forum) en CONCAWE (een samenwerkingsverband van partijen, inclusief autoriteiten, dat milieu-richtlijnen voor olie-raffinaderijen opstelt; gevestigd te Brussel). Ook sponsort Shell universiteiten, GTI’s, e.d. Omdat het geen ‘core-business’ is, doet Shell zelf relatief weinig milieu-onderzoek met als specifieke doelstelling zelf nieuwe technologieën te ontwikkelen op het gebied van water. Daarentegen zijn er voor het water onderzoek in Shell wel aanzienlijke fondsen beschikbaar met als primair doel bestaande technologieën en systemen te optimaliseren en aan te passen aan logistieke (vaak raffinaderij) condities Het bedrijf wil meewerken aan vernieuwing (bijv. Membraan technologie in water zuivering ) maar doet niet zelf aan "hardware" ontwikkeling op dit gebied. Wel profileert Shell Global Solutions zich sinds kort als ‘adviesbureau’ op de internationale markt om de eigen kennis en ervaring m.b.t. waterzuivering en hergebruik ten nutte te maken van activiteiten buiten de olie-industrie.

 

Dr. Chris Dutilh - Milieuzaken, Unilever

1. Hoe is uw organisatie betrokken bij waterbeheer? Is water een "issue" voor uw organisatie? Welke activiteiten ontplooit u op dit terrein? Met welke partijen voert u overleg? In welke initiatieven participeert u?

Water staat sinds vorig jaar hoog op de agenda bij Unilever. Het ‘Environment Report 1998’ (het tweede milieurapport, eerste in 1996) stelt drie issues centraal:

• duurzame landbouw (80% van de grondstoffen voor Unileverproducten komt uit de landbouw);

• instandhouding visstand (in 2005 zal Unilever alleen nog vis afnemen die gevangen is volgens de richtlijnen van de Marine Stewardship Council, een samenwerkingsverband van Unilever en WWF); en

• schoon water.

Unilever zoekt nog naar de precieze invulling van het thema ‘water’. Het concern werkt al langere tijd mee aan initiatieven van lokale autoriteiten (m.n. in de vorm van financiële bijdragen) maar dat is nog op ad hoc-basis.

Unilever heeft op verschillende manieren te maken met water, afhankelijk van het type producten:

‘food’ (ca. 50% van de omzet)

‘home care’ (wasmiddelen e.d.; ca. 25% omzet)

‘personal care’ (shampoos, deodorants, tandpasta etc.; ca. 25% omzet).

Bij ‘food’ is water grondstof (thee, instant producten, etc.) en moet dus van goede kwaliteit zijn. Bij ‘home & personal care’ zijn de producten een potentiële bron van waterverontreiniging. Unilever mikt op maximale afbreekbaarheid van deze producten. Hier wordt veel research naar gedaan, m.n. in het ‘ecological lab’ in Liverpool.

Niet alleen in de producten maar ook in de productieprocessen in de ca. 500 fabrieken over de gehele wereld is water van belang. Het motto hier is: "zuinig met water". Beperking van het watergebruik is onderdeel van het milieuzorgsysteem van Unilever. De fabrieken krijgen elke 2 à 3 jaar een milieu-audit van de Milieuafdeling volgens de ISO 14000 richtlijn. Daarbij kunnen ze scoren A (in orde), B1 (kleine verbeteringen doorvoeren), B2 (ingrijpender verbeteringen doorvoeren) of C (te milieubelastend; niet langer geschikt als onderdeel van Unilever). De fabrieken hebben dus een ‘incentive’ om aan milieuzorg te doen.

Het watergebruik in de fabrieken is slechts ca. 10% van het totale watergebruik in de voedingsketen maar wel dat deel waarop Unilever direct invloed heeft. Unilever richt zich ook wel op de overige schakels in de keten (landbouw, huishoudens e.d.) maar dan meer in informerende zin, vaak in samenwerking met andere partijen, bijv. andere wasmiddelfabrikanten en wasmachinefabrikanten in een recente campagne gericht op milieubewuster wassen (minder wasmiddelgebruik, vollere machines e.d.). Ook scholingscampagnes staan op het programma, bijv. onlangs over de ‘ecological footprint’ in Canada. Met de leveranciers van grondstoffen (boeren) is directere invloed mogelijk. Zo heeft Unilever contracten afgesloten waarin ‘best agricultural practice’ voorwaarde is voor afname van de grondstoffen.

Unilever participeert in DuVo (Duurzame Voedingsmiddelenketen), een samenwerkingsverband van partijen in de voedingsketen. Vanuit dit verband is er ook overleg met overheden. Verder is Unilever vertegenwoordigd in VNO-NCW, ook in het Bureau Milieu en R.O. In dit soort verbanden dient Unilever de overheid wel van advies en denkt mee met oplossingsrichtingen. Overheden denken vaak niet voldoende na over effectieve middelen, en zien alleen heffingen als instrument. Maar bovenaan voor Unilever staan de wensen van de consumenten. Daaraan voldoen staat op de eerste plaats in de ‘corporate purpose’; de milieudoelstelling is daarvan afgeleid.

2. Wat zijn voor uw organisatie de belangrijkste water-vraagstukken op dit moment en op de langere termijn?
In hoeverre kan/wil uw organisatie zelf bijdragen aan de aanpak van deze vraagstukken, ook financieel?

De beschikbaarheid van schoon drinkwater is een centraal issue. De smaak van thee, bijvoorbeeld, is zeer gevoelig voor een goede waterkwaliteit.

 

3. Ervaart u kennislacunes bij het aanpakken van deze vraagstukken? Worden de kennisbehoeften gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur? Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Rond indicatoren bestaan nog veel onzekerheden. Veel van de kennisvragen op dit punt zijn meer politiek dan wetenschappelijk van karakter. Hoe erg is het als een bepaald vliegje niet tegen een of andere stof/combinatie van stoffen kan? Mag niemand er last van hebben of accepteren we een bepaald risico? Hoeveel mensen moeten genetisch gemodificeerde producten wel/niet accepteren voor je ze wel/niet toelaat? etc. De vele onzekerheden maken het wel moeilijk om mensen/bedrijven te motiveren tot milieuzorg.

4. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer?
Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt de situatie in Nederland zich in internationaal verband?

Integraal waterbeheer is niet echt een issue voor Unilever. Misschien leidt het waterproject (zie boven) tot een vorm van integraal ketenbeheer op lokaal niveau (Unilever profileert zich als ‘multi-local multinational’) maar Unilever doet nog niet aan afstemming van watervervuiling door wasmiddelen enerzijds en watergebruik voor voedingsmiddelen anderzijds. Op sommige fabrieken is wel een waterzuiveringsinstallatie maar de Milieuafdeling is voorstander van aansluiting op het riool wanneer dat afvoert naar een centrale afvalwaterzuivering, omdat de fabrieken dan betalen naar gelang de hoeveelheid geloosd afval en zo een ‘incentive’ houden om aan kwaliteitsverbetering te blijven doen (kostenbesparing). Onderscheidend in Nederland in dit opzicht is dat hier op vrijwel alle riolen gezuiverd wordt.

 

5. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de kennisontwikkeling? Vraagt integraal waterbeheer om veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch)?

Binnen de kennisinfrastructuur voor water heeft Unilever contacten met m.n. RIVM en RIZA. Verder heeft het concern veel expertise in huis over de zuivering van afvalwater, deels uit contacten met zeepfabrikanten (leveranciers), maar deze wordt niet vermarkt (geen
core-business). De kennis dient mede als basis in gesprekken met overheden.

 

 

Ir. R.H.F. Kreutz - VEWIN

1. Hoe is uw organisatie betrokken bij waterbeheer? Is water een "issue" voor uw organisatie? Welke activiteiten ontplooit u op dit terrein? Met welke partijen voert u overleg? In welke initiatieven participeert u?

De VEWIN behartigt de belangen van de watersector, van de (ruim 20) waterleidingbedrijven. Het werkveld omvat de kringloop van bron tot kraan in brede zin: waterkwantiteit, waterkwaliteit, R.O., milieu, landbouw, etc.

De VEWIN voert overleg met vele partijen: rijksoverheden (vrijwel alle ministeries), provincies (IPO), gemeenten (VNG), LTO, VNO, Stichting Natuur en Milieu, Natuurmonumenten, etc. Het aantal overlegcircuits is de laatste jaren gegroeid, alsook het committent van de partijen m.b.t. water. Water staat duidelijk hoger op de agenda. De rol van de VEWIN is ook veranderd: vroeger vooral probleemsignalerend, nu ook actief zoekend naar oplossingen. De VEWIN participeert vaak als ‘neutrale’ schakel tussen conflicterende belangen (industrie - milieu, landbouw - natuur e.d.). Het drinkwaterbelang is onomstreden en kan kwantitatief worden onderbouwd (via normstelling, al is discussie mogelijk over de toxicologische ‘hardheid’ van de -politieke- normen). Bovendien heeft de VEWIN geen schreeuwerig imago en stelt zij zich vaak breder op dan het sectorale drinkwaterbelang (ook milieuaspecten; zie boven). Verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater is vaak een van de eerste discussiepunten in een conflict.

Enkele van de initiatieven waarin de VEWIN participeert zijn campagnes voor verantwoord watergebruik, een initiatief met de Unie van Waterschappen gericht op samenwerking in de waterketen, het programma Water in de stad en het programma Duurzaam Bouwen.

Kennisinstituten waarmee de VEWIN regelmatig in zee gaat, zijn KIWA, CLM voor landbouwvraagstukken, RIZA voor oppervlaktewater, RIWA (de samenwerkende Rijn- en Maaswaterleidingbedrijven) voor meetprogramma’s in de grote rivieren, en technische adviesbureaus als IWACO, Witteveen & Bos en DHV.

2. Wat zijn voor uw organisatie de belangrijkste water-vraagstukken op dit moment en op de langere termijn?
In hoeverre kan/wil uw organisatie zelf bijdragen aan de aanpak van deze vraagstukken, ook financieel?

Voor de VEWIN staan drie vraagstukken centraal:

• de kwaliteit van de grondstoffen, m.n. oppervlaktewater (verontreiniging met bestrijdingsmiddelen en nutriënten van bedrijfsterreinen, plantsoenen, riolen etc.). Met name oevergrondwaterwinning is zeer gevoelig voor verontreiniging, omdat deze niet tijdelijk kan worden stopgezet, in tegenstelling tot oppervlaktewaterwinning.
Het grote probleem is dat veel stoffen onbekend zijn. In tegenstelling tot grondwater bevat oppervlaktewater een cocktail aan verontreinigingen, waarvan de meeste niet gemeten (kunnen) worden, laat staan dat bekend is welke effecten ze hebben (denk aan medicijnen, ‘pil’-hormonen e.d.). Eigenlijk zouden bedrijven die een nieuwe stof op de markt brengen de meetmethode moeten bijleveren en de stof ook moeten monitoren; dat zou vereist moeten worden bij de toelating. Nu is de aanpak te veel ad hoc, per stof die (toevallig!) ontdekt wordt.
Ten aanzien van grondwater speelt het naleveringsprobleem: de stoffen die we nu inbrengen, komen we tegen 2050 tegen bij de drinkwaterwinning, om niet te spreken van de 30 à 40 jaar dat we al bezig zijn het grondwater ernstig te vervuilen.

• de waterkwantiteit, m.n. het verdrogingsprobleem.
Op dit vlak wordt goede voortgang geboekt. Er is veel onderzoek naar verdroging gedaan (een nationaal onderzoeksprogramma), en de aanpak van het probleem is een goed voorbeeld van een integrale benadering. De meeste (natuur)winst blijkt te halen uit het verbeteren van de waterhuishouding en niet zozeer uit het stopzetten van grondwateronttrekkingen.

* de organisatie van het waterbeheer.
Het is de vraag of we de internationale ontwikkelingen die op ons af komen (liberalisering, marktwerking e.d.) kunnen aanpakken met de huidige organisatiestructuur van het waterbeheer in Nederland. In ontwikkelingsprogramma’s in de derde wereld stellen we de integratie van drinkwater en afvalwater, bijvoorbeeld, verplicht maar in ons eigen land zou dat niet kunnen/mogen?
Beantwoording van deze vraag gaat voorbij de grenzen van waterbeheer en raakt het totale bestuurlijke bestel van Nederland voor de 21e eeuw. Deze problematiek kan dan ook niet vanuit de waterwereld alleen worden aangepakt. Het is ook de vraag of water nog los kan blijven staan van andere zaken. In programma’s als Duurzaam Bouwen, Water in de Stad e.d. is water al integraal opgenomen.
De bereidheid tot verandering varieert: waterbedrijven staan te trappelen om ook waterzuivering en riolering bedrijfsmatig te gaan aanpakken, waterschappen zijn al minder enthousiast en gemeenten zijn ronduit tegen (hoewel sommige de exploitatie van de riolering al wel hebben uitbesteed). Men is bevreesd een stukje autonomie te moeten inleveren. Riolering zou een integraal onderdeel van de openbare ruimte zijn en uit dien hoofde bij de gemeente in beheer moeten blijven.

De VEWIN draagt bij aan de aanpak van deze vraagstukken door ze te agenderen en onderzoek mee te financieren.
De inzet is breed, ook gericht voorkoming van verontreiniging, bijv. onderzoek naar biologische landbouw, milieuvriendelijk groenbeheer door gemeenten, NS e.a., etc.; steeds i.s.m. de betrokken partijen.

3. Ervaart u kennislacunes bij het aanpakken van deze vraagstukken? Worden de kennisbehoeften gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur? Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Kennislacunes zijn er vooral op het vlak van:

• waterkwaliteit: nieuwe stoffen en hun routes door het milieu (zie boven);

• organisatie van het waterbeheer: welke ontwikkelingen komen er precies op ons af en welk organisatiemodel c.q. vorm van (water)beheer is het meest geschikt om hierop te kunnen inspelen? Scenario-studies zijn hier op hun plaats.

Ten aanzien van de waterkwantiteit liggen er geen grote kennislacunes. Wel wordt nog maar weinig onderzoek gedaan naar de consequenties van de verschuiving van de zoutwatergrens onder de duinen, ook voor de drinkwaterwinning.

4. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer?
Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt de situatie in Nederland zich in internationaal verband?

De kern is dat veel aspecten tegelijkertijd in beschouwing worden genomen: water, milieu, R.O. e.d. èn in samenspraak met de betrokken doelgroepen: in een open planproces, zoals bij de totstandkoming van NW4. Internationaal loopt Nederland voorop, samen met de Scandinavische landen en Duitsland, zowel qua techniek als qua integrale benadering. Daarbij vergeleken lopen Engeland, Frankrijk en Zuid-Europese landen achter. Het buitenland is wel verder dan Nederland in de integratie van de keten en in de voorbereiding op marktwerking. Vooral Frankrijk en Engeland zijn op dit punt de wereld aan het veroveren.

Overigens verschilt de mate van privatisering in Europa. Het gaat te ver te stellen dat het waterbeheer in heel Europa geprivatiseerd is, behalve in Nederland. Er zijn vele tussenvarianten tussen publiek en privaat. In Engeland is de zaak radicaal geprivatiseerd maar in Scandinavië hebben waterbedrijven alleen contracten om de waterzuivering te runnen, in Duitsland (ca. 6000 bedrijven!) komen privatisering en schaalvergroting net op gang. In Nederland stelt met name het ministerie van VROM zich afhoudend op, omdat de commerciële belangen van de waterbedrijven op gespannen voet kunnen staan met de belangen van de (gebonden) klant ("Water stroomt maar het is geen stroom."). EZ stelt daartegenover dat alles is af te dwingen, m.a.w.: privatiseren onder strikte, wettelijke condities (vgl. de zeer gedetailleerde waterwet in Engeland). V&W is verdeeld op dit punt, tot in de politieke top toe (VVD-staatssecretaris en PvdA-minister).

5. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de kennisontwikkeling? Vraagt integraal waterbeheer om veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch)?

Een algemeen probleem is dat kennisvelden nog weinig worden gecombineerd. Water en milieu, bijvoorbeeld, zijn vaak nog gescheiden werelden. Een LCA-benadering is nuttig om beide te koppelen. Ook economie en bestuurskunde blijven nog onderbelicht in het waterbeheer, terwijl water als economisch goed toch hèt thema wordt in de komende eeuw. We zullen waterbeheer steeds meer markttechnisch, op efficiency, moeten bekijken. Zeker in ontwikkelingslanden zijn wat dat betreft nog de nodige hobbels te nemen want water geldt daar heel sterk als "van God gegeven" en er wordt dus niet voor betaald. Maar zonder betaling komt er geen goed beheerssysteem van de grond. Wat de bestuurskunde betreft, kan worden geconstateerd dat bestuurskundige onderzoeksbureaus (o.a. Price Waterhouse, Arthur D. Little, Twijnstra Gudde, DIOC-TUD) de waterwereld de laatste tijd wel beter zijn gaan kennen.

Bepaalde zaken zijn echter niet zozeer een kwestie van kennisontwikkeling maar van politieke keuzen. Zo kan qua technologie van het meest verontreinigde water nog drinkwater worden gemaakt. Het is alleen de vraag of we dat willen, ook qua kosten. Kiezen we voor technologie of voor een zuivere grondstof? Die keus is aan de politiek. Overigens leiden technologische doorbraken (zoals nu de membraantechnologie) vaak ook tot bestuurlijke doorbraken.

Ir. J. de Wit - Stichting Waterpakt

1. Hoe is uw organisatie betrokken bij waterbeheer? Is water een "issue" voor uw organisatie? Welke activiteiten ontplooit u op dit terrein? Met welke partijen voert u overleg? In welke initiatieven participeert u?

De Stichting Waterpakt is ca. 10 jaar geleden ontstaan op aandringen van de Waddenvereniging. Het is een koepelorganisatie van de volgende belangenorganisaties:

• Waddenvereniging;

• Stichting tot Behoud van het IJsselmeer;

• Stichting Noordzee; en

• Stichting Reinwater.

Deze organisaties zijn vooral regionaal gericht. Waterpakt richt zich vooral op het nationale beleid (NW4, VIJNO e.d.). De stichting houdt zich bezig met regio-overstijgende problemen en met complexe en/of specialistische onderwerpen die de capaciteit van de regionale belangenorganisaties te boven gaan.

Het gaat Waterpakt om beleidsbeïnvloeding. Belangrijke adressanten zijn de ministeries van V&W, VROM en LNV. Er is echter ook overleg met regionale overheden, die veelal verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het nationale beleid. En verder komt de EU steeds meer in beeld. Sinds vorig jaar volgt Waterpakt ook de ontwikkeling van relevant Europees beleid (Kaderrichtlijn Water,
EU-richtlijnen t.a.v. scheepsmotoren, de chemie e.d.).

Internationale contacten heeft Waterpakt vooral met milieu-organisaties, o.a. Birthlife International (zeer actief op EU-niveau), EEB (European Environmental Bureau; koepelorganisatie van Europese milieu-organisaties), Greenpeace, Friends of the Earth, Seas at Risk (SAR) e.d.

Waterpakt heeft een bescheiden onderzoeksprogramma. Thema’s daarbij zijn de recreatievaart (m.n. aangroeiwerende verven en emissies; thema in afbouw), vervuilde bagger, en landbouw (m.n. vermesting; in afbouw).

2. Wat zijn voor uw organisatie de belangrijkste water-vraagstukken op dit moment?; en op de langere termijn? In hoeverre kan/wil uw organisatie zelf bijdragen aan de aanpak van deze vraagstukken, ook financieel?

Belangrijkste doelstelling van Waterpakt is het verbeteren van natuur en milieu in de grote wateren. In de praktijk richten de activiteiten zich vooral op de waterkwaliteit. Centrale aandachtspunten daarbij zijn:

• diffuse bronnen;

• baggerbeleid; en

• mestbeleid.

De nationale beleidsdoelstelling is om in 2020 schoon water te hebben. Belangrijkste knelpunten daarvoor zijn de diffuse bronnen en de vervuilde bagger. De aanpak van deze problemen stagneert momenteel. Aanpak vindt eigenlijk op te kleine schaal plaats, waardoor de kosten relatief hoog zijn. Bij aanpak op grotere schaal zou de sanering voordeliger kunnen.

De genoemde problemen zijn en worden al veel onderzocht. Dat onderzoek moet zeker doorgaan maar van kennislacunes kan dus niet echt worden gesproken.

3. Ervaart u kennislacunes bij het aanpakken van deze vraagstukken? Worden de kennisbehoeften gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur? Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Kennislacunes zijn er vooral t.a.v. de ruimtelijke inrichting. Hoe kunnen we Nederland het best inrichten voor de toekomst? Welke winst valt er te halen uit de R.O. voor problemen als de diffuse bronnen? e.d. Op dit punt vindt nog maar weinig onderzoek plaats. Bij de RPD en SC-DLO i.s.m. RIZA is het wel in ontwikkeling maar nog geen centraal aandachtspunt.

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw is wat dat betreft ook te smal bezig. Die opereert vooral vanuit het perspectief "droge voeten" (waterafvoer en wat conservering ten behoeve van drinkwaterreserves). In de praktijk worden eerder gedane berekeningen aan de waterhuishouding van Nederland (PAWN, NW3, WSV e.d.) nog eens overgedaan. Het gaat voornamelijk om de waterkwantiteit. De mogelijke beïnvloeding van de waterkwaliteit d.m.v. ruimtelijke inrichting blijft buiten beeld. En dat terwijl de relatie water - R.O. in brede zin toch cruciaal is voor de 21e eeuw. Neem dan ook de raakvlakken met waterkwaliteit mee! Die zijn er volop. Zo begint wateroverlast al in de "haarvaten" van het watersysteem: in de beekdalen. Daar zitten in toenemende mate boomtelers die afhankelijk zijn van een zeer kritisch waterbeheer: het peil mag vooral niet teveel stijgen. Dat is niet alleen ongunstig uit een oogpunt van waterkwantiteit (weinig buffercapaciteit) maar benadeelt ook de waterkwaliteit (snelle, bovenstroomse uitspoeling van bestrijdingsmiddelen). Zulke problemen vragen om een integrale aanpak.

4. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer?
Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer?
Hoe onderscheidt de situatie in Nederland zich in internationaal verband?

In de kern gaat het erom verschillende doelstellingen gelijkwaardig en gelijktijdig mee te nemen, dus niet alleen waterkwantiteit maar ook waterkwaliteit (zie boven).

In vergelijking met 10-15 jaar geleden hebben met name de waterschappen een grote inhaalslag gemaakt. Toen nog landbouwbolwerken, nu ook waterkwaliteitsbeheerders en bezig met natuurontwikkeling (ecologische verbindingszones). Ook Rijkswaterstaat heeft een behoorlijke omwenteling gemaakt maar blijft nog wel sterk gefixeerd op bouw en infrastructuur. Is de aandacht voor "natuurbouw" wellicht een uitlaatklep voor de ingenieurs?

Ook procesmatig is er veel geleerd. Zie de open planprocessen voor NW4, het baggerdepot in het Hollands Diep, de Grensmaas-zandmaas e.d. Soms gaat de openheid misschien zelfs te ver. Door de vele inspraakmogelijkheden wordt de politieke besluitvorming diffuus. Waar staat de overheid zèlf voor? En wie is verantwoordelijk voor welk besluit?

Internationaal gezien loopt Nederland redelijk voorop.
Er zitten wel eens rare kronkels in de beheersstructuur (bijv. een waterschap dat naast uitvoerder tegelijk controleur en normstellende instantie is, als de provincie die taken gedelegeerd heeft) maar in de praktijk functioneert het best.

 

5. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de kennisontwikkeling? Vraagt integraal waterbeheer om veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch)?

De kennisontwikkeling is vaak gericht op deelaspecten. Dat valt de onderzoeksinstituten niet altijd kwalijk te nemen want die zijn ook afhankelijk van opdrachten. Maar er zou vaker bezien moeten worden welke gevolgen het bereiken van de ene doelstelling heeft voor andere doelstellingen.

Er vinden wel gezamenlijke onderzoeken plaats, waarin problemen redelijk integraal worden benaderd. Zo hebben RIZA, SC-DLO en RIVM samen een groot vermestingsonderzoek gedaan, waarin aandacht was voor (a) verliesnormen uit de landbouw, (b) fysieke factoren (invloed grondwaterstanden, bodemtypen, R.O.) en (c) waterkwaliteitsbeleid. Ook de RPD heeft wel eens onderzoek gedaan naar waterakkoorden voor de afvoer van water. Maar in het algemeen krijgt integrale kennisontwikkeling slechts in beperkte mate vorm.

De kennisontwikkeling hobbelt teveel van incident naar incident. Nu wordt bijvoorbeeld veel onderzoek gedaan naar slibstromen rond een eventuele luchthaven in zee. In feite weten we daar nog heel weinig van. Er zal nog wel 5 à 10 jaar kennisontwikkeling nodig zijn voor we enigszins kunnen voorspellen hoe de morfologie zal reageren op nieuwe ingrepen. Dat zouden onderzoekers moeten durven uitspreken richting de politiek.

De kennisontwikkeling zou meer gericht moeten worden op langere-termijn vragen die toch nu al om beslissingen vragen. Dat vereist nauwe samenwerking tussen beleid en onderzoek. Er zou een lange-termijn beleidsrichting uitgezet moeten worden, waarbinnen dan nader onderzoek kan plaatsvinden. De onderzoeksbudgetten zijn tenslotte beperkt, dus er moet een soort voorselectie plaatshebben op centrale beleidsthema’s voor de langere termijn.

 

 

Ir. M.L. de Rooy - Stichting Reinwater

1. Hoe is uw organisatie betrokken bij waterbeheer? Is water een "issue" voor uw organisatie? Welke activiteiten ontplooit u op dit terrein? Met welke partijen voert u overleg? In welke initiatieven participeert u?

De Stichting Reinwater is opgericht in 1974 om juridische processen te voeren tegen de lozingen van de Kalimijnen. De scope is in de loop van de tijd verbreed: naar lozingen in het algemeen, naar Rijn èn Maas, en momenteel is er veel aandacht voor communicatie (vgl. het project "Beleving van water") en educatie (vgl. "De varende klas").

Reinwater heeft vooral directe contacten met vervuilende actoren (bedrijven in de bouwsector, de landbouw, de scheepvaart, de chemie e.d.) en ook wel met overheden; de Stichting lobbyt niet zozeer bij de politiek (Tweede Kamer). Daarnaast zijn er veelvuldig contacten met andere milieuorganisaties, o.a. Waterpakt, Natuur en Milieu, Milieudefensie en provinciale milieufederaties.

Belangrijke overlegorganen voor Reinwater zijn de CIW/CUWVO (m.n. werkgroep 6: "Emissies en diffuse bronnen"), de Internationale Rijncommissie en de Maascommissie.

2. Wat zijn voor uw organisatie de belangrijkste water-vraagstukken op dit moment en op de langere termijn?
In hoeverre kan/wil uw organisatie zelf bijdragen aan de aanpak van deze vraagstukken, ook financieel?

Naast waterkwaliteit ook waterkwantiteit, en dan breed opgevat: de inrichting van gebieden. Daar gaat het uiteindelijk om bij overstromingen, verdroging e.d. Een punt van zorg is dat de groeiende aandacht voor kwantiteitsproblemen ten kost gaat van de waterkwaliteit. De waterkwaliteit is dan wel verbeterd ten opzichte van de jaren ‘60 en ‘70 (het is niet zwart meer) maar die vormen geen reële referentie. Vergeleken bij 40-50 jaar geleden is de waterkwaliteit nog abominabel: een uniforme groene soep. Als we naar aquatische biodiversiteit toe willen, moet er nog veel gebeuren. Naar analogie van de stedenbouw zou er meer aandacht moeten komen voor de diverse kwaliteiten van de ‘ondergrond’ als basis voor integraal waterbeheer: gradiënten in beekdalen (van droog naar nat), boven- en benedenstroomse gronden in stroomgebieden van rivieren, landelijke en stedelijke watersystemen e.d.

Op de langere termijn speelt de bredere problematiek van de verschuiving van ecosystemen. Welke lange-termijn effecten hebben waterbeheersmaatregelen? Is bijvoorbeeld het opvoeren van de pompcapaciteit in West-Nederland wel een "geen-spijt beleid"? Want West-Nederland zal nu verder dalen. Wat zijn de lange-termijn effecten van inrichtingsmaatregelen? En de effecten van ophoping van stoffen in voedselketens, incl. de hormoonhuishouding?

Reinwater draait vooral op subsidies (van o.a. VROM, V&W, VEWIN, gemeenten), ook projectsubsidies, en kan dus zelf niet financieel bijdragen aan de aanpak van problemen maar de stichting denkt wel mee.

3. Ervaart u kennislacunes bij het aanpakken van deze vraagstukken? Worden de kennisbehoeften gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur? Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Het voornaamste knelpunt is misschien niet zozeer een kennislacune maar eerder een attitudekwestie. Het soort mensen dat werkzaam is in de waterwereld is niet echt communicatief ingesteld. Het zijn "bouwers", sterk gericht op de oplossing van problemen (bouwen van dijken etc.), maar minder sensitief voor probleemdefinities van andere betrokkenen bij het waterbeheer (moet die dijk wel daar komen; moet er überhaupt een dijk komen? etc.). Waterbeheer wordt nog sterk technocratisch en top-down gevoerd (vgl. normstelling), ook door de decentrale waterschappen. Er gaapt een kloof met interactief werken en het gezamenlijk tot een probleemdefinitie en oplossingsstrategie komen. In het geïntegreerde gebiedsgerichte beleid bijvoorbeeld, bij het opstellen van gebiedscontracten, schitteren waterkwaliteitsbeheerders vaak door afwezigheid. Zij hebben niets met R.O. en lijken het spel van geven en nemen met andere actoren niet te kunnen spelen. Alleen een crisis zou hier verandering in kunnen brengen (geen overstroming want dat is koren op de molen van de "dijkenbouwers" maar een bestuurlijke crisis; vgl. LNV).

Dit wordt weerspiegeld in de kennisinfrastructuur, waarin nauwelijks aandacht is voor sociale sturingsprocessen. Het meeste onderzoek is gericht op technische onderwerpen.

Een meer specifieke kennislacune, die ook al wel wordt opgepakt, heeft betrekking op de toxiciteit van het water. De meeste toxische stoffen kunnen (nog) niet gemeten worden of zijn onbekend (voor de Rijn 85%!). Het onderzoek zou dan ook niet meer zozeer stof-gericht moeten zijn --want dat is een uitzichtloze weg-- maar effectgericht, bijv. d.m.v. toetsingsorganismen.

Verder is het frappant hoe sterk de kennisagenda met geld beïnvloed kan worden. Zo voert de Zinkindustrie momenteel een lobby over de toxiciteit van zink. Daarbij gaat het om fundamentele kwesties: gaan we voor NOEC (NO Effect Concentration) of LOEC (Lowest Effect Concentration)? e.d. De industrie huurt een bureau in voor de onderbouwing van haar standpunt. Het RIVM moet dan weer tegenonderzoek doen etc. Het inzetten van veel geld blijkt dus agenda-bepalend te zijn.

4. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer?
Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt de situatie in Nederland zich in internationaal verband?

Integraal waterbeheer omvat waterkwaliteit, waterkwantiteit/inrichting èn de inpassing hiervan in de samenleving (vgl. het bouwen in het winterbed van een rivier).

Het gevaar van integraal waterbeheer is dat het een centraliseringsslag betekent. Centralisering heeft voordelen maar ook nadelen: overleg wordt minder noodzakelijk. Integraal waterbeheer kan dus afbreuk doen aan de bereidheid van waterbeheerders tot interactieve planvorming (zie boven). Wellicht kunnen Nederlandse waterbeheerders op dit punt iets leren van de 5 à 6 Agences de l’Eau in Frankrijk (bijv. Rhin-Meuse in Metz), die met meerdere partijen riviercontracten voor hun stroomgebied afsluiten.

5. Hoe zou de integraliteit van integraal waterbeheer volgens u tot uitdrukking moeten komen in de kennisontwikkeling? Vraagt integraal waterbeheer om veranderingen in het water-gerelateerde onderzoek (inhoudelijk en/of organisatorisch)?

De kennisontwikkeling zou meer moeten gebeuren in relatie tot R.O. Beide onderzoeksvelden hebben een eigen taal/manier van denken. Meer communicatie is dringend gewenst om de technocratische cultuur van de waterwereld te doorbreken. Interdisciplinaire projecten kunnen een bijdrage leveren (vgl. het project "duurzaam waterbeheer" van het Rathenau Instituut, hoewel dit weer sterk op modellen leunt: de lijn Van Rooij i.p.v. de lijn Geldof - "gevoel", of de lijn Van der Vlist - "R.O."). Ook het entameren van sociaal-wetenschappelijk onderzoek door waterbeheerders zou een bijdrage kunnen zijn. Maar het enige wat waarschijnlijk echt zal werken is een crisis (zie boven); waterbeheerders moeten een probleem ervaren en wel continu, pas dan is er kans op een cultuuromslag, op meer openheid naar de maatschappij.

 

Dr. L. de Jong - Wereld Natuur Fonds

1. Hoe is uw organisatie betrokken bij waterbeheer? Is water een "issue" voor uw organisatie? Welke activiteiten ontplooit u op dit terrein? Met welke partijen voert u overleg? In welke initiatieven participeert u?

WNF is actief op het vlak van natuurontwikkeling en dan vooral natte natuur; zie studies als "Levende rivieren", "Meegroeien met de zee", "Nieuw Rotterdams Peil"; het symposium "Groeten uit Zeist aan zee" e.d. De inzet is altijd breed, niet alleen natuurbescherming; ook andere maatschappelijke partijen moeten kunnen profiteren van de voorgestelde oplossingen. De focus is dan ook op "water" en niet eng op "wetlands".

Een recent initiatief is het rapport "Water maken", aangeboden aan staatssecretaris De Vries, waarin WNF pleit voor een internationaal Water Centre in Nederland, waarin de Nederlandse krachten en ervaringen op het terrein van waterbeheer worden gebundeld want die zijn nu behoorlijk versnipperd, ook in het buitenland. Nederland is voorloper op het terrein van integraal waterbeheer en het centrum zou de ecologische insteek in het buitenland kunnen gaan bevorderen. Water wordt een groot probleem in de 21e eeuw en zo’n centrum kan als "early warning system" gaan fungeren. Het kan preventieve inrichtingsmaatregelen voorstellen, die naar het idee van WNF altijd goedkoper zijn dan het achteraf oplossen van regionale conflicten. De doelstelling van het Water Centre is minder commercieel dan van het Netherlands Water Partnership, dat vooral gericht is op het internationaal vermarkten van de Nederlandse waterkennis. We moeten echter uitkijken dat we geen achterhaalde kennis exporteren, gericht op het wegwerken van water (pompen, bedijken etc.). Als we geen nieuwere inzichten uitdragen, zitten andere landen over enige tijd met dezelfde problemen als Nederland (zie onder).

Verder heeft WNF de Bezinningsgroep Water opgericht. Het initiatiefgroepje, dat inmiddels voor de eerste maal bijeen is gekomen, bestaat uit Pier Vellinga, Hans van der Vlist, Jaap-Jelle Feenstra en Leen de Jong. Deze groep zal 4 à 5 maal per jaar bijeenkomen om middellange termijn problemen met water te bespreken en op de politieke agenda te krijgen en de vinger op zere plekken te leggen (bijv. discrepanties tussen beleid en uitvoering). Er zijn vele participanten: leden van alle grote politieke partijen, het bedrijfsleven, de landbouw (LTO), de Unie van Waterschappen, Vogelbescherming, Natuurmonumenten, onderzoeksinstituten. WNF voert het secretariaat.

Contacten onderhoudt WNF vooral met grote investeerders, het bedrijfsleven (consultants, aannemerij, Heineken, Unilever e.d.), en minder met natuur- en milieuorganisaties; die zitten toch wel ongeveer op dezelfde lijn. Heineken en met name Unilever hebben internationale denktanks opgericht over hoe zij in de komende eeuw met water om moeten gaan; de waterproblematiek zal grote consequenties hebben voor deze bedrijven.

Binnen de kennisinfrastructuur legt WNF vooral contacten met kleinere organisaties, omdat daar de meer vernieuwende ideeën vandaan komen: Bureau Stroming (landschapsecologie, toegespitst op rivieren), IVM en voor meer internationale zaken AIDEnvironment (ook bestuurlijk-juridische zaken). Verder financiert WNF samen met Natuurmonumenten en het Prins Bernhardfonds de Stichting Bijzondere leerstoelen (KUN - Twan Smits, RUG - Piet Bakker, VU - Herman Eijsackers).

De Internationale WWF wordt ook steeds actiever op het terrein van water, m.n. in de sfeer van ‘policy’: Ramsar, biodiversiteitsverdrag, beïnvloeden van investeringen van de Wereldbank en andere bilaterale banken, e.d. Onlangs is een nieuwe tak opgericht: TDA (Target Driven Activity). Dit is een groep van 5 à 6 mensen die in 3 à 4 jaar een drietal doelstellingen moet zien te bereiken: (1) catchments van 4 grote rivieren veilig stellen, (2) beschermde areaal wetlands met 25 mln. hectare vergroten, en (3) water hoog op de politieke agenda krijgen. TDA is gevestigd in Nederland in het kantoor in Zeist. Verder loopt een samenwerkingsproject met o.a. UNICEF over drinkwater in relatie tot kinderen. Dit initiatief is vooral gericht op Afrika, India en Pakistan. WWF staat daarbij een meer integrale benadering voor. UNICEF heeft zich tot nu toe toch vooral beperkt tot het leveren van pompen met als gevolg dat veel wetlands inmiddels zijn drooggelegd. Het water dat eerst 10 m diep zat, zit nu vaak 50 m diep.

2. Wat zijn voor uw organisatie de belangrijkste water-vraagstukken op dit moment en op de langere termijn?
In hoeverre kan/wil uw organisatie zelf bijdragen aan de aanpak van deze vraagstukken, ook financieel?

Het watertekort wereldwijd, de onevenwichtige verdeling van water; daarvan dreigt de natuur de dupe te worden. In Nederland is nu veel aandacht voor wateroverlast maar de prognoses van de afvoeren van Rijn en Maas laten naast grotere pieken ook grotere dalen zien. De gevolgen daarvan zijn niet te overzien. Het meeste water zal naar het Westen gestuurd worden (zie de studie "De Rijn op termijn" van WL) om de haven van Rotterdam bereikbaar te houden en de zoutindringing tegen te gaan. Dat zal grote knelpunten opleveren in de rest van het land, met name het noorden. De oude conflicten tussen Holland en Friesland zouden weer kunnen losbarsten! Op de keper beschouwd is Nederland een van de zoetwaterarmste landen ter wereld. Zo gauw de afvoer van de grote rivieren afneemt, zitten we met een probleem, niet alleen de natuur maar ook de landbouw. Op een termijn van 25 jaar zal landbouw in het westen van Nederland niet meer kunnen, althans niet op de manier zoals het nu gebeurt (vanwege verzilting e.d.).

Met de "vernatting" van Nederland is zelfs nog geen begin gemaakt. Toch is dit de enige remedie wat WNF betreft: meer ruimte voor water, het (zich laten) ontwikkelen van natuurlijke systemen. Op korte termijn kunnen pompen, gemalen, sluizen, dijken enz. nog wel soelaas bieden maar op langere termijn zijn zij een doodlopende weg. Langzamerhand wordt dit idee nu wel opgepakt: zie NW4, de 5e nota R.O., de Commissie Waterbeheer 21e eeuw e.d.

3. Ervaart u kennislacunes bij het aanpakken van deze vraagstukken? Worden de kennisbehoeften gedekt vanuit de bestaande kennisinfrastructuur? Op welke punten zijn er hiaten tussen kennisvraag en kennisaanbod?

Ja, de problematiek van watertekorten wordt veel te weinig onderzocht. Wat zijn de consequenties van lage rivierafvoeren voor de waterverdeling in Nederland?
De verdrogingsproblematiek zou opgeschaald moeten worden, van het regionale niveau waarop het nu wordt bestudeerd en aangepakt naar het niveau van het Rijn- en Maassysteem. Op dat niveau zijn de consequenties vele malen groter.

De kennisinfrastructuur komt te weinig met indringende langere-termijn visies, over de sociaal-economische consequenties van toekomstige problemen met water. Juist langere-termijn visies zijn nuttig richting de politieke besluitvorming. Er gebeurt wel iets op dit vlak (bijv. bij SC-DLO nog onlangs ten aanzien van veiligheid, verzilting e.d.) maar op een te hoog abstractieniveau, nog niet doorvertaald naar maatschappelijke consequenties.

4. Wat is voor u de kern van integraal waterbeheer?
Wat is nieuw ten opzichte van traditioneel waterbeheer? Hoe onderscheidt de situatie in Nederland zich in internationaal verband?

Alle belangen zouden erbij betrokken moeten worden. In eerste instantie, in de planvorming, gebeurt dit ook wel maar als het op uitvoering aankomt, trekken veel waterstaatsorganisaties zich toch weer terug op hun "core-business" (m.n. veiligheid en scheepvaart). De hoogheemraadschappen zijn wel sterk vergroend, vaak meer dan de waterschappen.

 

 

 

 

 

Verslagen van brainstormsessies

 

 

Inhoud

Brainstorm thema 1: Beleving van water 189

Brainstorm thema 2: Sociaal-economische betekenis van water 192

Brainstorm thema 3: Vernatting van de ruimtelijke inrichting 196

Brainstorm thema 4: Beheer van waterkringlopen 199

Brainstorm thema 5: Betrokkenheid van burgers bij waterbeheer 202

Brainstorm thema 6: Rol van de markt in het waterbeheer 205

 

 

 

Brainstorm thema 1: Beleving van water

Dr. J.F. Coeterier (ALTERRA Research Instituut), mevr. M. Kers (publiciste), dr. J. Lengkeek (Wageningen UR)

Trends en onzekerheden

Rond het thema ‘beleving van water’ tekenen zich een aantal spanningsvolle ontwikkelingen af:

water een probleem
Veel Nederlanders associëren water in eerste instantie met problemen, met name vervuiling, ‘groene soep’ e.d. Bovendien leeft het idee dat waterbeheer dermate ingewikkeld is, dat het maar beter aan technici kan worden overgelaten. Een en ander is niet bevorderlijk voor de publieke interesse in water. De populaire tijdschriften (Libelle, Margriet, Grasduinen enz.) publiceren er dan ook liever niet over.

massaal gebruik
Water is echter niet alleen een milieucompartiment maar ook object van maatschappelijk gebruik, in velerlei opzichten en steeds massaler. Naast de gebruikswaarde sec (de beschikbaarheid van water voor een bepaald gebruik, zoals vissen of zeilen) heeft water een belevingswaarde (openheid, geur, contrast etc.), een attractiewaarde (het ‘verhaal’ van een bepaald watergebied, bijv. het rivierenlandschap) en een ‘toeëigeningswaarde’ (de ‘claim’ van groepen gebruikers op een bepaald water, bijv. sportvissers versus plankzeilers).

technisch bestuur
Waterbeheer is in hoge mate een technische aangelegenheid. De relatie met natuur wordt nu wel gelegd (‘natuurbouw’) maar de relatie met beleving, met allerlei vormen van recreatie en toerisme nauwelijks. De zeer gedifferentieerde vormen van gebruik van water en de daarbij behorende toeëigeningswaarden komen vrijwel niet terug in de planvorming voor integraal waterbeheer; het thema beleving ‘leeft’ niet in de beleving van waterbeheerders. Vergeleken bij het recreatiebeleid, dat sterk is gedecentraliseerd en gecommercialiseerd (er wordt steeds meer aan de markt overgelaten), heeft waterbeheer nog een technocratisch, top-down karakter.

natuur versus recreatie
Onder invloed van de ecologisering van de natuurbescherming is er een scheiding ontstaan tussen de (natte) natuur en het menselijk gebruik daarvan in (water)recreatie en toerisme. Hierdoor hebben mensen weinig bemoeienis met de natuur, wat niet bevordert dat zij er zich sterk voor verantwoordelijk voelen, althans niet meer dan de prijs die ze er eventueel voor betaald hebben.

water in de stad versus water in het land
De beleving van water in het stedelijk gebied is heel anders dan die in het landelijk gebied. In het stedelijk gebied spelen vooral cultuurhistorie (bijv. grachtengordels) en economie (m.n. huizenprijzen). In het landelijk gebied speelt beleving vooral in de openluchtrecreatie maar ook in de bedreiging van het landschap door economische activiteiten (bijv. havens), de bedreiging van landbouw door natuurontwikkeling, en de verontreiniging van water (van de zoutlozingen in de Rijn tot het verdwijnen van planten en dieren uit sloten).

Innovatieopgaven

Er tekenen zich twee centrale opgaven voor de toekomst af:

watereducatie
Het is van groot belang dat de gemiddelde Nederlander gaat begrijpen wat het betekent om in een ‘waterland’ te leven, namelijk in een land dat eigenlijk water had moeten zijn, en welke consequenties dat kan hebben, zoals overstromingen. Het is "pompen of verzuipen" maar juist doordat we pompen, verzuipen en verdrogen we (bodemdaling). Dat zijn zaken die de gemiddelde Nederlander absoluut niet begrijpt maar die toch "tussen de oren" moeten komen om psychologische rampen te voorkomen als er weer een calamiteit zou plaatsvinden, en om maatschappelijk draagvlak te creëren voor een overheidsbeleid dat meer preventief rekening houdt met ‘de stem van het water’. Misschien is de tijd rijp voor een brede maatschappelijke discussie over ‘Nederland waterland’.
In een tijd waarin de wereld via TV en Internet ‘implodeert’ in de huiskamer, zoeken mensen naar betrokkenheid bij hun directe omgeving. Temidden van de informatie-overmaat willen zij zich kunnen identificeren met hun eigen leefomgeving. Water kan daarvoor belangrijke aanhechtingspunten bieden. Op deze manier kunnen mensen persoonlijk belang krijgen bij water. Zolang dat belang ontbreekt, zullen ze waterbeheer graag aan instanties, aan technici overlaten. De identificatiemogelijkheden van water zouden dan ook kunnen worden uitgebuit om water meer "tussen de oren" van de gemiddelde Nederlander te krijgen. Zolang het thema water niet concreet voor hen wordt, dat wil zeggen in hun directe omgeving speelt, zullen mensen niet-betrokken blijven. Daarom moet landelijk beleid ook altijd worden toegespitst tot op regionaal en lokaal niveau.
Behalve richting burgers ligt er ook een grote educatie-opgave richting gemeenten. Niet alleen omdat het de gemeenten zijn die uiteindelijk beslissen over de inrichting van de leefomgeving maar ook omdat het kennisniveau bij vooral kleinere gemeenten vaak bedroevend laag is.

nieuw sturingsmodel
De grote vraag vervolgens is hoe een grotere betrokkenheid van burgers bestuurlijk te organiseren. Hoe de enorme diversiteit aan belevingen tot gelding te brengen in de planvorming voor integraal waterbeheer? Dat vergt een nieuw sturingsmodel, en vooral geen "BV Poldermodel", dat weinig meer met democratie en betrokkenheid van burgers te maken heeft. Het poldermodel bergt het gevaar in zich dat nieuwe belangen op een meer technocratische dan democratische manier worden behartigd. Zo zijn de kongsies om het natuurbelang te behartigen nogal eens gebaseerd op eco-systeemdenken, dat geen recht doet aan de historie van een gebied (zie de Blauwe Kamer).

Bijdragen W&T

Wetenschap en technologie kunnen niet bij voorbaat een bijdrage leveren aan realisatie van de innovatieopgaven. Met name de watereducatie zou veel effectiever kunnen middels bijvoorbeeld een ‘soap’, een Nederpop-hit o.i.d. Instituten brengen al zoveel informatiefolders uit en tot nu toe sorteert dat maar weinig effect. De informatiestroom is niet afgestemd op de gewone burger. We zijn overgegaan van een leescultuur in een ervarings- en kijkcultuur. Dat vraagt om andere informatiedragers dan tekst.

Een zinvolle bijdrage van wetenschappelijk onderzoek zou gericht kunnen zijn op twee centrale vragen:

• Hoe ontwikkelen zich belevingen van natuur en water?
De natuurbeleving is nu heel anders dan bijvoorbeeld aan het begin van de eeuw. Inzicht in de ontwikkeling en huidige dynamiek van ‘sociale constructies’ van natuur en water is belangrijke context-kennis voor de planvorming. Deze kennis kan helpen om nieuwe belevingen en belangen, die in eerste instantie kunnen overkomen als conserverend en ‘kneuterig’, te onderkennen en beter te begrijpen. Anders bestaat het gevaar dat bepaalde belevingen van water niet herkend worden, doordat ze zich als het ware sluipend ontwikkelen of alleen op de langere termijn spelen, en maatschappelijk nog niet goed georganiseerd zijn. Dan blijft nog wel de vraag in hoeverre de politiek bereid en in staat om is de wetenschappelijke inzichten te gebruiken.

• Hoe de nieuwe belangen onder te brengen in een afwegingsmodel?
De belangenbehartiging is nu nog teveel gebaseerd op ‘roven’ (exploitatie van de natuur maar ook uitbuiting van elkaars belangen). Er zou meer ‘geruild’ moeten worden: “van roven naar ruilen”. De opbrengsten en de kosten van ‘beleving’ c.q. recreatie moeten goed tegen elkaar worden afgewogen. Massale recreatie, zoals op de Veluwe en de Waddeneilanden, gaat ten koste van het landschap en daarmee van de beleving. Wegen nog meer inkomsten uit recreatie en toerisme op tegen verdere aftakeling van het landschap?
Als burgers eenmaal een concreet belang bij water hebben, moeten zij serieus worden genomen. Dat vraagt om interactieve planvorming. Inspraakprocedures alleen zijn onvoldoende. Bestuurders hebben nog teveel koudwatervrees voor andermans ideeën, ze drukken liever hun eigen ideeën door. Het gevolg is dat betrokken burgers pas bij de Raad van State hun gelijk kunnen halen. Dat moet anders kunnen. Er zou meer ontwerpend moeten worden gepland in plaats van blauwdrukplanning. Laat overheden voor een concreet gebied een ontwerp (laten) maken in interactie met bewoners en gebruikers. Er blijft uiteraard behoefte aan een juridisch kader als vangnet voor hen die buiten spel worden gezet maar in de praktijk zouden de traditionele ‘top-down’ planprocedures moeten worden vervangen door een meer participatieve benadering. Alle argumenten voor en tegen een plan voor een bepaald gebied moeten worden gehoord en zoveel mogelijk in het ontwerp worden verwerkt.

Consequenties kennisinfrastructuur

Kloven overbruggen

Er wordt momenteel nog nauwelijks belevingsonderzoek rond water gedaan. Er is wel het een en ander bekend over de ervaringswerelden rond water maar deze kennis uit de vrijetijdswetenschappen wordt absoluut onvoldoende ingebracht in integraal waterbeheer. De kennistradities met betrekking tot water liggen ver af van de kennisdomeinen met betrekking tot vrije tijd. Eén opgave is dan ook om de kloven tussen deze domeinen van kennis te overbruggen en geïntegreerd tot onderzoeksvragen en -antwoorden te komen. In het licht van bovenstaande innovatie-opgaven moet niet alleen de ervaringsdifferentiatie worden onderzocht, ook de mogelijkheden van het waterbeleid om hierop in te spelen moeten worden nagegaan. Het kennisthema ‘beleving van water’ kan maar zeer ten dele los worden gezien van het kennisthema ‘betrokkenheid van burgers’.

Kennisinstituten voorbij

Blijft staan dat de grootste bijdrage aan de beleving van water waarschijnlijk valt te verwachten van andere initiatieven dan kennisontwikkeling: liedjes, films e.d. (zie boven). Kennisinstituten zouden samenwerking kunnen zoeken met populaire media en filmindustrie om de boodschap over te krijgen. Hiervoor kunnen kennisinstituten op de gebieden van psychologie en sociologie worden ingeschakeld. Zij zijn toegerust om traditionele opvattingen over wonen en werken op de Nederlandse bodem te herdefiniëren en nieuwe belevingen van water voor te bereiden.

 

 

 

 

Brainstorm thema 2: Sociaal-economische betekenis van water

Dr. J.J. Bouma (EUR), mevr. ir. P.J.G.J. Hellegers (LEI-DLO), prof.dr. H.L.F. Saeijs (EUR/RWS), prof.dr.ir. H.H.G. Savenije (IHE)

Trends en onzekerheden

De context van het thema wordt gevormd door onder meer de volgende ontwikkelingen:

groei en welvaartstoename van de wereldbevolking
De sterke groei van wereldbevolking en de stijging van de welvaart leidt tot een toenemende behoefte aan water en daarmee een groeiende schaarste aan water, niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief (meer vervuiling minder water van goede kwaliteit). Deze ontwikkeling ligt aan de basis van het denken over het sociaal-economisch belang van water.

privatisering
Privatisering is "in". Een aantal grote organisaties zoals de Wereldbank propageren het sterk en bepalen de politieke agenda. Voor bedrijven valt aan water veel geld te verdienen: het oppompen kost ze vrijwel niets; een factor 1000 winst in de verkoop is niet ondenkbaar. Een deel van de kosten wordt zelfs gemaakt door overheden (waterschappen bijvoorbeeld) en de risico’s komen bij de burger te liggen (in de prijs). Het mes snijdt voor bedrijven dus aan twee kanten.

aantasting watersystemen
In het verleden zijn we op een weinig ecologische manier met watersystemen omgegaan. Nog afgezien van de watervervuiling is op grote schaal riolering en drainage aangelegd, zijn in stroomgebieden ongecoördineerd sluizen en stuwen gebouwd, en is vooral peilbeheer gevoerd in plaats van voorraadbeheer. Dit heeft geleid tot een geweldig vermogensverlies van watersystemen: de "waarde" van de systemen is gedaald.

wonen in de stad en in delta’s en kustgebieden
Steeds meer mensen komen in steden en in delta’s en kustgebieden te wonen (tot 70% van de wereldbevolking). Dat vraagt om een "mensvriendelijke" inrichting van deze systemen: meer aandacht voor water in de stad en meer aandacht voor andere functies dan alleen scheepvaart in delta’s en kustgebieden. Water wordt door mensen overwegend hoog gewaardeerd, vaak nog hoger dan "groen". Dit komt tot uitdrukking in de huizenprijzen; "wonen aan het water" is populair.

In het algemeen geldt echter dat de sociaal-economische betekenis van water nog weinig leeft in de maatschappij. Water wordt nog niet als schaars goed beleefd en er is maatschappelijke en politieke weerstand tegen het erkennen en rekening houden met —laat staan het in rekening brengen van— de milieukosten c.q. de externe effecten van waterbeheer. Internationaal geldt politiek-bestuurlijke implementatie als de bottleneck voor "water pricing". Ook ontpolderen —of breder: het zoeken van RO-oplossingen op waterbasis— is politiek vaak besmet. Water wordt echter schaarser en op termijn zal de burger daar op de een of andere manier mee worden geconfronteerd (bijv. via een hogere waterrekening). Dan kan het besef groeien dat waterbeheer economisch efficiënter kan en dat beheer op ecosysteembasis daarvoor oplossingen kan bieden.

Innovatieopgaven

Tegen de achtergrond van het voorgaande tekenen zich de volgende innovatieopgaven af:

wereldvoedselvoorziening
De groeiende behoefte aan water gepaard aan een toenemende waterschaarste noopt tot het vinden van revolutionaire oplossingen voor de wereldvoedselvoorziening. In Nederland leeft deze opgave nog niet of nauwelijks maar internationaal is het een belangrijk thema. Er wordt gedacht over onder meer zoutwaterlandbouw (het telen van zouttolerante gewassen), droge landbouw (landbouw zonder irrigatie), groen water (benutting van het eiwit- en koolstofpotentieel van m.n. zoute wateren; de aandacht blijft nog teveel beperkt tot zoet water) en virtueel water (transport van water in waterintensieve gewassen i.p.v. grootschalig watertransport).

omgaan met overstromingen/herstel van watersystemen
De opgave die voorligt is een structurele wederopbouw van watersystemen op stroomgebiedsniveau: de stroomgebieden van Rijn, Maas en Schelde. Er moet veel "achterstallig waterbeheer" worden weggewerkt want er is vooral peilbeheer gevoerd in plaats van voorraadbeheer. Het nagestreefde peil was bovendien tegennatuurlijk: in de zomer hoger, in de winter lager. Waterbouwkundige werken (sluizen, stuwen e.d.) waren ecologisch gezien vaak al verouderd op het moment dat ze gebouwd werden. We moeten op een andere manier met de kunstwerken leren omgaan: het zijn beheersinstrumenten voor de transformatie van het landschap en niet louter instrumenten voor peilbeheer.
Door de vele riolering en drainage is er nauwelijks bergingscapaciteit in de stroomgebieden. Toch zullen we in de toekomst per gebied moeten kunnen toekomen met de neerslag die op het gebied valt: suppletie van gebiedsvreemd water en afvoer van overtollig water moeten worden geminimaliseerd. Zeker als de Rijn op termijn een regenrivier wordt, zijn we volledig afhankelijk van de retentie van water in het stroomgebied. Op dit moment is de overheid echter nog de grootste waterverspiller. In plaats van te werken aan een grotere retentie bouwt zij grotere pompen. We zullen moeten leren accepteren dat deelgebieden periodiek overstromen in plaats van overstromingen alleen maar te willen voorkomen. Ook zouden verzandings- en veenvormingsprocessen weer de ruimte moeten krijgen; die zijn inherent aan de vernatting van Nederland.
De tijd is aangebroken voor "eco-pragmatisme": het toepassen van ecologische kennis op hele watersystemen, bijv. ten behoeve van voedselproductie (zie boven), waterbesparing (o.a. hergebruik van "grijs water"), wonen (o.a. op bepaalde plaatsen niet of drijvend bouwen), etc.
Ecosysteembeheer heeft implicaties voor het financieringsstelsel voor waterbeheer; dat is nu een lappendeken. Zo worden waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheer nog gescheiden gefinancierd (via resp. ingezetenenomslag en WVO-heffing). Er zou een structurele financiering moeten komen voor ecosysteembeheer, anders komt een structureel herstel van watersystemen niet van de grond. Ook de wetgeving is nog niet toegesneden op ecosysteembeheer, niet alleen de waterwetgeving maar ook die op het terrein van de R.O. Ook hier is betere afstemming en integratie noodzakelijk; denk aan bijvoorbeeld bouwvoorschriften en het vestigingsbeleid van gemeenten.

sluiten van ketens
De toekomst is aan "zero-tolerance pollution": watervervuiling zal niet meer worden getolereerd. Het is ook economisch inefficiënt want het creëert negatieve "externalities". In de toekomst zullen we watervervuiling niet meer kunnen oplossen door verdunning en menging, zoals te doen gebruikelijk, maar door het sluiten van kringlopen op verschillende niveaus, ook door maatschappelijke actoren (ketenbeheer, boekhouding van stofstromen e.d.). Monitoring van de waterkwaliteit zal in toenemende mate plaatsvinden middels bio-indicatoren in plaats van door bemonstering.

sanitaire revolutie
Water wordt te schaars om het op grote schaal als spoelmiddel te blijven gebruiken. Er ligt een sanitaire revolutie in het verschiet. We moeten toe naar droge sanitatie of naar ecologische sanitatie c.q. het sluiten van kringlopen.

Bijdragen W&T

Wetenschap en Technologie hebben een belangrijke bijdrage te leveren in het signaleren van bovenstaande opgaven, want zoals gezegd leeft de toekomstige schaarste aan water nog niet of nauwelijks in maatschappij en politiek. Kennis heeft bovendien een motiverende werking: wanneer de benodigde kennis eenmaal beschikbaar is, komen oplossingsrichtingen binnen bereik.

Afgezien van deze algemene uitdaging voor W&T kunnen de volgende meer specifieke bijdragen worden geleverd:

waardebepaling van water
Zonder een adequate waardebepaling zullen we oneconomisch met water blijven omgaan. "Waarde" moet breed worden opgevat: water heeft naast de gebruikswaarde en de belevingswaarde ook een intrinsieke waarde voor het functioneren van ecosystemen. De huidige prijs van water weerspiegelt niet deze drievoudige waarde van water. Het consumentensurplus is echter nog onbekend. Het is een belangrijke onderzoeksopgave dit surplus, dat waarschijnlijk gigantisch is, aan het licht te brengen. Voor welke functies van watersystemen zijn verschillende groepen consumenten bereid om meer te betalen?
De prijs van water hoeft niet gelijk te worden aan de waarde van water. Het is helemaal niet gezegd dat de waarde van water volledig door de consument betaald moet worden; een deel zou evengoed publiek gesubsidieerd kunnen worden, alleen al om water voor iedereen (ook de minder bedeelden) betaalbaar te houden. De waardebepaling dient vooral bestuurlijke afwegingen over waterbeheer te ondersteunen, of de "willingness to pay" te achterhalen, en maar ten dele voor "cost recovery". Bestuurlijke afwegingen moet niet plaatsvinden louter op basis van prijzen; dan verdwijnt de werkelijke waarde van water uit het zicht (zie de discussies over verhandelbare waterrechten). Water is een eerste levensvoorwaarde en onvervangbaar; het is een "common pool", een publiek goed. Op een dergelijk goed zijn de klassieke economische prijscurven niet toepasbaar.
De waarde van water varieert naar tijd en plaats: in tijden van hoogwater is de waarde lager dan in tijden van droogte en schoon bovenstrooms water heeft een hogere waarde dan minder schoon benedenstrooms water. Ook de hoedanigheid van water (grondwater - oppervlaktewater, spoelwater - drinkwater etc.) bepaalt de waarde; water kan zowel een voorraadgrootheid als een stroomgrootheid zijn. Het product water is dus zeer gedifferentieerd en de waardebepaling moet hierop zijn toegesneden. Onderzoek op dit vlak staat nog maar in de kinderschoenen.

ecosysteem-georiënteerde kosten/baten-analyse
Wanneer de naar tijd, plaats en hoedanigheid variërende waarde van water kan worden bepaald, kan ook het vermogen van watersystemen worden geraamd. Dat opent nieuwe mogelijkheden voor ecosysteem-georiënteerde kosten/baten-analyses van waterbouwkundige werken. De gangbare KBA’s brengen de toekomst niet in rekening; de toekomst heeft geen "discount rate". Dan pakt korte-termijn exploitatie van watersystemen altijd voordeliger uit, hetgeen ten koste gaat van het watersysteem op langere termijn. Voor het maken van integrale afwegingen moeten we toe naar lange-termijn KBA’s, naar het internaliseren van (toekomstige) "externalities". Daarvoor zijn nieuwe berekeningsmethodieken nodig, bijvoorbeeld het introduceren van schaduwprijzen voor toekomstig watergebruik. Om meer inzicht te krijgen in de lange-termijn kosten en baten van waterbouwkundige werken zouden voorbeelden van "kapitaalvernietiging" uit het verleden (bijv. de onttakeling van het Seine-estuarium) retrospectief kunnen worden geanalyseerd. Wellicht kan daarbij de totale koolstofproductie worden gehanteerd als indicator voor het vermogen van een watersysteem? Een dergelijke "ecologisering van de economie" is een nog vrijwel maagdelijk onderzoeksterrein, hoewel de bredere discussie over het in rekening brengen van milieukosten al wel enige tijd speelt in de economie.

analyse van besluitvorming over water
Nieuwe methodieken voor kosten/baten-analyse zullen moeten worden verankerd in besluitvormingsprocessen over waterbeheer om daadwerkelijk tot meer integrale afwegingen te komen. Hiervoor is meer inzicht in de besluitvormingspraktijk gewenst, met name in de (actuele en potentiële) rol van KBA’s in deze. Niet alleen de direct water-gerelateerde besluitvorming (over waterbouwkundige projecten) is relevant, ook die over conditionerende projecten (bijv. over landgebruik en infrastructuur). De huidige besluitvorming vindt teveel plaats op basis van calamiteiten. Bovendien zijn besluiten vaak sectoraal gemotiveerd, wat leidt tot sub-optimalisatie. Ook worden watervraagstukken teveel gereduceerd tot technische problemen in plaats van dat noodzakelijke politieke keuzen worden gemaakt.
Welke partijen participeren in de besluitvorming? Niet alleen de betrokken overheden maar ook private actoren: ondernemingen maken een deel van de kosten van waterbeheer (bijv. voor gesloten koelsystemen). Voor de financiering van waterbeheer mogen private partijen dus niet buiten beschouwing blijven; zeker niet gezien de trend van privatisering. Vanwege de gebondenheid van de klant aan het regionale watersysteem kan privatisering leiden tot marktmonopolies van private partijen. In westerse landen biedt de institutionele structuur voldoende "checks and balances" (de overheid als controleur) maar in andere landen is dat vaak niet het geval. Het is een onderzoeksopgave om de "dark side" van privatisering aan het licht te brengen: waar gaat het geld naar toe? Wie draaien op voor de kosten? e.d.
Van belang zijn dus de institutionele arrangementen waarbinnen besluitvorming over water plaatsvindt. Welke "stakeholders" zijn in het spel? Hoe zijn de eigendomsrechten van water verdeeld in relatie tot het gebruik van water? Zijn we in dit opzicht niet toe aan een heroriëntatie: van eigendomsrechten naar gebruiksrechten (water als publiek eigendom met alleen een "license to use")? De institutionele arrangementen moeten worden toegesneden op systeembeheer, op voorraadbeheer in plaats van peilbeheer (zie boven).
Het aanpassen van een peilbesluit is nu een zeer complexe operatie, beheer van de grondwatervoorraad komt onvoldoende van de grond (een enorme hypotheek op de toekomst) en in internationaal overleg is waterkwantiteit nog vrijwel onbespreekbaar.

Consequenties kennisinfrastructuur

Multidisciplinaire samenwerking

De genoemde bijdragen van W&T vergen multidisciplinair onderzoek, in het bijzonder samenwerking van economen, hydrologen, ecologen en bestuurskundigen. Immers, om de waarde van water afhankelijk van tijd, plaats en hoedanigheid te kunnen bepalen, is hydrologische kennis vereist en lange-termijn kosten/baten-analyse zal voor een belangrijk deel gebaseerd zijn op ecologische kennis. Economische kennis alleen is dus niet voldoende maar moet worden gekoppeld aan kennis van het fysieke systeem. Samenwerking met bestuurskundigen is nodig voor het verwerven van inzicht in besluitvormingsprocessen en institutionele arrangementen. Zonder deze samenwerking blijft de implementatie van nieuwe economische benaderingen van waterbeheer twijfelachtig.

Hier en daar vindt wel multidisciplinair onderzoek naar de sociaal-economische betekenis van water plaats (bijv. DC, EUR) maar te gefragmenteerd en kleinschalig. Er moeten meer multidisciplinaire links worden gelegd. Het NCR (Nederlands Centrum voor Rivieronderzoek) is een goed voorbeeld.

Probleemanalyserend onderzoek

Wellicht kan de EU een rol spelen in het stimuleren van multidisciplinaire samenwerking: in EU-projecten is samenwerking tussen meerdere kennisinstituten vereist. Anderzijds is de EU te zeer gepreoccupeerd met probleemoplossend onderzoek (zie het Vijfde Kaderprogramma), terwijl er nog te weinig multidisciplinair probleemanalyserend onderzoek is gedaan. We moeten af van het idee dat er korte-termijn oplossingen zijn; er zullen moeilijke keuzen moeten worden gedaan, waarbij er ook verliezers zullen zijn. De al vermelde politieke onwil belemmert echter lange-termijn, probleemanalyserend onderzoek.

 

 

Brainstorm thema 3: Vernatting van de ruimtelijke inrichting

Ir. M. Schenk (NEXT architects), dr. S.P. Tjallingii (IBN-DLO), prof.dr.ir. P. Vellinga (IvM)

Trends en onzekerheden

Belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen ten aanzien van ‘vernatting’ zijn:

structurering van de verstedelijking
Water kan een belangrijk structurerend element zijn in verstedelijkingsprocessen. Illustraties hiervan zijn de plannen voor de Deltametropool (idee van prof. Frieling, opgepakt door wethouders van de vier grote steden; één van de onderdelen is het ‘Waterrijk’: verdubbeling van het wateroppervlak in de Randstad door vernatting van veengebieden) en het plan "Chaining waters" (inzending op een EO Wijers prijsvraag; een ‘waterring’ om het Groene Hart).
Water dient in deze en soortgelijke plannen als buffer voor voortgaande verstedelijking. Voorwaarde voor deze bufferfunctie is dat het water een bestemming krijgt: drinkwater (dit is echter een kwetsbare functie), recreatiewater (een sterkere functie; kan bovendien de massale ‘recreatievaart’ vanuit de Randstad naar Zeeland en Friesland inperken), wonen aan het water. Het water moet fungeren als ‘nieuwe economische drager’ van de groene ruimte, nu de landbouw dit niet meer alleen kan. Laag-dynamische functies (natuur, drinkwater) moeten worden gekoppeld aan hoog-dynamische functies, ook met het oog op de financiering van vernattingsprojecten.

verbetering van het stedelijk waterbeheer
Rioolstelsels kunnen een grote toevoer van water vaak niet verwerken, met als gevolg overstort (van sterk verontreinigd water) op het oppervlaktewater en alle consequenties van dien (o.a. voor veedrenking). Anderzijds moet bij een geringe toevoer van water vaak verontreinigd boezemwater worden ingelaten om het peil te handhaven. Door vergroting van het stedelijk watersysteem, i.e. vernatting, kan het waterbergend vermogen van het stedelijk gebied worden vergroot en tevens de water(zelf)zuivering worden bevorderd.

vergroting van de veiligheid tegen overstromingen
Ook de bergingscapaciteit van polders is gering. Het landelijk gebied is veelal onderbemalen. Het vrijmaken van bepaalde (onbewoonde) polders voor waterberging kan de bergingscapaciteit van het watersysteem aanzienlijk vergroten. Dat levert niet alleen een bijdrage aan de veiligheid tegen overstromingen maar biedt tevens mogelijkheden voor ontwikkeling van natte natuur en extensieve recreatie.

Tegentrends c.q. onzekerheden ten aanzien van deze ontwikkelingen zijn:

individualisering
Vernatting vraagt om toeëigening van grote oppervlakten grond voor collectieve doeleinden (drinkwater, recreatie). In een tijd waarin mensen sterk vanuit hun individuele belang denken en handelen ligt dat moeilijk.

‘verissueing’ van de samenleving
Belangenbehartiging is in toenemende mate mono-functioneel: landbouw sec, natuur sec, cultuurhistorie sec enz. Vernattingsprojecten zijn in de regel juist multifunctioneel. De harde opstelling van (conservatieve) belangenorganisaties voor enkel hun sectorale belang werkt verlammend op dergelijke projecten. Ook het label ‘muggenplagen’ op vernattingsprojecten kan verlammend werken, evenals de angst voor water c.q. overstromingen.

bestuurlijke complexiteit
Vernatting vergt grootschalige ingrepen in het landschap. Dat vereist een sterke regie. De (rijks)overheid is daarvoor de aangewezen partij; marktpartijen alleen kunnen het niet. Echter, de overheid "treedt terug" en voert dus geen regie. Een bijkomend probleem is de departementale verkaveling van de rijksoverheid zelf.

beperkte korte-termijn winst
De baten van vernatting liggen vooral op de langere termijn. De realisatie van grootschalige projecten en het ontstaan van een goed functionerend watersysteem vergen tijd. Politiek gezien, naar de burgers toe, is dat een moeilijkheid. Meer in het algemeen komen de baten van vernattingsprojecten bij andere partijen terecht dan de kosten. Ook de afstemming hiervan vraagt om een integrale en centrale regie (zie boven).

Innovatieopgaven

De belangrijkste innovatieopgaven voortvloeiend uit het bovenstaande liggen op de volgende terreinen:

bestuurlijke organisatie
Voor vernattingsprojecten ontbreekt een ‘sense of urgency’, zoals bijvoorbeeld voor grote infrastructurele projecten (HSL e.d.) wel aanwezig is. Juist bij het ontbreken daarvan is een sterke regie erg belangrijk. Een hamvraag is dan ook welke bestuurlijke arrangementen geschikt zijn om die regie te voeren, om kosten en baten op elkaar af te stemmen. Nodig zijn combinaties van bestuur en kapitaal: publiek en privaat.
De ideale aanpak lijkt: (1) goede communicatie over de thematiek om een ‘sense of urgency’ te wekken; (2) ontwikkeling van een leidend ruimtelijk concept, voor de Randstad en voor Nederland als geheel; (3) presentatie van dit concept door een publiek-private groep die de regie op zich neemt; en (4) lokaal-regionale uitwerking van het concept in deelprojecten: "een grootse gedachte, veel kleine voorbeeldprojecten"; vgl. de IBA Emscherpark: een overkoepelend plan voor een heel stroomgebied uitgewerkt in vele deelprojecten. Pas als er een overkoepelend concept ligt, kunnen ook op onderdelen innovaties tot stand komen. Architecten, bijvoorbeeld, zullen niet sterk innovatief te werk gaan als de opdrachtgevers daar niet om vragen.
Het huidige verloop van vernattingsprojecten is nog teveel getekend door een ‘potlood-en-teken’ mentaliteit: eerst een plan, dan de uitvoering. Misschien zijn plannen er echter wel niet primair om gerealiseerd te worden (‘blauwdruk’) maar meer om een (communicatie)proces tussen betrokkenen op gang te brengen, waaruit een nieuw, breed gedragen plan voortkomt: meer procesplanning dan resultaatplanning. Fixatie op een ‘hard’ (deel)resultaat kan een interactief zoekproces gericht op integrale oplossingen frustreren. Planprocessen zouden minder moeten worden ‘getrechterd’ (naar een bepaald resultaat toe) en meer moeten worden geregisseerd. Dat vergt een omslag in de politiek-bestuurlijke cultuur want die vraagt nog om resultaten, liefst binnen 4 jaar.

communicatie met betrokkenen
Zoals gezegd, is goede communicatie over de thematiek een eerste stap in een adequate bestuurlijke organisatie van vernatting. Een mogelijk aanknopingspunt voor het wekken van een ‘sense of urgency’ is de identiteit van Nederland als waterland. Het zoeken naar een eigen (geografische) identiteit speelt momenteel op allerlei schaalniveaus: lokaal, regionaal en nationaal.
Verder moeten meer, met name commerciële, partijen voor vernatting worden geïnteresseerd. Natuurorganisaties en overheden zouden bijvoorbeeld meer moeten samenwerken met projectontwikkelaars om te zoeken naar praktisch haalbare mogelijkheden voor combinaties van (natte) natuur met wonen en/of recreatie.
Andere belangrijke adressanten zijn de gemeenten, want bestemmingsplannen vormen vaak een belangrijke barrière voor innovatieve ruimtelijke inrichtingen. Ook sterk ‘ver-issuede’ belangenorganisaties, zoals de Provinciale Landschappen, moeten meer worden doordrongen van het belang en de mogelijkheden van integrale oplossingen.

Bijdragen W&T

Meer ‘kunde’ dan kennis

In het algemeen is kennis voor vernatting niet de beperkende factor; dat zijn vooral regie en communicatie. Als die goed georganiseerd zijn, zullen op onderdelen, dat wil zeggen in deelprojecten, wel kennislacunes bloot vallen maar het oplossen daarvan is meer ondersteunend dan cruciaal voor het slagen van vernattingsprojecten. De antwoorden op kennisvragen kunnen projecten hoogstens versnellen maar zullen niet tot doorbraken leiden door een totaal nieuw licht op vernatting te werpen. Er is niet zozeer een gebrek aan ideeën en concepten maar veeleer aan vertaling van ontwikkelde concepten naar de praktijk, naar gemeenten, waterschappen, provincies.

Een algemeen probleem met betrekking tot vernatting is dat er veel plannen zijn die niet of nauwelijks worden gerealiseerd. Een systematische inventarisatie van gemaakte plannen, gericht op identificatie van succes- en faalfactoren in het planproces zou dienstig zijn. Wat zijn de inhoudelijke merites van de plannen? Wat zijn de praktische mogelijkheden voor realisatie? Welke barrières liggen er? Wanneer wordt succes geboekt? Welke activiteiten zijn nodig om een plan te doen slagen? e.d.

Kennisontwikkeling in context

De nadruk ligt dan ook niet zozeer op ‘weten dat’ maar op ‘weten hoe’: hoe vernatting van de ruimtelijke inrichting daadwerkelijk te realiseren? Er zal op verschillende niveaus (rijk, provincies, waterschappen, gemeenten aan ‘capacity building’ moeten worden gedaan.

De uitdaging ligt ook niet in het opstellen van een pasklare onderzoeksagenda. De relevante kennis is vaak situationeel bepaald. Kennislacunes zullen eerst in (deel)projecten zichtbaar worden. De benodigde kennis zal op dat lokaal-regionale niveau ontwikkeld moeten worden: "kennisontwikkeling in context"; ‘toegepaste wetenschap’ (top-down) bestaat niet.

Kennisvelden

Kennisvragen liggen vooral op de volgende terreinen:

• ecologie
Bijv. (cumulatieve) effecten van afspoeling van verhard oppervlak op natte natuur, effecten van PAK’s, e.d.

• economie
Dit vakgebied is zwak vertegenwoordigd in het Nederlandse waterbeheer. Wat kost het waterbeheer in Nederland überhaupt? Er liggen vragen op diverse raakvlakken: economie - water, economie - natuur, economie - psychologie (beleving van water);

• bestuur en financiering
Terugtredende overheid: wie neemt de regie? Hoe vorm geven aan publiek-private bestuurlijke arrangementen, aan combinaties van kapitaal en bestuur (zie boven)?

• techniek
Technische mogelijkheden kunnen sterk bepalend zijn voor de perspectieven voor vernatting. Wat als bijvoorbeeld de ‘drijvende stad’ zou worden uitgevonden? enz.

Consequenties kennisinfrastructuur

‘Communicative turn’

Tegen de achtergrond van het voorgaande is communicatie het centrale thema met betrekking tot de kennisinfrastructuur, zowel inhoudelijk als organisatorisch.

Inhoudelijk is in W&T meer aandacht nodig voor communicatie met de maatschappij. De afstand tussen wetenschap en praktijk is nog te groot. Wetenschappelijk-methodische distantie mag er zijn maar communicatief-inhoudelijk zouden wetenschappers dichter bij de praktijk moeten staan, meer ‘voeling’ moeten houden met de vragen die leven in de praktijk. In aansluiting op de ‘communicative turn’ in de planologie (meer onderzoek van communicatieprocessen rond een plan) zou de Verkenning meer aandacht kunnen vragen voor communicatie in W&T. Daarbij gaat het niet alleen om communicatie met burgers maar bijvoorbeeld ook om communicatie tussen ontwerp en uitvoering en beheer.

Koppelen van kennis

Organisatorisch is de belangrijkste uitdaging het koppelen van kennis, het doorbreken van gevestigde kokers in de kennisinfrastructuur. De traagheid van organisaties is een algemeen probleem bij innovatie: de mensen, instituten en geldstromen zijn nog niet ingespeeld op de nieuwe vragen. Een andere wijze van aansturing is nodig. Een belangrijk middel daarbij zijn de financieringsstromen. Vgl. de aanpak van EZ, dat voor een nieuw geïdentificeerd innovatiegebied standaard ( 80 miljoen vrijmaakt om het gebied een stimulans te geven. Bestaande, verkokerde financieringsstromen moeten worden gekrompen en nieuwe, geoormerkte stromen op gang gebracht. Oormerking dient te geschieden naar goed gedefinieerde projecten in het kader van een samenhangend programma. De gewenste aansturing is centraal: liefst één departement. Naast het Rijk dienen echter ook provincies, gemeenten en waterschappen bij het programma te worden betrokken. Op het lokale en regionale niveau ligt uiteindelijk de besliskracht ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland. Een innovatieprogramma moet dan ook worden ingebed in enkele goedwillende, vooruitstrevende provincies en waterschappen. Die zouden elk voor hun regionale (deel)project een projectbureau kunnen instellen naar analogie van het projectbureau voor de Maasvlakte, met mensen van uiteenlopende achtergronden, voor in eerste instantie 4 jaar met een budget van ( 100 miljoen, waarvan ca. 20% voor kennisontwikkeling. Daarvan dient een bepaald deel te worden gereserveerd voor beantwoording van project-overstijgende vragen, bijvoorbeeld in een promotieprogramma. Zo’n bureau kan verder bijvoorbeeld prijsvragen uitschrijven om innovatie te stimuleren.

Innovatie staat of valt met ervaren projectleiders en multidisciplinaire teams. Projectleiders die technische en bestuurlijke ervaring combineren zijn nog zeer schaars.
Er zijn nog te weinig multidisciplinaire watermensen. Universiteiten leiden nog teveel op tot specialist. In multidisciplinair teamverband is echter een brede visie vereist bij elk van de teamleden. Universiteiten zouden meer multidisciplinaire mensen en groepen in huis moeten hebben, die als kennismakelaars kunnen opereren in regionale innovatieprojecten. Vgl. de DIOC’s (Delftse Interdisciplinaire OnderzoeksCentra), die zijn gekoppeld aan praktijkprojecten. Ingenieursbureaus werken al wel multidisciplinair maar zij missen een maatschappelijke motivatie.

Innovatie kan worden bevorderd door beschikbare kennis systematisch vast te leggen; dat vergroot de mogelijkheden tot combinatie van uiteenlopende kennisvelden (vgl. het programma Duurzaam Bouwen).

 

 

Brainstorm thema 4: Beheer van waterkringlopen

Ir. P.A.E. van Erkelens (Waterschap Regge en Dinkel), dr.ir. M.J. van der Vlist (RIZA), dr. P.T.J.C. van Rooy (Accanto BV), ir. K.J. Hoogsteen (NV WMD)

Trends en onzekerheden

Er zit een toenemende druk op de watersector om zichzelf te reorganiseren. Deze druk komt van verschillende kanten:

de markt
In het buitenland is het beheer van de waterketen veel verder geprivatiseerd dan in Nederland. Als de Nederlandse watersector geen gezamenlijke visie ontwikkelt en daarnaar handelt, kunnen bestuurders onder druk van de markt c.q. angst voor het buitenland en verlangen naar persoonlijke macht "gekke dingen" gaan doen. Nu al is er bij waterschappen niet altijd vertrouwen in waterleidingbedrijven vanwege de vaak louter commerciële ambities van de laatste. De ontwikkeling die dreigt is dat grote buitenlandse bedrijven (bijv. Vivendi) binnen afzienbare termijn de lucratieve delen van de Nederlandse watersector opkopen. Water kan dan worden gebruikt als commercieel vehikel voor het aanbieden van andere producten aan de gebonden klant; de markt interesseert zich niet voor water, alleen voor geld.

Europese Unie
De Kaderrichtlijn Water onderscheidt vier stroomgebieden in Nederland. De organisatie van met name Rijkswaterstaat zal hierop moeten worden toegesneden. Verder fungeert het begrip ‘duurzaamheid’ als richtinggevend principe in de Kaderrichtlijn. Dat betekent dat water meer is dan H2O, dat van willekeurig welke plek naar willekeurig welke andere plek kan worden gepompt. Water is onderdeel van de leefomgeving en moet als zodanig worden beheerd. Waterbeheer staat dus in nauwe relatie tot ruimtelijke ordening.

nationale politiek
Naar aanleiding van de wateroverlast en de bespreking van de Waterleidingwet staat ‘water’ op de Haagse politieke agenda. Er lopen diverse initiatieven, o.a. de Commissie Togtema over de financiering van het waterbeheer, de Commissie Tielrooij (Waterbeheer 21e eeuw) over de wateroverlast en de studie Duurzaam waterbeheer in de praktijk in opdracht van het Rathenau Instituut. Binnen een jaar (medio 2000) worden er knopen doorgehakt. De watersector moet hier actief in meedenken en meewerken, anders zullen de keuzen van bovenaf worden gemaakt.
Binnen het Rathenau-project circuleren momenteel drie opties:
A. voortzetting van de huidige gang van zaken; wat zijn de consequenties (forse energieverliezen, geldverspilling etc. in de afstemming)?
B. het beheer van het watersysteem volledig bij de waterschappen, het beheer van de waterketen volledig bij de waterleidingbedrijven (incl. riolering);
C. opheffing van de waterschappen; wie nemen hun taken over, wat zijn de voor- en nadelen? etc.
De onuitgesproken want politiek ongewenste vierde optie is de volledige privatisering van het waterbeheer. Toch lijkt die vrijwel onvermijdelijk als de watersector zelf niet één lijn trekt voor optie B of C.

Innovatieopgaven

De belangrijkste opgave is het vergroten van de samenhang in het waterbeheer. Er zijn nu vaak tientallen instanties betrokken bij het beheer van één watersysteem. Dit leidt ertoe dat er veel te veel tijd, geld en energie gaan zitten in de afstemming van taken.

Een nieuwe organisatiestructuur van het waterbeheer moet aan een aantal principes voldoen:

• Watersysteem en waterketen onderscheiden; beheer van het systeem is een overheidstaak (veiligheid, kwaliteit e.d.), beheer van de keten kan semi-geprivatiseerd (met overheidsaandeelhouders). Efficiënt beheer is een kwestie van goed management; daar is de markt niet voor nodig.

• Beheer van systeem en keten op basis van natuurlijke, regionale samenhangen; water is geen gas, het is ingebed in de leefomgeving. (Deel)stroomgebieden zijn de natuurlijke beheerseenheden. Op basis daarvan kunnen kwantiteit en kwaliteit van de instroom en uitstroom in balans worden gehouden: regionale zelfvoorziening (vgl. de Blauwe Knooppunten). Er zal
wel regionaal moeten worden gedifferentieerd: in het westen is het watersysteem meer kunstmatig en domineert de R.O.; in het noorden en oosten zijn de systemen meer natuurlijk en kan water makkelijker ruimtelijk ordenend zijn.

• Beleid en beheer onderscheiden; die twee lopen nu teveel door elkaar: er zit te weinig strategie in het waterbeleid.

• Hiërarchie in het bestuur; die is momenteel zoek: ministeries participeren op voet van gelijkheid met de eerste de beste deelraad van een gemeente.

Bijdragen W&T

Doorstroom van kennis

Er zitten twee bottlenecks in de doorstroom van kennis:

• van monodisciplinair naar integraal
Veel wateronderzoek zit op een te hoog detailniveau ("tellen van algen"). De maatschappelijke relevantie is vaak te ver te zoeken. De relatie naar ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld, ontbreekt vrijwel in het wateronderzoek. Wateronderzoekers hebben ook niet de netwerken om die relatie te kunnen leggen. E.e.a. heeft ook te maken met het feit dat het waterbeheer nog maar nauwelijks het debat met de R.O. aangaat. Als dat wel gebeurt, komen er vanzelf andere kennisbehoeften.

• van W&T naar bestuur
Er zit een communicatiestoornis tussen wetenschappers en bestuurders. Wetenschappers dragen hun kennis niet uit in voor bestuurders begrijpelijke termen. Het kennisniveau van bestuurders laat vaak te wensen over. Bovendien denken waterbestuurders vaak weinig integraal. Waardevolle initiatieven blijven teveel hangen op wetenschappelijk niveau. Wat ook meespeelt is dat bestuurders politiek willen scoren en dat is op andere terreinen, m.n. economische zaken, gemakkelijker dan op waterbeheer.

Als deze twee bottlenecks genomen zijn, komt er nog bestuurlijke moed aan te pas om de ordenende functie van water ook daadwerkelijk in praktijk te brengen. Veel bestuurders durven hun nek niet uit te steken, mede onder druk van hun achterban.

Analyse van bestuurlijke arrangementen
Er zou een analyse gemaakt moeten worden van de bestuurlijke arrangementen die tegenhouden dat water gaat fungeren als ordenend principe in de R.O. Richt de analyse bijvoorbeeld op "Ruimte voor de rivier"; de gang van zaken rond dat project weerspiegelt goed de bestuurlijke verhoudingen: er worden nog steeds huizen in het zomerbed gebouwd, het kabinet heeft de waterschade van 1998 vergoed alsof we niet in een delta leven, het conflict wordt binnen de dijken gehouden (uitgraven; er worden slechts technische oplossingen gezocht, het conflict met de R.O. wordt niet aangegaan), enz. Het gaat om een complex geheel van taken en bevoegdheden, bestuursculturen, personen, macht, financieringsstructuren e.d.
Hoe zitten de bestuurlijke arrangementen, de ketens van beslissingen, in elkaar? Wat is de (historische gegroeide) ratio erachter? Welke bestuurlijke processen kunnen nu niet plaatsvinden en waarom niet? e.d. Inzicht in het verloop van de processen kan bijdragen aan het doorbreken van gevestigde bestuurlijke verhoudingen.

Een probleem hierbij is dat beleidswetenschappelijk Nederland (de mensen die de bestuurlijke arrangementen zouden kunnen analyseren) zich niet met water bezighoudt. Het is hoog nodig om partijen bij elkaar te brengen, netwerken te vormen.

Consequenties kennisinfrastructuur

Samenwerking

Een kernprobleem is de verkokering van de kennisinfrastructuur. Er bestaan binnen de watersector teveel instituten naast elkaar: RIZA, WL, KIWA, STOWA, RIONED enz. enz. De watersector is een eilandenrijk, ook qua kennisinfrastructuur. In de RO zit meer integraliteit en creativiteit. Pas nu landschapsarchitecten met mooie waterplaatjes komen, dringt water door op de politieke agenda. Ondanks de vele (parallelle) activiteiten binnen de watersector vinden er toch geen echte doorbraken plaats; zie de twee bottlenecks in de doorstroom van kennis. Internationaal gaat de trend wèl richting integratie van instellingen: op Europees niveau gaan drinkwater en afvalwater samen, internationaal is de International Water Association gevormd, in Engeland bestaat het Water Research Centre, in Denemarken is 10 jaar geleden de versnipperingsdiscussie gevoerd en mede onder druk van pers en publieke opinie in 1 jaar tijd een integraal instituut van de grond gekomen (contactpersoon: Hans Luiten), enz.; in Nederland hebben we nog een NVA, een VWN enz.

Gezamenlijk instituut

Er zou een integraal waterinstituut moeten komen, dat de bestaande kennisinstituten clustert. Er is nu geen overkoepelend waterinstituut, één ‘loket’ waar iedereen met vragen over water terecht kan. Economisch gezien moet zo’n instituut goed kunnen; de totale jaarlijkse water-gerelateerde kennisontwikkeling beslaat misschien 100 miljoen; dat is ‘peanuts’ op de omzet van de watersector als geheel.

Het zou een semi-overheidsinstituut moeten worden, met overheden als mede-aandeelhouders, naast waterleidingbedrijven, ingenieursbureaus, GTI’s, universiteiten e.d. Ook buiten de overheid bestaat behoefte aan bundeling van kennisontwikkeling. Ingenieursbureaus bijvoorbeeld werken vrijwel niet samen, terwijl ze wel behoefte hebben aan thema-overstijgende ‘deltakennis’ (( + ( + ( = (). Het instituut moet ruimte krijgen voor fundamenteel onderzoek naast opdrachten voor de markt (in een verhouding van ca. fifty-fifty). Binnen het instituut zouden in ieder geval een afdeling voor bestuurskundig onderzoek en een strategische afdeling moeten worden gevormd. De strategische denktank dient te fungeren als kweekplaats voor toekomstgerichte ideeën. De watersector kampt momenteel met een ‘braindrain’: talentvolle mensen worden weggezogen naar de infrastructuursector (van ‘nat’ naar ‘droog’) want die betaalt veel beter. Dat talent moet je zien vast te houden. Laat de medewerkers rouleren, zodat ze na zeg 6 jaar de praktijk ingaan met de opgedane ideeën.

Brainstorm thema 5: Betrokkenheid van burgers bij waterbeheer

Ir. G.D. Geldof (TAUW, UT), prof.dr. C.M.J. van Woerkum (Wageningen UR)

Trends en onzekerheden

De volgende relevante maatschappelijke ontwikkelingen tekenen zich af:

geringe(re) betrokkenheid burgers
In het algemeen neemt de betrokkenheid van burgers bij zaken van algemeen belang af. Dit geldt zeker voor het milieu, dat is gedaald op de politieke agenda. Ten aanzien van water speelt mee dat met name de drinkwatervoorziening in Nederland zeer goed georganiseerd is; er is voor de burgers vrijwel niets te wensen over. Andere zaken vragen meer aandacht.
Mocht de tendens van privatisering in het waterbeheer doorzetten, dan zou de betrokkenheid van burgers wel groter kunnen worden: bedrijven staan bloot aan een scherpere publieke controle op hun succes en falen dan overheden; ze zijn minder anoniem (zie de ervaringen met de waterbedrijven in de UK en met de energiesector en de spoorwegen in NL). De betrokkenheid komt dan bovendien van twee kanten: niet alleen het publiek c.q. de pers ziet scherper toe, de bedrijven zelf zijn ook meer klantgericht dan overheden.

identiteit leefomgeving
Er is een groeiende belangstelling van mensen voor de identiteit van hun woon- en leefomgeving. Een specifieke inrichting van hun leefomgeving biedt mensen de mogelijkheid zich te onderscheiden in een steeds uniformere wereld (als gevolg van voortgaande verstedelijking, milieuverontreiniging e.d.). Water is een omgevingselement dat overwegend positieve emoties oproept (althans in stedelijke gebieden), in tegenstelling tot bijvoorbeeld verkeer. Water wordt niet langer als vijand gezien maar meer als vriend. Dit biedt aanknopingspunten voor geïntegreerd stedelijk waterbeheer: de "wijkaanpak" onder het motto: "Begin met water, de rest komt later". Inrichtingsplannen die positief worden ingestoken genereren een hoge respons onder bewoners.

integraliteit en complexiteit besluitvorming
In de kleiner wordende wereld zijn zaken in toenemende mate met elkaar verweven: alles heeft steeds meer met alles te maken. Dat vergroot de complexiteit van de besluitvorming. Ook water kan niet meer in isolement worden beschouwd: het water is als het ware "buiten zijn oevers getreden"; op die oevers staan mensen.
Dit betekent dat de technische waterwereld met de maatschappij in gesprek moet. Dat gaat niet altijd van harte; er zijn tegenkrachten. Via de --overigens noodzakelijke-- prioritering van tijd en middelen wordt de dialoog met de maatschappij nogal eens uitgesteld (integrale oplossingen vergen vaak een langere aanlooptijd en hogere initiële kosten). Innovatieve ambtenaren zitten wat dit betreft in een lastig parket: bekneld tussen de politiek (die snel wil scoren) en burgers (die meer integrale besluitvorming willen).

Innovatieopgaven

De genoemde trends stellen onder meer de volgende innovatie-opgaven:

"information on demand"
Gezien de geringe urgentie van waterbeheer voor de burgers zouden waterbeheerders hun energie niet moeten steken in verdere informatieverspreiding. Stop met het communiceren naar burgers toe! Voorzie in minimale basisinformatie en lever verder alleen informatie "on demand". Teveel informatievoorziening is ingegeven door een alleen bij de "zender" gevoelde urgentie. Binnen de waterwereld is "de weg terug" (van ontvanger naar zender) veel minder goed ontwikkeld. De waterwereld moet meer contact zoeken met burgers in plaats van "ins Blaue hinein" informatie te verspreiden. Alleen als er echt ingrijpende organisatieveranderingen worden doorgevoerd (bijv. een vergaande privatisering) is uitgebreide informatievoorziening gerechtvaardigd.
Belangrijk is te voorzien in een transparante informatiestructuur rond water, zodat voor buitenstaanders duidelijk is waar zij voor hun watervragen terecht kunnen. Er moet een vast en herkenbaar aanspreekpunt zijn. Waterschappen zijn daartoe niet de geëigende organen; die zijn te onbekend. Een "loket" bij provincies ligt meer voor de hand.

doelgroepenbenadering
Veel waterinformatie is te ongericht, teveel voor iedereen bedoeld en daardoor voor niemand echt interessant. Veel effectiever is het om bepaalde organisaties, die nauw bij waterbeheer betrokken zijn, aan te spreken op een specifiek, voor hen relevant onderwerp. Ook burgers laten zich alleen betrekken als iets hen direct raakt: zwemmen in de eigen woonwijk bijvoorbeeld. Alleen rond concrete onderwerpen maakt interactieve planvorming een kans. Het is voor overheden wel zaak de juiste gesprekspartners te zoeken: voor een geslaagd project is ca. 15% "wereldgosers" nodig en 85% "miereneukers". Zonder open, creatieve geesten, die niet vanuit posities maar voor een bepaald belang opereren, kan een project gauw verzanden in een loopgravenstrijd.

brongerichte aanpak
Een grotere betrokkenheid van burgers bij de inrichting van hun leefomgeving is nauw vervlochten met een andere wijze van technologie-ontwikkeling: van "end-of-pipe" naar brongericht. Naarmate de innovatie van het proces (van "end-of-pipe" naar brongericht) gestalte krijgt, neemt de betekenis van veel technologische innovaties af want een brongerichte aanpak stelt minder technologische eisen: wat niet in het systeem komt, hoef er ook niet uit. Zolang technici zich ingraven in hun vak en niet met de maatschappij in gesprek gaan, is het optimaliseren van dure en ingewikkelde "end-of-pipe" technieken echter de enige weg; maar dat is inefficiënt. Wanneer burgers al vroeg bij een project worden betrokken, komen veel efficiëntere technische oplossingen voor waterproblemen in aanmerking (bijv. infiltratie van regenwater) of ook oplossingen die technisch niet "optimaal" zijn (bijv. een fontein in een wijk; "just for fun" maar ook om water dichter bij de mensen en de mensen dichter bij het water te brengen).

"multi-level" strategie
Louter een "bottom-up" benadering, op wijkniveau met burgers is te eenzijdig. Er blijft behoefte aan planvorming op hogere schaalniveaus om de samenhang van projecten te waarborgen en ook NIMBY’s een plaats te geven. De kunst is om op meerdere niveaus tegelijk te werken: een strategisch plan voor een heel gebied opstellen maar tegelijkertijd bijvoorbeeld een straat in detail uitwerken. Cruciaal is om de betrokkenen bij de uiteindelijke realisatie van een plan op het meest concrete niveau (de projectontwikkelaar, de aannemer, het nutsbedrijf e.d.) al in een vroeg stadium in beeld te hebben en bij de planvorming te betrekken; anders stranden strategisch wel goed uitgewerkte plannen vrijwel altijd in de realisatiefase.

Bijdragen W&T

Versterking en verdieping van de praktijk

Tot nu toe hebben W&T weinig bijgedragen aan de geschetste innovatie-opgaven. De innovaties komen overwegend uit de praktijk. Versterking en verdieping van de praktijkinitiatieven vanuit W&T is echter dringend gewenst. Nu geldt: "In het land der blinden is eenoog koning" (zie de vele "procesbureautjes" met hun "minimale filosofietjes" die voor projecten worden ingehuurd). Het wordt tijd om mensen "met twee ogen" te vormen en op te leiden. Nu komen veel projecten na de eerste fase van "ongeïnformeerd optimisme" (alles is interessant, alles kan) niet verder dan de fase van "geïnformeerd pessimisme" (realisatie is moeilijk). Om de derde fase van "geïnformeerd optimisme" (manieren waarop het zou kunnen) te bereiken, is meer kennisbagage nodig dan veel procesbureaus in huis hebben. W&T kunnen een basis leggen voor het passeren van dit "omslagpunt" van pessimisme naar gefundeerd optimisme, bijv. door een reeks projecten retrospectief te analyseren op succes- en faalfactoren. Welk draagvlak is noodzakelijk? Wat is "draagvlak" überhaupt? Valt dat wel achteraf te creëren of moet het gedurende het proces ontstaan? e.d. De kritische, reflecterende houding van wetenschappers kan belangrijk bijdragen aan de praktijk.

Uitwerking sturingsfilosofie

De genoemde innovaties zijn voor een belangrijk deel sociaal van aard (bijv. het vroegtijdig betrekken van doelgroepen bij een project). Technisch worden projecten vaak zelfs eenvoudiger (van "end-of-pipe" naar brongericht; zie boven). De belangrijkste bijdrage van W&T ligt dan ook niet zozeer op het technische vlak maar meer op het sociale. De uitdaging is bij te dragen aan en te participeren in een nieuwe sturingsfilosofie of "geïntegreerde methodologie": vanuit een bepaalde lokale of regionale context kennis bijdragen aan oplossingen, dus in nauwe relatie met de (integrale) praktijk en in interactie met de vele betrokkenen: interactieve planvorming. Wetenschappers moeten niet in generieke onderzoeksprogramma’s blijven hangen; die zijn vaak te zeer ingegeven door de "knowledge-push" gedachte, en technici moeten de dialoog met de maatschappij aan in plaats van "end-of-pipe" te blijven optimaliseren.

Het huidige waterbeheer is geënt op een regelfilosofie: "command and control" ("meten is weten"). In de nieuwe sturingsfilosofie hebben onzekerheden een meer centrale plaats: het werken met scenario’s en sturingsopties. In plaats van een focus op technische normen zal de nadruk meer komen te liggen op sociale waarden, zoals diversiteit, integriteit e.d. Dit vergt een omslag in het denken en doen van waterbeheerders. Als wetenschappelijke basis voor de nieuwe benadering zouden de inzichten rond niet-lineaire dynamiek (chaostheorie) uit de wiskunde kunnen worden uitgewerkt voor waterprojecten. Wat betekent onvoorspelbaarheid van processen? Welke patronen c.q. ordeningsprincipes zijn te onderkennen? Hoe om te gaan met onzekerheden? e.d. In een lineaire benadering worden onzekerheden geëlimineerd als "ruis", terwijl die "ruis" voor betrokkenen bij een project vaak juist interessante spelmogelijkheden biedt.

Consequenties kennisinfrastructuur

"Soft" versus "hard"

Een belangrijk knelpunt in de water-gerelateerde kennisinfrastructuur is dat de benodigde kennis het imago "soft" heeft. Ingenieurs die zich inlaten met nieuwe, niet-lineaire benaderingen worden aangezien voor "softies". De waterwereld is relatief "hard" technocratisch en bovendien tamelijk gesloten, zodat veranderingen moeilijk tot stand komen. Met name bij de waterschappen is zich wel een omslag aan het voltrekken: zij zijn al veel meer omgevingsgeoriënteerd dan voorheen. Bij Rijkswaterstaat is de Infralab-methode voor open planvorming ontwikkeld maar deze beklijft nog niet in de organisatie; nieuwe infrastructuurprojecten worden weer vooral op de oude manier georganiseerd.

Het zou goed zijn de wiskundige ("harde") basis van niet-lineaire dynamiek sterker in de ingenieursopleidingen in te brengen. Ingenieurs c.q. technici zullen een belangrijke rol blijven spelen in waterprojecten maar de zuivere techniek zal nog maar een klein deel van hun kennisbagage uitmaken. Belangrijker is openheid naar en het verstaan van andere beroepsgroepen en betrokken partijen en het actief kunnen participeren in niet-lineaire processen.

Integrale wetenschap

Een meer algemeen knelpunt, dat de gehele academische kennisinfrastructuur betreft, is de ver doorgeschoten fragmentatie van de wetenschap; de wetenschap is veel meer gesegmenteerd dan de praktijk. Integraal c.q. multidisciplinair opererende wetenschappers hebben moeilijke tijden want ze worden afgerekend naar monodisciplinaire maatstaven. Hun onderzoeken zijn dan "vlees noch vis". Het universitaire onderzoek is teveel ondergebracht in vast omlijnde programma’s, die niet direct zijn gerelateerd aan de praktijk. Dit is niet bevorderlijk voor innovatief onderzoek. Er moet meer ruimte en erkenning komen voor integrale wetenschap, voor "geïntegreerde methodologie" (zie boven); die is maatschappelijk relevanter en de interactie met de praktijk kan ook geheel nieuwe, wetenschappelijk interessante vraagstellingen genereren.

 

 

 

Brainstorm thema 6: Rol van de markt in het waterbeheer

Ing. A.A.L. van Kessel (NUON), dr. J.P.R.A. Sweerts (Rabobank Nederland), dhr. E.H. Togtema (Waterschap Friesland)

Trends en onzekerheden

Privatisering

Een belangrijke trend wereldwijd is de privatisering van nutsvoorzieningen. De motieven voor privatisering zijn gelegen in de noodzaak van kostbare investeringen en de complexiteit van de gewenste vernieuwingen. Nederland loopt wat dit betreft enigszins achter op de internationale ontwikkelingen. Door het recente besluit van VROM om het waterbeheer in overheidshanden te houden blijft dit voorlopig zo. We willen in Nederland geen toestanden zoals in Frankrijk, waar men naar de winkel moet voor een fles water. EZ is echter vóór privatisering. Privatisering van het waterbeheer lijkt een logische stap na het vrijgeven van de markten voor energie en telecommunicatie. De ontwikkelingen gaan snel: in Zeeland de Delta-nutsbedrijven (een "multi-utility") en in Friesland bestaat sinds kort een afvalwaterketenbedrijf (met NUON Water). Het doemscenario is dat binnen afzienbare termijn de lucratieve delen van de Nederlandse watersector worden "opgeslokt door Vivendi Water". Op de Waddeneilanden wil echter geen enkele onderneming water leveren want dit is onrendabel: alleen de vakantiepiek is commercieel interessant.

Privatisering heeft voor het beheer van watersystemen (niet-drinkwater) geen voordelen. Vanwege het publieke karakter zal dit waarschijnlijk een overheidstaak blijven. De gemeenten hebben nu een zorgplicht voor riolering (verzameling van afvalwater) en staatssecretaris De Vries wil dit nog sterker wettelijk verankeren; al zal de uitvoering van de beheerstaken dan wellicht minder efficiënt verlopen dan wanneer dit door het bedrijfsleven gebeurt. In Nederland staat de primaire taak van de overheid op het gebied van veiligheid, kwaliteit van grond- en oppervlaktewater enz. niet ter discussie. De discussie gaat over de waterketen. Met name is relevant of Nederland --indien men dit wenst-- grote delen van de waterketen in overheidshanden kan houden. Zal dit binnen de EU-kaders straks nog mogelijk zijn? Is Nederlandse wet- en regelgeving op dit punt "Euro-proof"?

Schaalvergroting

Een tweede belangrijke trend is schaalvergroting. Deze speelt zowel binnen het watersysteem als in de waterketen. Voor het watersysteem is stroomgebiedsbeheer in opkomst (zie de EU-Kaderrichtlijn Water). Deze impliceert een schaalvergroting van regionale waterbeheerders. In de waterketen is schaalvergroting een voorwaarde om Europa in te kunnen met de Nederlandse kennis. Bankiers willen alleen in grotere bedrijven investeren. Nederlandse waterbedrijven hebben momenteel echter ook een kennisachterstand, omdat ze nog weinig of geen ervaring hebben met bepaalde klussen (bijv. BOT - Build On Transfer). Een en ander pleit voor voortgaande privatisering van het waterbeheer. Wellicht moeten we afstand doen van het consensusmodel en mogelijk verouderde instituties, zoals de waterschappen.

Multi-utilities

Een derde relevante trend is de ontwikkeling van multi-utilities: één rekening voor allerlei diensten en producten. Daarbij is het de vraag welke diensten en producten zich op één rekening laten combineren, met andere woorden: kun je alle nota’s (van gas, water, elektriciteit, melk etc.) op elkaar stapelen?

Innovatieopgaven

Heldere rol overheid

De politiek moet duidelijkheid scheppen: hoe ver mag de overheid de markt opkruipen? Enerzijds is er het initiatief van De Vries voor een sterkere greep van de overheid op het waterbeheer (zie boven), anderzijds wordt de overheid uitgedaagd om innovatief te zijn en mee te gaan met het bedrijfsleven: publiek-private samenwerking. De overheid schept te weinig duidelijkheid. Wie stuurt de overheid zo langzamerhand? Dit is een pijnlijke vraag.

Uitgangspunt moet zijn een helder beeld van de kerntaken van de overheid. Daarom moet eerst worden gedefinieerd wat des overheids is c.q. wat burgers moeten kunnen aansturen. De zorg voor de verschillende milieucompartimenten is overheidsgebonden; hierover moet de burger zeggenschap houden. Water is bovendien sterk regionaal, gebiedsgebonden; daardoor is ook de burger/klant gebonden. Deze factoren pleiten ervoor om het watersysteem in overheidshanden te houden, ook op de langere termijn. Met name de regulatorfunctie van de overheid is heel belangrijk; in Nederland is de energiesector wat dat betreft te snel geprivatiseerd. Verder geldt ook voor overheden: krachten bundelen! Bedrijven doen dit vaak, ook omdat dit hen een competitief voordeel geeft.

Publiek-private samenwerking

Er zijn varianten denkbaar waarbij de overheid als vergunningverlener optreedt en de uitvoering in private handen is via een concessieverlening door de overheid. De overheid houdt dan als controleur de touwtjes in handen. In de bouwwereld is dit de algemene praktijk (projectontwikkelaars als uitvoerders). In het Verenigd Koninkrijk houdt een overheidsorgaan, de OFWAT, toezicht op de geprivatiseerde waterbedrijven. In feite wordt er ook in Nederland in het waterbeheer reeds veel uitbesteed, zoals de aanleg van dijken en andere waterwerken. De overheid stelt zich steeds vaker op als beheerder. Ook publiek-private samenwerking is al op vele plaatsen een feit maar het gebeurt vaak tamelijk impulsief, deels uit angst niets te doen. Een belangrijke innovatieopgave is het ontwikkelen van nieuwe, beproefde arrangementen van publiek-private samenwerking. Maar waar lokaal mogelijkheden voor samenwerking liggen: zeker niet wachten, meteen aan de slag!

Zelfs een heel gebied kan integraal via publiek-private samenwerking worden aangepakt. Een voorbeeld is de Watermarkt Veluwe: de vele functies in dit gebied zijn sterk met elkaar verweven; verleende diensten, zoals de levering van schoon water kunnen onderling worden verrekend. Dit kan in elk geval met projecten die een "return on investment" hebben; de vraag is of dat ook mogelijk is met zaken die geen "return" geven? Zijn er mechanismen om inkomsten uit bijv. een dijk of een kanaal te halen? Een mogelijkheid is om de kosten op de bewoners van het gebied te verhalen. Heffingen of belastingen zijn immers ook inkomsten. Maar: is het wel reëel om een collectieve zaak door een kleine groep bewoners te laten betalen. Ook verzekeringstechnisch ligt dit moeilijk; Swiss Ray (een grote verzekeraar) heeft hier slechte ervaringen mee. Wellicht kunnen wetenschappers hiervoor methodieken ontwikkelen.

Bijdragen W&T

Wetenschap en technologie zouden een bijdrage kunnen leveren op de volgende punten:

• Het onderzoek zou de effecten van privatisering, schaalvergroting e.d. in kaart moeten brengen, uitgaande van verschillende scenario’s. Dit vanuit het besef dat de toekomst onzeker is. Privatisering vindt momenteel bottum-up plaats, via BOT’s die op de markt komen. Wat zijn de ervaringen met BOT’s in West-Europa en elders? Wat gaat goed, wat minder goed in deze vorm van publiek-private interactie? Zou privatisering ook “top-down” kunnen plaatsvinden? In welke vormen? Waar ontmoeten de “bottum-up” en de “top-down” benaderingen elkaar?

• Een vergelijking van de organisatie van het waterbeheer in verschillende Europese landen kan veel leerzaam materiaal opleveren; hoe pakt de verschillende organisatie van het waterbeheer uit in de diverse landen uit en wat betekent dat voor mogelijke toekomstige Nederlandse situaties? WL heeft reeds een EU-brede exante evaluatie gedaan van de implementatie van de Kaderrichtlijn Water.

• Zeer essentieel is de vraag in hoeverre de Nederlandse wetgeving op watergebied “Euro-proof” is. Dat is des poedels kern: welke ruimte heeft Nederland om eigen arrangementen voor (publiek) waterbeheer te ontwikkelen? Rechtswetenschappers zouden de bandbreedte moeten verkennen.

• Relevante technologische bijdragen zijn het operationeel maken van ontziltingstechnieken en van nieuwe technieken van waterzuivering. De lozingen van huishoudens e.d. stellen waterbeheerders voortdurend voor nieuwe opgaven; recent worden oestrogenen genoemd als een bedreiging voor de waterkwaliteit.
Het geeft te denken dat slootwater in grote delen van Nederland ongeschikt is voor veedrenking. Bovendien moet bij nieuwe technieken steeds de vraag worden gesteld: is het duurzaam? Membraanzuivering bijvoorbeeld kost zeer veel energie. Dat pakt op termijn negatief uit.

Consequenties kennisinfrastructuur

Kennismakelaars gevraagd

Een goed overzicht van kennisinstellingen en hun activiteiten op watergebied ontbreekt. Er komen ook steeds weer nieuwe spelers in het veld, zoals recent het Delft Cluster; dat bevordert niet de transparantie van de kennisinfrastructuur. Is bundeling van inspanningen niet mogelijk? Voor gebruikers van waterkennis is het moeilijk de weg te vinden in de kennisinfrastructuur. Een betere match van vraag en aanbod is gewenst. Dit is een zaak van kennismanagement. Kennismakelaars kunnen een belangrijke rol vervullen in het bij elkaar brengen van kennisvragers en kennisaanbieders. STOWA vervult in Nederland al een rol als kennismakelaar maar heeft slechts een budget van ca. 8 miljoen van Rijk, provincies en waterschappen; dit is niet echt veel, wie zijn er nog meer bezig? Idealiter zou er één aanspreekpunt zijn voor alle waterkennis, niet alleen in Nederland maar wereldwijd (vergelijk het wereldwijde systeem om na te gaan of een innovatie octrooieerbaar is of niet).

Overbruggen kloof kennis-markt

Er is een te grote kloof tussen fundamenteel onderzoek en kennistoepassing. Met name de GTI’s (WL, Grondmechanica e.d.) zouden meer met het bedrijfsleven moeten samenwerken (zie MIT, ETH e.d.). Bedrijven beschikken over veel kennis; de link met de kennis van reguliere onderzoeksinstellingen moet worden versterkt. Veel bedrijven staan open voor kennisuitwisseling op onderdelen. De GTI’s zitten te dicht tegen de overheid aan; de ICES/KIS-gelden hebben dat nog eens versterkt. Op deze wijze wordt de ontwikkeling van praktisch bruikbare producten niet bevorderd; kennis blijft te vrijblijvend.

Het zou overigens niet verstandig zijn veel energie te steken in een andere organisatie van de kennisinstellingen. Beter is te sturen op resultaten: output-sturing.
De organisatie van het werkproces om tot de gevraagde resultaten te komen is op de eerste plaats een taak van de instituten zelf.

 

 

 

 

 

 

Verslag van de conferentie

"Kennisstromen in waterland"

d.d. 2 februari 2000, Wageningen

 

Inhoud

1. Opzet conferentie 211

2. Stellingen en scores 211

3. Acties 213

 

 

 

 

1. Opzet conferentie

Uit de vijf essays en de inventarisatie van de kennisinfrastructuur voor integraal waterbeheer zijn stellingen gedestilleerd. Deze zijn tijdens een conferentie met circa 70 deelnemers, voornamelijk uit de waterwereld, in groepen bediscussieerd. In het ochtendprogramma stonden de thematische stellingen (1 t/m 5) centraal; in het middagprogramma zijn de stellingen over de kennisinfrastructuur besproken. (6 t/m 9). De discussie verliep aan de hand van 2 hoofdvragen:

1. In welke mate bent u het eens met de stelling en waarom?

2. Wat zijn volgens u de belangrijkste acties om het gestelde te realiseren?

De acties zijn aan het slot van de dag gepresenteerd door de voorzitters van de deelsessies. Ter afsluiting hebben de deelnemers "voor" of "tegen" bepaalde acties gestemd.

Hieronder worden de stellingen en de scores vermeld.
Ook de acties en hun scores worden hier weergegeven.
Een uitvoeriger verslag van de discussies is op aanvraag beschikbaar.

2. Stellingen en scores

Stelling 1: De culturele en emotionele betekenis van water

De kennis- en ervaringswerelden van waterexperts en van burgers moeten dringend beter op elkaar worden afgestemd: pas dan kan water een werkelijk effectief ordenend principe voor de ruimtelijke inrichting worden. De culturele en emotionele betekenis van water is van groot belang voor de waardering van de ruimtelijke kwaliteit. In waterbeheer en ruimtelijke ordening moet meer rekening worden gehouden met de culturele achtergronden en de emotionele betrokkenheid van mensen bij waterbeheer.

eens oneens

7 6 1 1

 

Stelling 2: De sociaal-economische betekenis van water

De waarde van water moet breder worden opgevat: water heeft een gebruikswaarde, een belevingswaarde en een toekomstwaarde in het functioneren van ecosystemen. Aangezien hetzelfde water in verschillende gedaantes terugkeert binnen een hydrologische kringloop, dienen deze waarden te worden geïntegreerd tot een totale systeemwaarde. Nieuwe methoden voor kosten/baten-analyse moeten worden verankerd in besluitvormingsprocessen over waterbeheer om daadwerkelijk tot meer integrale en ook op lange termijn verantwoorde afwegingen te komen, die uitgaan van de samenhang van het systeem.

eens oneens

11 3 1

Stelling 3: Naar een waterrijk Nederland

Integraal waterbeheer wordt integraal beheer van ruimte en water. Hierbij ontstaat het beeld van een water- en natuurrijk Nederland. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke inrichting van ons land is het echter moeilijk
om dit beeld vorm te geven. Individuele projecten
stagneren door maatschappelijke weerstand, lange grondverwervingsprocedures en een gebrek aan financiële middelen. Slechts een beperkt aantal relatief kleine en monofunctionele projecten wordt daadwerkelijk in uitvoering genomen. Terwijl juist grootschalige regionale projecten nodig zijn. Watersysteembeheer en ruimtelijke ordening moeten sterker integreren, ook in de kennisontwikkeling.

eens oneens

5 5 1 1

Stelling 4: Trendbreuk in Waterland

Het verdrogingsparadigma heeft voor de waterwereld tot een sterk technisch georiënteerde cultuur geleid. Ingenieurs stonden aan het roer van het waterbeheer. Het vernattingsparadigma vereist een bredere cultuur; bestuurders staan aan het roer van het waterbeheer. De huidige cultuur van de technocratische en relatief gesloten waterwereld en het daaraan gekoppelde overheersend bèta-georiënteerde kennisperspectief is een van de belangrijkste belemmeringen voor de noodzakelijke verbreding van het waterbeheer. Wil de waterwereld de aansluiting met de buitenwereld niet missen, dan zal dringend een cultuurverandering moeten plaatsvinden.

eens oneens

4 8 3 2

Stelling 5: Betrokkenheid van burgers in het waterbeheer

Water als leidend principe is bij uitstek geschikt om de stroperigheid van integrale planvormingsprocessen te verminderen: “Begin met water, de rest komt later”.
Pas dan kan water een werkelijk effectief ordenend principe voor de ruimtelijke inrichting worden. Om de aansluiting tussen waterbeheer en maatschappelijke dynamiek tot stand te brengen moet een participatieve sturingsfilosofie of geïntegreerde methodologie worden ontwikkeld, die verder gaat dan de huidige open of interactieve planvormingsprocessen.

eens oneens

5 7 1 1 1

Stelling 6: Verbreding

Het vernattingsparadigma vraagt om verbreding van de kennisontwikkeling, met meer aandacht voor sociale en bestuurlijke aspecten. Er moet meer strategische kennis komen over de beleving van water, de sociaal-economische betekenis van water, de ruimtelijke samenhangen tussen functies en de organisatie van planvormingsprocessen.

eens oneens

15 1

Stelling 7: Financiering

De departementale programmering en financiering van onderzoek is nog teveel verkokerd voor integrale kennisontwikkeling. Het vernattingsparadigma vraagt om nauwere samenwerking tussen overheden in de programmering en financiering van kennisontwikkeling.

eens oneens

4 1 1

Stelling 8: Samenhang

Er is een veelheid aan initiatieven en instellingen voor kennisontwikkeling op watergebied. De transparantie en toegankelijkheid van de sector zijn gebaat bij een publiek-privaat expertisenetwerk voor integraal waterbeheer, dat een coördinerende rol speelt in de kennisontwikkeling en kennisvragen van marktpartijen en waterbeheerders koppelt aan het kennisaanbod.

eens oneens

1 4 1 2 2

Stelling 9: Wetenschap - praktijk

Er is weinig structurele samenwerking tussen fundamentele kennisontwikkeling en de beheerspraktijk. Kennisontwikkeling moet meer worden geïntegreerd in integrale beheersprojecten: participatieve kennisontwikkeling.

eens oneens

4 6 3 1

Alternatieve stelling

We moeten radicaal breken met het beeld/paradigma dat wetenschap kennis produceert en de praktijk kennis gebruikt. Beide zijn zowel producent als gebruiker.
De opgave voor wetenschap en praktijk is te komen tot intensievere samenwerking bij kennisproductie èn innovatie.

eens oneens

10 3 2 1

 

 

3. Acties

De voorzitters presenteren de acties die in de discussiegroepen naar voren zijn gekomen. Vervolgens geven de deelnemers via het opplakken van gekleurde stickers aan welke actie zij beslist aanraden (groene sticker) en welke actie zij beslist afraden (rode sticker). De acties en de scores worden hieronder geschetst.

 

Doen Niet doen

Verbreding

• Financier ontwerpruimte voor interdisciplinaire vrijdenkers 5 2

• Organiseer opleidingen met verbrede ontwerppraktijk 0 1

• Maak nationaal programma (extra geld of herprioriteren) 0 13

• Maak een waterwinkel/watercafé en organiseer waterkampen 0 2

Financiering

• Kennisontwikkeling als onderdeel van grote voorbeeldprojecten
(met een beperkte allocatie voor fundamenteel onderzoek).
Financiering op rijksniveau (ICES-kader). 6 1

• Voorbeeldprojecten op initiatief van regionale overheden en belanghebbenden;
met competitief inschrijven op projectenpot (ca. 200 miljoen). 11 0

Samenhang

• Verdere analyse probleem (vgl. RAND-studie ICES-KIS) 3 11

• Analyse kennisinfrastructuur 2 3

• Forum: wat/hoe samenhang (evaluatie praktijken, communicatie, co-creatief proces) 1 2

• |Formuleren voorwaarden/eisen programmering/uitvoering 0 3

Wetenschap-praktijk

• Aansturing veranderen 1 3

• Innovatieve netwerken 15 1

• Cultuurverandering en andere afrekenmechanismen 7 0

• Meer uitgaan van maatschappelijke vraagstellingen 0 6

 

TOTAAL 51 48

 

Van der Vlist concludeert uit de scores dat er sprake is van een duidelijke voorkeur van de deelnemers voor bepaalde acties, terwijl bepaalde acties vrij eenstemmig worden afgewezen.

Er is brede steun voor de volgende acties:

• maak innovatieve netwerken (score: +14);

• start voorbeeldprojecten op initiatief van regionale overheden en belanghebbenden, waarbij competitief wordt ingeschreven op een projectenpot van circa ƒ 200 miljoen (score: +11).

Er is ook steun voor:

• cultuurverandering en andere afrekenmechanismen (score: +7);

• kennisontwikkeling als onderdeel van grote voorbeeldprojecten (met een beperkte allocatie voor fundamenteel onderzoek). Financiering op rijksniveau (ICES-kader); (score: +5);

• het financieren van ontwerpruimte voor interdisciplinaire vrijdenkers (score: +3).

De deelnemers waren verdeeld en overwegend negatief over de volgende acties:

• formuleer voorwaarden/eisen aan programmering/uitvoering (score: -3);

• maak een waterwinkel/watercafé en organiseer waterkampen (score: -2);

• verander de aansturing (score: -2);

• analyseer de kennisinfrastructuur (score: -1);

• maak een forum: wat/hoe samenhang (evaluatie praktijken, communicatie, co-creatief proces) (score: -1);

• ontwerp opleidingen met een verbrede ontwerppraktijk (score: -1).

Ronduit negatief was men over de volgende acties:

• maak een nationaal programma (extra geld of herprioriteren) (score: -13);

• maak een verdere analyse van het probleem (vergelijk RAND-studie ICES-KIS) (score: -8);

• ga meer uit van maatschappelijke vraagstellingen
(score: -6).

 

Bijlagen

 

Bijlage 1: Samenstelling klankbordgroep
en projectteam

Klankbordgroep

Ir. J. van der Vlist (voorz.) Hoogheemraadschap USHN

Prof.dr.ir. C. van den Akker TU Delft

Mr. C.N. de Boer Natuurmonumenten

Drs. F.A. Eybergen Ministerie van OCenW

Ir. J. Faber Arcadis (tot 1 juni 1999)

J.J. Feenstra Tweede Kamer

Prof.dr. P. Glasbergen Universiteit Utrecht

Prof.dr.ir. J.L.A. Jansen DTO/KOV

Ir. H.W. Kamphuis RPD

B.J. Krouwel Rabobank Nederland

Ir. A.B. van Luin Ministerie van V&W (tot 1 maart 2000), EMR

Prof.ir. H. Molenaar EUR

Mw. Ir. A.G. Nijhof Ministerie van OCenW (tot 1 juli 1999), RPD

Prof.dr. A.J.M. Smits Rijkswaterstaat Oost / KUN

Dr. J.-P.R.A. Sweerts Rabobank Nederland

Prof.dr.ir. P. Vellinga IVM

Dr.ir. M.C.H. Wagemans Ministerie van LNV

Ir. G.C. van Wijnbergen Zuiveringschap Limburg

Dr. A.N. van der Zande ALTERRA Research Instituut

Projectteam

Ir. F. Duijnhouwer (RMNO, vanaf 1 januari 2000)

Dr. H. Snijders (AWT, vanaf 1 september 1999)

Mw. Drs. M.A.H. Soeters (RMNO, tot 1 januari 2000)

Dr.ir. C.M. Vos (AWT, tot 1 september 1999)

Dr.ir. J.G. de Wilt (NRLO; projectleider)

Dr.ir. J. Wisserhof (KUN; projectsecretaris, gedetacheerd bij NRLO)

 

 

Bijlage 2: Lijst van afkortingen

ACES Amsterdam Centre for Environmental Science

AKWA Advies- en Kenniscentrum Waterbodems

ANWB Koninklijke Nederlandse Toeristenbond

ARISE Amsterdam Research Institute for Substances in Ecosystems

AVV Adviesdienst Verkeer en Vervoer

AWT Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid

BOOM Milieukundig Onderzoek- en OntwerpBuro

BOS Beslissingsondersteunende Systemen

BOT Build On Transfer

BSE Bovine Spongioforme Encephalitis

BuZa Ministerie van Buitenlandse Zaken

CBS Centraal Bureau voor de Statistiek

CDA Christen-Democratisch Appèl

CEMO Centrum voor Estuariene en Mariene Oecologie

CERES Centre for Resource Studies for Development

CIW Commissie Integraal Waterbeheer

CLM Centrum voor Landbouw en Milieu

CML Centrum voor Milieukunde Leiden

CPB Centraal Planbureau

CTG Faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen

CUR Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving

CUWVO Commissie Uitvoering Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren

DC Delft Cluster

DCC Departementaal Coördinatiecentrum

DGM Directoraat-Generaal Milieubeheer

DIOC Delfts Interdisciplinair Onderzoekscentrum

DK Denemarken

DLO Dienst Landbouwkundig Onderzoek

DLV Stichting Landbouwvoorlichting

DSS Decision Support System

DTO Duurzame Technologische Ontwikkeling

DuVo Duurzame Voedingsmiddelenketen

DWK Directie Wetenschap en Kennisoverdracht

DWL Directie Drinkwater, Water en Landbouw

DWW Dienst Weg- en Waterbouwkunde

EEB European Environmental Bureau

EU Europese Unie

EUCC European Union for Coastal Conservation

EUR Erasmus Universiteit Rotterdam

EZ Ministerie van Economische Zaken

F Frankrijk

FAW Faculteit der Aardwetenschappen

FB Faculteit der Biologie

FBij Faculteit der Bedrijfskunde

FBu Faculteit der Bestuurskunde

FBW Faculteit der Beleidswetenschappen

FE Faculteit der Economische Wetenschappen en Econometrie

FEW Faculteit der Economische Wetenschappen

FKS Vereniging van Fabrikanten van Kunststofleidingsystemen voor de Bouw

FR Faculteit der Rechtsgeleerdheid

FRW Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen

FSW Faculteit der Sociale Wetenschappen

Fte Fulltime equivalent

GD GeoDelft

GDR Group Decision Room

GIS Geografische Informatiesystemen

GLTO Gewestelijke Land- en Tuinbouworganisatie

GRP Gemeentelijk Rioleringsplan

GTI Groot Technologisch Instituut

GWWO Grond-, Water- en Wegenbouw-Overlegorgaan

HAN Heidelberg Appèl Nederland

HISWA Nederlandse Vereniging van Ondernemingen in de Bedrijfstak Waterrecreatie

HUSHN Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier

HW Hoofdkantoor van de Waterstaat

HWB Hoogheemraadschap van West-Brabant

IAHR International Association for Hydraulic Research

IAHS International Association of Hydrological Sciences

IBN Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek

ICBM Internationale Commissie ter Bescherming van
de Maas

ICBS Internationale Commissie ter Bescherming van de Schelde

ICES Interdepartementale Commissie voor de Economische Structuurversterking

ICG Interuniversitair Centrum voor Geo-ecologisch Onderzoek

ICHR Internationale Commissie voor de Hydrologie van het Rijngebied

ICID International Commission on Irrigation and Drainage

ICT Informatie- en Communicatietechnologie

IHE International Institute for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering

IKC Informatie- en Kenniscentrum

ILRI International Institute for Land Reclamation and Improvement

IMAU Institute for Marine and Atmospheric Research Utrecht

IPO Interprovinciaal Overleg

IRC Internationale Rijncommissie

ISS Institute of Social Studies

ITC Internationaal Instituut voor Lucht- en Ruimtekartering en Aardkunde

IVAM Interfacultaire Vakgroep Milieukunde

IVM Instituut voor Milieuvraagstukken

JIPs Joint Industrial Projects

JMBC J.M. Burgers Centre for Fluid Dynamics

KBA kosten/baten-analyse

KING Kennis- en Innovatie-Netwerken in de Groene Ruimte

KIS Kennisinfrastructuur

KIvI Koninklijk Instituut van Ingenieurs

KIWA Keuringsinstituut voor Waterleidingartikelen

KNAW Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen

KNMI Koninklijk Nedelands Meteorologisch Instituut

KUB Katholieke Universiteit Brabant

KUL Katholieke Universiteit Leuven

KUN Katholieke Universiteit Nijmegen

KvK Kamer van Koophandel

LCA Levenscyclus Analyse

LEI Landbouw-Economisch Instituut

LLTB Limburgse Land- en Tuinbouw Bond

LNV Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

LOEC Lowest Effect Concentration

LTO Land- en Tuinbouworganisatie

LUW Landbouwuniversiteit Wageningen

LWI Land Water Milieu Informatietechnologie

M&T Onderzoekschool Milieuchemie en -toxicologie

MD Meetkundige Dienst

MEP-TNO Milieu, Energie en Procesinnovatie TNO

MER milieu-effect rapportage

MINAS Mineralen Aangifte Systeem

MIT Massachusetts Institute of Technology

MTR Maximaal Toelaatbaar Risico

N/P Natrium/Fosfor NAP Normaal Amsterdams Peil

NBLF Natuur, Bos, Landschap en Fauna

NCK Nederlands Centrum voor Kustonderzoek

NCR Nederlands Centrum voor Rivierkunde

NEDECO Netherlands Engineering Consultants

NEI Nederlands Economisch Instituut

NGO Non-Gouvernementele Organisatie

NGvA Nederlands Genootschap voor Aquacultuur

NH Directie Noord-Holland

NHV Nederlandse Hydrologische Vereniging

NIDO Nationaal Initiatief voor Duurzame Ontwikkeling

NIM Nederlands Instituut voor Maritiem onderzoek

NIMBY Not in my Backyard

NIOO Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek

NIOZ Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee

NIROV Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting

NITG-TNO Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO

NIWI Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke Informatiediensten

NL Nederland

NLTO Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie

NMP3 Nationaal Milieubeleidsplan 3

NOD Nederlandse Onderzoeksdatabank

NODC Nationale Oceanografische DataCommissie

NOEC No Effect Concentration

NOP Nationaal Onderzoek-Programma

NOVEM Nederlandse Organisatie voor Energie en Milieu

NRLO Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek

NS Nederlandse Spoorwegen

NSG Netherlands Research School of Sedimentary Geology

NVA Nederlandse Vereniging voor Waterbeheer

NW3/NW4 Derde/Vierde Nota Waterhuishouding

NWO Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

NWP Netherlands Water Partnership

OCenW Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

OCP Faculteit Ontwerp, Constructie en Productie

ONRI Organisatie van Nederlandse Raadgevende Ingenieursbureaus

OOD Overlegorgaan Oppervlakte Delfstoffen

OSW Onderzoekschool Waterbouw

OWN Overlegorgaan Water en Noordzee-aangelegenheden

PAC Programma-Adviescommissie

PAK Polynuclear Aromatic Hydrocarbons

PERF Petrol Environmental Resources Forum

PIANC Permanent International Association of Navigation Congresses

PUI Para-Universitair Instituut

PvdA Partij van de Arbeid

PWN Provinciaal Waterleidingbedrijf van Noord-Holland

RARO Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening

RBOI Adviesbureau voor Ruimtelijk Beleid, Ontwikkeling en Inrichting

RECRON Vereniging van Recreatieondernemers in Nederland

RIONED (Stichting) Platform Buitenriolering Nederland

RIKZ Rijksinstituut voor Kust en Zee

RIVO Rijksinstituut voor Visserijonderzoek

RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

RIZA Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling

RMNO Raad voor het Milieu- en Natuuronderzoek

RO Ruimtelijke Ordening

ROM Ruimtelijke Ordening en Milieu

RPD Rijksplanologische Dienst

RPV Laboratorium voor Ruimtelijke Planvorming

RUG Rijksuniversiteit Groningen

RUL Rijksuniversiteit Leiden

RUU Rijksuniversiteit Utrecht

RWS Rijkswaterstaat

SAMWAT Samenwerking op het gebied van het onderzoek ten behoeve van het WATerbeheer

SAR Seas at Risk

SC Staring Centrum

SENSE School for the Socio-Economic and Natural Sciences of the Environment

SKB Stichting Kennisontwikkeling en Kennisoverdracht Bodem

STORA Stichting Toegepast Onderzoek Reiniging Afvalwater

STOWA Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer

STS Department of Science, Technology and Society

TAW Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen

TBM Faculteit Techniek, Bestuur en Management

TCB Technische Commissie Bodembescherming

TDA Target Driven Activity

T&M Faculteit Technologie & Management

TNO Nederlandse Organisatie voor Toegepast-Natuurwetenschappelijk Onderzoek

TRAIL Onderzoekschool voor Transport, Infrastructuur en Logistiek

TUD Technische Universiteit Delft

TUE Technische Universiteit Eindhoven

UK Verenigd Koninkrijk

UM Universiteit Maastricht

UNDP United Nations Development Program

UNICEF United Nations International Children’s Emergency Fund

UT Universiteit Twente

UU Universiteit Utrecht

UvA Universiteit van Amsterdam

UvW Unie van Waterschappen

V&W Ministerie van Verkeer en Waterstaat

VBKO Vereniging van waterbouwers in Bagger-, Kust- en Oeverwerken

VEWIN Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland

VINEX Vierde Nota Extra

VNG Vereniging van Nederlandse Gemeenten

VNO-NCW Algemene Werkgeversvereniging VNO-NCW

VOC Verenigde Oostindische Compagnie

VPB Vereniging van Producenten van Betonleidingsystemen

VROM Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

VU Vrije Universiteit

VVD Volkspartij voor Vrijheid en Democratie

VVV Vereniging voor Vreemdelingenverkeer

VWN Vereniging voor Waterleidingbelangen in Nederland

W+B Witteveen & Bos

W&T wetenschap en technologie

WB21 (Commissie) Waterbeheer 21e eeuw

WD Waterschap De Dongestroom

WEW Werkgroep Ecologisch Waterbeheer

WF Wetterskip Fryslân

WGG Waterschap Groot Geestmerambacht

WGS Waterschap Groot Salland

Whh Waterhuishouding

WHO World Health Organization

WIMEK Wageningen Instituut voor Milieu- en Klimaatonderzoek

WL Waterloopkundig Laboratorium

WLTO Westelijke Land- en Tuinbouw Organisatie

WMD Watermaatschappij Drenthe

WNF Wereld Natuur Fonds

WOCB Werkgroep Olie- en Chemicaliën-bestrijding

WONS Werkstructuur Onderzoek Natte Sector

WRD Waterschap Regge en Dinkel

WRR Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

WSV Watersysteemverkenningen

WUR Wageningen Universiteit en Research Centrum

WVO Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren

WWF World Water Forum

WWW Waterschap Wold en Wieden

ZHEW Zuiveringschap Hollandse Eilanden en Waarden

ZL Directie Zeeland

ZLTO Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie

ZVW Zeeuws-Vlaamse Waterschappen

 

 

 

 

Colofon

AWT

De Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) is het adviesorgaan van de regering in Nederland voor het wetenschaps- en technologiebeleid. Binnen het Kabinet worden deze beleidsterreinen gecoördineerd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (wetenschapsbeleid) en de Minister van Economische Zaken (technologiebeleid). De Raad is aanvankelijk ingesteld bij Wet van 2 november 1990, en daarna opnieuw bij Wet van 30 januari 1997.

Taken

1. Raad heeft tot taak de regering en de Staten-Generaal te adviseren over het te voeren wetenschaps- en technologiebeleid in nationaal en internationaal verband, daaronder begrepen de wetenschappelijke en technologische informatieverzorging.

2 De Raad heeft tevens tot taak op het verzoek van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen verkenningen op het gebied van wetenschap en technologie uit te voeren, dan wel deze te doen uitvoeren. De Raad stelt de resultaten van deze verkenningen in de vorm van rapporten algemeen verkrijgbaar en brengt deze ter kennis van de daarvoor in aanmerking komende instellingen op het gebied van wetenschap en technologie.

De kern van de adviestaak richt zich op het kennis- en innovatietraject en de ontwikkelingen daarvan. De advisering kan ook betrekking hebben op aangelegenheden die invloed hebben op, dan wel het gevolg zijn van wetenschapsbeoefening en technolo gische ontwikkeling.

De leden zijn afkomstig uit de verschillende geledingen (universiteit, bedrijfsleven, e.d.) van de maatschappij. De leden hebben op persoonlijke titel zitting in de Raad en vertegenwoordigen geen gevestigde belangen.

NRLO

De Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) is een denktank, bestaande uit op vernieuwing gerichte personen uit kennisinstellingen, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en overheidsorganisaties.

De doelstelling van de NRLO is bij te dragen aan vernieuwingen in het kennis- en innovatiebeleid voor de agrosector, groene ruimte en visserij door middel van strategische toekomstverkenningen. De NRLO fungeert als broedplaats voor systeeminnovaties.

RMNO

De Raad voor het Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO) is een sectorraad met de taak de Regering, i.c. de Ministers van EZ, LNV, OCenW, VROM en V&W te adviseren over aangelegenheden betreffende het milieu- en natuuronderzoek op de (middel)lange termijn. Daartoe ontwikkelt de Raad een visie op onderzoeksbeleid, kennis en kennisinfrastructuur in verband met milieu en natuurvraagstukken op de (middel)lange termijn en doet hij voorstellen ter bevordering van de coördinatie en stimulering van het onderzoek.

De Raad is tripartite samengesteld en bestaat uit vertegenwoordigers afkomstig uit het beleid, onderzoek en gebruikers van onderzoek (NGO’s).

 

 

 

 

 

 

AWT

Javastraat 42

2585 AP Den Haag

Tel 070 - 363 99 22

Fax 070 - 360 89 92

E-mail: Secretariaat@awt.nl

URL: http://www.awt.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NRLO

Bezuidenhoutseweg 73

Postbus 20401

2500 EK Den Haag

Tel 070 378 56 53

Fax 070 378 61 49

E-mail: m.j.v.schouten@nrlo.agro.nl

URL: http://www.agro.nl/nrlo

 

 

 

RMNO

Huis te Landelaan 492,

postbus 5306

2280 HH Rijswijk

Tel 070-336 43 00

Fax 070-336 43 10

E-mail: mailto:bureau@rmno.nl

URL: http://www.rmno.nl