Landbouwwetenschap aan de universiteit van 2010

Essay voor de verkenning "Landbouwwetenschappen in 2010: de positie van de LUW"

H. Koningsveld
November 1996

Dit essay is een van de twee essays die zijn gepubliceerd in NRLO-rapport 96/15. Het andere essay is van de hand van Rudy Rabbinge.
 

Inhoudsopgave:

  1. Inleiding
  2. Duurzaamheid
  3. Duurzame landbouw
  4. Landbouwwetenschap
  5. Een nieuwe taak voor de universitaire landbouwwetenschap
  6. De onvermijdelijkheid van normatieve theorievorming
  7. Normatieve theorievorming
  8. Tot slot: in concreto

 

Voorwoord bij rapport 96/15

De twee essays die in dit rapport zijn opgenomen vormen een van de deelactiviteiten voor de verkenning "Landbouwwetenschappen in 2010: de positie van de LUW". De verkenning is uitgevoerd door de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek (NRLO) en de OverlegCommissie Verkenningen (OCV) op verzoek van de Minister van LNV en zijn collega van OCenW. In het rapport "Wageningen in profiel" zijn de belangrijkste resultaten van de verkenning opgenomen. Bij de verkenning zijn uiteenlopende personen en instellingen ingeschakeld om deelactiviteiten uit te voeren.
Dr. H. Koningsveld en Prof.Dr.Ir. R. Rabbinge hebben op verzoek van de Verkenningscommissie een essay geschreven. Als centrale vraagstelling voor het essay was geformuleerd: "Welke strategie zou de LUW volgens U het beste kunnen volgen om, gelet op veranderingen die zich in de omgeving van de LUW voltrekken, sterk te staan in 2010".

Volgens Koningsveld gaat achter de door de Verkenningscommissie geformuleerde vraag een andere vraag schuil, nl.: "Hoe hoort een universitair beoefende landbouwwetenschap er in de toekomst uit te zien?" Deze vraag stelt Koningsveld in zijn essay centraal.
Rabbinge plaatst de veranderingen in de samenleving in het algemeen en die van landbouw- en natuurbeheer in het bijzonder in een historisch perspectief. Daarbij staat de ontwikkeling van het Kenniscentrum Wageningen centraal.

De verantwoordelijkheid voor de inhoud van de essays berust uitsluitend bij de auteurs.
Inzichten die de essays hebben opgeleverd zijn in het verkenningenproces benut en hebben hun neerslag gevonden in het rapport "Wageningen in profiel".

De voorzitter van de Verkenningscommissie "Landbouwwetenschappen in 2010: de positie van de LUW",

Mevrouw Dr. A.D. Wolff-Albers.

 

Vernieuwing van de kennis-innovatiepyramide en de positie van de LUW

1. Inleiding

In het kader van een toekomstverkenning naar de landbouwwetenschappen en de positie van de Landbouwuniversiteit te Wageningen (LU) daarin, ontving ik van de NRLO het verzoek een essay te schrijven met de volgende vraagstelling:
"Welke strategie zou de LUW volgens U het beste kunnen volgen om, gelet op de veranderingen die zich in de omgeving van de LUW voltrekken, sterk te staan in 2010?"
In een bijlage bij het aan mij gerichte verzoek, waarin de kernpunten van genoemde toekomstverkenning worden genoemd, komt deze vraagstelling in een drietal kernvragen nog wat helderder naar voren: Tenslotte werd opgemerkt dat mijn essay gebruikt zou worden om uiteenlopende strategieën voor de LUW te ontwerpen.
Het verzoek riep in de eerste plaats verwondering op. Ik heb geen verstand van strategie-ontwerpen, van omgevingsvariabelen, sterk-zwak-analyses en wat dies meer zij, en ben dus op geen enkele wijze gekwalificeerd een interessant antwoord op deze strategische vragen te leveren. Maar het riep ook een gevoel van onbehagen op. Zou men werkelijk denken dat dat kan; een zodanig preciese voorspelling doen over de omgeving van de LU in 2010, dat je daaruit zinnige conclusies kunt trekken voor de inrichting van het landbouwwetenschappelijk onderwijs en onderzoek tegen die tijd? Mij lijkt dat volstrekt onmogelijk. Maar áls dat al zou kunnen, zou de LU zich dan, net als een consument-gericht bedrijf, moeten richten naar de wensen van agribusiness en groene ruimte om in die veranderde omgeving sterk te kunnen staan? Moet de LU gezien worden als de leverancier van een drietal cognitieve goederen, namelijk academisch opgeleiden, (academische) kennis en technologie, waarvan de kwaliteit door de vraag van agribusiness en groene ruimte wordt bepaald? Zou je dan eigenlijk nog wel met recht van een universiteit kunnen spreken, als die instelling haar onafhankelijkheid heeft opgegeven terwille van een sterke marktpositie? Kortom, het zou wel eens kunnen zijn, dat achter de vraagstelling van de NRLO een twijfelachtig idee van landbouwwetenschap en universiteit schuilgaat. Die strategische vraagstelling roept dus een inhoudelijk probleem op, dat ik open en bloot normatief formuleer:

"Hoe hoort een universitair beoefende landbouwwetenschap er in de toekomst uit te zien?"

Aan deze vraag, die naar mijn mening aan de strategische voorafgaat, wil ik in dit essay aandacht geven. Ik zal daarbij aansluiten bij een belangrijke gebeurtenis in de herfst van 1992. Toen heeft de Landbouwuniversiteit zich in haar missie expliciet met een duurzame landbouw geëngageerd! Ze wil de wetenschappelijke kennis ontwikkelen en uitdragen die de samenleving nodig heeft om op duurzame wijze te voorzien in haar behoefte aan voldoende en gezond voedsel en een goed leefmilieu, aldus haar Strategisch Plan. Ik vind dit nog steeds een belangrijke, maar ook een zeer intrigerende gebeurtenis. Intrigerend, omdat ik meen dat deze expliciet-maatschappelijke positiebepaling van de LU vergaande gevolgen heeft voor de beantwoording van de normatieve vraag, die ik in dit essay wil bespreken. Ik denk dat die gevolgen bij de formulering van de missie niet expliciet zijn overdacht en wil ze daarom hier naar voren halen.

 

2. Duurzaamheid

Laat ik eerst en korte beschouwing wijden aan het duurzaamheidbegrip. Het gaat me daarbij niet om een definitiekwestie - zulke kwesties leveren vaak wel veel ingenieus verbaal gejongleer, maar nauwelijks winst in inhoudelijk opzicht. Ik wil vooral aandacht vragen voor de ongewoonheid van het probleem waarvoor het ons stelt.
In verwonderlijk korte tijd is duurzaamheid een wereldberoemd thema geworden en een belangrijk maatschappelijk vraagstuk. Het is niet beperkt tot Nederland, maar duikt overal ter wereld op; het is niet alleen een politiek issue, maar speelt ook in andere sectoren van onze cultuur, bijvoorbeeld in de wetenschap, een grote rol; het is niet alleen een zaak van werkgevers, maar ook van werknemers; het is niet alleen in de rijke, maar ook in de arme landen aan de orde; het is een thema dat niet in termen van 'links' of 'rechts' te plaatsen is. Het lijkt er sterk op dat het gaat om een zaak die boven allerlei partijen en deelbelangen uitgaat. Met duurzaamheid lijken we op een algemeen belang te zijn gestuit.
Uiteraard is niet iedereen het met zo'n kwalificatie van duurzaamheid eens. Sommigen noemen het modieus - de volgende mode; een nieuwe kreet zal niet lang op zich laten wachten. Anderen zien 'duurzaamheid' als een pr-attribuut. Zolang het in de mode is, is het heel geschikt om eigen straatje schoon te vegen of om geld voor eigen club te veroveren. En tenslotte zijn er cynici, die meesmuilend opmerken, dat de tijd van de grote idealen voorbij is, dus ook die van de duurzame samenleving waarmee het Algemeen Belang gediend zou worden.
Ik denk dat we met duurzaamheid iets heel belangrijks op het spoor zijn. Juist daarom meen ik ook, dat deze drie kritische posities serieus genomen en beantwoord moeten worden, ook al is dit essay niet de geschikte plaats daarvoor. Hier wil ik nagaan wat duurzaamheid voor de toekomst van de landbouwwetenschap betekent. En laat ik het maar meteen toegeven, duurzaamheid is inderdaad een nogal vaag ideaal. Duurzaamheid is een soort strijdkreet, te vergelijken met 'vrijheid, gelijkheid en broederschap'. Ook dat was in eerste instantie een vaag idee, dat een verlangen of gevoelen belichaamde, dat nog niet goed onder woorden gebracht kon worden, maar wat zich niettemin aan vele mensen opdrong. Pas geleidelijk hebben de noties van vrijheid, gelijkheid en broederschap (nu meestal solidariteit geheten) in de westerse samenleving op een aantal punten een concrete vorm en inhoud gekregen. Sterker, het verwezenlijken van deze idealen staat nog steeds op de agenda van het hedendaagse politieke debat! En dat is ook terecht als we bedenken dat het hier om een heel ongewoon probleem gaat, waarmee we niet goed gewend zijn om te gaan.
Wij zijn gewoon om over problemen te denken als tijdelijke zaken, als situaties die van ons een handelend optreden eisen, zodat het probleem er na enige tijd niet meer is. Als een leerling een ingewikkelde wiskundesom heeft opgelost, als een promovendus de structuur van een complexe organische verbinding heeft opgehelderd, als een fietsenmaker een band heeft geplakt, als de regering het financieringstekort in een bepaalde periode met zoveel procent heeft teruggebracht, dan is het werk af. Het gaat dan om gewone problemen. De inrichting van onze samenleving, dus de vormgeving van duurzaamheid, van vrijheid, van sociale rechtvaardigheid, van democratie, van solidariteit, enzovoort, ís niet het soort probleem dat op een gegeven moment is opgelost, ís niet een werk dat na een bepaalde tijd af is. We kunnen ons niet permitteren om bijvoorbeeld de vrijheid die nu in onze samenleving is gerealiseerd, als 'af' te zien. Het zou een verstening betekenen, die juist tot onvrijheid kan leiden. Vrijheid behoudt steeds dat ideale moment en vergt juist daarom steeds weer herdefinitie en hervorming tegen de achtergrond van veranderingen bij onszelf en in de wereld om ons heen. Nog iets anders gezegd, het gaat niet om recepten voor de duurzame, vrije of rechvaardige samenleving, die slechts deskundig gevolgd behoeven te worden om bij een van tevoren vastgesteld punt uit te komen (zoals bij de opgeloste som, de geplakte band, de in kaart gebrachte structuur of het teruggedrongen financieringstekort). Nee, het gaat om ideeën, die steeds weer in de politieke openbaarheid vernieuwd moeten worden. De vormgeving van ons persoonlijke leven staat voor ditzelfde eigenaardige probleem: we kunnen niet, bijvoorbeeld op onze 21ste verjaardag, een definitie geven van wie we willen zijn en ons daar vervolgens receptmatig aan houden. "Nimmen kriget een wurklist faor syn libben" (Fries spreekwoord): niemand krijgt een werklijst voor zijn leven, die hij kan afwerken teneinde zijn leven op zinvolle wijze in te richten. Zoiets zou precies verhinderen waarop we uit zijn, namelijk een zinvol leven. Het hoort tot een zinvol persoonlijk leven en politiek samenleven om de ideeën die eronder liggen, die erin geïnvesteerd zijn, steeds weer te vernieuwen.
Zo plaats ik dus duurzaamheid als strijdkreet op het politieke niveau. In eerste instantie wordt er iets negatiefs mee gezegd: de wijze waarop we nu, mondiaal, maar met name in het Westen, samenleven, bevat fundamentele fouten, die de mogelijkheden van toekomstige generaties om hun leven op een redelijke manier in te richten, schaden. Zoals we het nu doen, kan het niet doorgaan; het moet anders en hoewel we dat andere nog niet positief vorm weten te geven, betitelen we dat alvast met 'duurzaamheid'. Het typisch nieuwe van dít ideaal is, dat de toekomstige generaties op het politieke toneel van nu gaan meedoen.

Duurzaamheid drukt wereldwijd een gevoel van bezorgdheid uit én een vaag beeld van een ander soort wereld. Maar hoe moeten we als samenleving dán tewerk gaan, als we geen helder beeld hebben van waar we naartoe willen? Pas door het doen van kleine stappen, waarvan we verwachten en hopen dat die aan grotere duurzaamheid zullen bijdragen, het toetsen van onze verwachting aan het feitelijk resultaat, het doen van nieuwe stappen, enzovoort, kunnen we een beter idee van duurzaamheid vormen. Zo is het ook met vrijheid en gerechtigheid gegaan. Door vallen en opstaan moeten we trachten een duurzame samenleving te bouwen en pas door dat te doen komen we meer van duurzaamheid te weten. Nogmaals, er is geen bestuurlijk-technische weg, alleen de politieke van een maatschappelijk leerproces. Duurzaam samenleven op allerlei niveaus - in primaire leefgemeenschappen, in bedrijven, in onderwijs, in gezondheidszorg, in de gemeente, in de landbouw, in de provincie, in de staat, in internationaal verband - moeten we al doende leren. Een wat mij betreft sprekend voorbeeld doet zich sinds de omwenteling in de Oosteuropese landen voor. In verschillende van die landen probeert men te leren wat het betekent om een democratie te zijn. En hoewel er al vele democratieën op de wereld gerealiseerd zijn (hoe gebrekkig men die ook kan vinden), blijkt heel duidelijk dat het inrichten van een democratische samenleving geen kwestie is van het overnemen en bestuurlijk-technisch implementeren van zo'n klaar liggend 'model'. Nee, daar is een individueel en collectief leerproces voor nodig, waarin de leden van zo'n samenleving leren hoe je democratie doet, hoe je staatsburger moet zijn, wat het betekent om privé-belangen van een afstand te bekijken en te confronteren met het algemeen belang, hoe je compromissen sluit, hoe je een debat aangaat zonder vuisten. Het copiëren van een voorbeeld helpt hier niets.
Ik denk dat het voor het debat over een duurzame samenleving van groot belang is, dit ongewone karakter van het probleem te onderkennen. Ons denken over problemen is immers heel sterk bestuurlijk-technisch gestempeld, ofschoon maakbaarheid een stevige knauw heeft gekregen.
De strijdkreet 'duurzaamheid', zo zou je kunnen zeggen, wil aanzetten tot zo'n maatschappelijk leerproces. In een democratie als de onze zijn daarvoor drie dingen onmisbaar:
- het openbare politieke debat, waarin duurzaamheid als onderdeel van het algemeen belang steeds meer vorm en inhoud moet krijgen;
- de maatschappelijke belangenstrijd, waarin compromissen tussen deelbelangen gesmeed moeten worden;
- het wetenschappelijke debat over duurzaamheid, waarin vanuit een onafhankelijke positie begripsmatige verheldering en Kritiek wordt ontwikkeld in relatie tot zowel het politieke als het maatschappelijke debat.

 

3. Duurzame landbouw

Met het laatstgenoemde punt zijn we terecht gekomen bij de relatie tussen de duurzaamheidsproblematiek en wetenschap; een relatie die ik wil toespitsen op de vraag naar de functie van de universitaire landbouwwetenschap voor het totstandbrengen van een duurzame landbouw.

Eind 1992 heeft de Landbouwuniversiteit zich, zoals eerder al opgemerkt, in haar missie expliciet geëngageerd met een duurzame landbouw. Sinds dat moment lijkt het erop dat op vele plaatsen serieus wordt geprobeerd om, zowel in het onderwijs als in het onderzoek, stapje voor stapje inhoud aan die missie te geven. Wetenschappers debatteren tijdens door Studium Generale georganiseerde mini-symposia over een duurzame landbouw in een schoon milieu, en bestuurders stimuleren de inhoudelijke vormgeving van duurzaamheid op alle niveaus, niet alleen in de toegepaste, maar ook in de fundamentele vakgroepen, niet alleen op program-, maar ook op projectniveau. Kortom, de Landbouwuniversiteit heeft gekozen voor het maatschappelijk engagement.

Maar dit is natuurlijk allesbehalve probleemloos! Ik doel dan niet op de kinderachtige reactie dat deze nieuwe missie puur een opportunistische zet is op weg naar een sterke positie op de markt van landbouw- en milieukundige kennis, technologie en ingenieurs. Het gaat mij om de kritiek dat door dit engagement het onderwijs en het onderzoek aan de Landbouwuniversiteit hun onafhankelijkheid zouden prijsgeven. Als je kennis wilt ontwikkelen en uitdragen die de samenleving nodig heeft om op duurzame wijze in haar behoeften aan voedsel en een goed leefmilieu te voorzien, lever je je als universiteit dan niet veel te veel uit aan de toevallige wensen van die samenleving; ga je je, in termen van paragraaf 1, niet veel te veel opstellen als producent van cognitieve goederen, die, in goede interactie met de cliënt, levert waar vraag naar is; moet het onderzoek wel achter allerlei maatschappelijke ontwikkelingen aanlopen, moet het niet veeleer in onafhankelijkheid zijn eigen koers uitzetten? Hier is inderdaad een serieuze kwestie aan de orde: verdraagt zo'n engagement met een duurzame landbouw zich eigenlijk wel met de onafhankelijkheid van het landbouw- en milieuwetenschappelijk onderzoek, dat aan de Landbouwuniversiteit plaatsvindt? Wat nu?
Ik denk dat onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek een essentiële bestaansvoorwaarde vormt voor elke moderne samenleving en voor dát onderzoek zijn de universiteiten de eerst verantwoordelijken - de Landbouwuniversiteit dus voor het onafhankelijke landbouw- en gerelateerd milieukundig onderzoek. Een democratie heeft juist een onafhankelijke wetenschapsbeoefening geïnstitutionaliseerd om inzichten te genereren die niet door de staat, een heersende religie, een belangrijke politieke visie of een machtig deelbelang inhoudelijk worden gestuurd - inzichten, die zich dus ook heel kritisch kunnen verhouden tot die maatschappelijke grootheden. Met zulke inzichten kan juist de kwaliteit van de democratische besluitvorming verhoogd worden. Onafhankelijk onderzoek is een belangrijke grootheid in onze democratie. Binnen 'de' politiek, binnen 'het' bedrijfsleven en ook binnen de Landbouwuniversiteit wordt naar mijn schatting deze waarde van onafhankelijkheid in verband met het universitaire onderzoek zeer breed gedragen.

Maar nu komt mijn stelling: juist die wetenschappelijke onafhankelijkheid verplicht de Landbouwuniversiteit om zich in haar onderzoek met de kwestie van een duurzame landbouw bezig te houden - voor een technische universiteit impliceert onafhankelijkheid engagement. Wetenschappelijke onafhankelijkheid is verplichtend.
Het heeft niets te maken met neutraliteit of met het idee van vrijheid van een wetenschappelijke groep om zelf te bepalen waarmee hij zich zal bezighouden in zijn onderzoek of met de ivoren toren van vroeger. Ik denk dat deze stelling voor velen nogal verrassend zal zijn en ik zal hem dus moeten verhelderen. Daartoe moet ik echter in de volgende paragraaf eerst een omweg bewandelen door wat meer zeggen over de aard van de landbouwwetenschappen. Daarna zal ook blijken, dat de Landbouwuniversiteit met haar missie een belangrijke lijn heeft uitgezet voor de toekomst van het landbouwkundig onderzoek.

 

4. Landbouwwetenschap

Ook landbouwwetenschappers spiegelen zich, als het om de wetenschappelijke status van hun vakgebied gaat, graag aan de natuurwetenschappen. Natuurlijk, ze weten best dat er verschillen zijn, maar niettemin benadert hun gebied in hun gedachten toch dat van de natuurwetenschappen. Dat wordt vaak uitgedrukt door landbouwwetenschappen als toegepaste natuurwetenschappen te kwalificeren. Ik denk echter dat het, juist ook in het kader van een toekomstverkenning, de moeite waard is iets precieser in te gaan op de verschillen tussen beide.
Het centrale doel van het natuurwetenschappelijk onderzoek, zo wordt vaak gezegd, is een verklaring van de natuurverschijnselen in de wereld om ons heen. Van valverschijnselen in huis en in het vrije veld, van oplos-, kook- en smeltfenomenen in de keuken, van verterings-, groei en overervingsprocessen in de stal of op de akker. Een verklaring van zulke verschijnselen is gevonden, wanneer de wetmatige verbanden (de natuurwetten), die als het ware in de diepte, áchter die verschijnselen liggen, zijn opgespoord. De natuurwetenschappen verklaren de verschijnselen door de wetten op te sporen, die, om het maar wat anthropomorf te zeggen, ervoor verantwoordelijk zijn dat die verschijnselen verlopen zoals ze verlopen. Deze wetten zijn op systematische wijze in de theorieën van de verschillende disciplines gerangschikt. De theorie van de mechanica levert ons een verklaring van valverschijnselen. De fysisch chemische theorie doet ons allerlei oplosverschijnselen begrijpen. De genetische theorie verschaft ons inzicht in overervingsverschijnselen en de fysiologie in de processen van spijsvertering. Natuurwetenschappelijk onderzoek wordt verricht vanuit een verklaringsperspectief. In de natuurwetenschappen gaat het om nomologische, op wetmatige verbanden teruggaande verklaring, om begrip en inzicht. En aangezien er een symmetrie bestaat tussen beide, impliceert de mogelijkheid om een bepaald verschijnsel te verklaren, óók de mogelijkheid om het optreden van zo'n verschijnsel in de toekomst te voorspellen *.
* Uiteraard moeten we hierbij niet alleen denken aan deterministische voorspellingen, maar ook aan statische voorspellingen en aan de voorspelbaarheid van de complexiteitstheorie.

Deze typering van de natuurwetenschappen eist echter een belangrijke precisering, vooral als we ons een beter beeld van de landbouwwetenschappen willen vormen. De natuurwetenschappelijke disciplines richten zich in feite niét op de verschijnselen in de wereld om ons heen, maar op een natuur, een wereld van dingen en gebeurtenissen, die door de natuurwetenschapper zelf met behulp van zijn theoretisch raamwerk in het laboratorium wordt uitgeprepareerd. De natuurwetenschappen zijn niet gericht op alledaagse natuurverschijnselen, maar op verschijnselen die zich voordoen in een abstracte natuur, een natuur die pas in het experiment waarneembaar wordt, dus onder precies gecontroleerde omstandigheden van het lab. Het is dié natuur - die door de Leidse filosoof Verhoog, gezien haar laboratoriumkarakter, onnatuurlijk wordt genoemd - waarvan de natuurwetenschappen verklaringen en voorspellingen leveren. Fysiologen, biochemici, genetici, microbiologen, fysisch chemici, enzovoort, hebben het over zuivere stoffen, over geïsoleerde fysiologische processen, over abstracte nutriënten, over fenomenen onder strikt gecontroleerde omstandigheden bij abstracte planten of dieren, over macromoleculen, over zuivere enzymen. De natuurwetenschappelijke natuur is een zeer abstracte, theoretisch ontworpen en experimenteel gerealiseerde wereld. Het laboratorium is de woonplaats van die abstracte natuur; niet de keuken, de fabriek, de stal of de akker. De wetenschapsfilosoof Ernest Nagel verduidelijkt dit punt met een simpel voorbeeld: we bezitten een uiterst verfijnde theorie van bewegende voorwerpen, maar niettemin zijn we daarmee niet in staat de bewegingen van dwarrelende herfstbladeren te verklaren of te voorspellen! Er is een groot verschil tussen de abstracte natuur van de natuurwetenschappen en de praktische natuur van alledag - tussen de wereld van puntmassa's en ideale bollen en die van dwarrelende bladeren en biljartballen in rokerige café's.
Pas als we deze afstand tussen natuurwetenschap en praktijk eenmaal ontdekt hebben, is het mogelijk om de eigen, theoretische taak van de landbouwwetenschappen te verhelderen. De landbouwkundige theorievorming is betrokken op natuurverschijnselen onder zeer complexe praktijkomstandigheden, in plaats van onder laboratoriumomstandigheden. Het gaat om verteringsverschijnselen bij mestvarkens, groeiverschijnselen bij cultuurgewassen of erfelijkheidsverschijnselen bij fokstieren. De landbouwwetenschappen proberen deze verschijnselen te verklaren (en te voorspellen) door het toepasbaar maken van natuurwetenschappelijke kennis. Men kan hier dus met enig recht van toegepaste theorievorming spreken. Ik kan in het verband van dit essay op deze theoretische taak van de landbouwwetenschappen niet uitgebreid ingaan, hoewel daaraan vele interessante facetten zitten, maar wil wel door middel van een soort gedachtenexperiment min of meer impressionistisch aanduiden, dat het hier inderdaad om een eigensoortige theorievorming gaat, gebonden aan het ontwikkelen van eigen begrippen, instrumenten en modellen.
Stel, we staan voor de taak om een biljartkunde te ontwikkelen in de vorm van een toegepaste mechanica. De begrippen van de natuurwetenschappelijke theorie zijn veel te abstract om die 'zomaar' te kunnen toepassen op de bewegingsverschijnselen op het biljart en de geïdealiseerde omstandigheden van het lab zijn zelfs niet bij benadering gerealiseerd. Anderzijds zijn de begrippen van de biljarters veel te onnauwkeurig om voor preciese, kwantitatieve beschrijving bruikbaar te zijn en zit hun kennis van de omstandigheden vrijwel geheel in hun armen, handen en vingers en niet in talige vorm in hun hoofd. We staan dus allereerst voor een heel eigen theoretisch probleem, namelijk de vorming van een consistent, kwantitatief begrippenstelsel, dat op bevredigende wijze de verschijnselen, onder de complexe omstandigheden van de café-billiards kan beschrijven. Met deze begripsvorming moet tegelijk de kloof tussen natuurwetenschap en praktijk worden overbrugd. Zó een conceptueel probleem is, denk ik, typisch voor de theoretische taak van de praktische (landbouw)wetenschap in onderscheid tot de theoretische natuurwetenschappen. Als U zich even realiseert met welk een hoeveelheid zeer complexe bewegingen - doorstoot, trekbal, effectbal, piqué, massé - de biljartkunde als te verklaren (en te voorspellen) fenomenen te maken krijgt, dan kan men minstens intuïtief een idee krijgen van de eigensoortige theoretische diepgang van zulk toegepast onderzoek. Maar het zal ook duidelijk zijn dat deze begripsvorming alleen kan slagen als we over een adequaat (meet)instrumentarium kunnen beschikken. Minimaal zal men een electronisch stuurbare keu moeten ontwikkelen, die allerlei stoten op precies instelbare wijze kan uitvoeren. Naast de conceptuele doemen er dus ook een instrumentatieproblemen op. En tenslotte zal voor dit onderzoek het ontwerpen van eigen modellen, zo enigszins mogelijk gecomputeriseerde simulatiemodellen, onontbeerlijk zijn.
Veeteeltkunde, veredelingskunde, tuinbouwkunde, gewasbeschermingskunde en andere landbouwkundige disciplines staan in de toegepaste theorievorming, waarmee ze pogen verschijnselen onder praktijkomstandigheden te verklaren en te voorspellen, dus voor deze drievoudige taak van eigen begripsvorming, instrumentatie en modelvorming. Die begripsvorming is niet gericht op een abstracte, maar op een praktische natuur, op een wereld van dingen en processen, die in een concrete cultuur ligt ingebed en die door het technische handelen van boeren wordt gestuurd. De landbouwwetenschap heeft een cultureel ontworpen natuur als onderzoeksobject. De natuurwetenschappen richten zich juist op een natuur, die verkregen is door te abstraheren van alle culturele en praktische elementen. De natuurwetenschappen kunnen voor hun theorieën universaliteit claimen, omdat ze op die abstracte natuur betrokken zijn. De landbouwwetenschappen zullen, in vergelijking hiermee, steeds een lokaal karakter dragen, maar dragen daardoor dan ook daadwerkelijk bij aan ons inzicht in praktische verschijnselen, wat van de natuurwetenschappen niet gezegd kan worden. Het zal duidelijk zijn, dat een streven binnen de landbouwwetenschappen naar steeds grotere universaliteit die wetenschappen ook steeds verder afvoert van de wereld van de praktische verschijnselen en tot een 'vernatuurwetenschappelijking' van die wetenschappen leidt.
Laat ik van dit landbouwkundig onderzoek een paar voorbeelden geven: onderzoek naar voortplantings- en eetgedrag van konijnen onder bepaalde huisvestingsomstandigheden; de invloed van stalklimaatsfactoren op warmteproductie en groeisamenstelling bij landbouwhuisdieren; de voeding van fokvarkens in verband met hun vruchtbaarheid; de fysiologische 'ouderdom' bij pootaardappels en het gedrag van de jonge plant onder andere na breking van de kiemrust; de fysiologie van snijmais in relatie tot productie en kwaliteit; de regulatie van voedselopname bij herkauwers. Steeds gaat het om theorievorming over dingen en processen uit de praktijk, niet om inizicht in een abstracte natuur. Soms wordt uit de formulering van de thema's expliciet duidelijk, dat het om waarderingskwesties gaat - dan duiken ineens termen als 'productie' en 'kwaliteit' op. Steeds ook is duidelijk, dat het onderzoek zijn positie heeft gekozen tussen de praktijk en de natuurwetenschappen in.

Deze theoretische taak van de landbouwwetenschappen is echter binnen die wetenschappen geen doel op zich, zoals dat in de natuurwetenschappen het geval is. In het landbouwkundig onderzoek gaat het niet alleen maar om een verklaring van natuurverschijnselen in de stal, de kas of op de akker, maar om de ontwikkeling van technische middelen om de verschijnselen uit de praktijk beter te kunnen sturen, beheersen of controleren. Het gaat in het onderzoek van een praktische wetenschap niet louter om een theoretisch doel, maar ook om een verbetering van de handelingsmogelijkheden in de praktijk waarop die wetenschap is betrokken. Het landbouwkundig onderzoek wordt verricht vanuit een rationaliseringsperspectief. Succesvolle theorievorming alleen is niet voldoende. Beter inzicht in wat er in de praktijk gebeurt, levert op zichzelf nog geen betere handelingsmogelijkheden. Inzicht in, bijvoorbeeld, de invloed van stalklimaatsfactoren op de warmteproduktie bij landbouwhuisdieren, levert nog geen adequater methode tot klimaatbeheersing. Daartoe is andersoortig onderzoek vereist - dat van de techniek-ontwikkeling, de technische innovatie - die aan rationalisering van de praktijk kan bijdragen. Daarin gaat het bijvoorbeeld om een methode voor een beter gebruik van bestrijdingsmiddelen in de tarweteelt, de ontwikkeling van een nieuwe methode voor de vegetatieve vermeerdering van tuinbouwgewassen, het ontwerpen van een methodiek ter karakterisering van de uiergezondheid bij melkvee of van een computergestuurde kunstmeststrooier. Hoewel ook voor deze technische kant van de landbouwwetenschap uiteraard een veel preciesere analyse nodig is, moet ik het hier bij deze globale aanduiding laten.
Een landbouwwetenschap is aldus via dat rationaliseringsperspectief onlosmakelijk met een praktijk verbonden. In de natuurwetenschappen is zo'n praktijk-binding juist doorgesneden door de schepping van een abstracte laboratoriumnatuur. In zijn afscheidscollege aan de Landbouwuniversiteit in 1994 maakt Zadoks ons ook attent op die dubbele taak van, in zijn geval, de gewasbeschermingskunde: enerzijds willen wetenschappers alles van ziekten en aantastingen van gewassen en planten begrijpen. Ze willen die verschijnselen, in mijn termen, kunnen verklaren. Maar op basis van die kennis moeten voor de praktische gewasbescherming oplossingen gegenereerd worden, die passen in het handelen van zoveel mogelijk individuele telers!

 

5. Een nieuwe taak voor de universitaire landbouwwetenschap

Wanneer we met deze dubbele taakomschrijving van de landbouwwetenschap - eigen toegepaste theorievorming en techniek-ontwikkeling - inderdaad die wetenschap enigszins juist getroffen hebben, dan worden we vervolgens geconfronteerd met een intrigerende vraag. Als de landbouwkundige disciplines gericht zijn op een verbetering via technische innovatie van de gewasbescherming, de veeteelt, de tuinbouw, de mesterij, enzovoort, dan dringt zich onherroepelijk de vraag op, welke notie van verbetering, welk idee van een rationelere praktijk daarbij dan wordt gehanteerd. Kortom, wat is de inhoud van het rationaliseringsperspectief, dat richting geeft aan het landbouwkundig onderzoek, in het bijzonder aan de technische innovatie? Wat is de normatieve grondslag ervan? Welke waarden geven richting aan het ontwerp van nieuwe en verbeterde technieken? Op een of andere manier heeft men, hoe impliciet, onbewust en verborgen ook, zo'n richtsnoer nodig bij de technische innovatie. Toch ontbreekt een systematische reflectie, een theorievormend onderzoek rond deze vragen vrijwel geheel. Zo verwonderlijk is dat niet, omdat met deze vragen het 'veilige' terrein van de feiten wordt verlaten en het altijd ietwat wantrouwig en vaak narrig bekeken gebied van waarden en normen wordt betreden. Ook in dit opzicht spiegelen landbouwwetenschappers zich immers graag aan de natuurwetenschappen. Maar ook hier is dat tot mislukken gedoemd. Een natuurwetenschapper kan, gericht als hij in zijn onderzoek is op een abstracte, praktijk-vrije natuur, redelijkerwijs volhouden, dat normatieve kwesties in zíjn onderzoek niet thuishoren. Een landbouwwetenschapper, die claimt bij te kunnen dragen aan een betere praktijk, kan niet zonder een normatieve inbedding. Als daarover niet bewust wordt nagedacht en als men zich van eigen normatieve uitgangspunten niet bewust is, dan is er dus sprake van normen die het onderzoek sturen, terwijl ze niet als zodanig herkend worden. Men koestert zich slechts in een schijn-neutraliteit.

Ik denk dat dit decennia lang na de Tweede Wereldoorlog het geval is geweest: een smal-economisch ingevuld rationaliseringsperspectief vormde onbewust de normatieve basis van het landbouwkundig onderzoek. Het ontwerpen van betere technische mogelijkheden voor de praktijk stond bovenal in het teken van een verhoging van de productiviteit. En inderdaad, vanuit deze smalle visie op een rationelere plantaardige en dierlijke productie is deze benadering uiterst succesvol geweest. Ze kon ook lange tijd rekenen op een brede maatschappelijke legitimatie. Het smalle perspectief was maatschappelijk zinvol.
Niemand betwist echter momenteel meer de stelling dat dit sterk economische rationaliseringsperspectief op zijn eigen grenzen is gestuit en in de landbouw geleid heeft tot een groot aantal irrationele gevolgen, waaronder vele vormen van onduurzaamheid.
De vanzelfsprekende, als zodanig veelal niet eens onderkende normatieve basis is onder het landbouwkundig onderzoek weggevallen, niet door een wetenschappelijke kritiek, maar door de maatschappelijke ontwikkelingen in de landbouw. En daarmee staan de landbouwwetenschappen, althans de universitaire, zoals ik zo meteen hoop duidelijk te maken, voor de uitermate lastige opgave een nieuw perspectief te ontwikkelen op een rationelere plantaardige en dierlijke productie. Een systematisch onderzoek op dit normatieve vlak lijkt onvermijdelijk geworden. Naast de twee normale taken van toegepaste theorievorming en techniek-ontwikkeling komt nu een derde, nieuwe onderzoekstaak: normatieve theorievorming over de rationalisering van de landbouw. En let wel, het gaat hier niet om een problematiek die van buitenaf - bijvoorbeeld door een ietwat wereldvreemde filosoof - op de onderzoeksagenda terechtkomt, maar om een kwestie die regelrecht met de aard van de landbouwweten-schappen als praktische wetenschappen verbonden is. Het gaat om een zaak die in het hart van het landbouwkundig onderzoek zelf verborgen ligt. Niettemin zal de uitdrukking 'normatieve theorievorming' bij velen onbegrip, ongeloof en irritatie oproepen: "Wat moet daaronder in vredesnaam worden verstaan en waarom zou dat nu ineens in het universitaire landbouwkundig onderzoek onvermijdelijk zijn?"

 

6. De onvermijdelijkheid van normatieve theorievorming

Ik begin bij de laatste vraag. Iemand zou de volgende redenering kunnen geven:
"We zijn het erover eens dat de landbouwwetenschap niet meer kan varen op het smal-economisch kompas. In feite gebeurt dit ook alllang niet meer zo extreem als, zeg maar, tien jaar geleden. Milieuvriendelijkheid en het welzijn van de landbouwhuisdieren hebben zich op zijn minst al een klein plekje verworven in een veranderend perspectief op de plantaardige en dierlijke productie, al blijft het wel enigszins beschamend dat dit niet primair onder invloed van een kritische reflectie van landbouwwetenschappers is gebeurd, maar veeleer onder de druk van verschillende maatschappelijke bewegingen. We zouden nu een radicale stap kunnen zetten: duurzaamheid moet de centrale norm voor het universitaire onderzoek worden in plaats van economische efficiëntie. De rationalisering van de landbouwpraktijk krijgt dan een nieuwe richting: de landbouwwetenschappen willen dienstbaar zijn aan de totstandkoming van een duurzame landbouw. Als we dit nu bewust afspreken - en precies dát lijkt in de missie van de LU te gebeuren - dan is een nieuwe normatieve grondslag gelegd en kan het onderzoek zich vervolgens op die basis aan zijn twee normale taken houden. Zoiets vaags als 'normatieve theorievorming' is dan onnodig."
Hoe begrijpelijk deze redenering ook moge lijken, ze miskent precies de aard van het probleem waarvoor we staan als we duurzaamheid voor de landbouw als richtlijn van ons onderzoek willen kiezen. In bovenstaande redenering lijkt het alsof het gaat om een kwestie van banden wisselen door een autocoureur - nu het is gaan regenen laat hij de nat-weer-banden monteren. Maar dát, zo heb ik in paragraaf 2 geprobeerd duidelijk te maken, is hier niet aan de orde. Duurzaamheid en ook het idee van een duurzame landbouw liggen niet, net als een stel banden, klaar in de schuur als een alternatieve normatieve grondslag. Het probleem is juist dat we voor verreweg het grootste deel nog moeten ontdekken wat een duurzame landbouw is. Er ligt hier dus wel degelijk een aparte, zij het voor landbouwwetenschappers ongewone onderzoekstaak.
"Maar waarom? Die stapsgewijze vormgeving van het idee van duurzame landbouw is toch primair een taak voor 'de spelers op het veld', dus voor politici, boeren, agribusiness en beheerders van de goene ruimte? Laat de landbouwwetenschappen, in goede interactie met deze actoren, inspelen op de problemen, die zich zowel op politiek niveau als op praktijkniveau bij die stapsgewijze vormgeving voordoen. Dan zal de landbouwwetenschap optimaal dienstbaar kunnen zijn aan de lanbouwpolitiek, landbouwpraktijk, aan de agribusiness en aan het natuurbeheer in de groene ruimte. Ze wil langs de weg van de technische innovatie aan het oplossen van praktische problemen, die zich op weg naar een duurzame landbouw voordoen, meewerken. Laat ze dus in samenspraak met de belanghebbenden komen tot een probleemformulering en vervolgens door onderzoek trachten een oplossing te vinden. Er ís helemaal geen aparte normatieve kwestie. Die is opgelost zodra in interactie met de cliënt een probleemformulering is overeen gekomen."

Dit, zou ik zeggen, is het model van een ingenieursbureau voor vraagstukken uit landbouw en groene ruimte. En er is uiteraard niks tegen zulke ingenieursbureaus. Alleen geloof ik niet dat ze model kunnen staan voor het universitaire landbouwkundig onderzoek. Ik denk zeker, dat ook dát onderzoek aan betekenis kan winnen door een brede, veelzijdige interactie met de praktijk, maar als het universitaire onderzoek zijn onafhankelijkheid juist ook dan wil bewaren, is een zelfstandige theorievorming over de duurzame landbouw op alle schaalniveaus onontkoombaar. Daarzonder is de kans dat het onderzoek zich toch weer onbewust met bepaalde waarden verbindt en zo, zij het dan ongewild, zijn onafhankelijkheid verliest, levensgroot aanwezig. Als de LU zich, mijn inziens terecht, mede verantwoordelijk voelt voor de huidige crisis in de landbouw, dan zou ze daaruit in de allereerste plaats moeten leren dat er ook in de landbouw meer onder de zon is dan techniek. Of, beter gezegd, dat de techniek-ontwikkeling in het verleden gebonden is geweest aan een niet goed doorziene en niet kritisch doordachte normativiteit en dat dat niet weer mag voorkomen.
Men kan niet alletwee tegelijk hebben, onafhankelijkheid én vrijstelling van normatieve reflectie, om de simpele reden dat pas in de normatieve reflectie de onafhankelijkheid inhoud krijgt. De onafhankelijkheid van het universitaire onderzoek is niet een waarde die er is of niet is - ze moet in het onderzoek gerealiseerd worden!
Als de LU bewust kiest voor 'duurzame landbouw' als richtsnoer voor haar onderwijs en onderzoek en als ze tegelijkertijd haar onafhankelijkheid tegenover politiek en praktijk wil bewaren, dan is een systematische reflectie op de normatieve vragen die met die duurzame landbouw verbonden zijn, inderdaad onvermijdelijk.

 

7. Normatieve theorievorming

Goed, er moge een zekere logica zitten in de redenering die tot de stelling voert dat een onafhankelijke landbouwwetenschap vastzit aan een normatieve theorievorming over een duurzame landbouw. Toch blijft die redenering volledig abstract zolang onduidelijk is wat we ons bij zo'n theorievorming zouden moeten voorstellen. Voor natuurwetenschappelijk en technisch geörienteerde onderzoekers lijkt het niet anders dan een contradictio in terminis. Theorieën zijn begripsmatige en wetmatige stelsels, die betrokken zijn op een wereld van feiten. Theorie is theorie van Newton, van Einstein, van fysiologie of genetica.
Maar er is meer theorie onder de zon. In paragraaf 4 heb ik al kort gewezen op de eigensoortige, meer locale theorievorming van de landbouwkundige disciplines, maar dat is bij lange na niet alles. Om maar bij mijn eigen vak te beginnen: daarin spreekt men over wetenschapstheorie, over kennistheorie en over waarheidstheorieën. De opvoedkunde kent zijn opvoedingstheorieën, de literatuurwetenschap zijn literatuurtheorie, de politicologie zijn democratietheorieën en de onderwijskunde zijn onderwijstheorieën. Maar wat is dat, wat in deze wetenschappen 'theorie' wordt genoemd? Heeft dat nog wel iéts te maken met de natuurwetenschappelijke theorie?
Laten we eens een boek inkijken, waarin zulke theorieën staan, bijvoorbeeld 'Theories of democracy'. In dat boek vinden we, kort gezegd, systematisch-argumentatieve verhandelingen over de vraag wat democratie is. Het gaat dus om zo scherp mogelijke analyses van het fenomeen democratie. Kenmerkend hierbij is, dat het voor natuurwetenschappers zo vanzelfsprekende verschil tussen de wereld van de feiten en die van de normen en waarden niet meer goed te maken is. Fenomenen als democratie, opvoeding, wetenschap en literatuur bevinden zich niet in een keurig afgepaald gebied van feiten en zijn evenmin louter normatief. Dergelijke menselijke maaksels verenigen beide en een theorievorming erover stuit dan ook zowel op feitelijke als op normatieve kwesties. De vraag wat democratie is, impliceert de vraag wat het hoort te zijn. De theorieën die we hier aantreffen zijn dus normatief-feitelijke begripsanalyses en geen nomologische theorieën, zoals in de natuurwetenschap. Toch is het eigene van de theorievorming in de politicologie hiermee nog niet in beeld gebracht. Het gaat in deze en verwante vakgebieden niet om de uitbouw, verfijning, kwantitatieve precisering en amendering van één theorie - zoals normaliter in de natuurwetenschappen het geval is - maar om een debat tussen en over verschillende theorieën. Theorievorming in de politicologie is het zich steeds verder ontwikkelende debat tussen verschillende democratietheorieën. In de natuurwetenschappen spreken we over dé quantummechanica, over dé geometrische optica, over dé genetica en dan hebben we het over gevestigde standaard-theorieën, die het onderzoeksveld domineren. Maar op deze andere onderzoeksvelden wordt altijd over theorie in meervoud gesproken en het onderzoek bestaat uit het leveren van argumentatief onderbouwde bijdragen aan dat debat over democratie, opvoeding, wetenschap, literatuur of onderwijs. Er is dus sprake van een pluriformiteit van met elkaar argumenterende theorieën om langs die weg beter inzicht te krijgen in verschijnselen als democratie, wetenschap of opvoeding.
Maar, zo zullen meer natuurwetenschappelijk geschoolden vaak vragen, is het nu wel terecht om zulke systematisch-argumentatieve verhandelingen de naam 'theorie' te geven? Waarom noem je die niet gewoon visies? Het gaat in feite toch om een strijd tussen verschillende visies op verschijnselen als democratie en literatuur? Zoals ik ook al in paragraaf 2 in verband met het duurzaamheidsbegrip heb opgemerkt, is een discussie over woorden veelal niet interessant, maar hier zou ik toch op inhoudelijke gronden voor handhaving van het theoriebegrip willen pleiten; 'visie' is een veel te vrijblijvende term om te treffen waarom het gaat. Zo'n systematisch-argumentatieve verhandeling claimt geldigheid voor de uitspraken die erin gedaan worden. Die claims worden niet als vrijblijvende ideetjes, maar áls waarheids- of (normatieve) juistheidsclaims in het pluriforme debat, de eigenlijke theorievorming, ingebracht. Daar worden ze getoetst op hun houdbaarheid. Daar worden ze geamendeerd, verder ontwikkeld, gecorrigeerd of verworpen. Van een visie is het in het algemeen niet de bedoeling om hem in een onafhankelijke, argumentatieve ruimte kritisch te toetsen en verder te ontwikkelen. Dát is nu precies voor theorievorming kenmerkend.
Voor velen is het misschien gek, maar ook zo'n pluriform debat, waarin geen theoretische eensgezindheid bestaat, kan toch leiden tot groter inzicht in het in dat debat onderzochte verschijnsel. Als je eenmaal een boek over democratie hebt bestudeerd, waarin dus vele theorieën met elkaar debatteren, dan ben je inderdaad in staat om allerlei politieke gebeurtenissen beter te begrijpen en er op ietwat zinniger wijze je mening over te vormen. Die theorievorming vergroot dus, net als natuurwetenschappelijke theorieën dat kunnen, je inzicht in de wereld om je heen en heeft daarmee ook een praktische waarde.
Het verschil is natuurlijk, dat het in die pluriforme debatten niet allen maar over feiten, maar ook over normen en waarden gaat. Het is een normatieve theorievorming over belangrijke menselijke maaksels als democratie, wetenschap, opvoeding, enzovoort.
Ook de landbouw is zo'n menselijk maaksel, waarin feitelijkheid en normativiteit aan elkaar geklonken zijn en waarover een normatieve theorievorming in boven bedoelde zin wezenlijk bij de landbouwwetenschap hoort
. In zo'n pluriform debat over een rationelere, duurzame inrichting van de plantaardige en dierlijke productie kunnen engagement en onafhankelijkheid met elkaar worden verzoend. Juist door dit onderzoek kan de LU haar eigen wetenschappelijke identiteit, waarover ze zo vaak onzeker is, inhoud geven. De onafhankelijkheid markeert haar universitaire status, het engagement haar praktische betrokkenheid.
In paragraaf 2 merkte ik op, dat voor een duurzame samenleving en ook voor een duurzame landbouw drie dingen nodig zijn: politiek debat, maatschappelijke belangenstrijd en wetenschappelijk debat. Dit laatste heb ik in het bovenstaande in de vorm van normatieve theorievorming over een duurzame landbouw enigszins uitgewerkt. Maar de wereld wordt niet anders door wetenschappelijk debat alleen. De taak van dat debat is de voeding van politiek debat en belangenstrijd met pluriform inzicht en kritiek.

 

8. Tot slot: in concreto

Wat betekent dit nu voor de toekomst van de universitaire landbouwwetenschap in concreto? Ik doe een poging het hierboven uitgewerkte idee voor onderzoek en onderwijs te operationaliseren.

Onderzoek

De Landbouwuniversiteit vormt een denktank voor deze nieuwe onderzoekstaak van normatieve theorievorming over een rationelere inrichting van de landbouw ('agribusiness en groene ruimte' als U wilt). Zij maakt hiertoe gedurende vijf jaar drie formatieplaatsen vrij. Op deze plaatsen worden mensen aangesteld, die er in woord en geschrift blijk van hebben gegeven, dat zij zich betrokken voelen bij de toekomst van de landbouw en daarover zinvolle gedachten kunnen formuleren. De te benoemen personen moeten voor een substantieel deel van hun tijd worden aangesteld, opdat dit onderzoek niet in incidenten blijft steken. Een groot aantal benoemingen voor één dag in de week bijvoorbeeld, geeft geen 'body' aan dit, in de context van de landbouw experimentele onderzoek. De opdracht voor de denktank luidt: i. Schrijf een bundel systematisch-argumentatieve verhandelingen onder de titel "Theories of a sustainable agriculture"; ii. Organiseer jaarlijks een openbaar debat aan de LU naar aanleiding van een geschrift waarin de inhoudelijke vorderingen van het afgelopen jaar worden uiteengezet.
Zo moet aan de Landbouwuniversiteit een permanent, sprankelend debat opbloeien als nieuwe vorm van onderzoek van een duurzame landbouw. Een debat dat door zijn kritisch-argumentatieve karakter tot steeds beter inzicht moet leiden. Dit impliceert, het zij nogmaals benadrukt, een theoretische pluriformiteit en niét de creatie van één theorie, die het debat beslecht - het intreden van zo'n situatie zou vrijwel zeker op een dogmatisering duiden.
Stel, dat dit debat in de herfst van 1992 meteen op systematische wijze, dus met een substantiële personele investering, van de grond was gekomen, zouden we dan nu niet de beschikking hebben over een veel beter ontwikkeld begrippenkader, over veel preciesere vraagstellingen, over veel samenhangender theorieën met betrekking tot een duurzame landbouw?

Onderwijs

De Landbouwuniversiteit creëert de mogelijkheid van een extra studiejaar voor studenten, die hun eigen studie met meer dan gemiddeld succes hebben afgerond en die belangstelling hebben voor de problematiek van de landbouw in de toekomst. Kandidaten voor dit extra studiejaar moeten hiernaar solliciteren middels een door hun te schrijven essay over een facet van duurzame landbouw. Zij die worden toegelaten werken een jaar onder leiding van medewerkers van de denktank. Ze ronden dit kopstudiejaar af met een scriptie.
Op deze wijze kan eindelijk ook een idee, dat steeds weer in discussies over onderwijs aan de orde komt, maar even vaak ook niét wordt gerealiseerd, enigszins een kans krijgen, namelijk dat van een generalistische opleiding in de landbouwwetenschap. Voor studenten die de bekwaamheid hebben om generalist te worden, is er dan toch de mogelijkheid om na een specialistische studie hun talenten op algemeen landbouwkundig niveau te ontwikkelen.
In feite heb ik in deze bijdrage niet veel meer gedaan dan enige inhoudelijke consequenties trekken uit de keuze voor een duurzame landbouw in de missie van de LU. Ik heb hiermee de woorden van het Strategisch Plan serieus genomen en dan blijkt dat er op het vlak van de daden nog een en ander verwacht mag worden!
Zal dit nu ook leiden tot een sterke positie van het universitaire landbouwkundig onderzoek in 2010? Het antwoord hangt af van een andere kwestie. Als onze samenleving de weg naar een duurzame samenleving gedecideerder gaat bewandelen en duurzaamheid als ideaal tegenover een oprukkend marktdenken kan blijven handhaven, dan kan een onafhankelijke normatieve theorievorming over een duurzame landbouw in die samenleving een hoog gewaardeerd goed zijn. Of duurzaamheid de komende vijftien jaar, niet alleen op het kleinste niveau van de persoonlijke levensstijl, maar ook op het mondiale niveau, zal uitgroeien tot een waarde met de status van bijvoorbeeld sociale rechtvaardigheid, is wat mij betreft onzeker. Die onzekerheid is voor de Landbouwuniversiteit gelukkig geen reden geweest om zich niet te engageren.

 

[NRLO Home]