R. Rabbinge (LUW-TPE)
November 1996
Dit essay is een van de twee essays die zijn gepubliceerd in NRLO-rapport 96/15. Het andere essay is van de hand van Herman Koningsveld.
Inhoudsopgave:

De twee essays die in dit rapport zijn opgenomen
vormen een van de deelactiviteiten voor de verkenning "Landbouwwetenschappen
in 2010: de positie van de LUW". De verkenning is uitgevoerd
door de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) en
de OverlegCommissie Verkenningen (OCV) op verzoek van de Minister
van LNV en zijn collega van OCenW. In het rapport "Wageningen in profiel" zijn de belangrijkste resultaten
van de verkenning opgenomen. Bij de verkenning zijn uiteenlopende
personen en instellingen ingeschakeld om deelactiviteiten uit
te voeren.
Dr. H. Koningsveld en Prof.Dr.Ir. R. Rabbinge
hebben op verzoek van de Verkenningscommissie een essay geschreven.
Als centrale vraagstelling voor het essay was geformuleerd: "Welke
strategie zou de LUW volgens U het beste kunnen volgen om, gelet
op veranderingen die zich in de omgeving van de LUW voltrekken,
sterk te staan in 2010".
Volgens Koningsveld gaat achter de door de
Verkenningscommissie geformuleerde vraag een andere vraag schuil,
nl.: "Hoe hoort een universitair beoefende landbouwwetenschap
er in de toekomst uit te zien?" Deze vraag stelt Koningsveld
in zijn essay centraal.
Rabbinge plaatst de veranderingen in de samenleving
in het algemeen en die van landbouw- en natuurbeheer in het bijzonder
in een historisch perspectief. Daarbij staat de ontwikkeling van
het Kenniscentrum Wageningen centraal.
De verantwoordelijkheid voor de inhoud van
de essays berust uitsluitend bij de auteurs.
Inzichten die de essays hebben opgeleverd zijn
in het verkenningenproces benut en hebben hun neerslag gevonden
in het rapport "Wageningen in profiel".
De voorzitter van de Verkenningscommissie "Landbouwwetenschappen in 2010: de positie
van de LUW",
Mevrouw Dr. A.D. Wolff-Albers.
In zijn nota 'Dynamiek en vernieuwing' maakt
de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij melding van
bijzondere aandacht voor de herijking en vernieuwing van één
van zijn belangrijkste instrumenten, het kennis, innovatie en
technologiebeleid.
Hij deelt mede dat dit instrument in het licht
van de maatschappelijke veranderingen, de beoogde vernieuwing
van de sector en de verbreding van de beoogde doelen van LNV,
aanpassing behoeft. In het navolgende zal op die veranderingen
in de samenleving in het algemeen, en die van landbouw- en natuurbeheer
in het bijzonder, welke van belang zijn voor de kennis-innovatiepyramide
worden ingegaan. Die veranderingen zullen in historisch perspectief
worden geplaatst en worden voorzien van een nadere beoordeling
van de kansen voor het kenniscentrum Wageningen (Wageningen Centre
of Agro Technology). De vereiste aanpassingen in inhoudelijke,
organisatorische en financiële zin zullen daarna worden besproken.
Tenslotte zullen een aantal aanbevelingen worden gedaan om tot
een sanering en vernieuwing van de top van de kennis-innovatiepyramide
(LUW/DLO) te komen waarmee het volgende centennium met vertrouwen
kan worden ingegaan.
Rationalisering van landgebruik vergt het gebruik
van de betere gronden voor landbouwkundige doelen, milieukundige
doelen worden daar doorgaans ook het meest mee gediend. Per eenheid
van oppervlak en ook per eenheid van product zijn de neveneffecten
van landbouwkundige activiteit dan het geringst. Te sterke specialisatie,
te nauwe vruchtrotaties en de grote generieke intensivering als
gevolg van beperkte bedrijfsgrootte (eens in de 2 á 3 jaar
aardappelen, te vaak bollen op hetzelfde perceel of teveel grootvee-eenheden
per ha) veroorzaken problemen, die alleen door structuuraanpassing
en bedrijfsvergroting kunnen worden opgelost of door nevenactiviteiten
of samenwerkingsverbanden.
Dat is dus weer hermenging, terwijl de laatste
decennia vooral sprake was van ontmenging en specialisatie. Op
zich is die specialisatie niet slecht doch zodra dat gepaard gaat
met te sterke ontkoppeling van verschillende plantaardige productiesystemen
en ontkoppeling van dierlijke en plantaardige productie worden
milieutechnische nadelen geïntroduceerd. Een sterke verwetenschappelijking
van de landbouwkundige productie heeft gedurende de laatste decennia
plaatsgevonden. Landbouw is in toenemende mate een sterk op natuurwetenschappelijke
inzichten en kennis gebaseerde activiteit. De trial and error
benadering is daarmee sterk verminderd. De oude concepten van
de landbouwwetenschappen, die in het verleden zo succesvol waren,
maken daarmee plaats voor nieuwe benaderingen en principes. Systeemanalytische
benaderingen en simulatie slaan de bruggen tussen kennis over
de basisprocessen en de kennis van het functioneren van de systemen.
Dat is een nieuwe stap in de ecologisering en modernisering van
de landbouwkundige productie.
Nederland liep en loopt daarbij in zeer vele
bedrijfstakken voorop. Dat komt tot uiting in het wereldmarktaandeel,
de sterk op kennis gebaseerde activiteiten en de relatief sterke
positie van B.V. Agri Nederland in de wereld. In een wat verdergaande
analyse toonden v.d. Meer c.s. 1991 aan dat dit alleen kan worden
volgehouden als er nogal wat veranderingen plaats gaan vinden.
Daar wordt verderop op ingegaan.
De Nederlandse overheid heeft altijd geopteerd voor dynamiek en vernieuwing via het structuurbeleid, het prijs en inkomensgarantiebeleid en het kwaliteitsbeleid en vooral ook het kennis-, innovatie- en technologiebeleid. Dit beleid kwam o.a. tot uiting in de oprichting van de LUW, het hoger landbouwonderwijs, de financiering en oprichting van proefstations, de opzet van landbouwkundige onderzoeksinstituten en de grote betrokkenheid bij kennisoverdracht via landbouwvoorlichting en praktijkonderzoek. Telkenmale is als elders werd gesaneerd in Nederland vernieuwd en geïnvesteerd. Dit alles heeft de Nederlandse land- en tuinbouw geen windeieren gelegd en nog steeds is het competitief vermogen van het merendeel van de agrarische bedrijfstakken relatief groot. Dat is mede het gevolg van de innovatieve kracht van die bedrijfstakken. De toenemende concurrentie voor vrijwel alle bedrijfstakken door buitenlandse bedrijven en mogendheden dwingt tot een herpositionering gebaseerd op een strategische analyse. Vele verkenningen naar het relatieve concurrentievermogen zijn vaak opgezet vanuit een betrekkelijk nauwe invalshoek, bijv. het rapport van AT-Kearney 'de markt gemist', doch andere analyses waren breder qua doelstellingen en opzet en waren ook minder pessimistisch: vergl. 'Schone zakelijkheid' van het Landbouwschap en de WRR-rapporten 'Grond voor Keuzen' en 'Technologiebeleid'. In die rapporten worden analyses gegeven van de mogelijkheden van de verschillende bedrijfstakken en wordt in beeld gebracht waar de kansen en bedreigingen liggen. Daarbij wordt duidelijk dat vooral het voortgaan op de weg naar kennisintensivering van producten en productieprocessen perspectieven biedt. De grondgebonden landbouw in Europa staat mede als gevolg van de voortgaande produktiviteitsstijging per ha en per mensjaar voor een ingrijpende verandering. In de studie 'Grond voor Keuzen' zijn een aantal scenario's verkend. Daarbij blijkt in alle gevallen, zeker op macroniveau, een verandering in grondgebruik onvermijdelijk. Op microniveau en van regio tot regio kan dat nog wel verschillen. De perspectieven voor de niet-grondgebonden kennisintensieve, sterk op export georiënteerde en hoogwaardige productie in verschillende bedrijfstakken lijken het best, aldus beide studies. Daar zou Nederland zich op moeten richten.
Die brede oriëntatie van de Nederlandse land- en tuinbouw is zijn kracht en kan ook in de toekomst perspectief bieden. Dat komt evenwel niet vanzelf. Er is o.a. een grondige vernieuwing van de kennis- en innovatiepyramide nodig opdat - nu zo'n 100 jaar aan de krachtige positie van de Nederlandse land- en tuinbouw (dit betreft vrijwel alle 17 bedrijfstakken en van primaire producent tot verwerkende industrie) is gewerkt - daar ook in de volgende eeuw een goede bijdrage aan te leveren. Daarbij kan niet worden volstaan met lap- en plakwerk aan het huidige gebouw. De nieuwe vragen, de verbreding van doeleinden en de maatschappelijke ontwikkelingen vergen een herpositionering. Het kennis en innovatiebeleid kan alleen succesvol blijven als die herpositionering met voortvarendheid wordt aangepakt. Dat vergt veranderingen in: 1. de inhoudelijke accenten; 2. de relatie tussen de verschillende gebruikers en leveranciers van kennis en innovatie; 3. de organisatie; 4. de aansturing, en 5. de financiering.
1. demografische ontwikkelingen;
2. karakter Wageningse opleiding (1e en 2e fase) in het kader van de universitaire opleidingen;
3. verzelfstandiging/outputfinanciering landbouwkundig onderzoek;
4. internationalisering;
5. verbreding doelstellingen landbouwkundig onderzoek.
Demografische ontwikkelingen
De veranderingen in de samenstelling van de
Nederlandse bevolking qua beroepsgroepen en leeftijdsopbouw hebben
beide tot gevolg dat het potentiële aantal deelnemers aan
het hoger landbouwonderwijs (HAO en LUW) in de komende 10 jaar
verder zal afkalven. Gedurende de laatste 10 jaar is het aantal
studenten aan de LUW al verminderd van zo'n 8.000 naar 5.000.
Een verdere daling tot een niveau tussen de 2.000 en 3.000 lijkt
niet onwaarschijnlijk. Dat is deels het gevolg van de genoemde
demografische ontwikkelingen en deels het gevolg van de verkorte
studieduur die met de 2 fasen structuur voor de 1e fase opleidingen
is gerealiseerd. Zelfs als het relatieve aandeel van de Wageningse
opleiding kan worden vergroot zal de omvang van het aantal studenten
in de 1e studiefase niet veel omvangrijker zijn dan zo'n 2500
à 3000 studenten. Desondanks is die 'undergraduate' opleiding
vanwege z'n bijzondere karakter van grote betekenis.
In die 'undergraduate' opleidingen vonden recent
nogal wat veranderingen plaats die voor een deel van dezelfde
aard zijn als die welke voor de andere universitaire opleidingen
golden. In een uitgebreide analyse van de universitaire opleidingen
en de toekomst van het hoger onderwijs constateert de WRR in z'n
rapport 'Hoger onderwijs in fasen' dat differentiatie in opleidingen
heeft plaatsgevonden alsook een verandering van de aard van de
studie die nu meer gericht is op richtingsspecifieke kennis dan
op brede academische vorming. Dit heeft geleid tot een zeer breed
scala van universitaire opleidingen (voor Nederland van 80 naar
bijna 300 in nog geen 15 jaar) waarbinnen de nauwe specifieke
domeinkennis weliswaar voldoende tot ontwikkeling wordt gebracht
omdat vrijwel uitsluitend die specialistische kennis wordt gegeven,
doch dat de verwachtingen van publieke en private werkgevers t.a.v.
analytisch vernuft, methodische diepgang, oplossingsgerichtheid,
creativiteit, zelfstandigheid, leiderschap en communicatieve vaardigheden
niet worden beantwoord. Prototypisch is het oordeel van vele internationale
visitatiecommissies en de kritische kanttekeningen van afgestudeerden
bij de genoten opleiding. Zelden is er kritiek op de disciplinaire
en/of domeinkennis, maar vooral op de academische vaardigheden.
Ook bij een academische beroepsopleiding als de Wageningse is
er kennelijk door de combinatie van studieduurverkorting en vergaande
specialisatie een ernstige academische verschraling opgetreden.
Aard van de Wageningse studie
Gedurende de laatste 10 jaar is het accent
van de Wageningse universiteit wat betreft de afgestudeerden verschoven.
In toenemende mate zijn de 2e fase studenten, die een proefschrift
voltooien bepalend geworden voor de opleiding. In nog geen 10
jaar is het aantal promoties per jaar verdrievoudigd (van 50 naar
150). De achtergrond (vooropleiding) van die promovendi is veel
diverser dan voorheen. Velen hebben een opleiding aan een andere
Nederlandse universiteit of aan een buitenlandse universiteit
achter de rug (ruwweg 1/3 Wageningse, 1/3 andere Nederlandse universiteit,
1/3 buitenlands).
De probleemgeoriënteerde Wageningse universiteit
groeit daarmee naar eenzelfde type graduate school als het Massachusett's
Institute of Technology (MIT), dit in tegenstelling tot de algemene
universiteiten die vooral hun centre of excellence status ontlenen
aan de 1e fase opleiding (vergl. Harvard en Yale en de in Utrecht
ingezette ontwikkelingen).
Het overgrote merendeel van de promovendi aan
de LUW verricht het onderzoek en volgt de opleiding binnen één
van de 5 door de KNAW erkende Wageningse onderzoeksscholen. In
feite zijn dat subscholen binnen één Wageningse
graduate school.
Deze ontwikkeling heeft zich zonder een actief
beleid voltrokken. Veel van de MSc (te veel) opleidingen
en de PhD opleidingen in onderzoeksscholen zijn gegroeid in reactie
op een groeiende vraag. De positie van Nederland als wereldmarktleider
op het gebied van hoogwaardige producten van land- en tuinbouw
(uitgangsmateriaal, bloemen, bollen, boomteeltproducten, pootaardappelen,
zaaizaad) en de gerenommeerde positie van het kenniscentrum Wageningen
heeft daar aan bijgedragen.
Formalisering van de opleidingen heeft plaatsgevonden
via de MSc programma's en de onderzoeksscholen (of liever PhD
programma's binnen één Wageningse onderzoeksschool).
De PhD opleiding is volledig op onderzoekers
gericht. De MSc opleiding kent ook een grote groep onderwijsvragenden
die een academische beroepsopleiding willen die anders is gericht
dan de onderzoekersopleiding. Vaardigheden, synthetisch en analytisch
vermogen en toepassing van domeinkennis worden daarbij belangrijker
geacht dan de op kennis, inzicht en onderzoekservaring gerichte
onderzoeksopleiding.
Ook de HAO-opleidingen zijn zich veel meer
op een aanvulling op de basisopleiding gaan richten. Daartoe werden
zowel met de Wageningse opleiding via zg. doorstroomprogramma's
en recent via professional master-opleidingen met buitenlandse
universiteiten verbintenissen gesloten. Dat betekent een realisatie
van de professional masters's status. In sommige gevallen is dat
een bijkans administratieve handeling. De verbinding met 'Wageningen'
komt nog maar sporadisch van de grond.
Financiering en organisatie
De verzelfstandiging en output financiering
heeft ingrijpende gevolgen voor de onderzoeksinstellingen op landbouwkundig
gebied. Het onderzoek dat zich het dichtst tegen de agribusiness
aan beweegt komt het snelst voor externe financiering in aanmerking,
doch ook de andere instituten en de LUW blijken goed in staat
externe fondsen te vinden voor het financieren van het onderzoek.
De LUW is zelfs relatief de grootste fondsenwerver van de Nederlandse
universiteiten. Toch is er een groot verschil tussen de verschillende
instituten. Met name indien collectieve doelen worden nagestreefd
zijn de mogelijkheden beperkt. De aandacht die nodig is voor fondsenwerving
is dan soms disproportioneel en daardoor neemt de overhead op
centraal en decentraal niveau schrikbarend toe. Dat heeft tot
gevolg dat in lang niet alle gevallen de beoogde produktiviteit,
efficiëntie en effectiviteitsdoelen worden gerealiseerd.
Internationalisering
Het internationale karakter van Wageningen
is de laatste jaren versterkt. Dat geldt zowel voor de DLO-instituten
als de LUW. Buiten Wageningen wordt het verschil minder gezien
en zeker niet zo sterk gevoeld als binnen Wageningen. Samenwerking
op diverse plaatsen in de wereld, sterke groei van de zg. MSc
programma's en een bloeiend Sandwich PhD programma zijn illustratief
voor die ontwikkelingen. In potentie zijn daar gezien de belangstelling
nog veel meer mogelijkheden. Het bescheiden aantal beurzen laat
uitbreiding niet toe.
Op de Europese onderzoeksmarkt draaien de instituten
goed mee. Ook daar is zeker door bundeling van de Wageningse inspanningen
nog meer resultaat te boeken. De internationalisatie is zowel
voor de onderzoeksinstellingen op zich als voor de sector landbouw
als totaal een welbegrepen eigen belang. Investeringen op dit
gebied die gericht zijn op uitbating van de sterke punten kan
zeer productief zijn. Dat is op diverse gebieden gebleken.
Inspelen op verbreding van doelstellingen
In toenemende mate zijn de doelstellingen van het landbouwkundig onderzoek verbreed. Zo is voor milieu, natuur en ook op productieketens gericht onderzoek meer aandacht gekomen en is plattelandsontwikkeling op de onderzoeksagenda gekomen. De op inzicht, verklaring en productietechnieken gerichte onderzoeksactiviteiten zijn aangevuld met explorerende en horizonverruimende onderzoeksactiviteiten.
Vanuit die uitgangspunten zou een nieuwe organisatiestructuur voor LUW en DLO er globaal als volgt uit kunnen zien:
Om deze voorstellen verder te beargumenteren hier bij wijze van voorbeeld een nadere uitwerking van DLO en LUW en een vergelijking met andere universiteiten.
De ontwikkeling van DLO en LUW in de richting
van het "Wageningen Institute of Agriculture Technology is
in feite niets meer dan de formele bevestiging van een ingezette
trend. Voor de meeste internationale studenten aan de LUW fungeert
de universiteit als graduate school. Ze volgen er programma's
die leiden tot een internationaal erkende (onderzoeks)master's
(MSc) of ingenieurs, professional master's met dezelfde internationale
erkenning en een internationaal erkend PhD of doctoraat (dr.ir.)
Ook voor Nederlandse studenten zou een dergelijk moment van inschrijving
c.q. selectie interessant kunnen zijn. Dat is voor de PhD opleiding
nu reeds veelvuldig het geval, maar dit zou ook voor de MSc opleiding
kunnen gelden als elders (d.w.z. aan andere Nederlandse universiteiten)
eerste fase (BSc) opleidingen worden gevolgd. Het voortraject
van de Nederlandse studenten zou niet afwijken van dat van hun
buitenlandse collega's. Voor de Nederlandse verhoudingen betekent
dat een breed en funderend kandidaats- of bachelorsprogramma.
Met name een sterke natuurwetenschappelijke vooropleiding is vereist.
Dergelijke pakketten zouden aan verschillende Nederlandse opleidingen
kunnen worden gevolgd. Ook de LUW zal overigens in de toekomst
een eerste fase instroom behouden, die in het licht van de demografische
ontwikkelingen niet erg omvangrijk zal zijn, maar via de koppeling
aan de graduate opleiding van hoge kwaliteit zal zijn. Een rekenvoorbeeld
kan het typische "graduate" karakter van de LUW onderstrepen.
Bij een gequoteerd aantal van bijvoorbeeld 5000 studentplaatsen
per jaar zou de eerste fase (tot BSc) 2000 studentplaatsen (800,
600 en 600 in de drie opeenvolgende jaren); de tweede fase (MSc)
1900 (waaronder een externe instroom van ongeveer 900 buitenlandse
studenten), verdeeld over 1000 studentplaatsen in het eerste en
900 in het tweede jaar; en tenslotte nog eens 1100 studentplaatsen
in de derde fase, waardoor er zo'n 250 promoties (PhD's) per jaar
plaatsvinden.
Dit getallenvoorbeeld illustreert het karakter
van de Wageningse universiteit, zeker als men dat vergelijkt met
bijvoorbeeld de faculteit der sociale wetenschappen aan de RUU;
bij een quotum van 3000 studentjaren per jaar is daar de verdeling
2050 studentjaren in de 1e fase (BSc), 850 in de 2e
fase (MSc) en 100 in de 3e fase (PhD). De instroom
van buiten is daar vrijwel afwezig.
De Wageningse universiteit (met DLO) kan, gebruikmakend van de toenemende vraag en de positie in de wereld, via deze ontwikkeling dit Nederlandse specimen van hoogwaardige en op de internationale context gerichte landbouwtechnologie behouden en versterken.
De ambitie om hét wereldcentrum op het gebied van de landbouwtechnologie te zijn kan de basis motiveren en de top een duidelijke taakstelling geven. Dusdoende kan Wageningen z'n betekenis in de wereld behouden. Het werkveld is mooi en dankbaar. De kansen zijn er, de mogelijkheden kunnen worden gecreëerd; ze moeten nu worden gegrepen.
Rabbinge, R. 1979. Een eeuw landbouwkundige ontwikkeling in vogelvlucht; selectieve ontwikkeling: noodzaak! maar ook mogelijk? Spil (febr.-maart 1979) 6, 148-151.
Wit, C.T. de, 1992. Over het efficiënte gebruik van hulpbronnen in de landbouw. Spil (december 1992) 5, 40-52.
WRR 1992, Grond voor Keuzen, vier perspectieven voor de landelijke gebieden in Europa. SDU, Rapporten aan de regering ISBN 90-399-0308-5.
WRR 1991, Technologie en overheid. SDU, rapporten
aan de regering ISBN 90-39-90023-X.